Schoon Gents
2 april 2013
Freek Neirynck was ooit een boer, maar thans is hij als perfesser Gensch beter thuis in het Gents dan vele van zijn stadsgenoten. Onlangs verscheen zijn Gents zegswijzenboek, maar ook zijn Gents zakwoordenboek blijft geestig. Een overzicht van de wijste Gentse woordjes.
Een woordenboek lezen doe je meestal niet voor je plezier, maar dialectwoordenboeken vormen een serieuze uitzondering op die regel. Daarin doe je steevast geestige ontdekkingen. Ik heb me eerder al ferm vermaakt met het Woordenboek van de Vlaamse dialecten van de UGent en het Modern verdwijnwoordenboek van van Dale.
Onlangs is van Freek Neirynck (geboren te Tielt, maar tot wasdom gekomen in Gent) een Gents Zegswijzenboek verschenen. In afwachting daarvan heb ik zijn Gents zakwoordenboek uitgelezen. Veel woorden daarin lijken sterk op hun standaardtalige tegenhanger of hun Franse origineel, maar er zitten ook vele termen tussen die op zichzelf staan en zelfs niet in andere dialecten voorkomen.
Hieronder een selecte van de woordekens die mij het meest konden bekoren en die ik vaker zou moeten gebruiken, in spreek- én schrijftaal.
A
afgepetoatert heel erg moe
appeltsjoeze 1. rode suikerappel, pomme d’amour; 2. oorveeg
B
balgveulder slokop, veelvraat
beirkuipe 1. geervat; 2. zwaarlijvig mens
bekroeze(n) bedrinken
bleutsuuft onintelligent persoon
bloasuuft opschepper, blaaskaak
bloendekapper 1. beenhouwer, slager; 2. (politie)sabel; 3. politieagent
bloomzak vadsig, immobiel persoon
bremsteg bronstig, loops
D
dzjoel 1. pantoffelheld; 2. slomerd; 3. nietsdoener
E
eepateere(n) doen
eierschijter bleek persoon
ertefritter chagrijnige, criticaster
F
fanfreluusjkes wansmakelijke ornamenten
fatiegeere(n) 1. moe makend; 2. vervelen
fierlantswoander oorveeg
floosje 1. kwast; 2. lul
G
gatlekker 1. vleier; 2. kruiper
gefliekflak geflikflooi
geloest (goed) van borsten voorzien
gemamt van borsten voorzien
gerre 1. spleet; 2. vagina
getiektakt gedreven, aangezet tot
gietekeutel 1. uitwerpsel van een geit; 2. onbelangrijk, onbenullig iemand
J
joodenzwiet slappe koffie
K
kaduuk(elijk) 1. onvolmaakt, gammel; 2. ziekelijk
kerresmerte aandoening aan de bips
kiekendief 1. kippendief; 2. wouw; 3. scheldnaam voor roodharige
kleinke 1. deurknop; 2. grof woord voor vagina
klookuuft dommerik
kluite(n)kliever vrek
kluutenschuurder 1. lui iemand; 2. ongeëngageerd persoon
krijs(ch)er pleurant, (betaalde) wener op een begrafenis
kroakemandel 1. gepofte, gezouten erwten op straat en in cafés verkocht; 2. klein persoon
kwiestenbiebel grappig persoon
L
labekak(ker) beunhaas, bange man, lummel
laberachteg onverzorgd
labezoete luie, slome vrouw
lammetsjanne luie vrouw
lavertegoart lafaard in het kwadraat, lafhartige
leegvel luie vrouw
lollekestriebenoal vredegerecht
M
madaam piepie toiletdame
mankepetsjanke(n) moeilijk, sukkelachtig gaan
mo(o)stoartschijter bange, flauwe vent
N
noardretse(n) achternalopen
noastbestoansel bloedverwant
noonepisse slappe koffie
O
olekebolekekoas gezelschapspel met 9 vakjes waarbij men rijen moet maken met ‘x’ en ‘o’
oliedeuts 1. oliebol; 2. sukkel
oopgepomponeert (overdreven) geschminkt
oopscharte(n) verleiden, binnen doen
P
pampele(n) bepotelen
peekelteeve zure of kijvende vrouw
petoaterbeschuut(se) allerliefste
pieloetses opkomende borstjes
pierjankloas zwakkeling
pietoe viespeuk
plakatief plakkerig, kleverig
plamoaster 1. klap in het gezicht; 2. grote hoeveelheid
poepescheet(s)e 1. achterwerk; 2. lieveling
pregge gierige vrouw
preut(e)dekker minuscuul vrouwenslipje
puurtsjesvolk plebs
R
reufte astrant kereltje
rijs(t)papgat slap, gerimpeld achterwerk
roskameinge pak slaag
S
sakreenoendepietsjes verdomme
schamfeleerkes valse borsten
schuifele(n) fluiten
seskes stuipen, vallende ziekte
sjamfoeter schoft
Slechtemansberg Sint-Amandsberg
sparadrap pleister
steertenterter belediger
T
tangerachteg hunkerend
tantewannekes praatjes, smoesjes, tralala
teutele(n) stotteren
tootentrekker huichelaar
trak plankenkoorts
treute zagerige vrouw
tsjoepe(n) 1. (verkeers)kegels; 2. puntige uitsteeksels; 3. stelen
V
verbastadeere(n) verbasteren
verdes(t)eleweere(n) verknoeien
vermasakreere(n) vernielen, verminken
vuile taluure stripteasetent op de kermis
W
Waloenpeijie Wallonië
welgemoakt lichamelijk bevallig
wieteleire 1. verdwaalde; 2. penis
woalekop Zuid-Belg
woaterloeze ferme vrouwenborst
Z
zeemels zenuwen
ziektiele piskous, incontinente vrouw
ziepbaroen omhooggevallen iemand
zijpgat afhangende kont
zoetwoatersjienees persoon van vreemde origine
Van flonkaards en genoffels
23 maart 2011
Zijn hoofd is lijk een bak koperen nagels. Dat zeggen ze in Kortrijk van iemand met wortelgrijze haren, zo leert de nieuwste aflevering van het Woordenboek van de Vlaamse Dialecten ons. Het boek verzamelt de dialectwoorden die gebruikt worden voor het menselijk lichaam. Ik vind het de max.
Een woordenboek lees je normaal gezien niet voor je plezier. Maar dit exemplaar is voor de verandering wel behoorlijk hilarisch. Het is een genot om te zien hoe creatief men in het Vlaams over het lichaam kan vertellen. Nooit gedacht dat een woordenlijst zo vermakelijk kon zijn.
In De Morgen gaf ik gisteren al een overzicht van de leukste termen. Dat artikel staat niet online. Wel hebben Het Nieuwsblad en De Standaard het vandaag nog eens herkauwd. Dat strekt mij tot eer, zo durf ik te snoeven.
Aan de telefoon had professor taalkunde Magda Devos (UGent) me uitgelegd dat de vunzigste termen voorbehouden zijn voor de lichaamsdelen waar het meest schaamte rond hangt. De kloten, fluit en foef dus. Ook mensen met een lichaamsbouw die afwijkt van de normen worden met velerlei prachtige doch kwetsende formuleringen overladen.
Voor uw gemak: een overzicht.
Blutsepieper (naakt persoon)
Een blutsepieper is een naakt persoon. Iemand zonder kleren wordt ook als blutsebloot omschreven. Of paddermoedernaakt. Een andere variant is padderpiddernaakt. Iemand die écht niet meer bloter kan zijn, krijgt het adjectief ‘pidderpadderpoedernaakt’ mee. Of dan zegt men: “Hij is zo naakt als een ganzegat.”
Huisteknuist (klein persoon)
Al met al een vriendelijke term voor iemand die klein van gestalte is. Andere omschrijvingen getuigen van minder respect, zoals ‘drol’, ‘keutel’, of ‘opneukertje’. Dan klinken ‘aarddolletje’ en ‘kadoddermannetje’ sympathieker. Je kunt ook gewoon vaststellen dat iemand in een mergbeentje past. Of te weinig schoppen onder zijn kont gekregen heeft.
Baloeftig (dik)
Iemand die in zijn vet vergaat of erin versmacht, is baloeftig. Slijkevlet. Een kamerolifantje of kwabbelkloot. Een dikke vrouw is een maroffel en een man met een opgeblazen, baardeloos gezicht heeft een gesplet aarsgat. Wie een vollemaansgezicht bezit, heeft een poeftête of pompewezen.
Tekenterter (zeer mager iemand)
Hij is zo mager als een solferstek, dat moet wel de dood in burgerskleren zijn. Als je eruit ziet als een gestroopte puit of een afgedroogde haring, zit je onder je gewicht. Tekenterters zijn niet meer dan een verklede koperdraad. Een magere vrouw is een plank met een hol in. Ook een elfrib of grepschijter mag probleemloos enkele kilo’s bijkomen.
Kwakmadoeze (slordige vrouw)
Wie mooi is, is een doodzonde waard, maar wie te lelijk is om voor de duivel te dansen, heeft pech. Hij of zij heeft een muil om maskers op te gieten, wordt gezegd. Als ge dat ziet, vergaat de liefde, maar ze is tenminste schoon als ze alleen staat. Een slordige vrouw is een kwakmadoeze, nog vuiler dan de oren van een biechtvader.
Babilotten (pijpenkrullen)
Meisjes met pampillotten of babilotten hebben haarklodden die in mooie pijpjes gekruld zijn. Maar mannen met een haarscheiding lopen ondanks alles rond met een luizegang of luizenboulevard. Je haar dan maar niet kammen? In dat geval is je kapsel verdestrueerd en heb je een aaksternest op je hoofd.
Koperkeun (roodharig)
Koperkeunen zijn ferm geroest. Met hun rosse haar lijkt hun hoofd op een bak koperen nagels. Hij is karotezwarte of wortelgrijze. Zij is koeroste. Als ze samen ooit kinderen zullen krijgen, is de kans groot dat ook van hen gezegd zal worden dat ze gemaakt werden toen de buis roestig was.
Blutskakker (kaal)
Iemand die met zijn knieën door zijn broek zit, moet niet naar de klerenwinkel, maar naar de pruikenmarchand. Blutskakkers dragen een vleesklak of hebben een kletsebielde. Zijn haar heeft karakter, ‘t valt liever uit dan grijs te worden, lacht men schamper. Hij heeft een voorhoofd tot in zijn nek, fluistert de goegemeente vol ontzag.
Rattemoustache (hitlersnorretje)
Neen, het hitlersnorretje is niet uitgevonden door Adolf Hitler. Nog vóór de Duitse dictator droeg komiek Charlie Chaplin reeds een neuswarmertje. Na de Tweede Wereldoorlog werd de rattemoustache echter steevast geassocieerd met Hitler. Van een snotsnorretje of snotneusje spreekt nauwelijks nog iemand.
Flonkaard (neus)
In Gent zijn neuzen snoepgoed, ook bekend als cuberdons. Het reukorgaan noemt men er een flonkaard. Elders is ‘snotkoker’ gangbaar. Iemand met een vervormd exemplaar heeft in de volksmond achter de deur gestaan toen de neuzen uitgedeeld werden. Een dikke neus is een kaarsendopper, een plat neusje een pui die op zijn gat zit.
Mosselschuiten (grote oren)
De Franse muzikant Serge Gainsbourg had koolbladen van oren. Het waren oren als mosselschuiten. Plakwaaiers of pollepels wijzen eveneens op buitenmaatse oorschelpen. Wie tegen de wind gereden heeft, heeft een stel flaporen. Zijn oren staan te ver van zijn kop. Als er op de koop toe schapeboter in zit, is het tijd voor oorstokjes.
Geuzevlees (borsten)
De mammeloezen van een vrouw dragen nogal wat geuzennamen. Van een dame met een behoorlijke portie geuzevlees zegt men dat ze niet over haar eigendom kan kijken. Ze heeft mogen kiezen: vier kleintjes of twee grote. Piefertjes zijn afgekrabde muggebeten. Doorhangende zeeptetten kunnen vrouwen dan weer over hun schouder smijten.
Kwadoel (kont)
De twee billen vormen het achterkasteel. Een uit de kluiten gewassen zitkasteel is een aalkarteel. In de kwadoel of het achterste gezicht zit een gruisbuis of achtermond. Daaruit komen haagvinken of grasdekkers. Wie geen slot aan zijn gat heeft, doet zijn gevoeg. “Waarom pakte gij in uw neus dat ‘k ik in mijn gat niet en wil”, zegt men bij broekhoest.
Fietemarol (penis)
Een crispianus is geen geleerde uit de oudheid, maar slechts een zeikspel. Elke man wordt met zo’n pisseloen geboren. Het valt op hoe vaak de fietemarol een eigennaam draagt, zoals charel, désiré, jan en jef. Een plat duivenjong is het geheel van de dardanellen of genoffels en de wiesteko. Uit de deugddoener komt sporadisch kallevet of snoksel.
Mizzewanne (venusheuvel)
Als Kortrijkzanen van een bloedput spreken, hebben ze het wel degelijk over het voorkwartier van een vrouw. De mizzewanne of de potijze brengt menig man het hoofd op hol. Maar het vogelmuiltje wordt niet altijd gerelateerd aan seksuele wellust: ook met ‘de put van verdommenis’ verwijzen dialectsprekers naar de schede.
Kaloens (scheel)
Een paanoog wil niet goed mee. Mensen gaan er kaloens of lodderlijk door zien. Met dergelijke kerewijtogen kun je zonder probleem ‘bachten een boom’ kijken. Of ‘mee zijn linkse oog in zijn rechtse broekzak’. Als hij schreemt lopen de tranen van zijn linkeroog op zijn rechterkaak. Of zoals in Aalst: zijn één oog zegt foert tegen ‘t ander.
Patattenveld
13 maart 2011

Een patat met de aardappelziekte aan zijn kloten. Genetische modificatie kan patatten resistenter maken tegen de pseudoschimmel die de ziekte veroorzaakt. (Foto Ben Millett)
België heeft zijn eigen legertje eco-warriors: de Field Liberation Movement zal op zondag 29 mei een experimenteel patattenveld in Wetteren vernietigen. Op het proefveld testen de UGent, het Vlaams Instituut voor Biotechnologie, de Hogeschool Gent, het Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek en chemiereus BASF aardappellijnen uit die resistent gemaakt zijn tegen de aardappelziekte. De actievoerders zullen de genetisch gemodificeerde aardappelen uit de grond halen en vervangen door biopatatten.
Voor De Morgen van zaterdag 12 maart 2011 schreef ik een artikel over de actie tegen de genetisch gemodificeerde organismen (ggo’s).
Flauwekul
Omdat een nieuwsstuk slechts beperkt is in lengte kon ik maar weinig achtergrondinformatie over de patatten in kwestie kwijt. Wel nu, het zijn coole aardappelen. De Field Liberation Movement zegt dat de veldproef in Wetteren nutteloos en gevaarlijk is, maar René Custers van het VIB spreekt dat tegen.
“Dat is flauwekul. Deze proef is absoluut niet gevaarlijk. Wij gebruiken nartuurlijke resistentiefactoren die voorkomen in wilde aardappelrassen. Wel wordt er tijdens de proeven een marker gebruikt voor antibioticaresistentie. Maar de aardappellijnen die uiteindelijk op de markt zullen belanden, zullen die marker niet bevatten. Qua veiligheid is er niets mis met onze aardappelen”, stelt Custers. “En nutteloos? Nu zijn er al aardappellijnen op de markt met een bepaalde resistentie tegen Phytophthora infestans. Die zijn verkregen via conventionele veredeling, dus door aardappelrassen te kruisen. Dat kost heel veel moeite en duurt tientallen jaren. Via genetische modificatie boek je veel sneller resultaat. Een ander voordeel is dat je in één stap meerdere resistentiefactoren kunt inbrengen. Bij conventionele veredeling kun je maar een resistentiefacter tegelijk inbrengen. Als één resistentiefactor met een kans van 1 op 1.000 wordt doorbroken, wordt een dubbele resistentiefactor met een kans van 1 op 1000 x 1000 doorbroken en een een driedubbele resistentie met een kans van 1 op 1000 x 1000 x 1000. Meervoudige resistenties zijn dus vele malen duurzamer.”
Ratten-DNA
“Ik zou hier zeer graag eens over discussiëren met de tegenstanders”, geeft Custers nog mee. “Een tijdje geleden hebben we al een heel goed gesprek gehad met een aantal Vlaamse bio- en milieuorganisaties. Dat was heel leerzaam voor beide kanten. We willen dat in het kader van het veldproefproject veel meer doen. Milieuorganisaties zien wel het verschil tussen dit aardappelproject en andere ggo-toepassingen. Maar het is blijkbaar nog een brug te ver om dat publiek toe te geven.”
De nuance zit er hem in dat er voor de veldproef in Wetteren cisgene patatten gebruikt worden, en geen transgene. Wat wil dat zeggen? Dat de aardappelen enkel soorteigen genetisch materiaal kregen ingeplant, en dus geen – ik zeg maar iets – ratten-DNA of reptielengenen. Het publiek hoeft niet bang te zijn voor moorddadige Frankensteinpatatten die argeloze voorbijgangers in de nek zullen springen en doodbijten.
Lobbywerk
Toch is de Field Liberation Movement niet overtuigd door dat argument. “Zelfs al zijn de aardappelen in Wetteren cisgeen, dan nog is hun genetische code veranderd”, benadrukt Steven, één van de initiatiefnemers, aan de telefoon. “Je weet nog altijd niet wat de gevolgen zijn. Je verandert DNA, maar je weet niets van de context waarin de nieuwe genpatronen terechtkomen. Wij zijn tegen veldproeven in openlucht en vinden dat men het voorzichtigheidsprincipe moet hanteren voor dergelijk onderzoek. Het risico van een ggo-besmetting van de grond is niet uitgesloten. Bij eerdere proeven met maïs is ook al gebleken dat naburige velden gecontamineerd waren. Hou ggo’s alsjeblieft in het labo.”
Steven wijst er ook op dat de FLM niet zozeer protesteert tegen het gevaar van deze specifieke veldproef. “Overal in Europa staat de ggo-industrie te trappelen om ingang te vinden. Met dergelijke experimenten proberen ze hun legitimiteit te vergroten. Dat is niet het resultaat van democratische besluitvorming, maar van lobbywerk. De universiteit kruipt op de knieën voor internationale firma’s, terwijl ze het algemeen belang moet dienen.”
Agent Orange
Rector Paul Van Cauwenberge van de UGent is niet te spreken over die beschuldiging. “Commercie speelt geen rol in dit project, enkel het wetenschappelijke belang telt. Wij doen ook niet aan productie. Dit is een onderzoek. Met grote bedrijven als Monsanto hebben wij niets te maken en dat willen we ook niet.”
De multinational Monsanto is één van de grote spelers in de wereldmarkt voor herbiciden. Tegelijk is het marktleider voor de productie van gemodificeerde zaden. “De grootste productie van ggo’s zit hem in het creëren van gewassen die resistent zijn tegen herbiciden. Nu al komt een zeer groot deel van de eiwitproducten voor de Europese veestapel uit genetisch gemodificeerde soja uit Zuid-Amerika. Die soja is resistent gemaakt tegen het herbicide glyfosaat, dat door Monsanto verkocht wordt onder de naam Roundup. Datzelfde bedrijf is ook marktleider voor genetisch gemodificeerde zaden. Dat leidt tot een centralisering van de voedselproductie”, zegt Steven. “Ondertussen duikt er al superonkruid op dat resistent is tegen glyfosaat. De oplossing? Een herbicide dat vergelijkbaar is met Agent Orange.”
Pertinente onwaarheid
Volgen de FLM heult het VIB met de grote multinationals. “Het VIB heeft zelf heel weinig wetenschappelijk belang bij het onderzoek naar die aardappelen. De veldproef heeft de bedoeling om tegenstanders van genetische modificatie te counteren. Men streeft naar aanvaarding van genetisch gemodificeerde gewassen. We hebben het gevoel dat het VIB de poorten voor ggo’s wagenwijd wil openzetten. Daarbij is het goed om weten dat het VIB voor de helft gesponsord wordt door grote bedrijven”, stelt Steven onomwonden.
“Dat is een pertinente onwaarheid”, reageert Custers. “Het VIB heeft een breed scala aan overeenkomsten met heel wat bedrijven, maar dat levert bijlange niet de helft van de middelen waarmee VIB onderzoek doet. Het ligt eerder in de ordegrootte van 12 à 15 procent. Samenwerken met bedrijven is vaak ook de enige manier waarop interessante vindingen hun weg kunnen vinden naar consumenten en producenten. Een publieke instelling is niet in staat die zaken zelf te ontwikkelen en op de markt te brengen.”
“Ggo’s worden geassocieerd met multinationals”, erkent Custers. “Ook in onze veldproef is BASF aanwezig. Maar het meeste materiaal in de proef is afkomstig uit publiek onderzoek en is uiteindelijk bestemd voor kleinere bedrijven.”
Transgene modificatie
Maar dat de veldproef een communicatiedoel dient, wordt niet ontkend. Integendeel zelfs. “Wij willen net tonen dat dit experiment veilig is. De bedoeling is om informatie te verschaffen, zodat het publiek zich zelf een oordeel kan vormen. Wij willen communiceren wat de voordelen zijn van deze aardappel”, legt Godelieve Gheysen, professor moleculaire biotechnologie, uit. “Onze boodschap is dat deze ggo-aardappelen grote voordelen hebben, zowel voor het milieu als voor de boer. Wat wij doen, is vergelijkbaar met conventionele veredeling, alleen gebeurt het veel sneller en met een resistentere aardappel als resultaat. Wij hebben het VIB gevraagd om in dit project te stappen omdat zij ervaring hebben met communicatie en met de vergunningen die nodig zijn voor een veldproef.”
“Voor het brede publiek is het moeilijk om een genuanceerd oordeel te vormen”, beseft Custers. “Milieuorganisaties creëren een sfeer van onzekerheid, waardoor het publiek snel geneigd is ggo’s als gevaarlijk te bestempelen. Die boodschap blijft hangen. Maar er is een groot verschil tussen transgene en cisgene modificatie. Bij transgene modificatie wordt soortvreemd genetisch materiaal binnengebracht. Onze veldproef moet echter uitsluitend cisgene aardappellijnen opleveren.”
Minder pesticiden
Volgens de universiteit kunnen de gemodificeerde aardappelen ervoor zorgen dat boeren tot 80 procent minder schimmelbestrijdende middelen moeten spuiten. Daarom supportert ook de Boerenbond voor de veldproef. “We bekijken experimenten met ggo’s van geval tot geval. Als zo’n experiment bijdraagt tot duurzame landbouw, dan wijzen wij het niet af. In het geval van deze aardappelen zijn wij ervan overtuigd dat ze zeer positieve effecten hebben voor het milieu”, verklaart François Huyghe.
Huyghe is zich bewust van de technieken van de zaden- en pesticidenmultinationals, maar wil het experiment van de UGent daar niet mee geassocieerd zien. “Deze ggo’s zijn niet resistent tegen pesticiden, maar tegen de aardappelziekte, waardoor boeren net minder pesticiden zullen moeten gebruiken. En daarom steunen wij dit experiment.”
Onnatuurlijke technologieën
“Wij beseffen dat de aardappelziekte zeer nadelig is voor boeren”, erkent Steven van de FLM. “Maar ook via conventionele veredeling kunnen aardappelen resistent gemaakt worden tegen Phytophthora infestans. Laat ons daarom onze energie steken in rasveredeling in plaats van genetische modificatie.”
“De vernietiging van de veldproef lijkt me toch de verkeerde manier om die boodschap te verkondigen”, vindt Custers. Vanwaar komt die weerstand tegen ggo’s volgens hem? “De tegenstand tegen ggo’s is tweeledig. Enerzijds zijn sommige mensen bang. Ze zijn tegen onnatuurlijke technologieën – maar je kunt eindeloos discussiëren over wat natuurlijk is en wat niet. Anderzijds hebben veel tegenstanders van ggo’s een probleem met grootschalige industrie. Zij pleiten voor een kleinschalige, lokaal verankerde landbouw – zoals door de biolandbouw nagestreefd wordt. Maar daar kun je niet voor de volle 100 procent op steunen. Grootschalige, geïndustrialiseerde landbouw blijft nodig voor de voedselproductie. Zeker als je die op wereldwijde schaal beschouwt en rekening houdt met het feit dat steeds meer mensen in steden wonen.”
In de aanloop naar 29 mei belooft de Field Liberation Movement alvast enkele andere acties om het publiek alvast warm te maken. De UGent is niet van plan om te wijken. “Alle vergunningen die nodig waren, hebben wij gekregen. De federale overheid heeft ons toestemming gegeven voor deze veldproef”, argumenteert Van Cauwenberge. “Wij blijven achter onze zaak staan. Als je democratische toestemming hebt gekregen, moet je niet zwichten voor niet-democratische drukkingsgroepen. Wij zullen trachten de schade tot een minimum te beperken. Het is mijn plicht om die gewassen te beschermen.”
Buisproffen
13 oktober 2010
Een tijd geleden vroeg De Standaard mij om enkele artikels te schrijven voor een studentenbijlage die bij de aanvang van het academiejaar bij de krant zou zitten. Wel, ik heb dat met veel plezier gedaan. Eén van de onderwerpen waren buisproffen: wie zijn ze en waarom doen ze het?
Via Twitter ging ik op zoek naar de monsters die de studenten de schrik van hun leven bezorgen. Alras had ik een hele lijst vol namen. Sommige proffen wilden niet meedoen, de meeste reageerden gewoonweg niet, maar degenen die mij te woord wilden staan, hadden wel degelijk iets te zeggen. Dat mondde uit in een artikel dat ik met veel genoegen geschreven heb. Uit de zeven interviews kon ik zelfs met groot gemak een twééde stuk puren, ditmaal over de flexibilisering van het hoger onderwijs. (Dat vind ik helaas niet meer terug op de website van De Standaard.)
Soit, sowieso waren die twee artikels veel te kort om al de gespreksstof die ik uitgetikt had in weer te geven. Kappen dat ik heb moeten doen. Omdat ik die interviews nog altijd zeer de moeite waard vind, geef ik ze hier integraal. Geniet ervan. Relatief absolute aanraders zijn de gesprekken met Eric Van de Casteele en Carl Devos. Vaak dolkomisch, altijd scherp.
- Dirk Aeyels (UGent): ‘De universiteit is geen bedrijf dat producten aflevert’
- Eric Van de Casteele (Arteveldehogeschool): ‘Studenten hebben enorm veel fantasie. Dat is ongelooflijk’
- Ivan De Cnuydt (Arteveldehogeschool): ‘Ik geef geen 9 als iemand maar een 6 verdient’
- Carl Devos (UGent): ‘Sommige studenten zouden beter iets anders studeren’
- Kristien Hemmerechts (HUB): ‘Een prof komt nooit in de problemen als hij hoge cijfers geeft’
- William Van Belle (KU Leuven): ‘Het is goed om veeleisend te zijn’
- Alex Vanneste (UA): ‘Ik ben veeleer veeleisend dan streng’
‘De universiteit is geen bedrijf dat producten aflevert’
13 oktober 2010
Dirk Aeyels is een buisprof zonder weerga. Ik heb getuigenissen ontvangen van studenten burgerlijk ingenieur die zeven keer het examen van zijn vak ‘systemen en signalen’ afgelegd hebben. Maar het is ook een aimabel man. Het ene moment kijkt hij je aan met streng priemende ogen, het andere moment zit je te praten met een olijke gozer. Hij wéét dat hij twee gezichten heeft. “Maar jammer genoeg hebben de meeste studenten het niet door als ik middenin een technische uitleg een grap smokkel”, zucht hij.
Aeyels had liever niet dat ik ons gesprek op tape opnam. Hij vertrouwde erop dat ik alles zou kunnen noteren in mijn notitieboekje en dat ik de geest van zijn woorden correct zou weergeven. Dat bleek gelukkig zo te zijn: aan het interview hoefde er voor zijn part nauwelijks iets veranderd te worden. Oef!
Was u ervan op de hoogte dat u de naam hebt een buisprof te zijn?
Dirk Aeyels: “Tot voor kort kende ik die term niet. Maar toen ik op website van het VTK (Vlaamse Technische Kring, studentenclub van de burgerlijk ingenieurs, TVDM) keek wat er geschreven stond over mijn vak, las ik daar wel al in de eerste zin ‘buisvak’. Ik weet dat ik de naam heb veeleisend te zijn, maar ik ben verbaasd dat men dat reduceert tot ‘buisprof’. Ik kan niet zeggen dat ik dat prettig vind, maar het is nu zo, zeker?”
Waarom vinden studenten u veeleisend?
“Ik tracht te peilen naar inzicht. Daarom neem ik ook het liefst mondelinge examens af. Helaas lukt dat niet meer: er zijn te veel studenten. In mijn lessen probeer ik zo natuurlijk mogelijk kennis over te brengen. De studenten moeten creatief kunnen omspringen met die kennis. Maar als een student onvoldoende kennis verworven heeft, is het zeer moeilijk om nog creatief te zijn. Van burgerlijk ingenieurs wordt een theoretische onderbouw verwacht, maar tegelijk moeten ze in staat zijn om na te denken over toepassingen.
“Als wij vroeger op ons examen pure kennisvragen kregen, was dat een cadeau. Nu niet meer: men studeert te weinig. Zelfs kennisvragen blijken een hindernis. Ik heb ook het gevoel dat studenten slordiger formuleren. Ze hebben het vaak moeilijk om een redenering op te bouwen. Vele studenten weten wel iets, maar niet precies genoeg. Het antwoord zit in hun hoofd, maar ze krijgen het niet uitgelegd op papier. Als ik daar niet soepeler mee zou omgaan, zouden de slaagcijfers dalen. In die zin geef ik dus iets meer toe.”
Ligt dat aan de studenten zelf?
“Neen, ik leg de schuld niet bij de studenten zelf. Waarschijnlijk heeft het te maken met de veranderende maatschappij. Ook wordt er in het middelbaar anders lesgegeven dan vroeger. Studenten worden minder goed voorbereid op universitaire studies.”
Wat is het slaagpercentage voor uw vak?
“Ik weet niet hoeveel studenten geslaagd zijn. Ik volg de evolutie van de slaagcijfers niet op de voet. Collega’s spraken me vroeger wel aan op het slaagpercentage voor mijn vak. Dat was niet leuk, zelfs al was het goed bedoeld. Zij moeten beseffen dat ik het ook goed meen. Ik wil mijn studenten niet buizen, ik wil dat ze iets bijleren.”
Vindt u het vervelend als een examen niet goed is?
“Er zijn mensen die vier keer op rij 6 op 20 halen voor mijn vak. Dat vind ik erg voor de studenten in kwestie. Kunnen ze het niet of studeren ze het niet? Systemen en signalen is basisleerstof voor alle ingenieurs. Studenten moeten zich enkele basisbegrippen eigen maken die in de verdere opleiding een rol spelen. Het is een theoretisch vak met vele praktische toepassingen. In die zin is het een belangrijk vak. Maar op het moment zelf zien vele studenten niet in waarom dit vak nodig is. Dat komt pas later – hoop ik toch. Dan beseft men: tiens, bij Aeyels hebben we toch iets geleerd. Dat was wel degelijk zinvol.”
Hoe zit het met het niveau van de studenten?
“De bovenlaag van de studenten presteert nog altijd zeer goed. Maar er is een grotere instroom dan toen er nog een toelatingsexamen was (het examen werd in 2004 afgeschaft, TVDM). Vooral de onderlaag lijkt groter te zijn. Veel studenten raken nog door het eerste jaar, maar dan komen ze in de tweede bachelor ‘Systemen en signalen’ tegen…
“Ik ben voor een ingangsexamen. Dat hoeft niet moeilijk te zijn, maar je kunt dan wel zien wie de motivatie en de aanleg heeft voor deze opleiding. Zo weet je ook dat studenten niet zomaar aan een opleiding beginnen.”
De overheid verwacht dat universiteiten en hogescholen meer mensen met een diploma afleveren. Is dat een goede zaak?
“Op zich is het principe van een democratische instroom goed, maar er wordt vooral gekeken naar de uitstroom. Op dit moment is de industrie nog altijd tevreden, maar in de Verenigde Staten heeft men nu al last van ‘grade inflation’. Dat wil zeggen dat men te gemakkelijk hoge cijfers geeft voor prestaties die dat niet verdienen. Het is geen goede ontwikkeling dat de inhoud van het diploma zo weggenomen wordt. Dat zal op termijn gevolgen hebben, ook voor de industrie.
“De universiteit is geen bedrijf dat producten aflevert. Maar ik vrees dat we meer en meer die richting aan het uitgaan zijn. Ik vind het ook afschuwelijk als men spreekt over studenten als klanten. Ik ga daar niet mee akkoord.”
‘Sommige studenten zouden beter iets anders studeren’
13 oktober 2010
Politicoloog Carl Devos (1970) is alom aanwezig in de media. Je zou bijna vergeten dat de wetenschapper ook nog les geeft aan de UGent. En nog geen klein beetje: politicologie in eerste bachelor en politieke besluitvorming in tweede bachelor. “Een stevig vak”, zegt hij zelf. Daarnaast begeleidt hij de stage en bachelorpaper in derde bachelor en doceert hij Belgisch federalisme in de master. Je kunt van Devos veel zeggen, maar op zijn mondje is hij niet gevallen. “Wie niet slaagt, is ofwel niet gemotiveerd genoeg of heeft niet het karakter en de discipline om deze opleiding te volgen.”
Toen ik Carl Devos een mail stuurde met de vraag of ik hem mocht interviewen over zijn imago als buisprof, kreeg ik meteen een duidelijk antwoord. “Ik vind niet dat dat een te koesteren omschrijving is, maar ik heb inderdaad niet meteen de hoogste slaagcijfers”, erkende Devos. “De formulering ‘gemakkelijk buizen uitdelen’ klopt alvast niet, ik ben er niet op uit om iemand als niet geslaagd te beoordelen, ik doe dat zelfs niet graag. Slagen of niet doen studenten zelf. Als ik de vele-niet geslaagden zie, ben ik daar niet meteen enthousiast over.”
Hij gaf wel een verklaring voor zijn veeleisende manier van examineren: “Ik ben streng omdat ik wil dat wie aan de UGent politieke wetenschappen studeert (en dat zijn er niet weinig) zijn diploma waard is zodat ze elders zeggen: die komt van Gent, dat is goed gerief. Het gaat er dus om een diploma en onderwijsinstelling een goede reputatie te geven. Bovendien is de universiteit geen kakschool, maar wordt aangezien als de ‘hoogste’ onderwijsopleiding. Nadien zeggen studenten graag, en terecht, dat ze aan de universiteit studeerden. Wel, dan moeten ze tijdens hun studies bewijzen dat ze dat waard zijn. Bovendien verwachten wij nogal wat van onze studenten, ze moeten dat ook aankunnen en moeten daarom voldoende streng geëvalueerd worden.”
Weet u al lang dat u het imago van een veeleisende prof hebt?
“Ik had die naam al van toen ik assistent was. Ik heb mij daar nooit veel van aangetrokken. Op blogs las ik soms vernietigende commentaren. De verleiding om te denken ‘wat voor een kloothommel eersteklas ben ik wel?’ is groot, maar je moet dat vooral relativeren. Luisteren naar en rekening houden met gefundeerde en terechte kritiek, zonder er de slaaf van te worden. Want veel opmerkingen zijn onterecht. Ik zou het niet prettig vinden om gehaat te worden, maar ik moet ook niet populair zijn. Van behaagzucht heb ik geen last. Ik kan nog altijd in de spiegel kijken en uitleggen waarom ik doe wat ik doe. En de klagers roepen luider dan wie het wel goed vindt. Als ik de onderwijsevaluaties mag geloven is dat de grote meerderheid.
“Die reputatie kan soms rare vormen aannemen. Ooit heb ik een mondeling examen afgenomen dat zeer goed verliep. Echt een tof en interessant gesprek. Er werd gelachen. Nadat die student weer naar buiten was gewandeld, bleef de deur op een kier staan. Ik hoorde hem op de gang zeggen: ‘Man, dat was weer niet te doen! Ik heb weer alle hoeken van de kamer gezien.’ Sommige studenten houden graag mythes en vooroordelen overeind. Dan denk ik vooral: jammer, we hebben die student onvoldoende kritisch kunnen vormen zodat hij zelfstandiger leert denken.”
Begrijpt u dat u de reputatie hebt van buisprof?
“Ik ben ook student geweest. Ik versta dus dat er mythes bestaan over proffen die graag studenten buizen. Maar daar is dus niets van aan. Ik ben niet uit op een bloedbad. Ik streef er niet naar om er eens serieus de bijl in te zetten. Evenmin heb ik een ‘numerus fixus’ in mijn hoofd. Als studenten niet slagen, beschouw ik dat niet als een persoonlijk falen van mijnentwege, maar ik vind het wel jammer. Er zijn immers heel wat factoren die ik niet onder controle heb. Motivatie en discipline bepalen sterk of studenten slagen of niet.
“Ik zal u zelfs een bedrijfsgeheim verklappen: vaak pas ik de cijfers opwaarts aan. Als alle examens verbeterd zijn, plaatsen we de resultaten in een lijst. Wanneer dat er echt heel dramatisch uitziet, verminder ik bijvoorbeeld het gewicht van enkele heel slecht scorende vragen of krijgt iedereen er een half punt bij. Of een punt, als het werkelijk erg is. Ik heb nog nooit van mijn leven het algemene cijfer naar beneden getrokken. Van mij mag iedereen slagen, ik wens het iedereen toe. Maar mijn job is niet enkel mensen opleiden maar ook nagaan of ze aan de normen voldoen. De universiteit levert immers een garantiebewijs af.”
Maar u bent wel een strenge professor?
“Er zijn verschillende redenen om hoge eisen te zetten. Ik zeg tegen mijn studenten: ‘Jullie hebben gekozen voor universitair onderwijs. Dat wordt door de maatschappij en de arbeidsmarkt aangezien als de hoogste onderwijsvorm. Je zult ervoor moeten werken en de lat ligt hoog.’ In principe zou de lat nergens hoger mogen liggen. Ik wil dat mensen die hier een diploma halen een kwaliteitslabel meekrijgen: dit is degelijk materiaal. Dat doe je maar door ervoor te zorgen dat de studenten die het diploma halen het effectief ook waard zijn. Dat is mijn grootste bekommernis.
“Wij zijn eigenlijk onderbemand om alle studenten in de hogere jaren heel veel begeleiding te geven bij papers, masterproef, groepswerken enz. Van de studenten in de hogere jaren moeten we dus zeker zijn dat ze goed genoeg zijn, ook om zonder dat wij er de hele tijd naast zitten hun opdrachten te maken. Daarom moet je voldoende streng selecteren in het eerste jaar. Wat voor zin heeft om een massa mensen door te laten naar het tweede jaar en hen dan oefeningen te geven waarvan je weet dat ze die eigenlijk niet aankunnen?”
Er moet dus duchtig geselecteerd worden in het eerste jaar?
“Elk jaar verwelkomen wij honderden nieuwe studenten. Bij het verbeteren van de examens zien we dat er pak zijn met 2, 3 of 4 op 20. Dat zijn mensen die wellicht niet geschikt zijn voor deze opleiding. Door mijn manier van examineren haal ik die studenten er voor een groot stuk uit. Ze moeten hun stof kennen en kunnen reproduceren, maar ze moeten ook inzicht hebben en de actualiteit volgen. Ik stel ook in het eerste jaar ook vergelijkings- en toepassingsvragen, maar minder dan in hogere jaren. Politiek is immers geen dood materiaal, dat is levend weefsel. Als je dat allemaal op een hoop gooit, is dat inderdaad veel, maar wie niet slaagt, is ofwel niet gemotiveerd genoeg of heeft niet het karakter en de discipline om deze opleiding te volgen. Zelden heeft het met intelligentie te maken.
“De uitzonderingen die ongelooflijk intelligent zijn, kunnen het hele jaar feesten, De anderen moeten ruim op voorhand beginnen te werken. Dat is saai en nerdy, maar als je syllabus te lang blijft liggen, ben je verloren. De meeste mensen die op het examen buizen, waren eigenlijk al gebuisd in november.”
Spreken uw collega’s u soms aan op uw slaagpercentages?
“Op deliberaties vragen collega’s weleens: ‘Devos, zijt ge weer streng geweest?’ Er zijn nog strenge proffen, zoals er ook milde proffen zijn. Het is veiliger om in de anonimiteit van de groep te gaan staan en je cijfers naar een gemiddeld slaagpercentage op te trekken. Dan zal er nooit iemand een opmerking maken. Het imago van buisprof moet je niet koesteren, sympathiek is het niet. Je moet niet streng zijn om streng te zijn, maar om te vermijden dat je in het laatste jaar over een student moet zeggen: ‘Die had hier eigenlijk niet mogen zitten’. In het tweede jaar heb ik sommige academiejaren ook lage slaagcijfers. We testen studenten in het eerste jaar vaak op een andere manier dan in hogere jaren. Het is niet omdat je een goed eerstejaarsresultaat had dat je nadien ook de rest goed aankan. Maar uiteraard liggen de slaagcijfers in latere jaren flink hoger.”
Vinden uw studenten u soms onrechtvaardig?
“Soms zijn studenten kwaad omdat ze iets hebben opgeschreven dat op zich wel juist is, maar dat geen antwoord is op de vraag. Studenten mogen gerust creatieve en inventieve antwoorden geven, en dat belonen wij. We willen kritische en originele geesten immers stimuleren. Maar als een student antwoordt met het verkeerde stuk uit de syllabus, dan geef ik daar geen punten voor. ‘Dat is toch een bewijs dat ik gestudeerd heb?’, zeggen ze dan.’ Ja, maar ik wil vooral weten of ze de vraag juist kunnen beantwoorden. Zomaar wat kletsen is onvoldoende.
“Een ander voorbeeld: als het antwoord op een vraag ‘Laurette Onkelinx (PS)’ luidt, moeten ze niet afkomen met ‘Jeanette Onkelinx (PS)’ of ‘Onkelinx (CDH)’. ‘Maar enfin, ik heb toch ‘Onkelinx’ juist?’, hoor je dan. Dat is belachelijk. Dat is niet de helft juist, dat is helemaal fout. Dan heb je gestudeerd als een papegaai zonder na te denken of op te letten bij het nieuws.”
Hebt u zelf buisproffen meegemaakt?
“Ik heb nog les gehad van Paul Ghijsbrecht, toentertijd een zeer bekend gerechtspsychiater en professor psychologie. Dat was een fenomeen. De manier waarop hij examens afnam, zou nu niet meer mogen. Precies bij die man moest ik mijn allereerste examen afleggen. Na het schriftelijke deel nodigde hij twee studenten per keer, altijd een goede en een slechte, uit voor het mondelinge deel. Dat examen vond plaats in een auditorium – ik ervaar nog altijd trauma’s als ik er passeer. De eerste rij zat vol assistenten en op het podium stonden drie stoelen. De mythe deed de ronde dat je je niet mocht neerzetten op de middelste stoel. Die was heilig. De studente die met mij naar binnen was geroepen, moest de topografie van de hersenen tekenen. Helaas vergiste ze zich. Waarop de professor tegen mij: ‘Devos! Corrigeer!’ Ik zie dat meisje nog altijd met triestige oogjes naar mij kijken. ‘Heeft zij iets fout gedaan? Ja of neen?’, herhaalde de prof. Waarop ik die tekening met een rood krijtje moest verbeteren of ik was zelf gebuisd. Dat was hard.”
Hoe moeten studenten uw vak aanpakken om een buis te vermijden?
“Ik voel me een ouwe vent telkens als ik het vertel, maar het klopt: na een aantal weken moet je al je leerstof beginnen te bekijken. Zo weet je op voorhand waaraan je het meest tijd zult moeten besteden tijdens de blok, welke hoofdstukken moeilijker zijn dan andere. Onderlijnen, kleuren, structureren, prepareren, daarom nog niet studeren.
“De meest voorkomende reden van falen is dat studenten een slechte studiekeuze hebben gemaakt. Er zijn mensen die politiek ongelooflijk interessant vinden. Met hun maten discussiëren ze tot een stuk in de nacht over politiek. Maar dan merken ze dat de wetenschappelijke studie van politiek toch iets anders is. Dat is nu eenmaal veel saaier. Er zijn ook mensen die wel willen blokken, maar die niet geïnteresseerd zijn om de politieke actualiteit te volgen. Met een gebrek aan motivatie of aan interesse zit je hier niet op je plek.”
Dat druist in tegen het imago van de pol & soc, dat in andere richtingen vaak bestempeld wordt als ‘gemakkelijk’.
“Toen ik vroeger zei dat ik pol & soc studeerde, vroegen andere studenten: ‘Maar jongen toch, waarom doe je geen univeristeit?’ (lacht) Daarom proberen wij er nu echt voor te zorgen dat die opleiding kwalitatief hoogstaand is. Ik denk dat we daarin geslaagd zijn, maar toch komen hier nog altijd heel wat mensen terecht vanuit een negatieve keuze. De redenering is vaak: ‘Rechten is te veel recht, geschiedenis te veel geschiedenis, en we willen absoluut wiskunde en statistiek vermijden. Welke opleiding kunnen we volgen met veel verschillende dingen? Ah, Pol & Soc ziet er interessant uit.’ Daardoor is er een brede instroom van zeer ongelijke kwaliteit. Het volk dat hier niet thuishoort, filteren we eruit, want ondertussen zijn we geen makkelijke opleiding meer.
‘Niet meer’?
“Onze opleiding is nu moeilijker dan toen ik student was. De kwaliteit is beter. Toen ik hier studeerde, heb ik proffen meegemaakt die uit hun nek stonden te kletsen. Als je het zelf goed kon uitleggen, geraakte je er bij die mensen gemakkelijk door.”
Maar toch is de instroom nog altijd zeer breed?
“Er is een nieuw dogma aan de universiteit: flexibilisering. Zet de poorten maar open, iedereen mag binnen. Dat is democratisering, en dat is op zich positief. Maar als je vroeger voor zeven van de tien vakken een buis had, kreeg je de boodschap: dit is niets voor u. Vandaag draaien ze het om: goed, je hebt drie vrijstellingen! Daardoor zitten wij met studenten die maar blijven spartelen om misschien ooit een diploma te halen.”
Het mag gerust allemaal een beetje strenger?
“Principieel sta ik wel achter die opendeurpolitiek, maar ik vraag me af we er niet in doorgeschoten zijn. De gemiddelde kwaliteit van de nieuwe studenten is niet minder dan vroeger, maar moeten we het mogelijk maken dat ze per se in een richting blijven hangen terwijl ze daar eigenlijk onvoldoende scoren? Moeten we iedereen die zin heeft maximaal ondersteunen opdat het toch zou lukken? Sommigen zouden beter iets anders studeren, waarmee ik niet wil zeggen dat die mensen dom zijn.
“Studenten krijgen zeer veel begeleiding als ze dat willen. Er zijn studenten die uit een slechte middelbare school komen en niet goed voorbereid zijn op universitair onderwijs. Die mensen kun je helpen en dat is een mooi sociaal-democratisch principe. De vraag is of je mensen daar op lange termijn een dienst mee bewijst, want op een bepaald moment valt de begeleiding onherroepelijk weg. Je moet dus ook die begeleiding doseren om de zelfredzaamheid te stimuleren. En ze ook leren hoe het er in het leven na de opleiding aan toe gaat: deadlines overschrijden moet gesanctioneerd worden. Later krijg je daar misschien je C4 voor.
“Ook zijn er tegenwoordig sluipwegen om onze bacheloropleiding te omzeilen. Studenten die bijvoorbeeld een bachelordiploma eventmanagement hebben – ik noem maar een voorbeeld en wil dat diploma niet geringschatten – kunnen hier na een schakeljaar aan hun master beginnen. Onze eigen studenten beginnen te protesteren: ‘Waarom zouden wij nog zo’n ambetante cursus met zulke lage slaagcijfers moeten doorstaan als je via de hogeschool een iets minder strenge opleiding kunt volgen om daarna evengoed je masterdiploma te behalen?’ Want het is uiteindelijk dat laatste diploma dat telt op de arbeidsmarkt.’ Straks wordt de master twee jaar, dan moet je al zes jaar studeren – drie jaar bachelor, een schakeljaar en twee jaar master – voor een universitaire master als je vanuit de hogeschool komt, dat zal die zij-instroom wellicht verminderen. Die zij-instroom is doorgaans heel gemotiveerd en ook zeer degelijk, maar het kan niet de bedoeling zijn dat we onze eigen bachelors ondermijnen. Dat is nog altijd de beste aanloop naar de master.”





