Internet in Iran
10 april 2011
Draadloos internet hebben ze hier dus, in Teheran. Daar ben ik blij om.
Met de iPod Touch kan ik echter niet op Facebook – noch via de app, noch via Safari.
Twitter: evenzeer nada.
De normale website van mijn gazet blijft mij ook een antwoord schuldig, m.demorgen.be werkt wel.
Doch standaard.be en m.standaard.be werken allebei terwijl er net vandaag een stel blote tieten op de voorpagina staat. Dat mag niet van de ayatollah.
Volgens de schitterende app Wifi Finder zijn er drie hotspots in Teheran.
Verder is het hier prachtig weer, zijn de mensen zeer vriendelijk en lopen er schattige ratten in de open riolen.
Wijs.
Hiernamaals
4 maart 2011
Yep, ik schrijf weer voor De Morgen. Eerlijk gezegd had ik niet verwacht dat mijn artikels er ooit nog zouden opduiken — en ik ben niet de enige. Maar kijk, ondertussen heb ik al drie reportages afgewerkt en begin ik het zelf stilaan te geloven. ‘t Voelt verdomd goed om weer thuis te zijn.

Een oude foto van de vroegere directeurswoning van de Glasfabriek van Sas van Gent. Thans is het gebouw een ruïne waar het volgens sommigen spookt. Omdat de buren vooral last hebben van nachtlawaai van jongeren wordt het spookhuis gesloopt.
Hoewel ik van 2003 tot 2009 al eens voor De Morgen gewerkt heb, is mijn carrière als journalist eigenlijk pas echt begonnen toen ik eind 2009 reportages voor De Standaard begon te schrijven. Daarvoor had ik — raar maar waar — geen enkele ervaring met dat genre. Mijn verzonnen bijdragen voor jongerenbijlage MIX buiten beschouwing gelaten zijn er in zes jaar tijd allicht maar drie artikels van mij verschenen in De Morgen. Nu heb ik er in nauwelijks twee weken tijd al evenveel geschreven.
In mijn vorige krant — De Standaard dus — las ik vandaag onder de rubriek ‘Paranormaal erfgoed’ het volgende bericht: ‘Spookhuis gaat plat’. Het betreft hier het fameuze spookhuis in Sas van Gent. Een week geleden was ik er zelf nog voor een reportage, één keer ‘s nachts en één keer overdag. Het verslag daarvan is vorige zaterdag in De Morgen verschenen. Omdat Jonas Lampens toen enkele fantastische foto’s genomen heeft en een pagina beperkt is in afmetingen, zag ik me genoodzaakt om duchtig te snoeien in mijn artikel. Gelukkig kan ik hier de oorspronkelijke versie kwijt.
Kort gezegd komt het verhaal hier op neer: twee mensen wonen naast de ruïne van een oude villa, op een bepaald moment zegt de een of andere spokenjager dat zich daar paranormale dingen voordoen, en voor je het weet komen er elk weekend jongeren kabaal maken. De buren vinden dat nachtlawaai niet prettig, en eisen op den duur dat de ruïne gesloopt wordt. Het spookt er niet eens, drukken ze mij op het hart. Ik geloof dat gerust, maar toch vraag ik twee sjarels met paranormale affiniteit of zij eventueel contact kunnen leggen met de entiteiten uit het hiernamaals. Dat kunnen ze. Ze zijn er zelfs van overtuigd dat een sloop het probleem niet zal oplossen: “Die entiteiten zullen daar blijven.”
‘Als het hier echt zou spoken, was ik schatrijk’
‘Wij maken hier wat mee’, zuchten Jack en Ine Snelders. Het Nederlandse koppel woont naast een ruïne die bekendstaat als het spookhuis van Sas-van-Gent. Er is zoveel nachtelijk lawaai dat de twee niets liever wensen dan dat het gebouw zo snel mogelijk gesloopt wordt. Van paranormale verschijnselen hebben de omwonenden geen last. Wel van jongeren die er luidruchtig komen griezelen. Een hek hielp niet, dus gaat de eigenaar over tot de sloop.
De Poeldijkweg vormt de grens tussen het Oost-Vlaamse Assenede en het Zeeuws-Vlaamse Sas-van-Gent. Langs weerszijden van het smalle, onverlichte wegdek is de poldergrond even vettig. Midden in een maïsveld aan de Nederlands kant doemt een oude ruïne op. Het is oude directeurswoning van de nabijgelegen Glasfabriek. Zelfs in het duister is duidelijk dat de villa vijftig jaar verwaarlozing slecht verteerd heeft.
Het spookt er, zegt men. Volgens de legende werd een deserterende Duitser tijdens de Eerste Wereldoorlog geëlektrocuteerd op het terrein. In de Tweede Wereldoorlog zouden Canadese soldaten er met hun jeep op een mijn gereden zijn. De rusteloze zielen hebben een thuis gevonden in de ruïne.
Maar niet voor lang meer: aan de gebarsten gevel hangt een bord van sloopfirma Sagro uit het nabijgelegen Sluiskil. Nog even en dan gaat het spookhuis tegen de vlakte.
De ooit zo chique villa heeft geen dak meer. Boven de verbrokkelde muren zie je het wolkendek oplichten in onheilspellend oranje, met dank aan de industrie langs het Kanaal Gent-Terneuzen. In de meeste vertrekken is de vloer ingestort. Als je niet goed uitkijkt, glibber je in een smerig waterpoel vol puin. Door de lege raamkozijnen klinkt het spookachtige geroep van kievieten. Wie ervoor openstaat, kan zich hier gerust de daver op het lijf laten jagen.
Plots tast het licht van een zaklantaarn de verweerde gevel af. Het is buurman Jack Snelders (64). Hij en zijn vrouw Ine wonen al achttien jaar naast het spookhuis.
“Toen we hier kwamen wonen, was de villa nog redelijk intact. Maar gaandeweg is het gebouw beginnen te vervallen. En in 1996 kwam The Ghosthunter verklaren dat het een spookhuis was. Toen is alle ellende begonnen”, zucht Jack. ‘The Ghosthunter’ is de Nederlander Joost Knop, “exorcist van beroep”. Hij houdt een site bij met alle paranormale verschijnselen die hij heeft gadegeslagen.
“Maar ik heb hier nog nooit spoken gezien”, verklaart Jack stellig. “Vóór The Ghosthunter zijn openbaring deed, was hier niets aan de hand. Dat huis was gewoon de oude villa van de Glasfabriek. Sommige spokenjagers worden echt kwaad als ik hen vertel dat hier geen spoken zitten.”
Van Nederland sloeg de hype over naar België, en ondertussen komen ook Duitse spokenjagers er hun geluk beproeven. “Nu staan er op YouTube zelfs filmpjes over dat zogezegde spookhuis, en weet de hele wereld het”, verzucht Jack zich.
Het zijn niet de spokenjagers, maar dronken jongeren die Jack en Ine het leven zuur maken. “De spokenjagers maken over het algemeen geen lawaai. Het zijn de jongen die baldadigheden uithalen. De meiden zijn bang en beginnen maar wat te roepen. Onze pauw reageert daarop, waarna de meisjes nog méér begonnen te gillen. Dat is een rottigheid.”
Jack wijst op de matras die in de woonkamer ligt. “Wij slapen nu hier, want op zolder is het lawaai niet meer te harden”, verklaart hij. “De politie komt soms eens langs als we bellen, maar de helft van de tijd dagen ze niet eens op.”
Anderhalf jaar geleden was de maat vol voor Jack en Ine. In een brief vroegen ze de eigenaar, de Belg Luc Christiaen, om maatregelen te nemen. “Eerst probeerde die het probleem op te lossen door een hek te plaatsen, maar dat werd telkens weer gesloopt. Op den duur werd de eigenaar er zelf radeloos van, dus besliste hij uiteindelijk maar om het hele huis te laten slopen”, vertelt Jack.
Ondertussen beslisten Jack en Ine om hun huis te verkopen. “Het is ons gewoon te veel geworden met dat lawaai”, geeft Jack toe. “Maar we geraken ons huis gewoon niet kwijt. Nu, als de ruïne gesloopt wordt, is de kans wel groot dat we hier blijven.”
Dan moet die sloop wel dringend beginnen. De heemkundige kring van Sas-van-Gent begon een petitie tegen de afbraak, waardoor het spookhuis heel wat media-aandacht geniet. “Door de ophef die nu ontstaan is, vrees ik dat we het alleen maar kwader zullen krijgen”, zegt Ine. Jack knikt. “Hoe meer bekendheid, hoe meer jongelui. Vanmiddag zijn hier niet minder dan acht auto’s gestopt om naar de villa te kijken. Als het hier nu eens écht zou spoken, was ik schatrijk”, grijnst Jack.
Spookt het er nu of niet? We vroegen twee heren met paranormale affiniteit om – overdag – een oordeel te vellen. Eén van hen, Joris Rasemont, is de kleurrijke klokkenluider van het Gentse Belfort. Zijn moeder heeft hem ingewijd in het sjamanisme.
We spreken af bij Joris’ kameraad Ronald Vermeulen, een Gentse dichter die enkele jaren geleden verkaste naar Sas-van-Gent. In zijn woonkamer staat een boekenkast vol titels die tot de verbeelding spreken: Experimenten met magie, Handboek van de handleeskunde, Wichelroede en pendel in ieders bereik. “Dat is mijn occulte bibliotheek”, zegt Ronald trots. Verder liggen er tarotkaarten en de onvermijdelijke kristallen bol.
De twee hebben het spookhuis nog nooit bezocht, zelfs al woont Ronald vlakbij. “Op mijn eentje waag ik me daar niet aan. Ik heb geen zin om het noodlot uit te dagen”, blaast de dichter. Enkele maanden geleden, toen er van de sloop nog geen sprake was, vatten Joris en Ronald wel het plan op om het terrein over te kopen en de ruïne om te bouwen tot een kunstencentrum. Maar voor ze hun fondsen tezamen kregen, kwam het bericht dat het verwaarloosde bouwsel tegen de vlakte gaat. Vandaar dat ze uitkijken naar een eerste en laatste bezoek.
Zijn ze niet zenuwachtig? “Neen, wij kunnen die spoken aan”, zegt Joris zelfverzekerd. “Maar we moeten wel opletten dat we geen ‘entiteiten’ meenemen.”
Als we aankomen bij de ruïne, aarzelt Ronald niet lang om het gebouw binnen te stappen. Op de overblijfselen van nachtelijke feestjes aan de ingang – lege flessen wodka en breezer – lijkt hij niet te letten. Zijn oog valt meteen op een trap die nergens naar leidt. Volgens Jack en Ine is die nog gebouwd door de vader van de huidige eigenaar – waarom is niet duidelijk. “Het is net een altaar”, vermoedt Ronald. “Het zou me niet verwonderen dat er hier nog zwarte missen zijn opgedragen.”
Joris zet pas vele minuten later zijn eerste stappen in de ruïne. Eerst heeft hij een hoop speciale ringen op zijn vingers gestoken, achttien (!) in totaal. “Om mij te beschermen”, verklaart hij. De twee doorzoeken de ruïne. Vlak bij het ‘altaar’ houden Joris en Ronald opeens halt. “Voel je dat ook?”, vraagt Joris. Ronald knikt. “Een beklemmend gevoel aan mijn hart”, beaamt hij met een grimas. Enkele meters verder komt hun tikker weer tot rust. “We hebben het alletwee gevoeld. Dat gebeurt niet vaak”, vertelt Ronald met grote ogen.
“Hier zijn dingen gebeurd die niet zuiver zijn”, weet Joris. “Er hangt een enorm verdriet in dit gebouw”, vult Ronald aan. “Hier is een entiteit aanwezig.”
Als ze even later weer naar buiten stappen, zijn ze opgelucht. “De beklemming is weg”, zeggen de twee. De twee occultisten werpen een laatste blik op het gebouw. Ze zijn tevreden dat ze er nog eens binnen geweest zijn, maar blijven achter met een gevoel van spijt. “Dit is een heiligdom. Zeer jammer dat ze het zullen slopen”, treurt Joris. “Dat zal geen geluk brengen. Ik zou niet graag de aannemer zijn die hiervoor verantwoordelijk is. Maar de entiteiten zullen hier blijven.”
Zouden ze hier zelf willen wonen als het gebouw eventueel gerestaureerd werd? Ronald twijfelt, Joris zou dat wel zien zitten. “Maar dan moet er eerst iets gedaan worden aan de entiteiten die hier rondhangen. Die zijn niet goed voor het hart.”
Iets zegt ons dat de buren het daar grondig mee eens zijn.
Eindredactie
26 oktober 2010
Voor het eerst, geloof ik, heb ik een lezing gegeven. Dat gebeurde op vraag van Schamper, het Gentse studentenblad dat een studiedag over journalistiek organiseerde. De vriendelijke hoofdredactrice, Lise Eelbode, vroeg mij het een en ander te komen vertellen over eindredactie. Omdat er over eindredactie inderdaad het een en ander te vertellen valt, heb ik ja gezegd. Toen ik aan mijn toespraak begon, vroeg ik eerst hoeveel mensen de ambitie hadden om eindredacteur te worden. Een dozijn studenten stak zijn hand op. ‘We zullen eens zien hoeveel dat er nog zullen zijn als ik klaar ben met mijn lezing’, beloofde ik.
“Eindredactie is een noodzaak, het is een plezante job en het is een hel.
“Laat me misschien eerst uitleggen waarom het een plezante job is – vóór iedereen deze mooi galmende zaal uit stormt. Eindredacteur spelen is een creatieve bezigheid. De meeste mensen beseffen dat niet eens. Als je zegt dat je eindredacteur bent, reageren de ze: ‘Ah, dus dat is dan teksten nalezen?’ Ja, natúúrlijk is dat teksten nalezen, maar het is veel meer dan dat. Het is goede titels bedenken, rake quotes selecteren en wervende foto-onderschriften schrijven. Daarbij ben je beperkt in de tijd en in de ruimte.
“Een titel moet kort en bondig zijn, maar moet toch zeggen wat er in het artikel staat op een manier die de lezer nieuwsgierig maakt. In enkele woorden moet je een heel artikel samenvatten, en geloof mij: zeker bij een krant krijg je geen twee uur tijd om op een titel te sjieken. Veeleer twee minuten.
Die tijdsdruk maakt eindredactie aanlokkelijk. No way dat je om negen uur ‘s avonds denkt: pfff, nog anderhalf uur en dan kan ik naar huis. Neen, om negen uur ‘s avonds beginnen je cheffen al hoogst zenuwachtig rond te lopen. Op een redactie worden alle afgewerkte pagina’s uitgeprint en aan een muur gehangen. Als er tegen negen uur nog maar enkele pagina’s aan de muur hangen, gaan de poppen aan het dansen:
“Pieter, de twáááááálf?!”
Bijna, ze komt eraan!
“Vicky, waar blijft de zes?! De zes! Allez, jongens, wat is dat nu?! Pagina zes!”
Ligt bij de lay-out!
“Tim, de financiële, hoe zit het verdomme met de financiële pagina’s?!”
Weet ik veel. Vraag het aan Maarten. Ik heb die pagina’s niet. [en dan voeg je daar mompelend aan toe:] Onnozelaar…
“Soit, elke avond is het een drukte van je welste op de eindredactie. Dolle pret. En telkens als je die dagelijkse heroïsche strijd tegen de deadline weer overleefd hebt, ben je opgelucht. Oef, ‘t is weer gelukt. Zeker als je en passant enkele goede titels hebt bedacht en enkele mindere stukken volledig hebt kunnen herschrijven. Daar haal je als eindredacteur voldoening uit. Echt waar.
“Maar goed, eindredactie is niet uitgevonden om enkele taalkundige puristen een bezigheid te geven. Het is een noodzaak.
“Ten eerste moeten artikels correct zijn, zowel op inhoudelijk vlak als op taalvlak. Dat blijft de eerste taak van een krant: correcte informatie aanbieden in een correcte taal. Als mensen gruwelen van het aantal dt-fouten in een krant, zouden ze eens moeten weten hoeveel er zouden blijven staan zónder eindredactie. En ja, het is de verantwoordelijkheid van de journalist om zijn informatie te checken en geen leugens te verkopen, maar de meeste journalisten moeten tegenwoordig zoveel stukken schrijven dat ze niet meer kunnen garanderen dat hun artikels kloppen. De eindredactie moet het dan maar in hun plaats garanderen, vindt de hoofdredactie. Zij moet data, namen en andere cijfers gaan controleren.
“Ten tweede: werkdruk of niet, een stevig aantal journalisten kan niet schrijven. Het zijn zeer degelijke nieuwsjagers of ze hebben echt een talent voor interviews, maar dat wil niet zeggen dat ze één vlotte zin uit hun pen kunnen persen of dat ze ook maar enig benul hebben van hoe een degelijk artikel gestructureerd wordt. Dat betekent dat de eindredacteur mag beginnen te herschrijven. Dan moet hij een hoopje houtzaagsel omtoveren tot een robuuste plank. O wee als je dan zelf één foutje maakt, want dan staat er de volgende dag een ziedende reporter aan je bureau te briesen dat de eindredactie er geen kloten van kan en dat ze godverdomme met haar poten van zijn teksten moet blijven. ‘t Is toch waar, zeker?!
[en dan mompel je weer:] Ja, ja, ‘t is waar, sorry, leer eerst eens schrijven.
“Een derde taak voor de eindredactie: inkorten. Daar verliest een eindredacteur nog het meest tijd van al mee. Artikels worden namelijk niet op maat geschreven: meestal zijn ze te lang. En als een artikel toch op maat geschreven is, dan beslist de chef nieuws dat het naar een andere pagina moet, en moet het alsnog ingekort worden. Maar dan vliegt het wéér naar een andere pagina, en mag je het nogmaals gaan verlengen, maar niet tot zijn oorspronkelijke lengte, want dat zou te gemakkelijk zijn. Zo blijf je de hele dag bezig.
“Nu, de drie voorgaande taken – inkorten, herschrijven, controleren – moet iedere eindredacteur kunnen. Punt. Je taalgevoel moet beter zijn dan dat van een gemiddelde journalist, je moet je vragen over de inhoud stellen die veel journalisten zich niet meer kunnen stellen en je moet beter dan de doorsneejournalist weten hoe een goed artikel opgebouwd is: eerst het nieuws, dan de achtergrond en de details. Maar het ware talent van een eindredacteur zit ‘m tegenwoordig in zijn gevoel voor presentatie: hoe verkoop je een artikel aan de lezer?
“Kijk, jullie zijn studenten, dus jullie hebben tijd. Maar ik geloof er geen fluit van dat er hier ook maar iemand is die elke dag de héle krant leest. Niemand doet dat nog tegenwoordig, zelfs jullie niet. We scannen door een krant. Af en toe valt ons oog op een artikeltje dat onze aandacht trekt, we beginnen te lezen en als het ons na tien zinnen al niet meer boeit, slaan we de pagina om. Onze tijd is een kostbaar goed, we gaan die niet verspillen aan tekstjes waarvan we bijkans in slaap vallen.
“Maar er gewoon voor zorgen dat een artikel goed geschreven is, is niet voldoende. De aandacht moet wel degelijk getrokken worden. Dat gebeurt vooral door quotes, tussentitels, foto-onderschriften, titels en inleidingen. Mijn favorieten zijn foto-onderschriften, die in vele kranten en tijdschriften overigens verwaarloosd worden. Al te vaak staat er gewoon een naam onder een portretfoto. Of neem nu een artikel over – ik zeg maar iets – de varkenspest. Daarbij staat een foto van een boerderij waar enige besmette varkens zijn aangetroffen. Meestal lees je dan: ’De boerderij in Landskouter waar vijf besmette varkens aangetroffen werden.’ Dat is nu eens dodelijk maar werkelijk dódelijk saai – tenzij misschien voor de drie mensen die in Landskouter wonen.
“Ga in de tekst kijken en veel kans dat je een onderschrift kunt maken in de trant van:
Op de boerderij van Sjarel De Keteleire werden vijf besmette varkens aangetroffen. ‘Dju toch, hoe is ‘t mogelijk?’, zucht de agrariër uit Landskouter. ‘Mijn zwijntjes, mijn levenswerk, alles om zeep door de varkenspest. Wat heeft het leven mij nu nog te bieden?’
“Toegegeven, dat is geen klein beetje emotioneel, maar als dat in een tekst zit, gebruik het dan in je foto-onderschrift, want dan is de kans groter dat het bijbehorende artikel gelezen zal worden. Af en toe mag er zelfs humor in een onderschrift zitten. Ik heb daar geen problemen mee. Ooit heb ik in De Morgen eens onder een foto van een scorende voetballer geplaatst: ‘Serhat Akin schoot er bijlange niet naast.’ Dat is zo in de krant verschenen. Natuurlijk was dat volstrekt onnozel, maar de toenmalige chef sport sprak er vijf jaar later nog over.
“Ook tussentitels zijn zeer belangrijk. Vele journalisten denken dat tussentitels dienen om hun tekst op te delen in hoofdstukjes. Dat is belachelijke onzin. Zo wordt een krant niet gelezen. Net als quotes en foto’s hebben tussentiteltjes maar één functie: de aandacht trekken van de lezer. Die slaat zijn krant open, en begint niet gewoon alle artikels van begin tot einde te lezen. Neen, die laat zijn oog over de pagina gaan en stopt als hij iets interessants tegenkomt. Vaak zijn dat foto-onderschriften en quotes. Maar tussentitels werken ook.
“Als mensen een leuk tussentiteltje zien, beginnen ze de tekst eronder te lezen, op zoek naar het bewuste begrip. Als je genoeg goede tussentitels hebt, lezen mensen mogelijk de volledige tekst, vaak zelfs in een volgorde die helemaal anders is dan die van het artikel zelf.
“Een voorbeeld. Als je een artikel hebt over de financieringswet gebruik dan geen tussentitels als ’Interregionale solidariteit’, ’Berekening geldstromen’ of ‘Personenbelasting’. Niemand gaat dat stuk lezen, behalve de eindredacteur dan. Neen, let goed op of er geen leuke woorden in de tekst staan. Bij een artikel over de financieringswet kan ik me goed voorstellen dat de volgende termen zullen voorkomen: ’onevenwichtig’, ‘prutswerk’, ‘bricolage’, ‘failliet’, ‘lege schatkist’ en ‘rampscenario’. ’t Zijn die termen die je moet hebben.
“Is dat sensationeel? Ik noem dat functioneel: je maakt de lezer nieuwsgierig om een artikel te lezen. Als je zo’n onderwerp aantrekkelijk kunt aanprijzen, kun je met een gerust gemoed naar huis.
“Al wil ik dat geruste gemoed sterk nuanceren. Een eindredacteur heeft dat niet. Dit is de grootste hel van het beroep eindredacteur: hij is de eindverantwoordelijke en als er fouten in de krant staan, is het zijn schuld. De manier waarop eindredacteurs op hun fouten – of ze die nu hebben laten staan of ze zelf gemaakt hebben – worden aangesproken, is niet van dien aard dat hun zelfvertrouwen erop vooruitgaat.
“Als je als eindredacteur ‘s morgens bij het ontbijt de krant leest, sla je op den duur automatisch de pagina’s over die jij de avond tevoren onder handen genomen hebt. Stel dat je nog een fout ziet staan, dan is je humeur meteen om zeep, nog voor je weer op het werk verschenen bent. Eindredacteurs zijn immers hoogst pedante perfectionisten. Fouten die ze niet meer kunnen rechtzetten, zijn een absolute gruwel. Veel eindredacteurs denken daarom: ’Ik zal het wel horen op het werk als er iets niet goed was.’
“Als er klachten zijn, zijn er drie manieren om daarmee om te gaan:
- erkennen dat je een idioot bent die beter schoolmeester was gebleven,
- je zelfvertrouwen inruilen voor een extreem perfectionisme,
- of je schouders ophalen en zeggen: ‘Shit happens.’
“Dat laatste klinkt het stoerst, maar het is volgens mij de enige manier om overeind te blijven als je eenmaal op de eindredactie beland bent. Het is daar namelijk een uitzichtloze zooi. Je verbetert teksten van mensen van wie je vaak vindt dat ze slechter schrijven dan jou. Als jij je werk goed gedaan hebt, krijgt de journalist een pluim. Als je een steek hebt laten vallen, komen de klachten op jouw nek terecht. Eindredactie is stank voor dank: je kunt alleen maar verkeerd doen.
“Zeker De Morgen geeft zijn eindredacteurs niet de kans om zichzelf te tonen, om zelf artikels te schrijven, wat bij De Standaard overigens anders is. De hoofdredactie van De Morgen – en ik hoop dat dat met de komst van Wouter Verschelden verandert – heeft er vaak geen besef van wat de talenten van de eindredacteurs zijn. Een chef nieuws zei enkele jaren geleden verbaasd: ’Tiens, ik dacht dat de eindredactie een bende Neanderthalers was. Maar jullie kúnnen iets.’ Op dat moment vond ik het zeer spijtig dat ik inderdaad geen Neanderthaler was met een vuistbijl in de hand.
“Doordat van eindredacteurs enkel wordt verwacht dat ze gehoorzaam artikels nalezen, krijgen velen het gevoel dat ze in een doodlopend straatje beland zijn. Hun carrière is nog niet goed en wel begonnen, of ze lijkt al gefnuikt. Want hoewel de eindredacteur een grote verantwoordelijkheid draagt, worden meestal jonge, onervaren mensen aangeworven, zeer vaak beginnende journalisten die eigenlijk vooral willen schrijven. Ze zijn blij dat ze een vast contract aangeboden krijgen en er wordt hen beloofd dat ze over een jaar of twee wel zelf zullen mogen schrijven. Yeah right. Drie jaar later weet niemand nog iets van die belofte en zit je nog altijd op die vermaledijde eindredactie.
“In die drie jaar heb je jezelf niet kunnen bewijzen met artikels en aangezien je naam nergens vermeld werd, weten ook andere kranten of magazines niet dat je kunt schrijven. Ga dan maar eens bewijzen dat je al jaren zinvolle journalistieke arbeid geleverd hebt. Niemand ziet welke ingrepen jij hebt doorgevoerd om van een mank stuk tekst een vlot lopend artikel te maken. Je bent achter de schermen verdwenen en het is zeer moeilijk om weer op de voorgrond te geraken. Je kunt jezelf wel wijsmaken dat je dag geslaagd is omdat je een goede kop bedacht hebt of omdat je een leuke quote vond. Of dat het weer spannend was met al dat werk en die strikte deadline.
“Maar eerlijk gezegd: na enkele jaren schud je koppen en quotes uit je mouw alsof het niets is. Het wordt routine. Zelfs die deadline betekent almaar minder en minder. Op den duur begin je je toch te vervelen. Je koopt een minifrigo, stelt hem onder je bureau en steekt hem vol bier met nagisting op de fles. Terwijl de deadline nadert en al je collega’s doen alsof ze druk in de weer zijn, geniet je van een dosis gerstenat. Als je dan toch in de vergeetput zit, kun je het evengoed gezellig maken, niet? Zolang je pagina’s maar op tijd klaar zijn, en dan kun je naar huis. Dat is uiteraard geen ideale werkattitude.
“Ik kan maar niet begrijpen waarom hoofdredacties jonge mensen op de eindredactie blijven droppen. Als ze journalistiek talent hebben, dan kun je dat talent beter benutten door ze goede artikels te laten schrijven. Maar blijkbaar vinden de gezagvoerders talent niet belangrijk, en eindredactie evenmin, want anders zouden ze er meer aandacht aan besteden. Positieve aandacht. Op zijn minst zou er een visie mogen bestaan op wat eindredactie is en hoe het georganiseerd moet worden.
“Het hele systeem zorgt overigens voor dat ex-eindredacteurs weinig respect hebben voor hun vorige job. Als je van de eindredactie naar de ‘echte’ journalistiek geraakt – dat gebeurt soms –, ben je weer zo’n journalist die eindredactie ziet als opstapje naar zijn ware doel. Of anders gezegd: eindredactie blijft toch altijd dat trapje lager.
“Ikzelf ben van mening dat een eindredacteur net een zeker gezag moet hebben. Een eindredacteur is bij voorkeur iemand die al een ruime ervaring heeft als schrijvende journalist. Pas dan heb je het gewicht om een collega met enige vriendelijke neerbuigendheid op de vingers te tikken en droogweg te zeggen dat hij zijn stuk geschreven heeft met de achterkant van een vork.
“In Nederland hebben ze dat al zeer lang door. Bij vele kranten bestaat er niet echt een eindredactie. Het zijn veeleer de chefs die de artikels nalezen en samen met de lay-out de pagina’s in elkaar flansen. Ik vind dat een uitstekend systeem. Zo’n chef heeft de ervaring en het gezag om artikels en pagina’s overhoop te gooien. Een journalist met een ego maar zonder talent moet niet tegen zo’n chef beginnen te zeiken als die zijn stuk verknipt heeft. En vaak hebben iets oudere mensen de maturiteit om eigen fouten onder ogen te zien als er toch iets mis is gelopen.
“In Vlaanderen is het anders. Daar krijg je als onervaren broekventje bijvoorbeeld een artikel van een journalistiek boegbeeld voorgeschoteld dat in zeven haasten geschreven is en dat nog vol kromme zinnen en dt-fouten staat. De deadline is al bijna gepasseerd en ondertussen staat de chef nieuws achter je te roepen dat die pagina nú naar de drukkerij gestuurd moet worden. Nú! Nú! Nú! Als er de volgende dag klachten zijn, zullen ze vooral op jouw bureau liggen. Jij hebt je werk niet grondig genoeg gedaan en het was dan nog eens te traag ook! Zelfs al was de tekst grammaticaal perfect, dan nog kun je op je kop krijgen omdat je die ene pseudogeniale woordspeling van de auteur hebt veranderd in iets alledaagser dat dichter bij het Algemeen Nederlands ligt.
“Op den duur zeg je foert, koop je eindelijk die minifrigo en begin je hardop met je bazen te lachen. Dat getuigt van enige mentale weerbaarheid, maar veel opportuniteiten op een verdere carrière bij de krant waarvoor je werkt, schept dat niet. Maar je kunt je tenminste troosten met de gedachte dat jíj betaald wordt om de gazet te lezen. Dat is ook al iets.
“Ik dank u voor uw aandacht.”
Dat was het. De bedoeling was dat ik drie kwartier zou spreken, maar ik geloof dat ik maar aan een halfuur geraakt ben. Stom, eigenlijk, want ik had ‘t nog kunnen hebben over de werkuren (elke dag van halfdrie tot halfelf), de collegialiteit onder eindredacteurs (gedeeld fatalisme is jolig fatalisme) en het feit dat een goede eindredacteur altijd een goede journalist zal zijn, en dat omgekeerd zeker niet hetzelfde geldt. Overigens had ik eerlijkheidshalve ook iets mogen zeggen over mijn eigen wantrouwen jegens eindredacteurs die mijn teksten moeten nalezen.
Soit, al het bovenstaande geldt eigenlijk enkel voor krantenredacties, en meer bepaald De Morgen. Als reactie op die lezing ontving ik een tweet van Annelies Vaneechoutte, eindredactrice bij Klasse, die een en ander wou nuanceren:
Wel eenzijdig beeld van eindredactie. Sommige bladen zien eindr als coordator, als soort hoofdred over onderdeel. Bijonstoch.
Dat is dus meer het Nederlandse systeem, zoals het volgens mij hoort. Ik ben blij dat er ook in Vlaanderen eindredacteurs zijn die geen (of minder) redenen hebben om hun werk te haten. Want laat ons eerlijk zijn: het is en blijft een plezante job. Alleen maken de omstandigheden het soms een afstompende hel.
Ik vrees wel dat ik enkele enthousiastelingen hun illusies en ambities heb ontnomen. Toen ik na afloop van mijn voordracht vroeg wie er nu nog van plan was eindredacteur te worden, gingen er maar nul handen meer omhoog.
‘De relatie met de redactie is niet moeilijk meer’
7 oktober 2010
Klaus Van Isacker, algemeen hoofdredacteur van lopende zaken bij De Morgen, was deze ochtend te horen op Radio 1. Van Isacker had goed nieuws: de relatie met de redactie is zeer goed en de krant is weer rendabel. ‘Dat is een klein wonder.’
Gilles De Coster belde Van Isacker op naar aanleiding van zijn vertrek bij De Morgen. Ook nieuwsmanager Peter Mijlemans en chef websites Eddy Eerdekens kuisen noodgedwongen hun schup af. Het gesprek is online nog te beluisteren, maar met het oog op de eeuwigheid heb ik het ook even uitgetikt, zodat u zelf kunt lezen hoe belangrijk het is om nieuwe stappen te zetten en te bouwen aan vanalles.
Waarom gaat u weg?
Klaus Van Isacker: “Het is een samenloop van omstandigheden. Een combinatie van een opportuniteit die passeert binnen onze groep en het gevolg van gesprekken die we de afgelopen maanden hebben gevoerd met nieuwe talentvolle mensen die we naar De Morgen willen halen om een nieuwe stap te zetten voor de krant. Op een bepaald moment vallen alle puzzelstukjes samen en kun je een project afleveren waar je heel veel en heel hard aan gewerkt hebt. Dan kun je verder. Ik ben ervan overtuigd dat de krant in goede handen zal zijn.”
Opmerkelijk dat u vertrekt. Peter Mijlemans wordt ontslagen terwijl Wouter Verschelden komt. De top van de krant wordt helemaal gereorganiseerd en dat doe je toch niet zomaar? Voelt u zich niet opzij geschoven?
“Neen, in geen enkel geval. Ik sta mee aan het roer van deze omwenteling. De huidige hoofdredacteur, Bart Van Doorne, blijft mee op het schip. Maar het is wel zo dat we al voor de zomer aan het denken zijn geslagen over hoe het nu verder moet met de krant. We hebben een goede basis. We hebben een goede nieuwskrant gemaakt die matuur is en die zijn geloofwaardigheid terugheeft. We hebben een heel mooie groei gekend op de lezersmarkt. Maar een medium dat stilstaat en niet evolueert gaat uiteindelijk opnieuw achteruit. Het was tijd voor een nieuwe stap, en dan ga je op zoek naar talentvolle mensen die je kunnen helpen om verder te evolueren. Als je die vindt, schuif je die in je organisatie.”
U hebt natuurlijk ook heel wat talent laten gaan, mijnheer Van Isacker. Er waren de ontslagen van een tijd geleden, waarna ook een paar van uw topmensen verdwenen, zoals Liesbeth Van Impe, omdat ze niet meer voor de krant wensten te werken. Dat talent was toch aanwezig bij De Morgen?
“Om te beginnen was er twee jaar geleden een grote noodzaak om te herstructureren omdat de krant het economisch niet haalde. Er zijn toen inderdaad een aantal mensen moeten vertrekken en daarop zijn er ook enkele zélf vertrokken. Dat was hun eigen keuze en daar kun je niet veel aan doen. Daarop moesten we opnieuw beginnen te bouwen en hebben we nieuw talent aangetrokken. Dat is een heel proces en dat proces zal nu voortgezet worden.”
Er was weinig vertrouwen tussen hoofdredactie en redactie. Voor en na de ontslagen zijn er mensen bij gekomen met hoge lonen. Een journalist stond vroeger in de top vijf van best betaalde journalisten van De Morgen en stond na uw komst zelfs niet meer in de top 25. Dat valt toch moeilijk te rijmen met uw stelling dat de krant het economisch moeilijk had?
“Ik laat dat voor rekening van die bewuste journalist. Er was nood aan een reorganisatie. Het vertrouwen tussen hoofdredactie en redactie was uiteraard klein na zo’n reorganisatie en dat is ook heel normaal. Maar het afgelopen anderhalf jaar is dat vertrouwen wel gegroeid. We zijn beginnen te bouwen aan de organisatie en aan de sfeer en dat is heel goed aan het lukken.”
U zei daarnet: ‘De krant heeft een zekere geloofwaardigheid teruggevonden.’ Was dat dan een probleem? Uw redactie was heel ongerust over het DNA van de krant, de smoel van De Morgen. Was dat een weinig geloofwaardige smoel?
“Er zijn een aantal accidenten geweest in het verleden van De Morgen en dat heeft gewogen op de krant. We zijn daaraan beginnen te bouwen en dat is gelukt. We zijn nu veel meer op het nieuws gericht. We moeten daar niet flauw over doen: doordat we de krant veel nieuwsgedrevener hebben gemaakt, hebben we het gevoel dat we de volgende stap moeten zetten en dat we inderdaad op zoek moeten gaan naar een iets uitgesprokener smoel, zoals u het zegt, naar een uitgesprokener positionering.”
Economisch voldeed de krant niet. Is dat nu wel het geval?
“Dat is de mooie basis waar we nu voor staan. De krant is structureel gezond en dat is een klein wonder. Ik denk dat we een van de kleinste kranten zijn in Europa, maar we slagen erin die rendabel te maken.”
Gaat u met een wrang gevoel weg door de moeilijke relatie met uw redactie?
“(lachje) Ik heb het daarnet gezegd: de relatie met de redactie is helemaal niet meer moeilijk. Ze is zelfs zeer goed. Als dit allemaal is afgerond, ga ik met een heel blij gevoel weg, geen wrang gevoel. We hebben een hele weg afgelegd en er zit nieuw talent. En ik ga ook nog niet direct weg, natuurlijk.”
Wat gaat u precies doen na De Morgen?
“Ik zal nog een maand of drie, vier bij De Morgen blijven om die transitie te begeleiden en de nieuwe mensen te verwelkomen en wegwijs te maken. Als dat afgerond is, gaan we opnieuw een beetje pionieren, wat mij wel ligt. Zoals u weet, hebben wij het voorbije jaar een grote expansie gedaan naar Nederland. We gaan nu proberen om alles wat binnen het bedrijf te maken heeft met digitale media te groeperen in een nieuwe poot.”
Peter Mijlemans en Eddy Eerdekens worden ontslagen bij De Morgen. Waarom was dat nodig?
“Bij elke organisatie, en zeker bij een kleine krant als De Morgen, is het nooit en-en als je veranderingen doorvoert. We zijn ons nog altijd heel goed bewust van de economische situatie. We zijn rendabel, maar dat is broos. De Morgen is ook maar een krant. Op een bepaald moment doe je aan zelfreflectie en haal je mensen binnen, maar moet je ook afscheid nemen van een aantal mensen.”
Bent u al die tijd niet meer manager geweest dan journalistiek geëngageerd hoofdredacteur?
“Euhm, ik denk het niet. Zeker het laatste anderhalf jaar niet. Maar moderne hoofdredacteurs zijn per definitie wel een beetje manager. Dat zijn de nieuwe tijden. Maar manager zijn heeft wel een flink deel van die drie jaar bij De Morgen ingenomen, vooral in het begin dan.”
Wat vindt u van de kranten- en mediamarkt in Vlaanderen? Niet kwalitatief genoeg, vinden velen.
“Ik ben eerder een optimist wat dat betreft. In vergelijking met Europa en de wereld slagen wij er in Vlaanderen in om heel wat kranten te doen groeien. Dat is een fantastische vaststelling. Ik vergelijk Vlaanderen graag met het kleine Gallische dorp in het grote, boze Romeinse Rijk waar kranten wel nog kunnen groeien en bloeien. En dat geldt niet alleen voor print. Als je ziet wat de kwaliteit is van de televisiejournaals en van de informatieverstrekking op radio en tv, moet je toch durven toe te geven dat de kwaliteit heel hoog staat.”
Van Thillo: ‘Klaus Van Isacker groot gevaar voor democratie’
6 oktober 2010
Klaus Van Isacker, algemeen hoofdredacteur van De Morgen, past niet meer in de toekomstplannen van die krant. Ook andere leden van de hoofdredactie mogen op zoek gaan naar nieuwe uitdagingen. Al in 2002 schreef grote baas Christian Van Thillo dat Van Isacker ‘een groot gevaar voor de democratie’ was. Toch krijgt Van Isacker (nog maar eens) een nieuwe functie binnen De Persgroep.
Nauwelijks anderhalf jaar na het collectief ontslag bij de gewone redactie van De Morgen verliezen ook heel wat mensen van de hoofdredactie hun job. Klaus Van Isacker verlaat de krant, adjunct-hoofdredacteur Peter Mijlemans kreeg zijn C4 en zelfs chef nieuws Eddy Eerdekens belandt met zijn klieken en klakken op de kasseien.
Hoofdredacteur Bart Van Doorne zal er voortaan echter niet moederziel alleen voor staan. Wouter Verschelden, politiek journalist bij De Standaard, komt hem vergezellen aan de top. Verschelden neemt zijn collega Steven Samyn mee. Samyn en Verschelden zijn sympathieke gasten die ik voor het eerst ben tegengekomen op de Gentse Feesten van dit jaar. Bij de krant waarvoor ik nu vooral schrijf, zal ik ze jammer genoeg niet meer ontmoeten, maar desalniettemin wens ik ze veel succes aan de Arduinkaai.

In personeelsblad 'Flash' mocht Klaus Van Isacker onlangs nog een woordje uitleg geven over de renovatie van de redactie van De Morgen.
Ze zullen het daar naar hun zin hebben, want onder impuls van Klaus Van Isacker kreeg de redactie aan de Arduinkaai een Full Blown Make-over. ”We hebben nu een open ruimte waar het daglicht volledig door stroomt”, zegt Van Isacker in Flash, het personeelsblad van De Persgroep Publishing. “Het gloednieuwe meubilair zorgt voor een aangenaam, clean en modern gevoel. De hoofdredactie zit nu samen bij de redactie, wat zorgt voor een meer efficiënte samenwerking. Mijn bureau werd achter verstelbare glazen wanden geplaatst waardoor ik aanwezig en afwezig ben wanneer nodig.” Blijkbaar vond Van Thillo vooral afwezigheid nodig, want Van Isacker heeft zijn spiksplinternieuwe bureau nauwelijks kunnen gebruiken.
De man was toch maar liefst drie jaar algemeen hoofdredacteur bij De Morgen, terwijl Van Thillo al veel langer wist dat er iets niet pluis was. Zo schrijft de mediamagnaat in een speciale editie van Het Laatste Nieuws die verscheen op zaterdag 12 oktober 2002 naar aanleiding van het huwelijk van Van Isacker met Stefanie Van Snick:
Ik hoor ze het al zeggen: “Ze hebben verdomme een speciale editie gemaakt van Het Laatste Nieuws alwaar die lange Van Isacker nog gewerkt heeft om daarna te vertrekken naar VTM. Uiteraard heeft hij daar een netwerk van geprivilegieerde relaties aan overgehouden dat hij nu schaamteloos misbruikte in duistere mediacomplotten tussen die krant en zijn televisiezender. Zelfs Verhofstadt was aanwezig op het feest. Niet uit vrije wil maar wel omdat hij niet anders kon, niet anders durfde.
En dan die Van Thillo die in dat krantje niet alleen zijn respect uitdrukt voor het nieuwsbeest dat Van Isacker is. Neen, neen, hij gaat verder en noemt hem openlijk bijna een vriend, iemand met we hij talloze boeiende gesprekken heeft gevoerd over media en maatschappij maar ook over zaken die duidelijk in de strikte privé-sfeer liggen. De scheiding tussen redactie en management is daar gewoonweg onbestaande.
Eén grote pot nat van een onaanvaardbare mediaconcentratie waarbinnen Van Isacker vanuit de hoogte Vlaanderen overschouwt en beslist wie dit land mag leiden, wie gekraakt en gemaakt moet worden. Een groot gevaar voor de democratie, dat is Van Isacker. Niet meer maar ook niet minder!”
Ik zou zoveel dingen willen zeggen, maar je zal wel begrijpen mijn beste Klaus, dat we riskeren onze eigen ruiten in te gooien.
Toch laat Van Thillo zijn vriend Van Isacker ook thans niet helemaal vallen. Na passages bij Het Laatste Nieuws, VTM, De Tijd en De Morgen mag de getergde ex-hoofdredacteur zich binnen De Persgroep gaan bezighouden met nieuwe media. Ik wens hem bij deze veel succes!
Aasgieren
19 april 2010
Aha! We kunnen er weer mee beginnen!
Ik heb mij een nieuwe externe harde schijf gekocht – een spel van 1 terabyte, dus vier keer zo groot als de harde schijf van mijn computer zelf. Dat betekent dat ik weer wat plek vrij heb op mijn Mac, zodat ik eindelijk de filmpjes kan beginnen te archiveren die al máánden op mijn Flip Mino HD stonden. Mijn plan is om die beelden met de regelmaat van een ouderwetse, ietwat gedeukte klok op mijn blog te smijten met telkens een klein woordeke uitleg erbij. Zodoende ontstaat langzamerhand een online beeldarchief waar vele generaties archivarissen nog lang zoet mee zullen zijn.
Het onderstaande filmpje is gemaakt op 21 januari – al bijna drie maanden geleden, inderdaad. Ik stond op de parking van Opel Antwerpen. Ik stond er al lang. Mijn kloten vroren van mijn lijf en mijn tenen braken af zo ik te hard stamp stond te voeten. Maar je hoorde mij niet klagen. Ik was er aanwezig als een van de vele aasgieren die verslag kwamen brengen over de ontslagen bij de Antwerpse autofabriek. Die dag kregen de werknemers immers te horen dat het gedaan was met hun geliefde assemblagelijn.
Erehaag
De meeste van m’n collega-journalisten keken door de vensters van de kantine hoe het personeel het slechte nieuws te horen kreeg. Met hun neuzen en camera’s tegen het glas geplakt begluurden ze de arbeiders. Daar deed ik niet aan mee. Samen met Matthias Declercq – niet de jonge politicus uit Gent maar de jonge journalist van De Morgen – stond ik te wachten aan de personeelsuitgang.
Nadat een eerste arbeider het gebouw had verlaten, duurde het even voordat de persmeute besefte dat Matthias en ik op de interessantste plaats stonden en zij niet. Het onderstaande filmpje toont hoe de kudde zich haast opdat de Opelarbeiders toch opgewacht zouden worden door een erehaag van micro’s, videocamera’s en zoomlenzen. (Let niet op het geluid, dat is sowieso zeer stil en ik sta maar wat te lullen.)
Ikzelf ben zonder verslag naar huis gegaan. Ik had geen zin om aan mensen te vragen: “En, hoe voelt het om buiten geschopt te worden? Naarwaar gaat ge op reis met uw ontslagvergoeding? Zijt ge al elders weest solliciteren?” Dat neemt niet weg dat ik bovenstaand filmpje gerust een beetje eerder online had kunnen zwieren.
Woeste baren (Ode aan Hadewych Van den Bossche)
27 februari 2010
Zij begeleidde ons, lastpakken van de dienst Correctie, zoals zij tot op heden háár begeleiden. Zacht, maar niet te negeren.
Haar reduceren tot hén is haar met een dubbele persoonlijkheid opzadelen. Zij is hen, samen zijn zij een drievuldigheid, elk met hun karakter.
Ongeziene karaktertetten. Door God zelf geboetseerd aan een graag geziene karakterdame.
Haar vele kwaliteiten zijn niet te vatten in cijfers. Er slechts twee opsommen heb ik echter altijd graag gedaan. Maar daar een letter op plakken durf ik vanuit de losse, ter zake onbeproefde pols niet te doen. Naar de betreffende verboden vruchten klauwt deze leeuw niet, al uit zijn kennis van het alfabet zich in dezen als goedkeurend gegrom.
Man noch beest verspert haar en de hare de weg. Slechts de zee is haar gelijke. De baren de hunne. Zij heeft daar op de dijk het enige landschap gevonden dat haar trotseren kan. In ogenschijn de wulpse bedaardheid zelve, maar o wee degene die haar denkt te knechten. Dan blaast zij, de woeste baren wellen op.
De iele vuurtoren die uitsteekt boven zee en vrouw draait onzeker met zijn lege, vlammende kop. Tegen zoveel natuurkracht is hij niet bestand.
Het laffe strand laat de onstuimig zwiepende baren over zich heen rollen. Verzet baat niet, de zandkorrels kunnen slechts wachten tot de storm gaat liggen, en hopen dat de wind hen gauw weer tot bij de beschermende voet van de eenzame vuurtoren blaast. In zijn schaduw is het veilig schuilen.
Thans spoelt de zee de polders ongehinderd binnen. Het West-Vlaamse achterland staat blank. Een verwarde keuterboer probeert de flow van het water te stoppen, maar struikelt over z’n afgezakte broek. De zee laat zich niet om de tuin leiden door marchandeurs.
Bureau
1 januari 2010
Mijn bureau is een aangename plek. Ik zit er graag, meestal enigszins voorovergebogen op een Spartaanse houten kruk. Achter mij staat een groot boekenrek vol literatuur. Als het plotsklaps omver zou vallen, ben ik gegarandeerd dood. Maar zo te sterven aan mijn computer onder wijsheid op papier, daar kan ik mee leven.
Laat ik mijn blik boven het scherm van mijn iMac kruipen en recht ik tegelijk mijn rug, dan zie ik de vroegere salon van mijn grootouders, een driedelig stuk meubilair dat al vijftig jaar meegaat en dat ik met trots en dankbaarheid in mijn huis geparkeerd heb.
En dan is er het raam, mijn blik op de wereld, die zich vanuit mijn oogpunt toont als een groot uitgevallen verzameling garageboxen te midden van een huizenblok niet ver van het Gentse Sint-Pietersstation. Van op mijn bureaukruk kan ik immer de klokkentoren van dat station zien.
Dat raam is belangrijk. Het zit aan de juiste kant. Als de zon schijnt, vallen haar stralen gedurende het grootste deel van de dag binnen in mijn werkplek, die onder andere daardoor zo aangenaam is.
Mijn bureau is een aangename plek en ik zit er graag, maar ik stel na enkele maanden vast dat het er misschien een beetje té aangenaam is. Ik kom nauwelijks nog buiten, en dat is nefast voor mijn schriftelijke productie. Als ik buitenkom, is het meestal voor een journalistieke opdracht, mij aangeboden door De Werktitel dan wel De Standaard, een sympathiek dagblad dat meestal mijn grappen schrapt maar toch af en toe de ‘F.’ in mijn naam laat staan. Zou ik de edele kunst van de humor dan toch niet in de vingers hebben, zoals wijze lieden al eens durven te beweren?
Los daarvan is het niet om te lachen als ik zeg dat ik te weinig buiten kom. Ik heb pertank geen tv waarmee ik mijn tijd kan vergooien. Het raam van mijn bureau is, naast het internet, het enige venster op de wereld dat te mijner beschikking staat. Dat internet is de boosdoener. Het inspireert mij nauwelijks om iets te schrijven dat langer is dan de 140 tekens die Twitter zijn gebruikers toestaat. Ik zit zogezegd een hele dag non-stop informatie te verwerken (onder andere omdat ik zo – ahum – slim geweest ben om de eindredactie van een bepaald journalistiek laboratorium op mij te nemen), maar wat ik feitelijk doe, is informatie doorsluizen zonder er zelf mee aan de slag te gaan. Het enige waar ik, althans qua eigen tekstuele productie, toe in staat lijk, is oneliners verkopen als statusupdates op de Facebookpagina van De Werktitel. Verkopen? Ha! Dat zou impliceren dat ik er geld mee verdien.
Geef mij echter een sigaret en vijf minuten, maar vooral vijf minuten, en ik loop hier het blokje om en kom terug met een idee voor een tekstje. Zoals zonet gebeurd is op deze frisse feestdag aan het begin van een nieuw jaar vol ellende in vele soorten en gewichten. Er wachtte mij geen eindredactiewerk, alleen de afwas van gisteravond, dus kon ik na de familiale plichtplegingen die bij een eerste januari horen gerust nog een wandelingetje maken.
Meteen zat m’n kop vol ideeën. Ik zou iets schrijven over hoe mijn bureau een te perfect en te besloten wereldje is dat niet appelleert aan mijn gevoel voor verontwaardiging. Terwijl de echte wereld naar de kloten aan het gaan is, zit ik comfortabel (Spartaanse houten krukken wennen) achter m’n computer enthousiast te wezen over de primeurs die De Werktitel vergaart. Terwijl het maatschappelijke weefsel zo vermolmd is dat een simpele scheet voldoende is om het omver te blazen, is mijn voornaamste zorg dat ‘de mensen’ de blog van Jos Ghysen wijzer vinden dan de mijne. Ik zou verdomme weer eens iets schrijven, want het was al van november vorig jaar geleden. Van mijn kloten maken dat de tv het middenveld vervangen heeft en dat dat om de een of andere reden een schande is. Aan mijn publiek laten weten dat ik er nog ben.
Ik heb nog nooit goede voornemens gehad, zeker niet aan het begin van een nieuw jaar. Maar kijk, vandaag is er mij toch eens eentje te binnen gevallen. Ik ga mezelf verplichten om minstens één keer per week buiten te komen en zomaar wat rond te lopen. Niet actief op zoek naar een verhaal, maar gewoon passief te hoop lopend. Daarbij komt de belofte dat ik minstens twee keer per week iets op deze blog zal posten. Het hoeft niet altijd een doorwrochte tekst te zijn, een afbeelding of een filmpje kan ook. Inderdaad, een filmpje, dat leest u goed. Ik heb sinds enige tijd een Flip Mino HD en dat spel zit altijd in een van de twee binnenzakken van mijn vest (in de andere zit een notitieboekje en mijn trouwe Parkerpen). De eerste keer dat ik met die Flipcamera door Gent trok, kon ik trouwens al meteen een wreed accident filmen:
Mijn blog zal ik voortaan gebruiken als mandje voor de eiers die ik niet kwijt kan bij De Werktitel of bij De Standaard. Voor De Standaard moet ik geen essay schrijven over het feit dat de media een tikkeltje vierkant draaien, want Geert Buelens kan dat veel beter. En op De Werktitel moet ik geen filmpjes plaatsen van een kerstkatje dat lief in de lens kijkt, want mijn hoofdredacteur krijgt acute reuma van schattige-beestjesjournalistiek:
Op deze eerste januari ben ik alvast prima gestart om mijn Goede Voornemen om te zetten in daden, vind ik. En dat zonder ook maar met één woord te reppen over De Morgen, hoewel daar nochtans een gegronde reden voor is aangezien die krant bij het overnemen van een primeur van De Werktitel bewust de bron achterwege liet. Mijn bureau is echter een veel te aangename plek om me nog druk te maken over dat soort wereldse ongein.
Aberratie
18 oktober 2009

'Media & Journalistiek in Vlaanderen kritisch doorgelicht'.
Al enige dagen ben ik aan het lezen in Media & journalistiek in Vlaanderen kritisch doorgelicht (Uitgeverij Van Halewyck, 2009), een bundeling essays samengesteld door Johan Sanctorum en Frank Thevissen. Het is een interessant boek, verplichte literatuur eigenlijk voor al wie mediaconsument is, werkt in de media of anderszins bezig is met nieuwsgaring, duiding en opiniëring.
Sommige mensen zullen zich bij de boekenmarchand laten afschrikken door de naam en faam van bepaalde auteurs, zogenaamde rechtse ballen die vanuit hun verzuurde onderbuik voortdurend afgeven op het multiculturele, politiek correcte circus dat de pers elke dag probeert op te voeren. Dat is de notoire linkse rat Carl Devos, professor politicologie aan de Universiteit Gent, niet ontgaan bij het schrijven van het voorwoord van Media & journalistiek in Vlaanderen kritisch doorgelicht:
Bij het aanschouwen van de auteurslijst en de inhoudsopgave van voorliggend boek overviel me een wat onbehaaglijk gevoel, een lichte ongerustheid. Op het eerste gezicht doen de verzamelde auteurs, op enkele uitzonderingen na, denken aan een karavaan van naar rechts afhellende mopperpotten die een boek lang emmeren over de veel te linkse pers waarin ze zelf of hun gedachten onvoldoende aan bod komen. Of waarin hun carrière nooit gelopen is zoals verhoopt.
Daaraan koppelt Devos een intelligente draai waar menig Vlaams journalist én mediaconsument eens goed over mag nadenken:
De auteurs afschrijven is al te gemakkelijk en ontdoet hun teksten bovendien niet van relevantie. De ‘bezoedeling van de bron’ ontneemt de hoofdstukken van dit boek niet van alle waarheid of maakt ze niet onjuist. Wie kritiek hoog in het vaandel voert, moet het debat inhoudelijk voeren. En laat dat nu net zo moeilijk zijn als het over media en journalisten gaat.
Het meest relevante hoofdstuk – voor mij althans – is de bijdrage van blogger Luc Van Braekel. Van Braekel laat zijn licht schijnen over zijn eigen milieu, de blogosfeer. In zijn essay ‘Schiet niet op de burgerjournalist’ heeft hij het over de ‘officiële’ pers als centrumlinkse eenheidsworst, over de VRT als een rode burcht, over beroepsjournalisten als beschermde beroepsgroep met corporatistische reflexen, en hij doet dat met zinnige argumenten, feitelijke informatie en wetenschappelijk vergaard cijfermateriaal.
Van Braekel onderscheidt vervolgens drie taboe-onderwerpen in de pers:
- De Europese integratie
- Onze sociale zekerheid
- Ontwikkelingshulp
“Redacties gaan er blijkbaar van uit dat rond deze onderwerpen een positieve maatschappelijke consensus bestaat, waarbij het onwenselijk is om die met kritische bedenkingen te verstoren”, schrijft de blogger, en mijn kleine teen eraf als hij geen punt heeft. Gelukkig, zo laat Van Braekel doorschemeren, zijn er nog bloggers.
Inderdaad, gelukkig. Ik kan er zelf van meespreken. Van Braekels essay is voor mij persoonlijk zo relevant om deze redenen:
- Tijdens mijn driejarige carrière als eindredacteur bij De Morgen heb ik de politiek correcte kerk regelmatig zien preken. Eén voorval doet me zelfs spreken van politiek correct fascisme. Het ging erover dat het tv-spotje van Kasteelbier vrouwonvriendelijk was omdat het een vrouw toonde die haar man gehoorzaam een Kasteelbiertje kwam brengen. De Morgen trok naar Ingelmunster, zodat brouwer Luc Van Honsebrouck, een toen 76-jarige West-Vlaamse ondernemer, zich kon expliqueren. Als grote titel stond er boven het artikel: ‘De vrouw bedient haar man. Zo is het leven’. Dat móést er staan, want, zo zei de chef nieuws, hikkend van een vreemd soort contentement: “Die man is krankzinnig, lees nu eens wat die allemaal zegt! Die gelooft dat dus, hé! Die is gek, gewoon gek!” Bijzonder gênant als u het mij vraagt. Dat de vrouw van Van Honsebrouck in het stuk letterlijk zegt “Wij zijn van de oude tijd”, getuigt van veel meer verstand, doorzicht en zelfkennis dan het pseudoverontwaardigde gehik van die bepaald vooringenomen opererende chef nieuws.
- Na mijn ontslag bij De Morgen ben ik zelf vol enthousiasme beginnen te bloggen. Enkele maanden in de blogosfeer hebben me al meer journalistieke voldoening geschonken dan drie jaar bij het voornoemde onafhankelijke dagblad. Onbetaald mijn eigen stukken op het net zwieren heeft me al meer opgeleverd dan betaald andermans stukken op een krantenpagina zetten. Zonder mensbrugghe.wordpress.com had ik me allicht mogen opmaken voor een carrière als strontraper achter de tram.
- Sinds enkele dagen staat De Werktitel online, waarvan ik één van de trotse oprichters ben. De Werktitel is een blog die gemaakt wordt door ervaren beroepsjournalisten. Een nieuwssite zijn we niet, want nieuwssites verplichten zichzelf ertoe om zowat elke minuut met een nieuw nieuwtje op de proppen te komen om zodoende het Gevoel van Actualiteit te evoceren. Daar doen wij niet aan mee, omdat we eigen nieuws willen brengen en niet gewoon de vloedgolf aan feitjes van de persagentschappen willen overnemen (zie in dat verband ook het interview met Nick Davies). In die zin zijn we een experiment dat het midden houdt tussen een weblog en een krantenredactie. Ik vind dat wijs.
De Werktitel verenigt als het ware de twee kanten van het verhaal van Luc Van Braekel: burgerjournalistiek (want op eigen houtje, zonder gevestigd uitgeversbedrijf) en beroepsjournalistiek (want individueel erkend door de betreffende commissie). Zoals Van Braekel met enkele voorbeelden aantoont, is die titel van beroepsjournalist geen kwaliteitsmerk, geen waarborg op deontologische en correcte journalistiek.
Toch wijst Van Braekel sommige van zijn collega-bloggers met de vinger:
Op het internet, waar perfecte anonimiteit mogelijk is, kunnen anonieme bloggers andermans rechten schaden, bijvoorbeeld via laster, zonder dat zij ter verantwoording kunnen worden geroepen en zonder dat de lasterlijke inhoud verwijderd kan worden, bijvoorbeeld omdat de webserver zich in een land bevindt dat niet ingaat op gerechtelijke vorderingen.
Anderzijds doen online burgerjournalisten volgens de auteur veel beter aan bronvermerling dan traditionele media:
Bloggers verwijzen naar hun bronnen via hyperlinks, de geijkte manier om webpagina’s met andere webpagina’s te verbinden. Een betere en volledigere ‘bronvermelding’ is nauwelijks denkbaar. Kranten en tijdschriften daarentegen nemen het vaak niet zo nauw op met die bronvermelding. De wet op het auteursrecht staat een ‘citaatrecht’ toe, waarbij de bron zo volledig mogelijk dient te worden vermeld. Wanneer ik op mijn weblog een opmerkelijke uitspraak citeer die een politicus in één of ander interview deed, dan vermeld ik niet alleen de naam van de politicus en de naam van de publicatie, maar ook de datum en de naam van de interviewer. De krant De Tijd daarentegen vermeldt in haar dagelijkse citatenrubriek enkel de naam van de geïnterviewde en de naam van de publicatie, zonder vermelding van datum noch van de journalist die het interview afnam.
Een pagina verder schrijft Van Braekel zelfs over het soort journalistiek waar De Werktitel naar terug wil grijpen: “Decennialang baadde deze beroepscategorie in een mythische sfeer van onderzoeksjournalistiek en diepgravende duiding. [...] De beroepsjournalisten waren de hogepriesters van de waarheid, zo leek het wel.” Hoofdredacteur van De Werktitel Georges Timmerman heeft het daar expliciet over in zijn edito, Enthousiasme:
De belangrijkste taak van journalisten is nog altijd (te proberen) de waarheid te vertellen – en dus niet om zoveel mogelijk kranten te verkopen of zoveel mogelijk kijkers te halen. Dat die waarheid meestal verduiveld goed verborgen zit, achter een dikke sluier van mist, maakt de uitdaging alleen maar spannender.
Zowel Timmerman als Van Braekel, en elk vanuit hun eigen achtergrond, beschouwt het internet als een zegen voor de journalistiek. Timmerman omdat hij het gevoel heeft dat hij dankzij het internet verlost is van een al te zwaar commercieel juk, Van Braekel omdat hij ziet dat het internet het monopolie op informatie van een al te linkse beroepscategorie doorbroken heeft:
Vandaag kan iedereen publiceren, reageren, doorsturen en experimenteren. De journalistieke activiteit is niet langer een privilege. Het mediaoligopolie wordt uitgehold door een overvloed aan websites en weblogs, die zonder kosten en zonder beperkingen kunnen worden opgezet.
De situatie waarbij de bevolking was aangewezen “op een handvol kranten, één of twee tv-omroepen en enkele radiokanalen” was volgens Van Braekel een aberratie “veroorzaakt door materiële beperkingen, hoge investeringskosten, een hoge instapdrempel voor nieuwe initiatieven, maar vooral door de coporatistische mentaliteit van de journalistieke kaste”.
Dat De Werktitel op zijn blog expliciet aangeeft dat de medewerkers professionele journalisten zijn, moet echter niet in een corporatistisch daglicht gezien worden. Wij willen simpelweg aangeven dat de bijdragen op werktitel.be het resultaat zijn van journalistieke arbeid en dat De Werktitel géén forum is waarop mensen die toevallig beroepsjournalist zijn geheel vrijblijvend een soortement dagboek mogen bijhouden. Daarvoor kun je immers al terecht op de sites van traditionele media als De Standaard of de VRT.



