Gent heeft de kortstondige invasie van provincialen overleefd. Ja, er is bloed gevloeid, en ook het bier en de pis stroomden rijkelijk over onze authentieke kasseien. Maar de massa is weer naar huis en we hebben de stad opnieuw voor onszelf.

Aan de vooravond van de glorieuze feestdag van het Belgische rijk stroomt de stad vol burgers die geen Gents bloed in hun aderen hebben. Gemoedelijk noemen wij hen provincialen. Een typisch fenomeen. Iedereen heeft een dag verlof in het verschiet, men kan lekker lang uitslapen en niemand heeft iets beters te bedenken dan een bezoek aan de Gentse Feesten.
Degoutant
Trams propvol provincialen daveren naar de Feestenzone. In porties van tweehonderd man worden de barbaren in het middeleeuwse centrum van onze mooie stad losgelaten. Autobestuurders die geen verkeersborden kunnen lezen, rijden zich keer op keer vast in een doodlopend straatje waar je niet mag parkeren. Men zou die auto’s, de inzittenden er nog in, van de baan moeten plukken en ze katapulteren naar de verste uithoek van Provincialië.
Het is degoutant, ik word er ziek van. Dit zijn ónze Feesten, blijf hier weg.
Zet een bak Duvel naast uw computer, lees mijn verslagen en snuif zo de sfeer op. Val ons niet lastig, want daar worden wij ambetant van. Ga in de nachtwinkel van uw rotdorp twijfelen tussen Cara en Château Migraine. Het is úw schuld dat Gentenaars tijdens de Feesten geen voorraad pintjes meer mogen inslaan in hun eigen nachtwinkels.
Als u Gent echt graag ziet, kom er dan wonen of blijf er eeuwig weg. Sterf desnoods als u niet kunt kiezen.
Boerse ouders

Aan het Sint-Pietersstation lopen vier opgedirkte meisjes van Antwerpse of Brabantse komaf te zagen over “kunstzinnige arty’s“. Om beurten zetten ze een fles witte wijn aan de lippen. De zon is nog lang niet onder, maar de fles is bijna leeg. Moet ik mij nu kunstzinnig voelen omdat ik dat marginaal vind?
Zonen van boerse ouders strompelen in de verkeerde richting naar het centrum. Eén peet, de domste van de bende, raapt een kroonkurkje op en werpt het netjes in een vuilnisbak. Sympathiek. Zijn blik bier houdt hij stevig vast.
Ramptoerisme
Als ik even later in mijn bed kruip, hoop ik dat ik me overslaap: per uur dat ik later op de Vlasmarkt verschijn, zijn er vast en zeker vijfhonderd provincialen afgedropen.

Ik verslaap me. Mijn gsm, die bijklust als wekker, heeft dienst geweigerd. Gelukkig heeft mijn bioritme zich reeds zo aangepast dat het mij op tijd uit mijn bed jaagt, waarbij op tijd betekent dat ik de zon nog zal kunnen zien opkomen boven mijn geliefde Gent. Arriveren na de morgenstond is ramptoerisme. Daar doe ik niet aan mee.
De dikkerd
In tegenstelling tot de vorige dagen loopt het nog vol mensen die hun weg terug naar het station zoeken. Enkele provincialen klampen me beleefd aan.
“Excusees, mijnheer, waar is de Martelaarslaan?”
“Rechtdoor”, antwoord ik behulpzaam.
“Hoe lang is dat nog stappen?”, vraag de dikste van het groepje.
“Vijf minuten?”, vraagt een andere.
“Goh, vijf à tien minuten, ’t is te zien hoe snel je strompelt”, verkondig ik.
“Het zal dan allicht tien minuten worden”, grijnst de dikkerd. Ze bedanken me vriendelijk en ik wens ze een behouden thuiskomst. Voor dronken provincialen zijn het beleefde jongens.
Guitige snoetjes
Op weg naar de Vlasmarkt zie ik meer sporen van vandalisme dan op de voorgaande ochtenden tezamen. Het ligt dan ook in de aard van de provinciaal om een spoor van vernieling na te laten. ‘Ik betaal hier geen belastingen, dus wat kan het mij verdommen?’, zo redeneren zij.
Aangekomen op de Vlasmarkt, stel ik vast dat het uiteindelijk wel meevalt met het aantal provincialen. Ja, het is drukker dan anders op dat uur. Maar tegelijk zie ik meteen veel meer bekende gezichten. Zoals het edele gelaat van Nima en de guitige snoetjes van Anne-Marie De Mets, Annelies Peeters en Barbara Claus. De dames voeren een gesprek over homo’s en massages of zo.
Baken uit het Oosten

“Ik ben niet goed in homo’s”, stelt Anne-Marie. “Ik ben te agressief.” Dat ze te agressief is, is eigenlijk haar excuus om niet gefotografeerd te worden, maar bon, van een uit zijn verband gerukt citaat zijn nog maar weinig mensen gestorven.
Nima stelt zich voor aan het gezelschap. “Ik ben uw baken uit het Oosten”, beweert hij. Veel applaus levert hem dat niet op. Nima zucht. “Ik heb nog maar zelden iets gezegd dat in mijn voordeel is. Ik zwijg beter.”
Sedentaire kakker
Toch krijgt onze West-Vlaamse allochtoon op de een of andere manier een Irish coffee in zijn handen gestoken. Met overtuiging slurpt hij het goedje naar binnen. Maar ook dat is niet in zijn voordeel. “Is het normaal dat je van Irish coffee moet kakken?”, vraagt hij bezorgd.
“Ja. Je bent nu als het ware te kakken gezet”, leg ik uit.
“Ik zal me dan maar neerleggen bij mijn lot als sedentaire kakker. Daarmee wil ik zeggen dat ik al zittend zal kakken, en niet al staand, zoals mijn voorvaderen.”
Ik noteer getrouw Nima’s woorden, waarvan ik me afvraag of ze wel op hun plaats zijn op een cultureel volksfeest.
Poëtische bespiegeling

“Weten jullie waarom de Gentse Feesten een cultureel volksfeest zijn?”, vraag ik terloops aan Nima en Marieke, een dame die bij ons is komen staan. “Wel, er is zeer veel cultuur en er is zeer veel volk. Gelukkig schrikt cultuur af. Daarzonder zou er hier nog meer volk zijn.”
Nima en Marieke bekijken me met een meewarige blik. “Misschien moet je eens met die krakers praten”, suggereert Nima. “Die zien er wel interessant uit.”
“Die mensen hebben geen ziel”, weet ik.
“Méén je dat? Of is het weer een poëtische bespiegeling.”
“Ik meen het. Mensen die niet in mijn wereld passen, kunnen geen ziel hebben.”
Nima is het daar niet mee eens. “Het zijn slechts mensen die over voldoende financiële middelen beschikken, maar er niets mee doen, behalve nog meer geld in hun zakken krijgen, die geen ziel hebben.”
“Dat is een zeer linkse stelling”, besef ik.
“Ik bén zeer links.”
“Heeft het socialisme dan niet heel veel kapot gemaakt?”
“Al het goede in onze samenleving komt van het socialisme.”
“Ah ja, en sinds wanneer zorgt het socialisme voor alcohol?”
“Alcohol zou ik niet goed durven noemen. Het is ook geen doel, wel een middel. Daarnaast moet ik toegeven dat ik te vinden ben voor de liberale zeden.”
“Al het goede komt van het liberalisme. De rest is de schuld van de socialisten”, vat ik samen.
Nima nuanceert. “Het liberalisme maakt het mogelijk dat je je kunt ontplooien als individu. Dat mag niet beknot worden door het socialisme. Maar verder moet iedereen hetzelfde loon krijgen.”
“Neen, want dan haal je alle dynamiek uit de maatschappij.”
Feestelijke vrijpostigheid

Voor we helemaal loos kunnen gaan met het projecteren van economische waanbeelden, komt Chantal Bonnevalle vragen of ik meega naar het terras van L’enfant terrible, een café bij Sint-Jacobs.
“Maar enfin, dat gaat niet. Alles moet hier nog beginnen”, sla ik het verzoek af.
“Neen, Tim, het is hier gedaan. Het is acht uur, de muziek is gestopt en er is geen drank meer te krijgen.”
“Toch blijf ik hier. Het hele plein staat nog vol mensen op wier feestelijke vrijpostigheid ik kan parasiteren.”
Chantal laat ons achter, maar algauw krijgen we weer gezelschap van Marieke. “Beloof me dat ik thuiskom”, beveelt ze goedbedoeld.
“Hoe kunnen wij dat beloven?”, vraagt Nima.
“Beloof het gewoon! Vrouwen zijn zwakke wezens en hebben onze geruststelling nodig”, merk ik op.
Marieke trekt spottend een wenkbrauw op, en gaat verder met haar verhaal. “Ik heb mijn sleutels aan iemand gegeven en ik weet niet meer hoe ik thuis zal geraken.”
“Waarom heb je dat gedaan?”, vraagt Nima.
“Ik heb een groot hart.”
Nima grijnst. “En een klein brein.”
Ik schiet in de lach. “Ik heb wel nog sigaretten”, zegt Marieke koeltjes. Het lachen vergaat me. Ikzelf sta al een uur te schooien. Of ik alsjeblief een sigaretje mag afbietsen? Marieke heeft inderdaad een groot hart, want vijf seconden later sta ik weerom lustig te paffen.
Geïnspireerde uitsmijter
Nima en ik, wij beiden om verschillende redenen zo seminuchter als tiramisu, aanschouwen hoe de Vlasmarkt langzaam leegloopt. Enkel hardleerse marginalen of provincialen – het verschil is soms moeilijk – lijken over te blijven. Zij raken op speelse wijze slaags met de sfeerbeheerders, waarvan sommigen bloedvlekken op hun shirt hebben van eerdere, minder speelse confrontaties.
“Zonder drank borrelt de marginaliteit op”, analyseer ik het vrolijke schouwspel.
“Drank is de conditio sine qua non bij uitstek”, parafraseert Nima.
“Dat geldt zonder uitzondering!”, geef ik nog mee als weinig geïnspireerde uitsmijter van de ochtend. Het is weer eens tijd om naar huis te gaan.
















3 comments