Dadelwijn


Vandaag in De Morgen: een dubbelreportage over Iran. Eline Delrue over hoe het daar is als vrouw, ik vertel hoe mannen zich in het oude Perzische rijk kunnen amuseren. Hoe? Door te zuipen, tiens.

Het verslag van Eline lees je op haar eigen blog. Hieronder staat de lange versie van de reportage die vandaag in de gazet verschenen is.

Ruim dertig jaar geleden liet Iran de vaart der volkeren plotsklaps aan zich voorbijgaan. Ondanks de jaren van isolement voelt het voormalige Perzië verrassend eigentijds aan. Voor mannen althans.

Mannen mogen zonnen slechts gehuld in een zwembroek. Vrouwen moeten altijd ingepakt zijn.

“Een middeleeuws land waar ze rondrijden met Peugeots”, antwoord ik met een kwinkslag als Taghi me vraagt wat mijn beeld is van Iran. Reisleider Nima, de zoon van Taghi, schiet in de lach.
Taghi zelf grijnst een beetje wrang. Ja, hij voelt nog genegenheid voor het land dat hij in 1986 ontvluchtte met vrouw en kind – Nima was toen vijf jaar oud. Tegelijk vindt hij nauwelijks genoeg woorden om zijn verachting voor het regime uit te drukken. De linkse student van toen blijft het voortbestaan van de islamitische republiek ervaren als een nederlaag. Na al die jaren zegt hij nog altijd met evenveel vuur: “Islam en democratie gaan niet samen, en ik ben voor democratie!”
Het gezin belandde in België. Louter toeval, want om het even welk westers land had volstaan als alternatief voor het Iran van de ayatollahs. Het lot heeft het gezin hier gebracht en hier zijn ze gebleven. Nima en jongere zus Jasmin spreken met trots het dialect van de streek waar ze grootgebracht zijn: het Kortrijks. Toch zullen ook zij voor de rest van hun leven Iraniër zijn. Niet omdat het Farsi – ofte de taal van de Perzen – hun eigenlijke moedertaal is, wel omdat hun Belgische identiteit niet bestaat voor de Iraanse overheid. In Iran zijn hij en Sami Iraniërs en niets anders. Dat heeft een groot voordeel: zij hebben geen administratief hindernissenparcours af te leggen om een visum te bemachtigen. De zes vrienden die in Nima’s kielzog Iran zullen ontdekken, moeten zich wel onderdanig schikken naar de grillen van de ambassade in Brussel.

De groep twijfelt echter om tout court een aanvraag in te dienen. De vliegtickets zijn reeds lang geboekt, maar in februari breken er rellen uit in Iran. Er vallen drie doden en de rust lijkt niet snel te zullen terugkeren. “Als de huidige situatie aanhoudt of escaleert, ga ik hoogst waarschijnlijk zelf niet”, mailt Nima. De reis waar we al zolang naar uitkijken, hangt aan een zijden draadje. Dat het reisgezelschap twee journalisten bevat, wekt evenmin vertrouwen bij de anderen.
Uiteindelijk wint onze nieuwsgierigheid het van de onzekerheid. De rellen in Iran hebben nooit het momentum bereikt van de protesten in de Arabische wereld en we spreken één regel af: als Nima gaat, volgen wij ook.

Enkele maanden later zitten we met ons exotisch Iraans visum op de trein richting Zaventem. Dan al heeft Sami last van stress. “Telkens als ik terug naar Iran ga, ben ik de week tevoren ziek en kan ik niet eten”, zucht ze. Hoewel ze blij is dat ze haar ouders, broer en zussen na een lang jaar zal weerzien, drukt de angst op haar gemoed. Ze weet nu al dat ze in Iran nauwelijks een oog dicht zal doen. “Het kán toch niet dat je bang moet zijn voor je eigen volk? De mensen daar kennen me niet zoals ik ben”, zegt ze met droeve ogen.

Een man die te lang op drakenjacht is geweest, zit als een plant in een bloemenperkje.

We hebben een tussenstop in Istanbul. Op de luchthaven valt het mij op hoeveel moslimmannen rondlopen in religieuze klederdracht. Wat zal dat dan geven in Iran? “Ach, waarschijnlijk pelgrims op weg naar Mekka”, verduidelijkt Nima. De volgende dag krijgt hij gelijk: in de straten van Teheran zien we nauwelijks religieus geklede mannen. Hier en daar schrijdt een mullah in lang gewaad door het straatbeeld, maar zeker de jonge Iraniërs zijn moderner gekleed dan ik. De vrouwen zijn wél netjes ingepakt. De allesbedekkende chador spotten we vooral in de armere buurten van de miljoenenstad.

In een park maken we voor het eerst kennis met de Iraanse gastvrijheid. Schuchter komen twee studentes naast me wandelen. “Welcome in Iran”, groeten ze. Ze voelen zich bijna beschaamd dat wij Iran bezoeken. Maar nog meer voelen ze zich vereerd. Even later komt ook een student wiskunde een praatje slaan, maar Nima is ’m liever kwijt dan rijk omdat hij te veel vragen stelt.

Al na één dag ben ik eraan gewend dat Eline rondloopt met een hoofddoek. Automatisch begin je mee te controleren of die goed zit. “Pas op, je hoofddoek zakt af”, waarschuw ik af en toe. “Dank u”, krijg je dan te horen. De onzichtbare dreiging van de Basidj, het vrijwilligersleger dat toeziet op de zeden, levert waakzame mannen dankbaarheid op als zij die dreiging mee in stand helpen houden. Een pervers, maar praktisch mechanisme. Iedereen is medeplichtig.

Op restaurant wil ik Eline een kus geven, maar net op tijd besef ik dat dat hier niet past. Als koppel laat je in het openbaar beter niet blijken dat je een koppel bent. Een boze grijsaard berispt een jong, mondain paartje dat hand in hand op straat wandelt. Hoe houden de mensen het vol?

Al op de eerste avond zien we hoe: Iraniërs zijn dol op privéfeestjes. We zijn uitgenodigd bij Afsaneh, een vriendin van Sami. Ze woont met haar man Reza in een mooi appartement in een van de nieuwe wijken die in gestaag tempo oprijzen uit de droge grond rond Teheran. We krijgen een massa heerlijke Perzische spijzen voorgeschoteld en onze gastheer tovert een fles rode wijn tevoorschijn. “Mijn vader koopt druiven en maakt er wijn van”, legt hij uit. “Dat is illegaal, maar als niemand het ziet, gebeurt het zeer vaak. Alcohol drinken is een van de vele dingen die niet mogen, maar die in overvloed gebeuren.”

Als Iraanse dames zingen, is het de gewoonte dat de man des huizes plaatsneemt onder de salontafel.

Een flesje wijn kraak je hier nochtans niet zonder risico: als de politie je betrapt, wordt je woning in beslag genomen. Maar Reza haalt zijn schouders op: “De politie kan onmogelijk elk huis controleren.” Om een en ander in perspectief te plaatsen: de agglomeratie Teheran telt zo’n 15 miljoen inwoners. Bang om betrapt te worden zijn ze dus niet. “We moeten alleen opletten dat we niet dronken worden”, grijnst Reza. De buren zijn niet op de hoogte van alcoholgebruik, tenzij het goede vrienden zijn. “We halen de wijn enkel boven bij vrienden. Het enige risico is misschien wanneer je een feestje geeft. Dan kunnen buren klagen over te veel lawaai.” Onze ervaring zal nog leren dat de Iraanse normen voor geluidsoverlast hoog liggen.

Dat de Iraanse normen voor een rijbewijs zeer laag liggen, merken we op de terugrit naar huis. De taxichauffeur bladert rustig in zijn map vol gekopieerde cd’s terwijl hij over de autosnelweg scheurt. Op een bepaald moment lijken we recht op de berm af te stevenen. Pas op het allerlaatste nippertje neemt de onverlaat zijn stuur weer vast en vliegen we een afrit op. Zolang je gedrag maar zedelijk is, mag je hier doen wat je wilt. Hoewel, ayatollah Ali Khamenei beledigen doe je hier allicht evenmin ongestraft. Terug in het hotel kan een van de reisgenoten een licht plaagstootje echter niet laten. “I want to speak to the manager”, zegt Peter met uitgestreken gelaat tegen de receptionist van het hotel, wijzend op het portret van de Opperste Leider. Een slappe lach is mijn deel, de doodstraf blijft uit.

We arriveren heelhuids in Esfahan, onze volgende etappe. Al van op de busterminal staren jonge vrouwen – zedig in chador – me nieuwsgierig aan. Niet als een aap in de zoo, maar als een object van begeerte. Dat voelt vreemd, maar niet onprettig. In de Armeense buurt waar ons hotel ligt, krijg ik zelfs een kushandje toegeworpen van een geblondeerde jongedame. In België is me dat op klaarlichte dag nog niet vaak overkomen.

Een koppel tart de strikte regels door gezamenlijk naar de Perzische Golf te staren.

In de weelderige parken langs de rivier Zayandeh Rud flaneert de jeugd. Op het water dobberen pedalo’s. Twee vrienden proberen enkele dames te versieren. Nima schudt glimlachend het hoofd. “Pijnlijk. Die vrouwen zijn way out of their league”, legt hij uit. Klasseverschil betekent hier tenminste nog iets. De vele nosejobs zijn een statussymbool.

Op het immense Imamplein, het tweede grootste plein ter wereld, krijgen we voor het eerst te maken met de politie. Het is voorwaar een aangename kennismaking. De Tourist Police is er om ons te helpen en ongevraagd geven ze ons tips waar wij drank kunnen scoren. “But don’t ask the manager”, raden de agenten ons aan. Meteen daarna laten ze ons een enquête invullen. “Wat vindt u van de dienstverlening van de Tourist Police?”, luidt de eerste vraag. “Excellent!”, vink ik aan.

Veel andere toeristen zien we niet – toch geen westerse. In een koffiebar struikelen de jonge uitbaters enthousiast over hun Engels omdat wij hun zaak verwaardigen met een bezoek. Zenuwachtig dat ze zijn! Hun handen zijn klam van het zweet als we afscheid nemen. In een patisserie is het van hetzelfde. ‘s Avonds worden we verwacht bij de ouders van Sami en we besluiten wat gebak te kopen als kleine attentie. De verkopers zien er onzeker uit. Waarschijnlijk hebben ze nog nooit zoveel westerlingen – drie! – over de vloer gehad. Nima staat buiten goedkeurend te grijnzen. “Die mensen denken nu dat de omzet van hun winkel omhoog zal schieten omdat hier westerlingen over de vloer komen. En weet je wat? Waarschijnlijk zal dat nog waar zijn ook.”

Op het feest doet een fles zelfgestookte grappa de ronde. “We weten niet hoe straf die is, het varieert”, zegt Sami nonchalant. Hier zien we ook Taghi en Razieh terug. Nu pas hebben Nima’s ouders die van Sami ontmoet. Taghi geniet van de feestvreugde en het gezellige samenzijn, maar niet met volle teugen. “Het blijft jammer dat mijn zoon nooit in Iran zal komen wonen. Het is jammer dat de strijd van de linkse studenten geen effect heeft gehad op het regime”, zegt hij mistroostig.

Het blitse voertuig van Nonkel BMW valt nogal op in het straatbeeld van Shiraz.

Toch zijn er nu al dingen aan het veranderen. De moderniteit manifesteert zich niet alleen in de flatscreens die je in elk huishouden ziet of in de chique gsm’s waar de jeugd mee loopt te zwaaien. Er zijn demografische processen bezig die het regime niet meer kan omkeren. Net zoals vele andere landen in het Midden-Oosten heeft Iran een zeer jonge bevolking. De gemiddelde leeftijd ligt op 26 jaar. De werkloosheid bij jongeren tussen 15 en 24 jaar bedraagt 23 procent. Ondertussen blijft de bevolking groeien. In 1979, het jaar van de revolutie, waren er 37 miljoen Iraniërs, ondertussen zijn het er haast 70 miljoen. Sommige bronnen schatten de bevolking zelfs al op 78 miljoen zielen. Een beetje doemdenker ziet een malthusiaanse ramp opduiken.

Uit die cijfers zou je al te gemakkelijk de conclusie kunnen trekken dat de Iraanse vrouwen maar kinderen liggen te baren aan hun haard. Vergeet het. “Na dertig jaar fundamentalistisch bewind krijgt de Iraanse vrouw tegenwoordig gemiddeld 1,7 kind”, schrijft de Britse journalist Fred Pearce in zijn boek Volksbeving. Ter vergelijking: in België is dat gemiddeld 1,65 kind per vrouw. Omdat Iran zo’n jonge bevolking heeft, blijft het geboortecijfer relatief hoog, maar de vruchtbaarheid van Iraanse vrouwen ligt wel laag, zeer laag. “De grootste en snelste val van de vruchtbaarheid ooit in de wereld opgetekend”, zegt de Australische demograaf Peter McDonald zelfs.

Hoe dat komt? Vanaf de jaren negentig kregen Iraanse gezinnen massaal toegang tot elektriciteit en stromend water. Het consumentisme deed zijn intrede. Hoe meer ijskasten en tv’s echtparen in huis haalden, hoe minder kinderen ze verwekten. En niet onbelangrijk: reeds in 1985 liet de Islamitische Republiek gezinsplanning toe. Iraanse echtparen krijgen gratis voorbehoedsmiddelen in de overheidsklinieken. Een fabriek van de regering produceert jaarlijks 45 miljoen condooms. In dertig verschillende vormen, kleuren en smaken. “Roze, met munstmaak, is de favoriet”, noteert Pearce.

Een westerse toeriste met te korte mouwen. Het is een schande dat ze daarvoor niet in de nor gevlogen is.

Toevallig krijgen wij een glimps in het leven van enkele Iraanse twintigers. In een theehuis ontmoeten we Ali en zijn vrouw Behi en het bevriende koppel Madjid en Sara. Ze nodigen ons uit om ’s avonds iets te komen drinken. Het appartementje van Ali en Beggi is best gezellig, al moeten we hen erop wijzen dat het nog knusser zou zijn als ze de TL-lampen doven. Madjid en Sara zijn nog niet getrouwd en kunnen zich maar op heel weinig plaatsen als koppel gedragen.

Er is nog geen drank in huis. Peter en ik mogen mee als Ali in zijn wagen springt om even langs te rijden bij de Armeense dealer. De Armeniërs zijn christenen en zij mogen alcohol consumeren. In de praktijk stoken ze meer dan ze nodig hebben voor eigen gebruik. Ali koopt een plastic fles cognac en vol enthousiasme stuift hij terug naar huis. De Iraanse house doet de krakende boxen van zijn wagen bijna ontploffen.

De Iraanse dames gieten hun glaasje cognac in één teug binnen. Zo gaat dat hier. Drank drink je niet voor zijn smaak, maar voor het effect. “Maar we mogen wel niet te veel rumoer maken. Onze onderbuurman durft al eens lastig te doen”, waarschuwt Ali.

Madjid en Ali zijn allebei afgestudeerd als architect, maar werk vinden in hun branche is geen sinecure. Ik schrik een beetje als ik verneem dat Madjid slechts 23 jaar oud is. Hij ziet er een heel stuk afgeleefder. Je zou hem minstens dertig schatten. Hij geeft laconiek toe dat hij al allerlei drugs geprobeerd heeft. Achteraf bekent Nima dat hij niet helemaal op zijn gemak was toen Peter en ik mee om drank gingen. “Die mensen zijn nog jong en ze nemen risico’s”, merkt hij op.

Ook de uitbaters van het hippe Rak Café in Esfahan nemen risico’s: vrouwen zitten er open en bloot te roken, wat niet mag. Daarom hebben de eigenaars liever niet dat er foto’s genomen worden. Als die op Facebook belanden, dreigt de zaak dicht te gaan.

Een westerse toeriste met te losse hoofddoek. Het is een schande dat ze daarvoor niet in de nor gevlogen is.

We zitten in het gezelschap van Sami’s zussen en nichtjes. Het publiek in de Rak is duidelijk de hogere klasse. “Madjid en Ali komen ook nog af”, meldt Peter terloops aan Nima. Die trekt bleek weg. “O, fuck, dat komt niet goed”, bazelt de reisleider. We stellen hem gerust dat het maar een grapje is vóór hij bewusteloos van zijn stoel glijdt. Hoewel hij het zelf goed kon vinden met de twee jonge Iraniërs zou hun komst een zwaar affront zijn voor het chique volk in dit westerse café. Voor klassevermenging haalt deze progressieve bende haar neus op.

“Ik heb een hekel aan de boeren uit het platteland die geen boeken lezen”, zegt ook de jonge student Armin, die we in Shiraz ontmoeten. Hij laat geen gelegenheid onbenut om kritiek te spuien op Iran en op zijn landgenoten. Voor hem zijn wij fabeldieren uit een wereld waar hij zelf toe wil behoren. “Zou ik in België met Eline op café mogen gaan?”, vraagt Armin. Ik haal mijn schouders op. Natuurlijk mag dat. “En wat als Eline seks zou hebben met een andere man?” Dan breng ik hem op gruwelijke wijze om.

Ondertussen heeft Salme, het ex-liefje van Armin, een oogje op Bart. Bij het afscheid geeft die haar spontaan een kuise kus op de wang. Je ziet de Iraanse jongeren opschrikken. Nima trekt grote ogen. Bart kijkt verbaasd: “Wat? Deed ik iets verkeerd?” Blijkbaar heeft onze reisgenoot een grens overschreden die zij zelf ook willen, maar niet durven overschrijden. Religieuze regelitis houdt de burgers strak in het gelid. Maar net door die strikte regels is er een gigantisch verschil tussen het openbare en het private leven. “This is Iran, everything is possible”, grijnst een Iraniër die in Dublin gestudeerd heeft. “Als jullie whisky of wijn willen, bel me gerust.” We bedanken hem voor het spontane aanbod, maar het zal niet nodig zijn. ‘s Avonds worden we immers verwacht bij ‘Nonkel BMW’.

Verenigd in een kring zitten wij rond een fles cognac. De alcohol verbindt ons mensen met elkaar.

Nonkel BMW is een succesvol zakenman in Shiraz. Zijn Duitse bolide valt nogal op tussen de gedeukte Peugeots. Plaats van afspraak is zijn appartementje. Dit is niet zijn woonst, maar de plek waar hij al eens een dame uitnodigt voor een lekker potje handjeklap. Thans logeert Nima er. Nonkel BMW heeft een reusachtige bidon illegaal gestookte wodka gekocht voor ons. Hoewel hij het regime verfoeit, blijft hij een patriot. Hij is immers veteraan uit de Irak-Iranoorlog, die duurde van 1980 tot 1988. “Ik ben ontgoocheld dat het Westen ons toen niet meer gesteund heeft.”

We zien Nonkel BMW ’s anderendaags terug op een feestje van Sami’s tweede oom, eveneens een zeer succesvol businessman. Die heeft een kast van een huis met een benedenverdieping die plaats biedt aan een indrukwekkende snookertafel en een zwembad met jacuzzi en stoombad. Nonkel BMW durft niet mee te zwemmen uit angst ‘sentimenteel’ te worden: het gave, blanke vel van de westerse vrouwen laat hem niet onberoerd.

Ingepakt als een klein spook brengt Eline een bezoek aan de moskee in Esfahan.

Zelfs naar westerse normen baden wij in grote luxe. De gastheer laat de flessen dadelwijn vlotjes aanrukken. Een verraderlijk goedje, zo zal vooral Nima aan den lijve ondervinden: uitgerekend in de Islamitische Republiek geraakt hij zo ver boven zijn theewater dat hij vergeet van welke parochie hij is. De kater die hij daaraan overhoudt kwelt hem bijna zo erg als onze genadeloze hoon.

De bloedhete havenstad Bushehr is onze laatste halte. Ook hier, aan de stinkende Perzische Golf, is luchtige zomerkledij geen optie. Niek, Sarah en Eline laten er geen twijfel over bestaan dat het tijd is om terug te keren naar België.

De laatste nacht brengen we door in Teheran. Voor de Belgische wet mogen Nima en Sami dan wel een getrouwd koppel zijn, in Iran telt dat huwelijk niet. Het hotel steekt hen in aparte kamers en daar valt niet over te onderhandelen. Vanuit het kamertje van Sami klinkt de hele nacht een hartverscheurend gehuil. Tien jaar geleden is ze naar België gevlucht, weg van het verstikkende regime. Weg ook van haar warme familie. Elk jaar in België voelt ze zich een beetje verder verwijderd van haar familie. Elk nieuw afscheid valt haar des te zwaarder.

Ook ik ervaar snel heimwee naar Iran: op de luchthaven van Istanbul loopt een vrouw met een bilspleet te pronken waarvoor ze in Iran in de nor zou vliegen. Geef die vrouw alstublieft een chador. Terug in mijn eigen Gent loop ik zelfs een cultuurshock op: zoveel lillend vlees op straat was ik niet meer gewoon. De Iraanse ayatollahs vegissen zich schromelijk als ze denken dat al die blote vetkwabben de hoofden van de mannen op hol brengen.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Advertenties

4 comments

    1. Nou, dat vind ik straf van je. Ik val zelfs een beetje van m’n stoel.

      Even ter herinnering: Iran is een dictatuur waar de islamitische clerus de macht in handen heeft en het volk zeer strikte islamitische regels oplegt. Die regels overtreden – bijvoorbeeld door overspel te plegen – kan leiden tot de dood, bijvoorbeeld door steniging.

      Je kúnt uiteraard het islamitische geloof aanhangen binnen een democratische staat, maar je kunt een democratie niet op islamitische leest schoeien. Staatkundig gesproken gaan islam en democratie niet samen. Als je democratie en islam wilt combineren, moet je één van beide elementen fors afzwakken. Ofwel trek je de kaart van de democratie en laat je de islamitische voorschriften en verboden grotendeels achterwege, ofwel leef je strikt de islamitische regels na en gooi je de democratische beginselen en het principe van de rechtsstaat overboord.

      Ook in andere landen waar de sharia geldt, is er van democratie geen sprake. Overigens stellen islamisten zelf dat islam en democratie niet samengaan omdat het niet aan de mens is om de regels te bepalen. Enkel de wet van God telt.

      Taghi is met zijn gezin gevlucht uit een land waar een verstikkende islamitische dictatuur heerst. Net omdat er door de toepassing van de islamitische wet geen greintje democratie was.

      Dit alles in overweging nemend en rekening houdend met Taghi’s persoonlijke verhaal vind ik het behoorlijk lomp en wereldvreemd van je om zijn stelling dat islam en democratie niet samengaan af te doen als “onbeholpen boude uitspraak”. Van weinig begrip en empathie getuigt dat niet. Die mens heeft ondervonden dat de islam de democratie verdrukt heeft. Hij heeft zijn familie en vrienden niet zomaar achtergelaten om van de mooie Belgische zomers te komen genieten.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s