Fatsoen
19 augustus 2009
In een niet zo heel ver verleden, we schrijven enkele dagen geleden, vonden in Gent de Patersholfeesten plaats. Hoewel zij het kleine broertje zijn van de Gentse Feesten en slechts drie dagen duren, zijn zij feitelijk veel plezanter. Toeristen zwalpen er u niet voor de voeten en meestal valt er geen flik te bespeuren. Al wie tijdens de Grote Feesten tot de vaste klandizie van de Vlasmarkt behoorde, geeft wél opnieuw present. De Patersholfeesten zijn ook de enige gelegenheid waarop je een Gentenaar hoort zeggen dat hij in het schoonste dorp van heel de wereld woont. Even, héél even is Gent geen stad meer.
“De Gentse Feesten voor gevorderden”, stond drie jaar geleden boven een artikel van me in de krant De Morgen. Het was een van mijn laatste geschreven wapenfeiten voor die krant, maar ik had maar mooi een bijna volledige pagina gekregen om de loftrompet af te steken over de buurt waar ik toen nog woonachtig was.
Dat artikel van 14 augustus 2006 zorgt ervoor dat ik vandaag niet veel zin meer heb om nog eens hetzelfde te doen. Ik héb al gezegd dat het middeleeuwse Patershol een dorp is binnen een moderne grootstad en dat iedereen er iedereen kent. En dat dat wreed wijs is. Ik héb er de lezers al op gewezen dat elke vergelijking tussen het Patershol en Brugge onecht is, want het Patershol lééft tenminste, zelfs al is het de meest toeristische buurt van Gent.
Oei, en nu krijg ik geheid Brugs burgemeester Patrick Moenaert op mijn dak. Die vindt het sowieso niet kunnen dat Gent zich in een reclamecampagne aanprijst als authentieker dan Brugge:
Die campagne is beledigend voor Brugge. Ik vind het totaal ongepast om een zusterstad aan te vallen om jezelf in het zonnetje te zetten. De bewering is een torenhoog cliché en ze komt van iemand die de voorbije vijftien jaar niet in Brugge is geweest.
Met die ‘iemand’ haalt Moenaert uit naar zijn ambtgenoot Daniël Termont. De Gentse burgemeester was natuurlijk niet onder de indruk en gaf de (officiële) West-Vlaamse hoofdstad in de krant De Gentenaar zelfs een bemoedigend slash beledigend schouderklopje:
Ik ben al zo vaak in Brugge geweest. Het is een aangenaam stadje en een formidabel openluchtmuseum, maar Gent is een stad waarin ook geleefd wordt.
De hele heisa deed herinneringen opborrelen aan de Slag op het Beverhoutsveld. Daar, op de grens van Beernem, Oostkamp en Assebroek, hakten de stedelijke Gentenaars op 3 mei 1382 de boerse Bruggelingen in de pan. Een strijdvaardige Termont wil die truc anno 2009 gerust nog eens overdoen:
De Bruggelingen moeten geen nieuw leger sturen, want zij zullen opnieuw het onderspit delven.
Zeker als het Gentse leger aangevoerd wordt door onze inheemse Turken! Dat zij er niet naast kloppen, werd nog eens bevestigd op de Patersholfeesten. Terwijl iedereen zaterdagnacht op zijn gemak op straat stond te zuipen, probeerden enkele Turkse Gentenaars hun vuisten in elkanders gezicht te zwieren. De slagen vlogen mij en mijn maten letterlijk om de oren.
Nu heb ik veel eerbied voor het Turkse volk. Het zijn edele mannen en vrouwen die voortreffelijke maaltijden uit hun mouwen schudden. Ten tijde van het Ottomaanse Rijk waren ze zeshonderd jaar lang een wereldmacht waartegen ge maar beter beleefd bleeft. Ook nu is er economisch en strategisch gezien een en ander voor te zeggen om Turkije op te nemen in de Europese Unie. Maar astemblieft, jongens, als ge wilt drinken gelijk dat wij hier gewoon zijn, werk dan eerst nog wat aan uw zelfbeheersing. Het is belangrijk om te allen tijde het fatsoen te bewaren, zelfs als ge stiepelzat door de straten dwaalt, niet meer wetende van welke parochie ge zijt. Volgend jaar herexamen.

Tijdens de Patersholfeesten kunt ge tot een gat in de nacht schoenen kopen in Oudburg.

Dansen op de kasseien lukt niet altijd als ge zat zijt, maar de momenten dat ge op uw benen blijft staan, zijn wreed plezant.

Op de Patersholfeesten gaan sommigen gekleed in een outfit waarmee ge niet in bepaalde achterbuurten moet gaan paraderen.

Pieter, een autochtone Vlaming, en Nima, een Gentenaar met Iraans bloed in de aderen, discussiëren over gezichtsbeharing. 'Ik ben jaloers op uw baard, Pieter. Als ik mezelf zo'n joekel laat staan gelijk gij, denkt iedereen subiet dat ik een moslimterrorist ben. Terwijl ik niet eens gelóóf.' Nima, laat hem staan.

De Ouwe Volkszanger zingt een melodietje met verzen waar iedereen het raden naar heeft.
Nima zet een pokerface op terwijl de Ouwe Volkszanger in zijn oor staat te brullen. Hij bewijst daarmee dat verdraagzaamheid van twéé kanten komt.

Niels aanhoort het baardprobleem van Nima. 'Ach, ge moet u daar niets van aantrekken, Nima. Ik laat toch ook een baard staan?' Even later moet Niels wel tot het uiterste gaan om zijn zelfbeheersing te bewaren als de fotograaf van dienst hem per ongeluk een 'neger' noemt. 'Ach, Niels, ge moet u daar niets van aantrekken. Ik ben toch ook een allochtoon?', zegt Nima troostend.

Koning David, die geen geheim maakt van zijn Joodse inborst, zit opgesloten in een kooi. 'Maar als ik hier uit geraak, zal ik zegevieren en een leider zijn voor u allen.'

De Patersholfeesten zijn gedaan. Uw dienaar, tevens uw god en koning, wandelt naar huis en hoopt dat het volgend jaar even plezant zal zijn.

Terwijl wij in het Patershol genoten van vele pilsjes is 't Begin van 't Einde, de enige bruine kroeg van de Vlasmarkt, uitgebrand. Vaarwel schone lampedeirkes op den toog, vaarwel levensgevaarlijke houten wenteltrap, vaarwel gezellige donkerte. En het ergste is: er op nog geen kilometer van hebben gestaan met fotocamera en al en niets gemerkt hebben.
Het vuil van de straat
7 augustus 2009
Soms wenst ge dat er een hel is die vol planken hangt waarin vele roestige spijkers zijn gedreven. Met die planken worden alle lafaards geslegen die hun medemens als stront bejegenen. Als zij geen geweten hebben dat van wroeging ligt te gloeien en te verzweren, laat hen dan voor eeuwig de pijn door schuld met hun vel beleven.
Gisteren zat ik op de tram en vloekte ik omdat ik geen plank vol roestige spijkers bij me had en niet meteen op straat kon springen. Van op m’n comfortabele zitje zag ik Antoon, een dakloze man over wie ik drie jaar geleden in De Morgen al voorspeld had dat hij het einde van de winter niet zou halen. Antoon is er nog altijd en nog altijd ziet men hem vooral langs het traject van de Gentse tram 1, meestal tussen de Kouter en de Charles de Kerchovelaan.
Er reed een fietser tegen Antoon. Wat wraakroepend is, want Antoon stond op het voetpad, waar beslist geen fietsers thuishoren. Maar aangezien het fietsers sowieso streng verboden is om de Kuip van Gent te verlaten via de Nederkouter, kiezen velen ervoor om met hun tweewieler het voetpad onveilig te maken, wat in hun kop waarschijnlijk een kleinere overtreding is dan het verbodsteken te negeren door op de weg te rijden. De stommekloten beseffen niet dat ze zo twee keer in overtreding gaan.
Die fietser, een achterlijke tiep van wie ik hoop dat de wormen hem van binnenuit leeg vreten, reed tegen Antoon en begon van zijn kloten te maken tegen de man die zich in zijn hoedanigheid van voetganger volledig legitiem op het voetpad bevond. Ik herhaal: de fietser reed op het voetpad tegen Antoon en begon hem ogenblikkelijk uit te schelden voor het vuil van de straat. Wat op de koop toe bijzonder gratuit was, want Antoon ís, althans in empirische zin, het vuil van de straat.
Dan hoopt ge dat de tram, als ge er nog eens op zit, op een mooie dag langs die fietser passeert en plotsklaps uitwijkt langs het fietspad. En dan zult gij niet de arrogantie hebben om de vermorzelde stukken en brokken die van zijn lijf overblijven de les te spellen. Ge zult grijnzen, en denken aan de planken vol roestige spijkers waarmee de Demonen van Billijke Vergelding zijn onthechte leden weer aaneen zullen timmeren.

