Monsters

23 juli 2011


Zet een paar duizend man in de gietende regen en wat krijg je? Een vrolijke massa. Op voorwaarde dat die massa kan beschikken over ongelimiteerde voorraden Irish coffee.

De Vlasmarkt als openluchtdisco. Dankzij het sfeerlicht valt de regen niet op.

“Excuseer, bent u hier uit de buurt?”, vraag een man met een Antwerpse tongval.

“Jazeker”, antwoord ik.

“Ik ben m’n auto kwijt. Hij staat geparkeerd in een laan met tramsporen en bomen in het midden. Er is een stuk waar ge maar dertig moogt rijden.”

Ik probeer de bestuurder niet te ontmoedigen door te zeggen dat er in Gent wel duust stukken straat aan die beschrijving beantwoorden. “Wel, als u de volgende straat naar links inslaat, en de hele tijd rechtdoor stapt, komt u uit op een laan die min of meer aan uw beschrijving beantwoordt”, zeg ik optimistisch, goed wetende dat het leven van deze mens definitief verwoest is. Hij zal z’n wagen nóóit nog terugvinden, hij zal nimmer meer thuis geraken en voor de rest van zijn verdoemde bestaan doolt hij voortaan door de grauwe straten van het post-industriële Gent, voortdurend aan wildvreemden vragend waar hij zijn automobiel achtergelaten heeft.

Met moeite een kilometer verder hoor ik achter mij geschuifel. “Hey, gij daar met uw leren frakske en uw blonde krullen.” Mensen die schuifelen als ze iets willen vragen, zijn van een provinciale lompheid die verantwoordt dat ze even genegeerd worden. Is “Excuseer, mijnheer” nu werkelijk zo moeilijk?

Uiteindelijk draai ik mij toch om. Ik zie een dwerg – maar geen klinische – in een korte broek. “Ja?”

“Hoe geraak ik in Zelzate?”

Met haar stralende ogen brengt Anne-Marie een beetje warmte op de Vlasmarkt.

Ik trek een wenkbrauw op. “Goeie vraag. Hoe dacht ge daar precies te geraken?”, vraag ik met een subtiele blik op z’n korte beentjes.

“Met de bus.”

Ik stel de man gerust: dat ik het niet weet vanwaar er een bus naar Zelzate vertrekt. “Maar als ge de tramsporen blijft volgen, zult ge er op den duur wel op uitkomen”, leg ik uit.

Met plezier laat ik de onbeleefde kabouter aan z’n lot over en vervolg mijn weg richting Vlasmarkt. Het is de hele nacht droog gebleven, maar bij mijn aankomst daar begint het zowaar te regenen. Van overdadig zomerweer zal er ook deze ochtend geen sprake zijn.

“We hebben te maken met anabuvisme“, merkt Vincent op.

“Dat is een aardig neologisme. Wat betekent het?”

“Het betekent ‘zomerse dranken nuttigen in winterse omstandigheden’. Zoals wij hier nu staan te doen”, rilt Vincent.

“Aha, je zou dus kunnen zeggen dat de Gentse Feesten 2011 een anabuviale toestand zijn?”

“Inderdaad”, knikt Vincent.

Ik bedank hem voor zijn bijdrage en vraag me af wat Boris, een personage dat de vorige jaren ook al eens mocht opdagen, te zeggen heeft.

Boris staat met opgeheven hoofd op Vlasmarkt. Deze bink buigt niet voor wat regendruppels.

“Oudenaarde is de ruggengraat van de Vlasmarkt”, poneert Boris zonder blikken of blozen.

Kevin, zelf een kind van de Vlaamse Ardennen, beaamt dat volmondig. “Maar natuurlijk is dat zo. Mensen uit Oudenaarde houden de Feesten overeind.”

Ach, vrees ik, met of zonder Oudernaarderezen, veel is er niet meer overeind te houden aan de Gentse Feesten editie 2011. De regen heeft ze genekt. Toch blijven er altijd mensen die die simpele waarheid ontkennen, zoals Jan, die een ostentatieve zonnebril draagt. “Dan blijft het langer donker”, verklaart Jan. Het daglicht wordt inderdaad met de minuut sterker.

Wanneer mijn aanwezigheid gevraagd wordt op de dj-toren kan ik even ontsnappen aan het neergutsende hemelwater. Boris mag niet mee naar boven. De ontgoocheling in zijn ogen is niet te verdragen door mensen die er nog geen gewoonte van hebben gemaakt anderen te ontgoochelen. Ik heb er met andere woorden geen problemen mee.

Boven zie ik een Antwerpenaar in kostuumpak met ontzetting uitkijken over de dansende, doorweekte massa. “Dit is het ultieme fanatisme”, bazelt de man, die voor een grote drankenfirma werkt, hoofdschuddend.

“Maar neen, dat zijn gewoon de Gentse Feesten”, weerleg ik met grootstedelijk blasé.

Tom Verbruggen verdient andermaal een pluim om bier te halen. Ook zijn fotografisch werk mag op mijn lof rekenen. Edmond Cocquyt Jr. blijft dan weer netjes in zijn rol van authentiek Gents curiosum. De Heer heeft van elk zijn getal nodig.

Als ik me weer op de begane grond begeef, klampen enkele studenten journalistiek me aan. “Welnu, sinds 1948 hebben vrouwen stemrecht. Maar nog altijd beschikken ze niet over eigen pissijnen op de Gentse Feesten. Wij vragen ons af hoe dat komt”, steekt Michael Lombaerts van wal. “Durven ze niet opkomen voor zichzelf? Is het dat?”

“Goed mogelijk”, antwoord ik. Ik zeg hen hun bijdrage te appreciëren, maar krijg in ruil niet eens een pintje aangeboden.

"Ik ben bang", huivert Nimrodiensis als hij met een ongure autochtoon op de foto moet.

Ik richt mijn aandacht op Nimrodiensis Maximalis, het hoofdpersonage van de Gentse Feesten van verleden jaar. Hij is speciaal opgestaan om in alle friste te kunnen genieten van het volkse feest op de Vlasmarkt.

“Er lopen hier veel monsters rond!”, constateert Nimrod met enige huivering. “Mensen die rare bekken trekken. ‘k Ben bang!”

Van Bert heeft Nimrodiensis echter niets te vrezen. De goedmoedige metalbassist kuiert onverstoorbaar door de plensende regen. “Het geheim van goede Feesten”, zo zegt Bert, “zijn goede schoenen. Vorig jaar had ik slecht schoeisel aan. Het plakt nog altijd aan de vloer. De schoenen die ik nu draag, zijn comfortabel en blijven droog.”

“Ze zien er wel wat sullig uit”, merk ik op.

Bert haalt z’n schouders op. “Zolang ik er comfortabel mee naar de Gentse Feesten kan, maakt dat niet uit.”

Nima en Maarten krijsen het uit van schrik als ze beseffen dat er weer een nieuwe nacht voorbij is. "Wij zijn bang!"

Bert verlaat de Vlasmarkt, net als vele anderen. De muziek is inmiddels gestopt. Een buitenlandse bezoeker schreeuwt boos naar de dj-toren: “It’s a graveyard over here! Give us some music, man!” Zijn schreeuw valt in goed gesoigneerde dovemansoren.

“Rien ne pleut plus”, laat Nimrod zich ontvallen als het ophoudt te regenen.

“Vanwaar ben jij afkomstig?”, vraagt Boris.

“Kortrijk. Ik representeer de stad als het ware”, antwoordt Nimrod.

“In uw blote mouwen dan nog.”

“Mooi zo, Boris, die schrijf ik op. ‘Blote mouwen’. Zoveel poëzie op dit uur van de dag, hoe is het mogelijk”, becommentarieer ik.

Ik krijg een dreigende blik terug. “Gij zijt veel te vriendelijk”, oordeelt Boris met afschuw.

“Hoezo?”, vraag ik.

“Hier een beetje nuchter de scherprechter van de zatte mensen komen uithangen…”, gromt hij.

Voor het tot een bloedige broederstrijd komt, vrolijkt Ineke onze harten op. “C’est moi, le Kinky Star”, lacht ze als een ontheemde jongeman vraagt of het gelijknamige café nog open is. “Mais je suis fermée!”

Maar Inekes vreugdevolle aanwezigheid kan niet voorkomen dat twee mannen opeens met elkaar op de vuist gaan. Ze slaan vol op elkaars wezen. Ik probeer tussenbeide te komen, maar geen avance. Uiteindelijk zijn er drie sfeerbeheerders nodig om de ene agressieveling in bedwang te houden. De andere is fluitend van het plein gewandeld.

Kevin haalt op de hem eigen wijze – eerst de ene, dan de andere – zijn schouders op. “Kom, laat ons een ontbijt nuttigen. Ik trakteer.”

Een anders uiterst stijlvolle dame heeft nogal wat ladders en gaten in haar luipaardpanty's.

Een uitstekend plan. Daar zitten we dan in Broodpunt aan de Ottogracht. “Boomtown en BataMatiQ zijn de enige twee projecten tijdens deze Gentse Feesten met een deftige programmatie”, vindt Kevin. “Al de rest is shit.”

Hij betreurt dat BataMatiQ zo hard getroffen wordt door de regen. “Voor 80 euro drankbons in vier uur tijd, da’s dramatisch, man”, zucht de goedmoedige Oudenaarderees.

Maarten Quaghebeur, die mee aan tafel schuift, is evenmin enthousiast. “De Gentse Feesten zitten in hun slechtste editie sinds vele jaren. Organisatoren hebben een heel jaar gewerkt, maar kunnen het potentieel er niet uithalen.” Er is echter niet alleen het slechte weer. “Gent zal ook moeten nadenken over waar het naartoe wil met de Feesten: een braderij of een sterk inhoudelijk aanbod.”

“De Gentse Feesten zijn op sterven na dood”, orakelt Kevin. “Wat een bloedarmoede dit jaar!”

“Ik weet hoeveel subsidies sommige organisatoren krijgen. Maar als ik hun programma bekijk, is het precies alsof ik 1998 beland ben. Da’s dertien jaar geleden”, benadrukt Maarten. Hij nodigt me uit op zijn Boomtown, waar Kevin straks de avond zal presenteren.

Mijn uiterste best zal ik doen, zo beloof ik. Maar diep in mezelf weet ik reeds: schrijven is wat ik zal doen en de rest van de dag zal opgaan aan schrijven. Of er mentale ruimte overblijft voor een popfestival, valt sterk te betwijfelen. Niet dat ik niet van popmuziek houd, maar ik wil m’n energie sparen voor de Vlasmarkt.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: