Schoon Gents

2 april 2013

Het Gents zakwoordenboek van Freek Neirynck.

Het Gents zakwoordenboek van Freek Neirynck.

Freek Neirynck was ooit een boer, maar thans is hij als perfesser Gensch beter thuis in het Gents dan vele van zijn stadsgenoten. Onlangs verscheen zijn Gents zegswijzenboek, maar ook zijn Gents zakwoordenboek blijft geestig. Een overzicht van de wijste Gentse woordjes.

Een woordenboek lezen doe je meestal niet voor je plezier, maar dialectwoordenboeken vormen een serieuze uitzondering op die regel. Daarin doe je steevast geestige ontdekkingen. Ik heb me eerder al ferm vermaakt met het Woordenboek van de Vlaamse dialecten van de UGent en het Modern verdwijnwoordenboek van van Dale.

Onlangs is van Freek Neirynck (geboren te Tielt, maar tot wasdom gekomen in Gent) een Gents Zegswijzenboek verschenen. In afwachting daarvan heb ik zijn Gents zakwoordenboek uitgelezen. Veel woorden daarin lijken sterk op hun standaardtalige tegenhanger of hun Franse origineel, maar er zitten ook vele termen tussen die op zichzelf staan en zelfs niet in andere dialecten voorkomen.

Hieronder een selecte van de woordekens die mij het meest konden bekoren en die ik vaker zou moeten gebruiken, in spreek- én schrijftaal.

A

afgepetoatert heel erg moe
appeltsjoeze 1. rode suikerappel, pomme d’amour; 2. oorveeg

B

balgveulder slokop, veelvraat
beirkuipe 1. geervat; 2. zwaarlijvig mens
bekroeze(n) bedrinken
bleutsuuft onintelligent persoon
bloasuuft opschepper, blaaskaak
bloendekapper 1. beenhouwer, slager; 2. (politie)sabel; 3. politieagent
bloomzak vadsig, immobiel persoon
bremsteg bronstig, loops

D

dzjoel 1. pantoffelheld; 2. slomerd; 3. nietsdoener

E

eepateere(n) doen
eierschijter bleek persoon
ertefritter chagrijnige, criticaster

F

fanfreluusjkes wansmakelijke ornamenten
fatiegeere(n) 1. moe makend; 2. vervelen
fierlantswoander oorveeg
floosje 1. kwast; 2. lul

G

gatlekker 1. vleier; 2. kruiper
gefliekflak geflikflooi
geloest (goed) van borsten voorzien
gemamt van borsten voorzien
gerre 1. spleet; 2. vagina
getiektakt gedreven, aangezet tot
gietekeutel 1. uitwerpsel van een geit; 2. onbelangrijk, onbenullig iemand

J

joodenzwiet slappe koffie

K

kaduuk(elijk) 1. onvolmaakt, gammel; 2. ziekelijk
kerresmerte aandoening aan de bips
kiekendief 1. kippendief; 2. wouw; 3. scheldnaam voor roodharige
kleinke 1. deurknop; 2. grof woord voor vagina
klookuuft dommerik
kluite(n)kliever vrek
kluutenschuurder 1. lui iemand; 2. ongeëngageerd persoon
krijs(ch)er pleurant, (betaalde) wener op een begrafenis
kroakemandel 1. gepofte, gezouten erwten op straat en in cafés verkocht; 2. klein persoon
kwiestenbiebel grappig persoon

L

labekak(ker) beunhaas, bange man, lummel
laberachteg onverzorgd
labezoete luie, slome vrouw
lammetsjanne luie vrouw
lavertegoart lafaard in het kwadraat, lafhartige
leegvel luie vrouw
lollekestriebenoal vredegerecht

M

madaam piepie toiletdame
mankepetsjanke(n) moeilijk, sukkelachtig gaan
mo(o)stoartschijter bange, flauwe vent

N

noardretse(n) achternalopen
noastbestoansel bloedverwant
noonepisse slappe koffie

O

olekebolekekoas gezelschapspel met 9 vakjes waarbij men rijen moet maken met ‘x’ en ‘o’
oliedeuts 1. oliebol; 2. sukkel
oopgepomponeert (overdreven) geschminkt
oopscharte(n) verleiden, binnen doen

P

pampele(n) bepotelen
peekelteeve zure of kijvende vrouw
petoaterbeschuut(se) allerliefste
pieloetses opkomende borstjes
pierjankloas zwakkeling
pietoe viespeuk
plakatief plakkerig, kleverig
plamoaster 1. klap in het gezicht; 2. grote hoeveelheid
poepescheet(s)e 1. achterwerk; 2. lieveling
pregge gierige vrouw
preut(e)dekker minuscuul vrouwenslipje
puurtsjesvolk plebs

R

reufte astrant kereltje
rijs(t)papgat slap, gerimpeld achterwerk
roskameinge pak slaag

S

sakreenoendepietsjes verdomme
schamfeleerkes valse borsten
schuifele(n) fluiten
seskes stuipen, vallende ziekte
sjamfoeter schoft
Slechtemansberg Sint-Amandsberg
sparadrap pleister
steertenterter belediger

T

tangerachteg hunkerend
tantewannekes praatjes, smoesjes, tralala
teutele(n) stotteren
tootentrekker huichelaar
trak plankenkoorts
treute zagerige vrouw
tsjoepe(n) 1. (verkeers)kegels; 2. puntige uitsteeksels; 3. stelen

V

verbastadeere(n) verbasteren
verdes(t)eleweere(n) verknoeien
vermasakreere(n) vernielen, verminken
vuile taluure stripteasetent op de kermis

W

Waloenpeijie Wallonië
welgemoakt lichamelijk bevallig
wieteleire 1. verdwaalde; 2. penis
woalekop Zuid-Belg
woaterloeze ferme vrouwenborst

Z

zeemels zenuwen
ziektiele piskous, incontinente vrouw
ziepbaroen omhooggevallen iemand
zijpgat afhangende kont
zoetwoatersjienees persoon van vreemde origine

Rechts

27 september 2011

Vandaag in Humo: een reportage over rechtse studentenclubs in Gent. Daaronder vallen zeker het Katholiek Vlaams Hoogstudentenverbond (KVHV) en de Nationalistische Studentenvereniging (NSV!). Omdat de Jong N-VA al eens als een jolige bende rechtse jongens en meisjes wordt afgeschilderd, komen ook zij aan bod.

Het artikel staat in de studentenbijlage van het gerespecteerde weekblad. Hieronder plaats ik de oorspronkelijke, wat langere versie. De scans heb ik van de Facebook-pagina van Jonas Naeyaert, preses van het KVHV, geplukt.

Het zal je meer overkomen: je bent een rechtse, Vlaamsgezinde student en je studiegenoten zijn stuk voor stuk overtuigde progressievelingen die heimwee hebben naar de paarse regeringen van Guy Verhofstadt. Dan ben je de pineut. Of niet? ‘Vier jaar geleden werden Vlaamsgezinde studentenverenigingen als extremistisch beschouwd. Maar Bart De Wever heeft ons uit de marginaliteit gehaald.’

De pet van Jonas Naeyaert laat over zijn engagement weinig twijfel bestaan.

Stel: ik ben een jonge student, vers uit het middelbaar onderwijs. Eindelijk ben ik verlost van de politiek correcte flurk van een godsdienstleraar die het multiculturele denken met alle geweld door de strot van zijn leerlingen wil stampen. Of ik aan de UGent de juiste studiekeuze heb gemaakt, weet ik nog niet. Wat ik wel weet, is dat ik sympathie heb voor de Vlaamse zaak, dat Bart De Wever (N-VA) groot gelijk heeft en dat ik me graag afzet tegen de stuitende naïviteit van al wat zich links en progressief noemt. Ik ben jong én rechts, mag het? Alleen vraag ik me af bij welke politieke studentenvereniging ik me moet aansluiten. Jong N-VA UGent? Bwa, die zijn niet rechts genoeg. De Nationalistische Studentenvereniging (NSV!)? Goh, allicht zijn die een beetje té radicaal voor hun eigen goed. Het Katholiek Vlaams Hoogstudentenverbond (KVHV)? Ga weg, ik mag rechts zijn, ik ben niet oubollig.

‘De NSV! zijn marginalen, het KVHV zijn marginalen met geld en Jong N-VA? Tja, dat bloedt dood’, sneert een oudgediende uit het Gentse studentenleven.

Hoezo, Jong N-VA bloedt dood? De Gentse studentenafdeling van ’s lands grootste partij bestaat amper vijf jaar. Die hoort springlevend te zijn. Lokt het succes van Bart De Wever dan geen horden schachten? ‘We hebben momenteel vijftig leden’, schat voorzitter Gregory Deseck (22), die aan zijn masterjaar geschiedenis begint. ‘Sinds onze oprichting in 2006 is het aantal leden rechtlijning toegenomen. We merken geen speciale evolutie sinds de verkiezingsoverwinning van de N-VA, maar door de aanslepende regeringsonderhandelingen kijken we wel uit naar het begin van het academiejaar, wanneer de nieuwe studenten in Gent arriveren. We hebben goede hoop.’

Het electorale succes van de N-VA zorgt er vooral voor dat de flamingante studenten minder in het verdomhoekje zitten. ‘Het stigma is zeker kleiner’, bevestigt Deseck. ‘In de beginjaren kregen we al eens slechte woorden te verwerken. Het Vlaams-nationalisme had nog een slechte naam en dat straalde af op Jong N-VA. Vlaamsgezinde organisaties werden als extremistisch beschouwd.’

‘We zijn indertijd begonnen met een budget van 50 euro’, lacht oprichter en huidig Kamerlid voor de N-VA Peter Dedecker (27). ‘Na een jaar hadden we zes leden. Toen werden we nog vaak op één hoop gegooid met het Vlaams Belang.’

Ook Nick Mouton (33), tegenwoordig N-VA-schepen in Lovendegem, moest als Vlaamsgezinde student opboksen tegen een hoop vooroordelen. Mouton was begin de jaren 2000 voorzitter van de Vlaams-Nationale Studentenunie (VNSU), de voorloper van Jong N-VA. ‘Het waren moeilijke tijden. Je diende voortdurend uit te leggen dat je Vlaamsgezind kon zijn zonder dat je extreem rechts was. Dat was vermoeiend’, herinnert hij zich. ‘Al wie Vlaamsgezind maar niet extreem rechts was, was welkom bij de VNSU. We moesten ons continu onderscheiden van het toenmalige Vlaams Blok. Voor mezelf was er echter nooit een contradictie tussen Vlaamsgezindheid en een eerder progressief gedachtegoed. Ik heb dat nooit als tegenstrijdig ervaren. Ik was toen al samen met mijn huidige vrouw Iftara. Sommigen konden niet vatten dat ik Vlaamsgezind was omdat ik een relatie had met iemand van allochtone origine. Als Vlaams-nationalist kreeg je bijna automatisch een xenofobe stempel.’

‘Bart De Wever en de N-VA hebben het Vlaams-nationalisme uit de marginaliteit gehaald. De laatste twee, drie jaar is het stigma op ons verdwenen’, stelt Gregory Deseck opgelucht. ‘De drempel is lager geworden. Op café word je niet meer vreemd bekeken als je zegt dat je van Jong N-VA bent. Daar komen wel urenlange debatten van, maar dat hebben we graag.’

Een pagina uit Humo. Het is mogelijk best wel een interessante pagina.

De NSV! wordt wel met een scheef oog bekeken. De vereniging droeg lange tijd – en draagt eigenlijk nog altijd – een donkerbruine stempel. Meer Vlaanderen betekende niet alleen minder België, maar evengoed minder migratie en minder multicultuur. Ergo, de NSV’ers zijn een bende fascisten en racisten en horen niet thuis aan de universiteit, zo redeneerden de linkse studentenverenigingen. Die vormden aan de UGent lang een hecht antifascistisch blok in het Politiek en Filosofisch Konvent, dat de erkende politieke studentenbewegingen verenigt. Daardoor kreeg de NSV! gedurende vele jaren nul op het rekest telkens als zij een aanvraag indiende om aan de Gentse universiteit erkend te worden.

Maar kijk: vorig jaar lukte het de NSV! dan toch om – voor het eerst sinds 1984 – de erkenning binnen te rijven. Lang duurde de pret niet. ‘Momenteel zitten we weer in het vagevuur’, zucht preses Vincent Schoenaers (21), die geschiedenis studeert. ‘We zijn onze erkenning kwijt door een beslissing van het bestuurscollege van de universiteit, maar mogelijk krijgen we ze binnenkort weer terug. Dat spelletje is nu al een aantal jaar bezig.’

Als de studentenclub weer erkend wordt, betaalt de universiteit bepaalde werkingskosten terug. ‘Maar we proberen voor een eigen spaarpotje te zorgen door lidgeld, steun van oud-leden en sponsoring. Ook een cantus zorgt voor inkomsten. We zijn zoveel mogelijk zelfbedruipend’, zegt Schoenaers.

Voor de NSV! blijft het moeilijk om zichzelf salonfähig te maken in universitaire kringen, maar nieuwe studenten vinden wel makkelijker hun weg naar de vereniging. ‘Ik weet niet of dat met de opeenvolgende verkiezingen te maken heeft. Het kan ook zijn doordat we actiever geworden zijn’, vermoedt Schoenaers. ‘Momenteel tellen we een veertigtal leden. Dat is een goed gemiddelde voor een politieke studentenvereniging. We zien vooral dat er meer volk komt naar de debatten die we organiseren. Die gaan over onderwerpen die nu meer aandacht krijgen dan vroeger, zoals migratie.’

Op zondag 18 september stapten heel wat NSV’ers mee in de protestmars tegen het akkoord over de splitsing van kieskring BHV. ‘Het is een slecht akkoord. Wij zijn voor de meest radicale oplossing: een zuivere splitsing zonder toegevingen. De NSV! gaat nog altijd voor een onafhankelijk Vlaanderen met Brussel als tweetalige hoofdstad. De faciliteiten moeten worden afgeschaft.’ Is dat wel realistisch? ‘Wij laten Brussel niet los. Die stad bestaat al duizend jaar, terwijl hij pas sinds de jaren dertig een overwegend Franstalig karakter heeft gekregen’, merkt Schoenaers op. ‘Brussel blijft ook een Brabantse stad vanwege de vele pendelaars uit de omliggende provincie. Wel is de samenstelling van de bewoners in korte tijd sterk veranderd door de migratie.’

Dat is voor de NSV! geen reden om Brussel de rug toe te keren. ‘Anders zouden we ons evengoed van Antwerpen en Gent moeten afkeren. We vinden wel dat er een migratieprobleem is. Het eerst wat moet gebeuren, is een migratiestop. Wij geloven niet dat migratie een vorm van vrijheid is. Veel mensen worden tot migratie gedwongen door economische omstandigheden. Daarom moeten we de problemen ook aanpakken in de landen van herkomst’, zegt Schoenaers. ‘Ons eigen consumptiepatroon heeft daar een invloed op. Het kan niet dat het Westen zijn overschotten blijft dumpen op buitenlandse markten. Daardoor gaan de lokalen boeren failliet. Dat is een mondiaal probleem dat we vanuit Vlaanderen zomaar niet kunnen oplossen. Wel kunnen we hier bijvoorbeeld de onveiligheid aanpakken. Het Vlaams Belang focust daar heel hard op, maar het gaat verder. Zo is er een verschil in het gebruik van de openbare ruimte. Mensen uit zuiderse culturen leven bijvoorbeeld meer op straat en dat kan soms botsen. Er bestaan geen pasklare antwoorden om zulke samenlevingsproblemen op te lossen. Geen enkele strekking heeft die, wat men ook beweert.’

‘Linkse studentenverenigingen zien Brussel als een multicultureel experiment. Daar geloven wij niet in. Je mag niet experimenteren met mensen. Dat kan al eens ontploffen, om het plastisch uit te drukken’, stelt de NSV!-preses. ‘De multiculturele maatschappij heeft nooit bestaan, toch niet met de omvang en de samenhang van vandaag. Multiculturaliteit is tegenwoordig een ideologie op zoek naar een historische basis. Vroeger ging het er ongestructureerd aan toe. Er bestond geen woord voor. In het multiculturele Antwerpen van vijfhonderd jaar geleden waar men zo graag naar verwijst, leefden misschien 500 Italiaanse handelaars op een bevolking van 100.000 man. Vele buitenlanders woonden er niet permanent. Inwijking kwam vooral uit de Kempen.’

‘Economisch zijn we niet rechts, maar eerder links – hoewel de betekenis van die begrippen vervaagt. Wij zijn wel conservatief’, legt Schoenaers uit. Dat komt vooral tot uiting in de ethische standpunten van de studentenvereniging, zoals over abortus en euthanasie. In hun politieke beginselverklaring staat dat abortus weer in het strafrecht moet. ‘Die stelling is zeer kort uitgedrukt. Je kunt mensen niet zomaar met een wet in een richting dwingen. Je moet meer sensibiliseren opdat zo’n wet overbodig wordt’, zegt de preses diplomatisch. ‘Onze mening is genuanceerder dan wat er in de beginselverklaring staat. Daardoor ontstaat er wel een vooroordeel. Sommige mensen kijken niet verder dan de statuten.’

Blijft het katholieke geloof belangrijk voor de conservatieve jongens en meisjes van de Nationalistische Studentenvereniging? ‘Er zit van alles bij ons. Zowel praktiserende christenen, atheïsten als aanhangers van het heidendom. Zelf ben ik niet echt gelovig. Mijn conservatisme komt niet voort uit een geloof in het religieuze’, stipt Schoenaers aan.

In de politieke beginselverklaring van de NSV! valt punt twee nogal op: onvoorwaardelijke amnestie voor de collaborateurs uit de Tweede Wereldoorlog. Leeft dat thema nu nog altijd, zelfs bij jongens en meisjes die zeventig jaar na de feiten student zijn? ‘Dat komt misschien raar over, maar toen de NSV! in de jaren zeventig opgericht werd, was dat thema nog zeer actueel’, verklaart Schoenaers. ‘Verschillende mensen die de repressie hadden meegemaakt waren toen vijftig. Het is een traditie om voor amnestie te blijven pleiten. Er wordt niet meer actief mee gewerkt binnen de NSV!, maar we blijven de informatie levend houden. Het thema leeft nog bij leden die familie hadden die de repressie hebben meegemaakt, maar veel zijn er dat niet.’

Hoewel de NSV! expliciet stelt dat zij niet gebonden is aan een partij, blijkt de vereniging sinds haar oprichting in 1976 een kweekvijver voor politiek talent dat later zijn weg vond naar de top van het Vlaams Belang. Filip Dewinter, Frank Vanhecke, Bruno Valkeniers, Marijke Dillen en Karim Van Overmeire: allen waren zij lid in hun studententijd.

Maar net als ex-VB’er Karim Van Overmeire wordt ook de huidige generatie NSV’ers verleid door de formatie van Bart De Wever. ‘Bij de laatste verkiezingen heeft het merendeel op de N-VA gestemd, terwijl de meesten enkele jaren geleden nog voor het Vlaams Belang kozen’, zegt Vincent Schoenaers. ‘Ik vermoed dat velen dat gedaan hebben uit strategische overwegingen. Veel van onze leden hangen niet vast aan een partij, maar brengen een pragmatische stem uit als er verkiezingen zijn.’

Maakt het succes van De Wever het gemakkelijker om flamingant te zijn? ‘Wij hebben altijd durven zeggen dat we Vlaamsgezind zijn’, repliceert Schoenaers. ‘Over het algemeen zijn de reacties nu wel positiever. De houding is minder afwijzend. Er wordt meer gepraat.’

Als de NSV! weer mag toetreden tot het PFK, zal zij zich comfortabel aan de zijde van het KVHV schurken. Dat verbond gaat al sinds 1923 door het leven als het KVHV. De Gentse afdeling werd enkele keren opgedoekt, maar rees telkens weer op uit haar as. ‘We tellen zo’n dertig actieve studentenleden, maar daarnaast blijven ook afgestudeerde leden een rol spelen, zodat we vaak met 150 man zijn. Het ledenaantaal fluctueert door de jaren: nu eens zijn het er twintig, dan vijftig. Zoals elke politieke studentenvereniging zijn we niet zo zichtbaar, maar we houden zeker ons hoofd boven water’, vertelt preses Jonas Naeyaert (21), die afstudeerde in de politiek wetenschappen en voor het nieuwe academiejaar twijfelt tussen criminologie en rechten.

‘Er is een stijging van het aantal schachten, maar of dat door de N-VA komt, kun je niet zomaar zeggen. Het kan evengoed zijn omdat we meer activiteiten organiseren’, zegt Naeyaert voorzichtig. ‘Je mag niet te snel causale verbanden leggen, maar het is goed mogelijk dat het succes van de N-VA er wel iets mee te maken heeft. Bij de veertien nieuwe schachten die zich tot nu toe aangesloten hebben, is het merendeel voor de N-VA. Bij de vorige verkiezingen heb ikzelf op de N-VA gestemd voor de Senaat en op het Vlaams Belang voor de Kamer. Het zou contradictorisch zijn om mij aan één partijpolitieke koers te houden.’

‘In 2004 stemde zowat iedereen in de Gentse afdeling op het Vlaams Belang, nu stemt driekwart op de N-VA’, weet een oud-preses van het KVHV die liever anoniem blijft.

Gastheer Jonas Naeyaert staat me te woord in Gentlemen’s Club De Gekko, in het hart van de Gentse studentenbuurt. Er speelt metal. Een rosse kat baant zich een weg tussen mooie houten meubels – kloek timmerwerk uit lang vervlogen tijden. Aan de muren hangen een grote Vlaamse vlag en de Prinsenvlag, de vaan van de orangisten die hereniging met het Nederlandse koninkrijk beogen. Op een ventilator kleeft een sticker met een duidelijke boodschap: ‘Political correctness? Nein danke!’ Naeyaert schenkt me een Belgisch pintje in een Duits bierglas en steekt een sigaret op. Het rookverbod telt hier niet, want De Gekko is geen officiële horecazaak, wel een groot uitgevallen studentenkot – Naeyaerts hoogslaper bevindt zich boven de bar.

De Gekko komt uitstekend van pas voor vergaderingen van het KVHV-bestuur, maar binnenkort zou dat wel eens kunnen veranderen. De Vlaams-nationalistische vereniging droomt immers van een eigen huis. ‘Daardoor moet onze studentengemeenschap sterker staan’, zegt Naeyaert. ‘Het moet een centrum voor het Vlaamse studentenleven worden waar plaats is voor iedere student met een Vlaams hart.’

Naeyaert blijft liever discreet over het jaarbudget van het KVHV, maar dat de studentenvereniging ervan droomt een eigen studentenhuis te kopen, doet vermoeden dat er een solide financiële backing is. ‘We kunnen toegeven dat ons budget iets groter is dan dat van bijvoorbeeld de ALS en Comac (twee extreem linkse studentenverenigingen, red.)’, zegt de preses met een behoorlijk understatement. ‘Bij het PFK krijgen we jaarlijks iets van een 600 euro. Daar kun je niet echt een werking op bouwen. Voor onze openingsacties alleen al geven we al snel meer dan het dubbele uit. Voor een club als de onze is het overigens gevaarlijk om volledig afhankelijk te worden van subsidies. Die kraan kan toegedraaid worden.’

Het budget komt vooral van oud-leden. ‘Oud-studenten zorgen voor een heel groot stuk van onze werkingsgelden’, vertelt Naeyaert. ‘We hebben geld, maar niet door subsidies, wel door onze eigen leden. Dat maakt ons financieel én intellectueel rijker. Zonder centen kun je geen werking hebben.’

Daarnaast blijft het KVHV de studentencodex verkopen, samen met het SK (Seniorenkonvent), dat de regionale studentenclubs overkoepelt. De codex is het liedboek van de student en onontbeerlijk op een studentencantus. Het ding kost zo’n 10 euro. ‘Het KVHV verspreidt de codex uit culturele manifestatie, niet om geld te verdienen’, benadrukt Naeyaert. ‘We verkopen enkele duizenden codices per jaar. Het aantal schachten blijft al jaren stabiel, terwijl de studentenpopulatie toeneemt. Het studentenleven neemt dus af. Iedereen heeft tegenwoordig een tv en internet op zijn computer. Vroeger had je enkel een bureau en een bed op je kot. Als je geluk had, was er ook een zetel. De studenten zaten op café. Nu blijven ze meer op hun kot. Op café gaan wordt altijd maar duurder en duurder en dan is er ook nog eens het rookverbod.’

Het KVHV blijft zwerven bij het traditioneel studentikoze studentenleven. Dat wil zeggen dat ze ook vasthouden aan de typische petten en lintjes. ‘Dat is een deel van ons cultureel-studentikoos patrimonium. Vlaamse studenten hebben altijd met petten en linten rondgelopen. Ik vind dat heel belangrijk. Dat behoort tot de identiteit van Vlaamse studenten.’ Die petten leveren soms al eens problemen op. ‘Je bent natuurlijk zeer herkenbaar. Voor bepaalde linkse individuen werkt zo’n pet als een rode lap op een stier. Het VRG (Vlaams Rechtsgenootschap, studentenkring van de rechten, red.) draagt ook petten en soms krijgen die ruzie doordat linkse studenten zich vergissen – wat hen meestal zuur bekomt’, lacht Naeyaert.

De Vlaams-conservatieve vereniging beroept zich nogal eens op een stijlvol studentenleven. ‘Al te vaak zien we het studentenleven ontsporen tot vulgariteit. Vele tradities worden gewoon vergeten – die zijn blijkbaar niet meer cool. Maar op een cantus kotsen en pissen onder de tafel past niet bij ons. Wij proberen een zeker stijl alsook normen en waarden uit de studentencodex te eerbiedigen. Wij willen niet in de vuiligheid rollen.’ Dragen de KVHV’ers dan een kostuum op een cantus? ‘Vaak wel. Dat ademt een zekere stijl uit. Maar het is niet omdat we traditioneel studentikoos zijn dat er geen plaats is voor plezier. Dat is complementair bij ons.’

Naast de studentikoze werking is er ook de politieke werking. Het KVHV is compexloos rechts. ‘Communisten mogen universiteitsgebouwen vandaliseren, maar wij zouden ons moeten schamen omdat we pluralistisch rechts zijn? Dat is een scheeftrekking’, vindt Naeyaert. ‘We trekken een lijn in het centrum en iedereen die zich daar rechts van bevindt, is welkom bij het KVHV. Onze rangen tellen rechts-liberalen, radicaal-nationalisten en conservatieve katholieken. Dat pluralisme creëert een rijkdom. Er ontstaat een dialoog zonder dat we moeten inboeten op onze boodschap, wat bijvoorbeeld wel met de toenmalige Volksunie is gebeurd.’

Heeft het KVHV dan geen welomlijnd ideologisch programma? ‘De léden zijn het KVHV. De NSV! werkt wel met een zeer rigide ideologische structuur. Rechts-liberalen vinden er moeilijk hun draai. Studenten met een eerder atypische ideologische invulling van het Vlaams-nationalisme kunnen bij ons wel gedijen. Wij zien dat als een rijkdom’, vertelt Naeyaert. Dus de leden hoeven bijvoorbeeld niet tegen abortus te zijn om bij het KVHV te horen? ‘Door de band genomen zijn we tegen abortus, terwijl sommige leden daar een uitzondering op vormen. We zijn het er wel over eens dat abortus te veel gezien wordt als een soort voorbehoedsmiddel. Er wordt respectloos en gratuit mee omgesprongen.’

‘We vinden niet dat waarden en normen voorbijgestreefd zijn. Wij vinden dat geen romantische zever’, zegt de preses. Is er heden ten dage te weinig respect voor de westerse waarden? ‘Zeer zeker’, knikt hij beslist. ‘Gent is bijvoorbeeld geen probleemstad zoals Brussel of Londen, maar wat ik wel zie, is dat er zowel bij autochtonen als allochtonen sprake is van vervreemding. De derde generatie allochtonen valt tussen twee stoelen in. Ze zijn noch Turks of Marokkaans noch Vlaams. Die generatie, een product van de integratie, zien we volledig ontsporen. Stilaan mag daarover gepraat worden, ook binnen de traditionele partijen. Maar we vrezen dat het wel eens te laat kan zijn om de huidige demografische ontwikkelingen terug te draaien.’

Wat zou er dan moeten gebeuren? ‘Volgens het KVHV ligt het vooral aan onze eigen mentaliteit. We moeten niet zozeer een vijandbeeld creëren, maar we moeten zelf, als volk, sterker staan. Kijk naar de geboortecijfers. Die zijn relatief desastreus. Een Belgische vrouw krijgt gemiddeld 1,6 kinderen, terwijl een geboortecijfer van 2,1 nodig is om je bevolking in stand te houden. Het geboortecijfer bij allochtonen ligt echter op 6 à 7. Binnen enkele jaren kan dat zeer grote demografische aardverschuivingen opleveren. We geloven daarom dat er een migratiestop mag komen.’ Naeyaert hoedt er zich voor om te stellen dat er voor vreemdelingen geen plaats is in Vlaanderen. ‘We geloven niet dat een buitenstaander niet kan thuishoren in onze maatschappij. Maar hoe groter de groep buitenstaanders is, hoe moeilijker het wordt om die groep in te kapselen.’

In Nederland is de islamofobe PVV van Geert Wilders als een komeet omhoog geschoten. Kunnen KVHV’ers zich vinden in het discours van de Nederlandse populist? ‘Goh. We kunnen ons herkennen in bepaalde punten, maar het totale verhaal van Wilders is niet het project van het KVHV. Wilders heeft een zeer sterk vijandbeeld. Hij houdt zich graag bezig met islambashen. Wij geloven niet dat de islam per se een probleem is. We hebben niets tegen een brave moslim die vijf keer per dag bidt. Dat is niet het probleem waar we vandaag mee te maken hebben.’ Ook het Vlaams Belang vernauwt het migratieprobleem steevast tot de islam. ‘Wij zien problemen in massamigratie en globalisering, niet in personen of religies.’

Ook Jong N-VA UGent mocht mee op de foto.

In Gent is er de laatste jaren een enorme instroom van Oost-Europeanen. Is dat dan het grote probleem? ‘Goh, je kunt daar niet zomaar een zwart-witbeeld op plakken. Het zijn ook niet de modale Bulgaren en Roemenen die problemen veroorzaken. Ik denk eerder aan bendes en dergelijke.’

Enkele maanden geleden deelde het Gentse Kamerlid Tanguy Veys (VB) flyers rond in Turkse handelszaken met als boodschap: ‘Keer tevreden terug!’ Op het pamflet prijkte een vliegtuig met de Turkse vlag. ‘Dergelijke stunts zijn tegenwoordig legio bij het Vlaams Belang. (blaast) Ik ga niet zeggen dat die actie ongepast is, want wij geloven niet in politieke correctheid. We kunnen half tevreden zijn met die actie, maar wij werken wel aan een ander project.’

Meer waarden en normen? Nayaert knikt. ‘Niet alleen de derde generatie allochtonen ontspoort, maar ook de autochtone jeugd. Als de maatschappij zelf geen sterke inherente sociale waarden heeft om vreemdelingen in te kapselen, wiens schuld is het dan? We zijn niet eens in staat om onze eigen maatschappij in handen te houden’, zegt de student somber. ‘Het aantal echtscheidingen ligt heel hoog. Kinderen worden daardoor opgevoed in moeilijke omstandigheden en komen vaak terecht in de werkloosheid en de criminaliteit. Er is sprake van verval. Onze tegenstanders noemen ons al snel moraalridders, maar dat is onzin. De cijfers spreken voor zich. De morele ontreddering door kapotte gezinssituaties is groot. Wij geloven nog altijd dat het gezin de hoeksteen van de maatschappij is. Dat klinkt ouderwets, maar het gezin is wel een nucleus die voor stabiliteit zorgt. Kinderen die worden opgevoed in een stabiel gezin krijgen later in hun leven betere kansen. Als daar afbreuk aan gedaan wordt, krijg je bepaalde consequenties.’

Zijn de meeste leden gelovig? ‘Ja, maar velen zijn niet praktiserend. Er zitten zelfs enkele atheïsten bij. We willen meer zijn dan een katholiek vriendenclubje. Iedereen kan zich wel vinden in de christelijke waarden en de relevantie daarvan voor de maatschappij.’

Zelf is Naeyaert niet eens katholiek. ‘Ik ben luthers. Ik ben katholiek gedoopt, maar uit theologische overtuiging heb ik mij laten herdopen. Ik ben echter niet antikatholiek’, glimlacht hij. Hoe reageren medestudenten erop dat hij gelovig is? ‘Sommigen vinden dat raar. Dat is niet meer trendy. Maar wij zijn geen club voor de modale student. Onze leden hebben iets meer te bieden dan de doorsneestudent.’

We spreken elkaar op de vooravond van de protestmars in faciliteitengemeente Linkebeek tegen het akkoord over de splitsing van BHV. Uiteraard gaat Naeyaert mee betogen. ‘Die protestmars lag al langer vast, maar het akkoord over BHV is een reden te meer om te protesteren. Objectief gezien is er een verbetering, maar de faciliteitengemeenten zijn we allicht voorgoed kwijt, terwijl dat Vlaamse grond is. De Vlamingen zijn nu triomfantelijk omdat ze zogezegd veel bereikt hebben, terwijl ze toegevingen hebben gedaan die miniem lijken, maar waarop de Franstaligen later zullen incashen. De regeringsonderhandelingen zijn nog niet voorbij. Er moet nog over geld gepraat worden en ik voorspel dat de Vlaamse partijen door het akkoord over BHV zeer inschikkelijk zullen zijn.’

‘KVHV kiest resoluut voor onafhankelijkheid’, beklemtoont Naeyaert. ‘Er zijn wel enkele leden die voor confederalisme pleiten, maar grotendeels leeft de overtuiging dat België een achterhaalde structuur is die niet meer in staat is om het belang van het merendeel van de bevolking te dienen. Wij geloven dat een staat zo dicht mogelijk bij het volk moet staan. De Belgische politiek staat echter mijlenver van de burger. Door de grendelgrondwet en de belangenconflicten die de vorige staatshervormingen hebben ingevoerd, is de politieke mogelijkheid om hervormingen door te voeren in Vlaanderen stelselmatig onmogelijk gemaakt. Door de particratie leven politici in een fantasiewereldje. Het confederalisme zou ook weer zo’n halfslachtige oplossing zijn: we willen wel een beetje hervormen, maar toch niet te veel. Willen, maar niet kunnen.’

Zal Vlaanderen een stuk rechtser worden zodra het onafhankelijk is? ‘Het is een objectieve vaststelling dat Vlamingen conservatiever zijn dan onze zuidelijke buren. Dus ja, het politieke landschap in een onafhankelijk Vlaanderen zou zich verrechtsen. De democratie zou wel beter werken. Je hebt ‘demos’ nodig: dat is niet zozeer een volk, maar een sociologische entiteit die bepaalde waarden en normen deelt. Met een te grote groep die te pluraal is, wordt het zeer moeilijk om democratie uit te voeren. Dat is wat we zien in België. De belangen liggen te ver uiteen. België is in se niet democratisch. Het sociaal-economische debat zou veel beter gevoerd kunnen worden in een onafhankelijk Vlaanderen.’

Hoe realistisch is dat onafhankelijke Vlaanderen? ‘Het DNA van de traditionele partijen is onlosmakelijk verbonden aan België. Hun machtsstructuur zit in België. Zonder België wordt het voor hen zeer moeilijk om hun macht te bewaren. Hun belangen liggen daardoor niet in het oplossen van België. Maar zeg nooit nooit.’

Het succes van de N-VA lijkt het einde van het land wel dichterbij te brengen. ‘Het is zonder precedent dat de Vlaams-nationalistische partijen in Vlaanderen samen meer stemmen hebben dan de traditionele partijen. Ik had enkele jaren geleden niet durven voorspellen dat de N-VA zo’n superboom zou meemaken’, geeft Naeyaert toe. ‘De houdbaarheidsdatum van België is al lang overschreden. Bij de Vlaming ontstaat er een roep om verandering, wat zijn uiting vindt in het stemgedrag. Die Vlaamsgezinde onderstroom is er gewoon. In 2004 stemde nog één miljoen Vlamingen op het Vlaams Belang, niet alleen een Vlaams-nationalistische maar ook een rechtse partij.’

Voelt het niet ongemakkelijk om voluit rechts te zijn in een progressieve omgeving als een universiteit? ‘Universiteiten zijn vaak een bolwerk van progressief links – dat zie je ook in de Verenigde Staten. Links staat daar buitenproportioneel sterk’, beseft Naeyaert. Hoe komt dat? ‘Mensen die ideologisch rechts georiënteerd zijn, zullen andere professionele keuzes maken dan linkse mensen, die vaker voor een ngo of in het onderwijs gaan werken. Links is zeer sterk in het creëren van een culturele hegemonie, wat rechts veel te weinig doet. De politieke correctheid is een zeer goed voorbeeld. Over sommige dingen mag je niet spreken. Dat is “sociaal niet wenselijk”.’

Is de politieke correctheid niet aan het kantelen? Nu is het al bijna taboe als je zegt dat je voor het behoud van België bent. ‘Ik denk dat niet. Het ironische is trouwens dat wij het enige land zijn waar het revolutionaire linkse kamp een betoging houdt vóór het behoud van het systeem. Ik denk niet dat het ondertussen al politiek correct is om te zeggen dat je tegen België bent. Integendeel.’

‘Politieke correctheid is een vorm van cultureel marxisme. De essentie van het KVHV is dat er vrij over alles gesproken kan worden zonder taboe en zonder politieke correctheid. Wat we wel zien is dat bepaalde meningen die KVHV al honderd jaar verkondigt meer en meer ingang vinden. Dat vinden wij uiteraard positief. Maar is dat een verademing? Laat ons zeggen dat we ons nooit veel hebben aangetrokken van wat het establishment, de staat of de universiteit van ons dacht. Maar het is goed dat er een bewustzijn ontstaat bij de Vlaamse burger. Dat kunnen we enkel aanmoedigen.’

Het KVHV is aan geen enkele partij gebonden en dat is volgens Naeyaert een groot voordeel. ‘We zijn niet gebonden aan beleidsopties of een rigide programma. Wij kunnen doen wat we willen. We kunnen ook de mensen uitnodigen die we willen. Wij zijn een academische club. Die moet niet op zichzelf terugplooien. In de Vlaamse beweging zien we veel navelstaarderij. Dat brengt niets op. Je moet je geest openhouden en je blik op de horizon richten. Vooruit denken. Wij zijn niet bang voor andere meningen – die prikkelen de geest.’

Dus het KVHV nodig ook mensen uit met wie de leden het niet eens zijn? ‘Nadat Erik De Bruyn eerder dit jaar uit de sp.a was gestapt, hebben wij hem uitgenodigd voor een lezing. We wilden hem een forum geven aan de universiteit om reclame te maken voor zichzelf. We waren benieuwd naar zijn plannen. Niet dat KVHV’ers ooit voor hem zouden stemmen, maar iedereen is welkom op onze activiteiten. Maar De Bruyn wou niet komen! (lacht)’

Naeyaert stelt expliciet dat het KVHV elitevormend is. ‘We willen een speerpunt vormen. Dat is essentieel in onze werking. We willen studenten klaarstomen om in het professionele leven bepaalde agendapunten te bewerkstelligen. We proberen onze leden te vormen tot mensen met een coherente ideologie. Andere politieke studentenverenigingen zijn daar veel minder mee bezig’, vertelt Naeyaert.

‘Elite wordt vaak als een lelijk woord gezien, maar daarmee bedoelen we mensen die goed zijn in iets. Dat zie je nu al: oud-KVHV’ers zijn zeer prominent aanwezig in de politiek en de bedrijfswereld. Al mag het nog wat gestroomlijnd worden. Het doel is om mensen op plaatsen te krijgen waar ze invloed kunnen uitoefenen om zo onze idealen te verwezenlijken’, verklaart Naeyaert. Als je naar het aantal (oud-)ministers kijkt, lijkt die missie alvast goed te slagen: onder andere Pieter De Crem (CD&V), Wilfried Martens (CD&V), Tony Van Parys (CD&V) en Jaak Gabriels (Open Vld) waren lid van het KVHV. Ook Gerolf Annemans (VB), Carl Decaluwé (CD&V) en Bart De Wever (N-VA) koppelden er hun politieke interesse aan een studentikoze omkadering.

De oud-leden blijven actief betrokken bij het KVHV. ‘Wij geloven in een levensbond, wat je ook ziet ook bij de Duitse studentenverenigingen. Ons project stopt niet bij het afstuderen. Dan begint de echte werking pas. Je bent klaargestoomd voor de werkelijkheid en dan verlaat je de bubbel van het studentenleven. Het heeft een grote waarde dat de oud-leden blijven komen en dat we die nog iets te bieden hebben en zij ons. Studenten ageren, oud-studenten financieren’, doet de preses uit de doeken.

Door het contact met de voorgangers blijven bepaalde streefdoelen doorgegeven worden aan iedere nieuwe generatie. Zoals – ook bij het KVHV – de vraag om amnestie. ‘De grieven van de Vlaamse onafhankelijkheidsstrijd blijven grotendeels dezelfde. Het is aan ons om iets te veranderen, niet aan mensen die tachtig of negentig zijn. Al is het wel een beetje moeilijk voor ons om ons in te beelden wat er toen allemaal is gebeurd. Anderzijds heb je maar een geschiedenisboek open te slaan om te leren wat de repressie was. Als je de geschiedenis niet kent, kun je de toekomst niet veranderen’, betoogt Naeyaert.

Hij vindt het abnormaal dat amnestie nog altijd zo gevoelig ligt. ‘In alle buurlanden is de evolutie van amnestie voltrokken. Het is heel normaal dat er verzoening is na zo’n verdeelde toestand. De Belgische staat blijft echter de haat aanwakkeren. We zijn ondertussen zeventig jaar verder en er mag nog altijd niet over gesproken worden. Ik vind dat heel kleinzerig en typerend voor de Belgische staat, die meer bezig is met de belangen van een kleine groep dan met de belangen van de Belgen. We doen geen campagnes meer voor amnestie, maar dat wil niet zeggen dat het thema niet meer relevant is.’

Voelen rechtse studenten zich nog altijd het slachtoffer van linkse repressie? ‘De verdraagzaamheid is gegroeid’, erkent Naeyaert. ‘Tien jaar geleden kwam je soms in de problemen als je een Vlaamse studentenpet droeg, maar nu gebeurt dat niet zo vaak meer. Soms roept men nog wel eens “racist!” of “fascist!” als er een Vlaamse vlag op je tas kleeft, maar niet meer zo frequent als enkele jaren geleden. Die evolutie begon al vóór de boom van de N-VA. Soms is er nog sprake van vandalisme of graffiti. Vorig jaar zijn enkele KVHV-leden aangevallen met kettingen, vermoedelijk door anarchistische krakers. Maar vroeger kwam dat veel vaker voor, zeker in de Overpoortstraat (de uitgaansbuurt voor studenten, red.). Ofwel verdwijnt de polarisatie ofwel is de harde kern van onverdraagzaam ultralinks aan het verdwijnen.’

‘Het geweld kwam niet alleen van extreem links’, corrigeert een oud-student uit de tijd van toen. ‘Ook rechts deed mee. De anarchisten vielen één van onze cafés aan, wij vielen daarop een kraakpand binnen. Tien jaar geleden was dat een vorm van communicatie. Nu is die periode voorbij – gelukkig maar.’

Zitten de drie flamingante studentenvereniginen elkáár eigenlijk in de haren om nieuwe zieltjes te veroveren? Vincent Schoenaers van de NSV! ontkent. ‘We beschouwen het KVHV en Jong N-VA niet als concurrentie, maar als een aanvulling. Het zijn medestanders. Tussen studentenverenigingen is er geen concurrentie zoals tussen politieke partijen.’

‘In het wereldje kent iedereen elkaar. We komen naar elkaars activiteiten. We zijn zeker geen concurrenten’, benadrukt ook Naeyaert. Er zijn wel verschillen. ‘Het KVHV is nationaal-conservatief. De NSV! is nationaal-revolutionair. Hun focus ligt meer op provoceren en actievoeren. Wat niet wil zeggen dat wij vies zijn van enige actie: onlangs nog hebben wij de IJzertoren bezet nadat het IJzerbedevaartcomité had beweerd dat de Vlaamse strijd gestreden was. De kiesuitslag zegt iets anders.’

In vergelijking met de hardere broertjes lijkt Jong N-VA wel het kneusje van de flamingante studentenclubs. ‘Je kunt Jong N-VA moeilijk een echte studentenvereniging noemen’, vindt Naeyaert. ‘Het is een jongerenafdeling van een politieke partij die vanuit Brussel de koers bepaalt. Veel marge heb je dan niet.’

‘Bij Jong N-VA houden we ons in grote lijn aan de koers van de partij’, erkent voorzitter Gregory Deseck. ‘De band met de N-VA is niet meteen een pluspunt. Flamingante studenten zullen voor de NSV! of het KVHV kiezen omdat die onafhankelijk zijn. Jongeren sluiten zich liever niet te snel aan bij een partij.’

Zorgt Bart De Wever niet voor een aanzuigeffect bij studenten die zich kunnen vinden in de Vlaamse verzuchtingen? ‘Ik denk niet dat Bart De Wever echt voor bekeerlingen zorgt. Daar heb ik mijn twijfels bij’, zegt Deseck. ‘Veel leden waren al flamingant voor ze student waren. Anderen zijn als student geïnteresseerd geraakt in politiek, zoals ikzelf. Ik ben opgegroeid in een apolitiek gezin. Door de lessen over de geschiedenis van België ben ik flamingant geworden. Er zijn logische en rationele redenen om Vlaamsgezind te zijn. Studenten die zonder politieke voorkeur hun studie beginnen en zich dan pas een mening vormen, zijn wel in de minderheid.’

‘Het politieke engagement is verminderd, maar je ziet wel meer autodidacten opduiken die individueel hun mening hebben gevormd’, vult Naeyaert aan. Hij is er zelf zo één. ‘Vanaf mijn vijftiende is mijn interesse in politiek beginnen te groeien. Ik woon hier in Gent, een multiculturele stad, en dan ontwikkel je je eigen visie op de multiculturele maatschappij.’

‘Autodidacten zijn vaak radicaler. En hoe linkser de faculteit, hoe rechtser en geëngageerder ze meestal zijn’, vertelt de anonieme oud-preses van het KVHV geamuseerd. Hij beklemtoont dat het KVHV geen clubje is voor stamboomflaminganten. Het is meer een meritocratie. ‘In het KVHV zitten rijke stinkerds samen met studenten die zelf hun studie betalen. Het grote voordeel van het georganiseerde studentenleven is dat je mensen echt goed leert kennen. Je zit samen achter de vrouwen, ligt samen dronken in de goot en organiseert samen activiteiten. Dan merk je snel wie wat waard is. Het is een soort officierenschool.’

Zijn hoofd is lijk een bak koperen nagels. Dat zeggen ze in Kortrijk van iemand met wortelgrijze haren, zo leert de nieuwste aflevering van het Woordenboek van de Vlaamse Dialecten ons. Het boek verzamelt de dialectwoorden die gebruikt worden voor het menselijk lichaam. Ik vind het de max.

Een woordenboek lees je normaal gezien niet voor je plezier. Maar dit exemplaar is voor de verandering wel behoorlijk hilarisch. Het is een genot om te zien hoe creatief men in het Vlaams over het lichaam kan vertellen. Nooit gedacht dat een woordenlijst zo vermakelijk kon zijn.

In De Morgen gaf ik gisteren al een overzicht van de leukste termen. Dat artikel staat niet online. Wel hebben Het Nieuwsblad en De Standaard het vandaag nog eens herkauwd. Dat strekt mij tot eer, zo durf ik te snoeven.

Aan de telefoon had professor taalkunde Magda Devos (UGent) me uitgelegd dat de vunzigste termen voorbehouden zijn voor de lichaamsdelen waar het meest schaamte rond hangt. De kloten, fluit en foef dus. Ook mensen met een lichaamsbouw die afwijkt van de normen worden met velerlei prachtige doch kwetsende formuleringen overladen.

Voor uw gemak: een overzicht.

Blutsepieper (naakt persoon)
Een blutsepieper is een naakt persoon. Iemand zonder kleren wordt ook als blutsebloot omschreven. Of paddermoedernaakt. Een andere variant is padderpiddernaakt. Iemand die écht niet meer bloter kan zijn, krijgt het adjectief ‘pidderpadderpoedernaakt’ mee. Of dan zegt men: “Hij is zo naakt als een ganzegat.”

Huisteknuist (klein persoon)
Al met al een vriendelijke term voor iemand die klein van gestalte is. Andere omschrijvingen getuigen van minder respect, zoals ‘drol’, ‘keutel’, of ‘opneukertje’. Dan klinken ‘aarddolletje’ en ‘kadoddermannetje’ sympathieker. Je kunt ook gewoon vaststellen dat iemand in een mergbeentje past. Of te weinig schoppen onder zijn kont gekregen heeft.

Baloeftig (dik)
Iemand die in zijn vet vergaat of erin versmacht, is baloeftig. Slijkevlet. Een kamerolifantje of kwabbelkloot. Een dikke vrouw is een maroffel en een man met een opgeblazen, baardeloos gezicht heeft een gesplet aarsgat. Wie een vollemaansgezicht bezit, heeft een poeftête of pompewezen.

Tekenterter (zeer mager iemand)
Hij is zo mager als een solferstek, dat moet wel de dood in burgerskleren zijn. Als je eruit ziet als een gestroopte puit of een afgedroogde haring, zit je onder je gewicht. Tekenterters zijn niet meer dan een verklede koperdraad. Een magere vrouw is een plank met een hol in. Ook een elfrib of grepschijter mag probleemloos enkele kilo’s bijkomen.

Kwakmadoeze (slordige vrouw)
Wie mooi is, is een doodzonde waard, maar wie te lelijk is om voor de duivel te dansen, heeft pech. Hij of zij heeft een muil om maskers op te gieten, wordt gezegd. Als ge dat ziet, vergaat de liefde, maar ze is tenminste schoon als ze alleen staat. Een slordige vrouw is een kwakmadoeze, nog vuiler dan de oren van een biechtvader.

Babilotten (pijpenkrullen)
Meisjes met pampillotten of babilotten hebben haarklodden die in mooie pijpjes gekruld zijn. Maar mannen met een haarscheiding lopen ondanks alles rond met een luizegang of luizenboulevard. Je haar dan maar niet kammen? In dat geval is je kapsel verdestrueerd en heb je een aaksternest op je hoofd.

Koperkeun (roodharig)
Koperkeunen zijn ferm geroest. Met hun rosse haar lijkt hun hoofd op een bak koperen nagels. Hij is karotezwarte of wortelgrijze. Zij is koeroste. Als ze samen ooit kinderen zullen krijgen, is de kans groot dat ook van hen gezegd zal worden dat ze gemaakt werden toen de buis roestig was.

Blutskakker (kaal)
Iemand die met zijn knieën door zijn broek zit, moet niet naar de klerenwinkel, maar naar de pruikenmarchand. Blutskakkers dragen een vleesklak of hebben een kletsebielde. Zijn haar heeft karakter, ‘t valt liever uit dan grijs te worden, lacht men schamper. Hij heeft een voorhoofd tot in zijn nek, fluistert de goegemeente vol ontzag.

Rattemoustache (hitlersnorretje)
Neen, het hitlersnorretje is niet uitgevonden door Adolf Hitler. Nog vóór de Duitse dictator droeg komiek Charlie Chaplin reeds een neuswarmertje. Na de Tweede Wereldoorlog werd de rattemoustache echter steevast geassocieerd met Hitler. Van een snotsnorretje of snotneusje spreekt nauwelijks nog iemand.

Flonkaard (neus)
In Gent zijn neuzen snoepgoed, ook bekend als cuberdons. Het reukorgaan noemt men er een flonkaard. Elders is ‘snotkoker’ gangbaar. Iemand met een vervormd exemplaar heeft in de volksmond achter de deur gestaan toen de neuzen uitgedeeld werden. Een dikke neus is een kaarsendopper, een plat neusje een pui die op zijn gat zit.

Mosselschuiten (grote oren)
De Franse muzikant Serge Gainsbourg had koolbladen van oren. Het waren oren als mosselschuiten. Plakwaaiers of pollepels wijzen eveneens op buitenmaatse oorschelpen. Wie tegen de wind gereden heeft, heeft een stel flaporen. Zijn oren staan te ver van zijn kop. Als er op de koop toe schapeboter in zit, is het tijd voor oorstokjes.

Geuzevlees (borsten)
De mammeloezen van een vrouw dragen nogal wat geuzennamen. Van een dame met een behoorlijke portie geuzevlees zegt men dat ze niet over haar eigendom kan kijken. Ze heeft mogen kiezen: vier kleintjes of twee grote. Piefertjes zijn afgekrabde muggebeten. Doorhangende zeeptetten kunnen vrouwen dan weer over hun schouder smijten.

Kwadoel (kont)
De twee billen vormen het achterkasteel. Een uit de kluiten gewassen zitkasteel is een aalkarteel. In de kwadoel of het achterste gezicht zit een gruisbuis of achtermond. Daaruit komen haagvinken of grasdekkers. Wie geen slot aan zijn gat heeft, doet zijn gevoeg. “Waarom pakte gij in uw neus dat ‘k ik in mijn gat niet en wil”, zegt men bij broekhoest.

Fietemarol (penis)
Een crispianus is geen geleerde uit de oudheid, maar slechts een zeikspel. Elke man wordt met zo’n pisseloen geboren. Het valt op hoe vaak de fietemarol een eigennaam draagt, zoals charel, désiré, jan en jef. Een plat duivenjong is het geheel van de dardanellen of genoffels en de wiesteko. Uit de deugddoener komt sporadisch kallevet of snoksel.

Mizzewanne (venusheuvel)
Als Kortrijkzanen van een bloedput spreken, hebben ze het wel degelijk over het voorkwartier van een vrouw. De mizzewanne of de potijze brengt menig man het hoofd op hol. Maar het vogelmuiltje wordt niet altijd gerelateerd aan seksuele wellust: ook met ‘de put van verdommenis’ verwijzen dialectsprekers naar de schede.

Kaloens (scheel)
Een paanoog wil niet goed mee. Mensen gaan er kaloens of lodderlijk door zien. Met dergelijke kerewijtogen kun je zonder probleem ‘bachten een boom’ kijken. Of ‘mee zijn linkse oog in zijn rechtse broekzak’. Als hij schreemt lopen de tranen van zijn linkeroog op zijn rechterkaak. Of zoals in Aalst: zijn één oog zegt foert tegen ‘t ander.

Patattenveld

13 maart 2011

Een patat met de aardappelziekte aan zijn kloten. Genetische modificatie kan patatten resistenter maken tegen de pseudoschimmel die de ziekte veroorzaakt. (Foto Ben Millett)

België heeft zijn eigen legertje eco-warriors: de Field Liberation Movement zal op zondag 29 mei een experimenteel patattenveld in Wetteren vernietigen. Op het proefveld testen de UGent, het Vlaams Instituut voor Biotechnologie, de Hogeschool Gent, het Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek en chemiereus BASF aardappellijnen uit die resistent gemaakt zijn tegen de aardappelziekte. De actievoerders zullen de genetisch gemodificeerde aardappelen uit de grond halen en vervangen door biopatatten.

Voor De Morgen van zaterdag 12 maart 2011 schreef ik een artikel over de actie tegen de genetisch gemodificeerde organismen (ggo’s).

Flauwekul

Omdat een nieuwsstuk slechts beperkt is in lengte kon ik maar weinig achtergrondinformatie over de patatten in kwestie kwijt. Wel nu, het zijn coole aardappelen. De Field Liberation Movement zegt dat de veldproef in Wetteren nutteloos en gevaarlijk is, maar René Custers van het VIB spreekt dat tegen.

“Dat is flauwekul. Deze proef is absoluut niet gevaarlijk. Wij gebruiken nartuurlijke resistentiefactoren die voorkomen in wilde aardappelrassen. Wel wordt er tijdens de proeven een marker gebruikt voor antibioticaresistentie. Maar de aardappellijnen die uiteindelijk op de markt zullen belanden, zullen die marker niet bevatten. Qua veiligheid is er niets mis met onze aardappelen”, stelt Custers. “En nutteloos? Nu zijn er al aardappellijnen op de markt met een bepaalde resistentie tegen Phytophthora infestans. Die zijn verkregen via conventionele veredeling, dus door aardappelrassen te kruisen. Dat kost heel veel moeite en duurt tientallen jaren. Via genetische modificatie boek je veel sneller resultaat. Een ander voordeel is dat je in één stap meerdere resistentiefactoren kunt inbrengen. Bij conventionele veredeling kun je maar een resistentiefacter tegelijk inbrengen. Als één resistentiefactor met een kans van 1 op 1.000 wordt doorbroken, wordt een dubbele resistentiefactor met een kans van 1 op 1000 x 1000 doorbroken en een een driedubbele resistentie met een kans van 1 op 1000 x 1000 x 1000. Meervoudige resistenties zijn dus vele malen duurzamer.”

Ratten-DNA

“Ik zou hier zeer graag eens over discussiëren met de tegenstanders”, geeft Custers nog mee. “Een tijdje geleden hebben we al een heel goed gesprek gehad met een aantal Vlaamse bio- en milieuorganisaties. Dat was heel leerzaam voor beide kanten. We willen dat in het kader van het veldproefproject veel meer doen. Milieuorganisaties zien wel het verschil tussen dit aardappelproject en andere ggo-toepassingen. Maar het is blijkbaar nog een brug te ver om dat publiek toe te geven.”

De nuance zit er hem in dat er voor de veldproef in Wetteren cisgene patatten gebruikt worden, en geen transgene. Wat wil dat zeggen? Dat de aardappelen enkel soorteigen genetisch materiaal kregen ingeplant, en dus geen – ik zeg maar iets – ratten-DNA of reptielengenen. Het publiek hoeft niet bang te zijn voor moorddadige Frankensteinpatatten die argeloze voorbijgangers in de nek zullen springen en doodbijten.

Lobbywerk

Toch is de Field Liberation Movement niet overtuigd door dat argument. “Zelfs al zijn de aardappelen in Wetteren cisgeen, dan nog is hun genetische code veranderd”, benadrukt Steven, één van de initiatiefnemers, aan de telefoon. “Je weet nog altijd niet wat de gevolgen zijn. Je verandert DNA, maar je weet niets van de context waarin de nieuwe genpatronen terechtkomen. Wij zijn tegen veldproeven in openlucht en vinden dat men het voorzichtigheidsprincipe moet hanteren voor dergelijk onderzoek. Het risico van een ggo-besmetting van de grond is niet uitgesloten. Bij eerdere proeven met maïs is ook al gebleken dat naburige velden gecontamineerd waren. Hou ggo’s alsjeblieft in het labo.”

Steven wijst er ook op dat de FLM niet zozeer protesteert tegen het gevaar van deze specifieke veldproef. “Overal in Europa staat de ggo-industrie te trappelen om ingang te vinden. Met dergelijke experimenten proberen ze hun legitimiteit te vergroten. Dat is niet het resultaat van democratische besluitvorming, maar van lobbywerk. De universiteit kruipt op de knieën voor internationale firma’s, terwijl ze het algemeen belang moet dienen.”

Agent Orange

Rector Paul Van Cauwenberge van de UGent is niet te spreken over die beschuldiging. “Commercie speelt geen rol in dit project, enkel het wetenschappelijke belang telt. Wij doen ook niet aan productie. Dit is een onderzoek. Met grote bedrijven als Monsanto hebben wij niets te maken en dat willen we ook niet.”

De multinational Monsanto is één van de grote spelers in de wereldmarkt voor herbiciden. Tegelijk is het marktleider voor de productie van gemodificeerde zaden. “De grootste productie van ggo’s zit hem in het creëren van gewassen die resistent zijn tegen herbiciden. Nu al komt een zeer groot deel van de eiwitproducten voor de Europese veestapel uit genetisch gemodificeerde soja uit Zuid-Amerika. Die soja is resistent gemaakt tegen het herbicide glyfosaat, dat door Monsanto verkocht wordt onder de naam Roundup. Datzelfde bedrijf is ook marktleider voor genetisch gemodificeerde zaden. Dat leidt tot een centralisering van de voedselproductie”, zegt Steven. “Ondertussen duikt er al superonkruid op dat resistent is tegen glyfosaat. De oplossing? Een herbicide dat vergelijkbaar is met Agent Orange.”

Pertinente onwaarheid

Volgen de FLM heult het VIB met de grote multinationals. “Het VIB heeft zelf heel weinig wetenschappelijk belang bij het onderzoek naar die aardappelen. De veldproef heeft de bedoeling om tegenstanders van genetische modificatie te counteren. Men streeft naar aanvaarding van genetisch gemodificeerde gewassen. We hebben het gevoel dat het VIB de poorten voor ggo’s wagenwijd wil openzetten. Daarbij is het goed om weten dat het VIB voor de helft gesponsord wordt door grote bedrijven”, stelt Steven onomwonden.

“Dat is een pertinente onwaarheid”, reageert Custers. “Het VIB heeft een breed scala aan overeenkomsten met heel wat bedrijven, maar dat levert bijlange niet de helft van de middelen waarmee VIB onderzoek doet. Het ligt eerder in de ordegrootte van 12 à 15 procent. Samenwerken met bedrijven is vaak ook de enige manier waarop interessante vindingen hun weg kunnen vinden naar consumenten en producenten. Een publieke instelling is niet in staat die zaken zelf te ontwikkelen en op de markt te brengen.”

“Ggo’s worden geassocieerd met multinationals”, erkent Custers. “Ook in onze veldproef is BASF aanwezig. Maar het meeste materiaal in de proef is afkomstig uit publiek onderzoek en is uiteindelijk bestemd voor kleinere bedrijven.”

Transgene modificatie

Maar dat de veldproef een communicatiedoel dient, wordt niet ontkend. Integendeel zelfs. “Wij willen net tonen dat dit experiment veilig is. De bedoeling is om informatie te verschaffen, zodat het publiek zich zelf een oordeel kan vormen. Wij willen communiceren wat de voordelen zijn van deze aardappel”, legt Godelieve Gheysen, professor moleculaire biotechnologie, uit. “Onze boodschap is dat deze ggo-aardappelen grote voordelen hebben, zowel voor het milieu als voor de boer. Wat wij doen, is vergelijkbaar met conventionele veredeling, alleen gebeurt het veel sneller en met een resistentere aardappel als resultaat. Wij hebben het VIB gevraagd om in dit project te stappen omdat zij ervaring hebben met communicatie en met de vergunningen die nodig zijn voor een veldproef.”

“Voor het brede publiek is het moeilijk om een genuanceerd oordeel te vormen”, beseft Custers. “Milieuorganisaties creëren een sfeer van onzekerheid, waardoor het publiek snel geneigd is ggo’s als gevaarlijk te bestempelen. Die boodschap blijft hangen. Maar er is een groot verschil tussen transgene en cisgene modificatie. Bij transgene modificatie wordt soortvreemd genetisch materiaal binnengebracht. Onze veldproef moet echter uitsluitend cisgene aardappellijnen opleveren.”

Minder pesticiden

Volgens de universiteit kunnen de gemodificeerde aardappelen ervoor zorgen dat boeren tot 80 procent minder schimmelbestrijdende middelen moeten spuiten. Daarom supportert ook de Boerenbond voor de veldproef. “We bekijken experimenten met ggo’s van geval tot geval. Als zo’n experiment bijdraagt tot duurzame landbouw, dan wijzen wij het niet af. In het geval van deze aardappelen zijn wij ervan overtuigd dat ze zeer positieve effecten hebben voor het milieu”, verklaart François Huyghe.

Huyghe is zich bewust van de technieken van de zaden- en pesticidenmultinationals, maar wil het experiment van de UGent daar niet mee geassocieerd zien. “Deze ggo’s zijn niet resistent tegen pesticiden, maar tegen de aardappelziekte, waardoor boeren net minder pesticiden zullen moeten gebruiken. En daarom steunen wij dit experiment.”

Onnatuurlijke technologieën

“Wij beseffen dat de aardappelziekte zeer nadelig is voor boeren”, erkent Steven van de FLM. “Maar ook via conventionele veredeling kunnen aardappelen resistent gemaakt worden tegen Phytophthora infestans. Laat ons daarom onze energie steken in rasveredeling in plaats van genetische modificatie.”

“De vernietiging van de veldproef lijkt me toch de verkeerde manier om die boodschap te verkondigen”, vindt Custers. Vanwaar komt die weerstand tegen ggo’s volgens hem? “De tegenstand tegen ggo’s is tweeledig. Enerzijds zijn sommige mensen bang. Ze zijn tegen onnatuurlijke technologieën – maar je kunt eindeloos discussiëren over wat natuurlijk is en wat niet. Anderzijds hebben veel tegenstanders van ggo’s een probleem met grootschalige industrie. Zij pleiten voor een kleinschalige, lokaal verankerde landbouw – zoals door de biolandbouw nagestreefd wordt. Maar daar kun je niet voor de volle 100 procent op steunen. Grootschalige, geïndustrialiseerde landbouw blijft nodig voor de voedselproductie. Zeker als je die op wereldwijde schaal beschouwt en rekening houdt met het feit dat steeds meer mensen in steden wonen.”

In de aanloop naar 29 mei belooft de Field Liberation Movement alvast enkele andere acties om het publiek alvast warm te maken. De UGent is niet van plan om te wijken. “Alle vergunningen die nodig waren, hebben wij gekregen. De federale overheid heeft ons toestemming gegeven voor deze veldproef”, argumenteert Van Cauwenberge. “Wij blijven achter onze zaak staan. Als je democratische toestemming hebt gekregen, moet je niet zwichten voor niet-democratische drukkingsgroepen. Wij zullen trachten de schade tot een minimum te beperken. Het is mijn plicht om die gewassen te beschermen.”

Buisproffen

13 oktober 2010

Een tijd geleden vroeg De Standaard mij om enkele artikels te schrijven voor een studentenbijlage die bij de aanvang van het academiejaar bij de krant zou zitten. Wel, ik heb dat met veel plezier gedaan. Eén van de onderwerpen waren buisproffen: wie zijn ze en waarom doen ze het?

Via Twitter ging ik op zoek naar de monsters die de studenten de schrik van hun leven bezorgen. Alras had ik een hele lijst vol namen. Sommige proffen wilden niet meedoen, de meeste reageerden gewoonweg niet, maar degenen die mij te woord wilden staan, hadden wel degelijk iets te zeggen. Dat mondde uit in een artikel dat ik met veel genoegen geschreven heb. Uit de zeven interviews kon ik zelfs met groot gemak een twééde stuk puren, ditmaal over de flexibilisering van het hoger onderwijs. (Dat vind ik helaas niet meer terug op de website van De Standaard.)

Soit, sowieso waren die twee artikels veel te kort om al de gespreksstof die ik uitgetikt had in weer te geven. Kappen dat ik heb moeten doen. Omdat ik die interviews nog altijd zeer de moeite waard vind, geef ik ze hier integraal. Geniet ervan. Relatief absolute aanraders zijn de gesprekken met Eric Van de Casteele en Carl Devos. Vaak dolkomisch, altijd scherp.


Flattr this

Dirk Aeyels is een buisprof zonder weerga. Ik heb getuigenissen ontvangen van studenten burgerlijk ingenieur die zeven keer het examen van zijn vak ‘systemen en signalen’ afgelegd hebben. Maar het is ook een aimabel man. Het ene moment kijkt hij je aan met streng priemende ogen, het andere moment zit je te praten met een olijke gozer. Hij wéét dat hij twee gezichten heeft. “Maar jammer genoeg hebben de meeste studenten het niet door als ik middenin een technische uitleg een grap smokkel”, zucht hij.

Aeyels had liever niet dat ik ons gesprek op tape opnam. Hij vertrouwde erop dat ik alles zou kunnen noteren in mijn notitieboekje en dat ik de geest van zijn woorden correct zou weergeven. Dat bleek gelukkig zo te zijn: aan het interview hoefde er voor zijn part nauwelijks iets veranderd te worden. Oef!

Was u ervan op de hoogte dat u de naam hebt een buisprof te zijn?

Dirk Aeyels: “Tot voor kort kende ik die term niet. Maar toen ik op website van het VTK (Vlaamse Technische Kring, studentenclub van de burgerlijk ingenieurs, TVDM) keek wat er geschreven stond over mijn vak, las ik daar wel al in de eerste zin ‘buisvak’. Ik weet dat ik de naam heb veeleisend te zijn, maar ik ben verbaasd dat men dat reduceert tot ‘buisprof’. Ik kan niet zeggen dat ik dat prettig vind, maar het is nu zo, zeker?”

Waarom vinden studenten u veeleisend?
“Ik tracht te peilen naar inzicht. Daarom neem ik ook het liefst mondelinge examens af. Helaas lukt dat niet meer: er zijn te veel studenten. In mijn lessen probeer ik zo natuurlijk mogelijk kennis over te brengen. De studenten moeten creatief kunnen omspringen met die kennis. Maar als een student onvoldoende kennis verworven heeft, is het zeer moeilijk om nog creatief te zijn. Van burgerlijk ingenieurs wordt een theoretische onderbouw verwacht, maar tegelijk moeten ze in staat zijn om na te denken over toepassingen.
“Als wij vroeger op ons examen pure kennisvragen kregen, was dat een cadeau. Nu niet meer: men studeert te weinig. Zelfs kennisvragen blijken een hindernis. Ik heb ook het gevoel dat studenten slordiger formuleren. Ze hebben het vaak moeilijk om een redenering op te bouwen. Vele studenten weten wel iets, maar niet precies genoeg. Het antwoord zit in hun hoofd, maar ze krijgen het niet uitgelegd op papier. Als ik daar niet soepeler mee zou omgaan, zouden de slaagcijfers dalen. In die zin geef ik dus iets meer toe.”

Ligt dat aan de studenten zelf?
“Neen, ik leg de schuld niet bij de studenten zelf. Waarschijnlijk heeft het te maken met de veranderende maatschappij. Ook wordt er in het middelbaar anders lesgegeven dan vroeger. Studenten worden minder goed voorbereid op universitaire studies.”

Wat is het slaagpercentage voor uw vak?
“Ik weet niet hoeveel studenten geslaagd zijn. Ik volg de evolutie van de slaagcijfers niet op de voet. Collega’s spraken me vroeger wel aan op het slaagpercentage voor mijn vak. Dat was niet leuk, zelfs al was het goed bedoeld. Zij moeten beseffen dat ik het ook goed meen. Ik wil mijn studenten niet buizen, ik wil dat ze iets bijleren.”

Vindt u het vervelend als een examen niet goed is?
“Er zijn mensen die vier keer op rij 6 op 20 halen voor mijn vak. Dat vind ik erg voor de studenten in kwestie. Kunnen ze het niet of studeren ze het niet? Systemen en signalen is basisleerstof voor alle ingenieurs. Studenten moeten zich enkele basisbegrippen eigen maken die in de verdere opleiding een rol spelen. Het is een theoretisch vak met vele praktische toepassingen. In die zin is het een belangrijk vak. Maar op het moment zelf zien vele studenten niet in waarom dit vak nodig is. Dat komt pas later – hoop ik toch. Dan beseft men: tiens, bij Aeyels hebben we toch iets geleerd. Dat was wel degelijk zinvol.”

Hoe zit het met het niveau van de studenten?
“De bovenlaag van de studenten presteert nog altijd zeer goed. Maar er is een grotere instroom dan toen er nog een toelatingsexamen was (het examen werd in 2004 afgeschaft, TVDM). Vooral de onderlaag lijkt groter te zijn. Veel studenten raken nog door het eerste jaar, maar dan komen ze in de tweede bachelor ‘Systemen en signalen’ tegen…
“Ik ben voor een ingangsexamen. Dat hoeft niet moeilijk te zijn, maar je kunt dan wel zien wie de motivatie en de aanleg heeft voor deze opleiding. Zo weet je ook dat studenten niet zomaar aan een opleiding beginnen.”

De overheid verwacht dat universiteiten en hogescholen meer mensen met een diploma afleveren. Is dat een goede zaak?
“Op zich is het principe van een democratische instroom goed, maar er wordt vooral gekeken naar de uitstroom. Op dit moment is de industrie nog altijd tevreden, maar in de Verenigde Staten heeft men nu al last van ‘grade inflation’. Dat wil zeggen dat men te gemakkelijk hoge cijfers geeft voor prestaties die dat niet verdienen. Het is geen goede ontwikkeling dat de inhoud van het diploma zo weggenomen wordt. Dat zal op termijn gevolgen hebben, ook voor de industrie.
“De universiteit is geen bedrijf dat producten aflevert. Maar ik vrees dat we meer en meer die richting aan het uitgaan zijn. Ik vind het ook afschuwelijk als men spreekt over studenten als klanten. Ik ga daar niet mee akkoord.”


Flattr this

Politicoloog Carl Devos (1970) is alom aanwezig in de media. Je zou bijna vergeten dat de wetenschapper ook nog les geeft aan de UGent. En nog geen klein beetje: politicologie in eerste bachelor en politieke besluitvorming in tweede bachelor. “Een stevig vak”, zegt hij zelf. Daarnaast begeleidt hij de stage en bachelorpaper in derde bachelor en doceert hij Belgisch federalisme in de master. Je kunt van Devos veel zeggen, maar op zijn mondje is hij niet gevallen. “Wie niet slaagt, is ofwel niet gemotiveerd genoeg of heeft niet het karakter en de discipline om deze opleiding te volgen.”

Carl Devos (UGent) is niet van plan om van de universiteit een kakschool te maken.

Toen ik Carl Devos een mail stuurde met de vraag of ik hem mocht interviewen over zijn imago als buisprof, kreeg ik meteen een duidelijk antwoord. “Ik vind niet dat dat een te koesteren omschrijving is, maar ik heb inderdaad niet meteen de hoogste slaagcijfers”, erkende Devos. “De formulering ‘gemakkelijk buizen uitdelen’ klopt alvast niet, ik ben er niet op uit om iemand als niet geslaagd te beoordelen, ik doe dat zelfs niet graag. Slagen of niet doen studenten zelf. Als ik de vele-niet geslaagden zie, ben ik daar niet meteen enthousiast over.”

Hij gaf wel een verklaring voor zijn veeleisende manier van examineren: “Ik ben streng omdat ik wil dat wie aan de UGent politieke wetenschappen studeert (en dat zijn er niet weinig) zijn diploma waard is zodat ze elders zeggen: die komt van Gent, dat is goed gerief. Het gaat er dus om een diploma en onderwijsinstelling een goede reputatie te geven. Bovendien is de universiteit geen kakschool, maar wordt aangezien als de ‘hoogste’ onderwijsopleiding. Nadien zeggen studenten graag, en terecht, dat ze aan de universiteit studeerden. Wel, dan moeten ze tijdens hun studies bewijzen dat ze dat waard zijn. Bovendien verwachten wij nogal wat van onze studenten, ze moeten dat ook aankunnen en moeten daarom voldoende streng geëvalueerd worden.”

Weet u al lang dat u het imago van een veeleisende prof hebt?
“Ik had die naam al van toen ik assistent was. Ik heb mij daar nooit veel van aangetrokken. Op blogs las ik soms vernietigende commentaren. De verleiding om te denken ‘wat voor een kloothommel eersteklas ben ik wel?’ is groot, maar je moet dat vooral relativeren. Luisteren naar en rekening houden met gefundeerde en terechte kritiek, zonder er de slaaf van te worden. Want veel opmerkingen zijn onterecht. Ik zou het niet prettig vinden om gehaat te worden, maar ik moet ook niet populair zijn. Van behaagzucht heb ik geen last. Ik kan nog altijd in de spiegel kijken en uitleggen waarom ik doe wat ik doe. En de klagers roepen luider dan wie het wel goed vindt. Als ik de onderwijsevaluaties mag geloven is dat de grote meerderheid.
“Die reputatie kan soms rare vormen aannemen. Ooit heb ik een mondeling examen afgenomen dat zeer goed verliep. Echt een tof en interessant gesprek. Er werd  gelachen. Nadat die student weer naar buiten was gewandeld, bleef de deur op een kier staan. Ik hoorde hem op de gang zeggen: ‘Man, dat was weer niet te doen! Ik heb weer alle hoeken van de kamer gezien.’ Sommige studenten houden graag mythes en vooroordelen overeind. Dan denk ik vooral: jammer, we hebben die student onvoldoende kritisch kunnen vormen zodat hij zelfstandiger leert denken.”

Begrijpt u dat u de reputatie hebt van buisprof?
“Ik ben ook student geweest. Ik versta dus dat er mythes bestaan over proffen die graag studenten buizen. Maar daar is dus niets van aan. Ik ben niet uit op een bloedbad. Ik streef er niet naar om er eens serieus de bijl in te zetten. Evenmin heb ik een ‘numerus fixus’ in mijn hoofd. Als studenten niet slagen, beschouw ik dat niet als een persoonlijk falen van mijnentwege, maar ik vind het wel jammer. Er zijn immers heel wat factoren die ik niet onder controle heb. Motivatie en discipline bepalen sterk of studenten slagen of niet.
“Ik zal u zelfs een bedrijfsgeheim verklappen: vaak pas ik de cijfers opwaarts aan. Als alle examens verbeterd zijn, plaatsen we de resultaten in een lijst. Wanneer dat er echt heel dramatisch uitziet, verminder ik bijvoorbeeld het gewicht van enkele heel slecht scorende vragen of krijgt iedereen er een half punt bij. Of een punt, als het werkelijk erg is. Ik heb nog nooit van mijn leven het algemene cijfer naar beneden getrokken. Van mij mag iedereen slagen, ik wens het iedereen toe. Maar mijn job is niet enkel mensen opleiden maar ook nagaan of ze aan de normen voldoen. De universiteit levert immers een garantiebewijs af.”

Maar u bent wel een strenge professor?
“Er zijn verschillende redenen om hoge eisen te zetten. Ik zeg tegen mijn studenten: ‘Jullie hebben gekozen voor universitair onderwijs. Dat wordt door de maatschappij en de arbeidsmarkt aangezien als de hoogste onderwijsvorm. Je zult ervoor moeten werken en de lat ligt hoog.’ In principe zou de lat nergens hoger mogen liggen. Ik wil dat mensen die hier een diploma halen een kwaliteitslabel meekrijgen: dit is degelijk materiaal. Dat doe je maar door ervoor te zorgen dat de studenten die het diploma halen het effectief ook waard zijn. Dat is mijn grootste bekommernis.
“Wij zijn eigenlijk onderbemand om alle studenten in de hogere jaren heel veel  begeleiding te geven bij papers, masterproef, groepswerken enz. Van de studenten in de hogere jaren moeten we dus zeker zijn dat ze goed genoeg zijn, ook om zonder dat wij er de hele tijd naast zitten hun opdrachten te maken. Daarom moet je voldoende streng selecteren in het eerste jaar. Wat voor zin heeft om een massa mensen door te laten naar het tweede jaar en hen dan oefeningen te geven waarvan je weet dat ze die eigenlijk niet aankunnen?”

Er moet dus duchtig geselecteerd worden in het eerste jaar?
“Elk jaar verwelkomen wij honderden nieuwe studenten. Bij het verbeteren van de examens zien we dat er pak zijn met 2, 3 of 4 op 20. Dat zijn mensen die wellicht niet geschikt zijn voor deze opleiding. Door mijn manier van examineren haal ik die studenten er voor een groot stuk uit. Ze moeten hun stof kennen en kunnen reproduceren, maar ze moeten ook inzicht hebben en de actualiteit volgen. Ik stel ook in het eerste jaar ook vergelijkings- en toepassingsvragen, maar minder dan in hogere jaren. Politiek is immers geen dood materiaal, dat is levend weefsel. Als je dat allemaal op een hoop gooit, is dat inderdaad veel, maar wie niet slaagt, is ofwel niet gemotiveerd genoeg of heeft niet het karakter en de discipline om deze opleiding te volgen. Zelden heeft het met intelligentie te maken.

“De uitzonderingen die ongelooflijk intelligent zijn, kunnen het hele jaar feesten, De anderen moeten ruim op voorhand beginnen te werken. Dat is saai en nerdy, maar als je syllabus te lang blijft liggen, ben je verloren. De meeste mensen die op het examen buizen, waren eigenlijk al gebuisd in november.”

Spreken uw collega’s u soms aan op uw slaagpercentages?
“Op deliberaties vragen collega’s weleens: ‘Devos, zijt ge weer streng geweest?’ Er zijn nog strenge proffen, zoals er ook milde proffen zijn. Het is veiliger om in de anonimiteit van de groep te gaan staan en je cijfers naar een gemiddeld slaagpercentage op te trekken. Dan zal er nooit iemand een opmerking maken. Het imago van buisprof moet je niet koesteren, sympathiek is het niet. Je moet niet streng zijn om streng te zijn, maar om te vermijden dat je in het laatste jaar over een student moet zeggen: ‘Die had hier eigenlijk niet mogen zitten’. In het tweede jaar heb ik sommige academiejaren ook lage slaagcijfers. We testen studenten in het eerste jaar vaak op een andere manier dan in hogere jaren. Het is niet omdat je een goed eerstejaarsresultaat had dat je nadien ook de rest goed aankan. Maar uiteraard liggen de slaagcijfers in latere jaren flink hoger.”

Vinden uw studenten u soms onrechtvaardig?
“Soms zijn studenten kwaad omdat ze iets hebben opgeschreven dat op zich wel juist is, maar dat geen antwoord is op de vraag. Studenten mogen gerust creatieve en inventieve antwoorden geven, en dat belonen wij. We willen kritische en originele geesten immers stimuleren. Maar als een student antwoordt met het verkeerde stuk uit de syllabus, dan geef ik daar geen punten voor. ‘Dat is toch een bewijs dat ik gestudeerd heb?’, zeggen ze dan.’ Ja, maar ik wil vooral weten of ze de vraag juist kunnen beantwoorden. Zomaar wat kletsen is onvoldoende.
“Een ander voorbeeld: als het antwoord op een vraag ‘Laurette Onkelinx (PS)’ luidt, moeten ze niet afkomen met ‘Jeanette Onkelinx (PS)’ of ‘Onkelinx (CDH)’. ‘Maar enfin, ik heb toch ‘Onkelinx’ juist?’, hoor je dan. Dat is belachelijk. Dat is niet de helft juist, dat is helemaal fout. Dan heb je gestudeerd als een papegaai zonder na te denken of op te letten bij het nieuws.”

Hebt u zelf buisproffen meegemaakt?
“Ik heb nog les gehad van Paul Ghijsbrecht, toentertijd een zeer bekend gerechtspsychiater en professor psychologie. Dat was een fenomeen. De manier waarop hij examens afnam, zou nu niet meer mogen. Precies bij die man moest ik mijn allereerste examen afleggen. Na het schriftelijke deel nodigde hij twee studenten per keer, altijd een goede en een slechte, uit voor het mondelinge deel. Dat examen vond plaats in een auditorium – ik ervaar nog altijd trauma’s als ik er passeer. De eerste rij zat vol assistenten en op het podium stonden drie stoelen. De mythe deed de ronde dat je je niet mocht neerzetten op de middelste stoel. Die was heilig. De studente die met mij naar binnen was geroepen, moest de topografie van de hersenen tekenen. Helaas vergiste ze zich. Waarop de professor tegen mij: ‘Devos! Corrigeer!’ Ik zie dat meisje nog altijd met triestige oogjes naar mij kijken. ‘Heeft zij iets fout gedaan? Ja of neen?’, herhaalde de prof. Waarop ik die tekening met een rood krijtje moest verbeteren of ik was zelf gebuisd. Dat was hard.”

Hoe moeten studenten uw vak aanpakken om een buis te vermijden?
“Ik voel me een ouwe vent telkens als ik het vertel, maar het klopt: na een aantal weken moet je al je leerstof beginnen te bekijken. Zo weet je op voorhand waaraan je het meest tijd zult moeten besteden tijdens de blok, welke hoofdstukken moeilijker zijn dan andere. Onderlijnen, kleuren, structureren, prepareren, daarom nog niet studeren.
“De meest voorkomende reden van falen is dat studenten een slechte studiekeuze hebben gemaakt. Er zijn mensen die politiek ongelooflijk interessant vinden. Met hun maten discussiëren ze tot een stuk in de nacht over politiek. Maar dan merken ze dat de wetenschappelijke studie van politiek toch iets anders is. Dat is nu eenmaal veel saaier. Er zijn ook mensen die wel willen blokken, maar die niet geïnteresseerd zijn om de politieke actualiteit te volgen. Met een gebrek aan motivatie of aan interesse zit je hier niet op je plek.”

Dat druist in tegen het imago van de pol & soc, dat in andere richtingen vaak bestempeld wordt als ‘gemakkelijk’.
“Toen ik vroeger zei dat ik pol & soc studeerde, vroegen andere studenten: ‘Maar jongen toch, waarom doe je geen univeristeit?’ (lacht) Daarom proberen wij er nu echt voor te zorgen dat die opleiding kwalitatief hoogstaand is. Ik denk dat we daarin geslaagd zijn, maar toch komen hier nog altijd heel wat mensen terecht vanuit een negatieve keuze. De redenering is vaak: ‘Rechten is te veel recht, geschiedenis te veel geschiedenis, en we willen absoluut wiskunde en statistiek vermijden. Welke opleiding kunnen we volgen met veel verschillende dingen? Ah, Pol & Soc ziet er interessant uit.’ Daardoor is er een brede instroom van zeer ongelijke kwaliteit. Het volk dat hier niet thuishoort, filteren we eruit, want ondertussen zijn we geen makkelijke opleiding meer.

‘Niet meer’?
“Onze opleiding is nu moeilijker dan toen ik student was. De kwaliteit is beter. Toen ik hier studeerde, heb ik proffen meegemaakt die uit hun nek stonden te kletsen. Als je het zelf goed kon uitleggen, geraakte je er bij die mensen gemakkelijk door.”

Maar toch is de instroom nog altijd zeer breed?
“Er is een nieuw dogma aan de universiteit: flexibilisering. Zet de poorten maar open, iedereen mag binnen. Dat is democratisering, en dat is op zich positief. Maar als je vroeger voor zeven van de tien vakken een buis had, kreeg je de boodschap: dit is niets voor u. Vandaag draaien ze het om: goed, je hebt drie vrijstellingen! Daardoor zitten wij met studenten die maar blijven spartelen om misschien ooit een  diploma te halen.”

Het mag gerust allemaal een beetje strenger?
“Principieel sta ik wel achter die opendeurpolitiek, maar ik vraag me af we er niet in doorgeschoten zijn. De gemiddelde kwaliteit van de nieuwe studenten is niet minder dan vroeger, maar moeten we het mogelijk maken dat ze per se in een richting blijven hangen terwijl ze daar eigenlijk onvoldoende scoren? Moeten we iedereen die zin heeft maximaal ondersteunen opdat het toch zou lukken? Sommigen zouden beter iets anders studeren, waarmee ik niet wil zeggen dat die mensen dom zijn.
“Studenten krijgen zeer veel begeleiding als ze dat willen. Er zijn studenten die uit een slechte middelbare school komen en niet goed voorbereid zijn op universitair onderwijs. Die mensen kun je helpen en dat is een mooi sociaal-democratisch principe. De vraag is of je mensen daar op lange termijn een dienst mee bewijst, want op een bepaald moment valt de begeleiding onherroepelijk weg. Je moet dus ook die begeleiding doseren om de zelfredzaamheid te stimuleren. En ze ook leren hoe het er in het leven na de opleiding aan toe gaat: deadlines overschrijden moet gesanctioneerd worden. Later krijg je daar misschien je C4 voor.
“Ook zijn er tegenwoordig sluipwegen om onze bacheloropleiding te omzeilen. Studenten die bijvoorbeeld een bachelordiploma eventmanagement hebben – ik noem maar een voorbeeld en wil dat diploma niet geringschatten – kunnen hier na een schakeljaar aan hun master beginnen. Onze eigen studenten beginnen te protesteren: ‘Waarom zouden wij nog zo’n ambetante cursus met zulke lage slaagcijfers moeten doorstaan als je via de hogeschool een iets minder strenge opleiding kunt volgen om daarna evengoed je masterdiploma te behalen?’ Want het is uiteindelijk dat laatste diploma dat telt op de arbeidsmarkt.’ Straks wordt de master twee jaar, dan moet  je al zes jaar studeren – drie jaar bachelor, een schakeljaar en twee jaar master – voor een universitaire master als je vanuit de hogeschool komt, dat zal die zij-instroom wellicht verminderen. Die zij-instroom is doorgaans heel gemotiveerd en ook zeer degelijk, maar het kan niet de bedoeling zijn dat we onze eigen bachelors ondermijnen. Dat is nog altijd de beste aanloop naar de master.”


Flattr this

Volg

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 48 other followers