Verdwijnwoorden
16 juni 2012
Ooit ben ik begonnen in de Grote Van Dale. Halverwege ben ik moeten stoppen doordat ik de plot niet meer begreep. Het Modern verdwijnwoordenboek heb ik wel uitgelezen. Een puike schelmenroman.
Gewoon al het oxymoron in de titel. En dan die inhoud! Krak 750 ex-Nederlandse woorden, woorden die we uit onze taal hebben verjaagd zonder ze een waardig pensioentje te gunnen. Ze zijn in een semantisch massagraf gesmeten zonder dat iemand ooit nog naar hen omkeek.
Een eervolle bloemlezing is daarom op haar plaats. Ontdek en vooral: gebrúík die fraai klinkende dragers van betekenis.
A
Aamborstig: kortademig, astmatisch.
Aangrimmen: grimmig aankijken, in het vooruitzicht stellen.
Aanritseling: moeilijk weerstaanbare neiging. Zoals in: “grove aanritselingen van wellust”.
Achterkousigheid: onoprechtheid.
Albeschik: iemand die alles regelt en beschikt, die zich met alles bemoeit.
Allumeuse: meisje dat of vrouw die door behaagzucht mannen verliefd maakt en zich vervolgens aan hun aanzoek onttrekt.
Anerie: stommiteit.
Armenbriefje: briefje dat vroeger werd uitgereikt als bewijs van financieel onvermogen.
Armengesticht: tehuis of ziekenhuis voor arme mensen.
Asman: vuilnisman.
Aterling: slecht mens, onmens of onverlaat.
B
Baanmeid: slet, hoer.
Beguichelen: misleiden.
Besjoechelen: belazeren.
Beuzelkraam: Verzameling onbeduidende of nietige zaken.
Bijligging: geslachtelijke vereniging. Zoals in: “de lust tot bijligging en vereniging”.
Blikslagers: krachtterm: bliksems, verduiveld.
Botmuil: lompe of domme persoon, een lomperd.
D
Dauwel: traag vrouwspersoon.
Dierage: boosaardige, kwaadaardige vrouw, een helleveeg, een xantippe.
Draaigatje: koket meisje.
E
Eunjer: boze geest of spook.
F
Falievouwen: vleien, kruiperig doen.
Fanfaron: opschepper.
G
Geldgier: uiterst hebzuchtig mens.
Grammmoedig: kwaad, toornig.
Gruwbaar: afgrijselijk, afschrikwekkend.
H
Hekelteef: boosaardige, kwaadaardige vrouw, een helleveeg, een xantippe.
I
IJlebenen: haastig lopen.
J
Jammerhartig: ellendig, armzalig.
K
Karonje: boosaardige, kwaadaardige vrouw, een helleveeg, een xantippe.
Kaskenade: ophef, gedoe, drukte.
Katijf: boosaardige, kwaadaardige vrouw, een helleveeg, een xantippe.
Katijverig: ziek, zwak of kouwelijk.
Kerfdiertje: insect.
Klappei: babbelaarster, roddelaarster.
Kloekhartig: dapper, onversaagd, moedig.
Klompenvolk: plebs.
Kochelhuis: bordeel.
Kolrijdster: toverheks.
Komijnsplitser: gierige, vrekkige kerel.
Kortegaard: wachthuis, tijdelijke bewaarplaats voor ‘s nachts aangehouden personen.
Krijzeltanden: (krijzeltandde, heeft gekrijzeltand) knarsetanden, tandenknarsen.
Kuf: bordeel of kroeg.
Kwikkebil: ongedurig meisje, ongedurige vrouw.
Kwips: ziek of ziekelijk.
L
Labbeien: (labbeide, heeft gelabbeid) kletsen, roddelen.
Labberlot: nietswaardige, lamlendige persoon, nietsnut, prul.
Landzaat: inwoner van een land.
Lauwdaat: lui wijf.
Letterbaas: geleerd man. Enigszins schertsend.
Leuningbijter: lanterfant, nietsnut.
Lijfsbegeerte: seksuele lust.
Lompenvolk: arme mensen.
M
Maagdenschender: iemand die een meisje onteert.
Minauderen: (minauderde, heeft geminauderd) behaahgziek doen, preuts koketteren.
Minnesluikerij: overspel.
Moriaan: zwarte man of vrouw.
Muzelmans: islamitisch.
N
Natgierig: verlangend naar alcoholische drank.
O
Ontvrijen: door vrijen afhandig maken, afvrijen.
P
Peinzensmoe: door lang peinzen vermoeid.
Pekelhoer: oud liederlijk vrouwspersoon, een oude, afgeleefde lichtekooi.
Pesthol: bordeel.
Pokputje: litteken van een pok.
Potjerol: dikke persoon (man of vrouw).
R
Radoteren: (radoteerde, heeft geradoteerd) raaskallen, onzin praten.
Ramaaien: (ramaaide, heeft geramaaid) tekeergaan, huishouden.
Reeuws: een lijklucht hebbend.
Rinkelrooier: losbol.
Ritsig: wellustig, geil.
S
Schoonbillig: mooie billen hebbend, kallipygisch.
Schrijfjeukte: onbedwingbare zucht om te schrijven.
Schuddegat: kort, dik vrouwtje.
Spijkertjeswee: tegenslag voor fietsers wanneer zij een lekke band krijgen doordat ze over een spijker zijn gereden.
Strijkvoetje: teken van onderdanigheid.
T
Teelzucht: geslachtsdrift.
Tegensporrelig: twistziek, onverdraagzaam.
Trantel: fier. Zoals in: “een jong en trantel wijf”.
U
Uroscopist: piskijker.
V
Venusdier: ontuchtig vrouwspersoon, prostituee of slet.
Venuspriesteres: prostituee.
Voddenmoer: oude vrouw die in vodden of lompen handelt, voddenvrouw, (figuurlijk) slons, morsige vrouw.
W
Watjekouw: harde klap.
Wiskunstenaar: wiskundige.
Z
Zielkennis: psychologisch inzicht.
Zwijmeldrank: drank die de gebruiker benevelt.
Imago
6 oktober 2011
Awel, awel, wat is mij dat hier? Een boek over imago’s? Yep, inderdaad. Na Onder de Wapper heb ik het over een andere boeg gegooid: dertien bekende koppen oog in oog met hun imago. Op 20 oktober is er een presentatie met receptie.
Plaats van afspraak is lunchcafé Walry, in de Zwijnaardsesteenweg te Gent. Om 20 uur begint het. Kristien Hemmerechts, één van de interviewees met een imago, verzorgt de inleiding. De foto’s in het boek – ik vind ze zelf tamelijk fantastisch – zijn van Joram Van Holen. De lay-out – ook daar ben ik fan van – is van Pjotr.
Mijn uitgever is nog altijd Luster.
Als ge wilt afkomen, moogt ge. Ik vraag geen toegangsgeld.
Treinsurfen
5 april 2011

Als een echte held van de spoorweg hangt Ramon vanachter aan een Russische trein. (Foto Ramon / 0331C)
‘Oké, we doen het!’ Ramon twijfelde niet lang toen Russische vrienden vroegen of hij mee aan een rijdende trein ging hangen. Zodoende denderde hij even later al treinsurfend door de suburbs van Moskou. Voor Humo interviewde ik de waaghals.
Je kunt Ramon gerust verslaafd aan adrenaline noemen. Na die eerste keer in Moskou wou hij meteen opnieuw gaan treinsurfen. Uiteindelijk deed hij het er drie keer. In België is het er nog niet van gekomen, maar de drang blijft.
Hier te lande is de scene nog niet uitgebouwd. Er zijn enkele gasten met serieus wat ‘hanguren’ op de teller – daarover in de Humo van volgende week meer – maar voor de rest is er nog geen sprake van een rage.
In Rusland is dat wel het geval en ook in Polen en Duitsland is er een ware subcultuur van treinsurfers. Het meest tot de verbeelding sprekend zijn de stunts van The Train-Rider, één van de weinigen die al een hogesnelheidstrein heeft durven te surfen. Daarvoor gebruikte hij wel speciaal materiaal, zoals zuignappen om niet weg te waaien. Geniet of gruwel mee:
Kleine opmerking: dat die peet gestorven is aan leukemie, is een hoax.
In Zuid-Afrika huppelen jongeren vrolijk over het dak van rijdende treinen. Het kan haast niet anders dan dat er daar regelmatig één in het decor vliegt. Maar ‘t ziet er verdorie wel veel plezieriger uit dan hele dagen voor je tv hangen:
In de Verenigde Staten bestaat er nog een oude variant op train surfing: freighthopping. Al sinds de negentiende eeuw reizen de hobo’s op goederentreinen rond in de VS. Ze hebben zelfs hun eigen codetaal ontwikkeld om hun lotgenoten te waarschuwen of te informeren.
De fotograaf Swampy is een hedendaagse hobo. Hij legt het leven op de goederentrein vast in beelden die een mens doen verlangen om er zelf bij te zijn. Over het algemeen ziet dat freighthoppen er ook minder gevaarlijk uit dan treinsurfen. Klik op de foto hieronder voor meer beelden.
http://www.flickr.com/photos/toothpaw/5262878412/in/set-72157608687992167/
‘t Is natuurlijk net dat gevaar dat treinsurfen zo aantrekkelijk maakt, en ik kan niet ontkennen dat ik me aangetrokken voel.
Nieuwe stuff
23 maart 2011
Wijskens. Er zijn nog twee blogposts in voorbereiding. Eentje over een schitterend fictieboek dat ik vandaag uitgelezen heb. Een andere over het ideale beroep, dat ik momenteel uitoefen, maar waarin nog zeer veel onbenut potentieel zit.
De teksten zijn al uitgeschreven in mijn hoofd. Alleen moet de fysieke transcriptie van brein naar internet nog plaatsvinden via mijn zeer feilbare vingers.
Morgen maak ik er tijd voor. Desnoods ruil ik mijn steen der wijzen in voor enkele uurtjes extra.
Coenraed
7 maart 2011
Van de dichtkunst ben ik geen fan. Nog nooit heb ik een poëziebundel gekocht. Van versregels val ik in slaap: stevig doorlezen kunt of moogt ge niet, en nooit zit er daar eens een geestig of spannend verhaal in. Een tijd geleden heb ik wel een dichter geïnterviewd: Coenraad De Waele. De Waele is een wijze gast, zeker voor een poëet.
In januari wist Coenraad mij te melden dat hij een nieuwe dichtbundel klaar heeft: Mijn leven na The Beatles. Kwam dat even goed uit. De dichter stond sowieso al op ons lijstje. ‘Ons’, dat zijn Hendrik Braet en ik. Hendrik is fotograaf en samen zijn wij bezig met een serie over markante Gentenaars. De bedoeling is dat we aan genoeg portretten geraken om een schoon boek uit te laten geven.
De Waele is zeker en vast een markante Gentenaar. Toen hij nog vlak bij het Groot Kanon woonde, zag menig zaterdagse winkelaar hem voor zijn open raam rijden op zijn fitnessvélo, zwoegend maar triomfantelijk uitkijkend over de shoppende massa. Er doen nogal wat verhalen over deze sjarel de ronde. Hij heeft al een paar keer in de psychiatrie gezeten – meestal na episodes van ongebreideld drankgebruik. Hij blijft een fan van drank, van psychiatrie was hij nooit een liefhebber.
Op café ziet ge hem soms zijn vals gebit uithalen – tot gruwel van jonge studentes. Hij heeft ooit zelfs eens zijn (kapot) vals gebit in de Leie gesmeten. Dat hij een reputatie heeft, zal hij niet ontkennen, maar hij wordt boos als hij alleen verantwoordelijk wordt gesteld voor die reputatie.
Morgen krijgt hij zijn dichtbundel eindelijk in handen – er zat wat vertraging op de productie. Mijn artikel over hem was al lang klaar. Het is vandaag gepubliceerd op Apache. Lees het, zelfs als ge poëzie niet wijs vindt. “Vlaamse dichters zijn grotendeels gesubsidieerde treurwilgen die cryptogrammen bedenken. Het zijn doorgestudeerde vakidioten die moeilijke dingen in elkaar knutselen waar geen hond iets aan heeft”, foetert De Waele zelf.
Dat hebt ge goed gezegd, Coenraad.
Status
5 maart 2011
Sommige mensen, zoals Jan Seurinck, hebben discipline. Andere sjarels, zoals ikzelf, hebben dat niet. Jan post zeer regelmatig iets op zijn blog, bij mij is het soms máánden wachten eer er nog eens iets verschijnt.
Ik heb al verschillende strategieën uitgetest om hier frequenter stuff gepubliceerd te krijgen. In het begin werkt dat altijd: ge zijt enthousiast over uw nieuwe aanpak en met hernieuwde discipline probeert ge elke dag iets te posten.
Maar na een tijdje beginnen de intervallen tussen blogposts weer groter te worden en vergeet ge op den duur andermaal dat ge een blog hebt en dat ge daar toch wel geestige dingen mee kunt uithalen.
Ik steek het voor het gemak op Facebook. Als ge een gevat gedacht hebt dat langer is dan de 140 tekens die Twitter toelaat, hebt ge nogal snel de neiging om dat als status op Facebook te zwieren. Uw friends klikken dan op ‘Like’ en ge voelt u weer goed, zodanig zelfs dat ge nog eens buiten durft te komen.
Oneliners van minder dan 140 tekens, zwiert ge rechtstreeks op Twitter. Uw trouwe volgers retweeten vervolgens uw boodschap, terwijl uw méchante fans u spitsvondig van repliek proberen te dienen, waarop dat gij nog straffere oneliners uit uw botten slaat. Dat talige pingpong voelt goed en ge amuseert u, zodanig zelfs dat ge vergeet buiten te komen.
Ondertussen, of ge nu binnen blijft of buiten zit, ligt uw blog maar digitaal stof te vergaren.
De laatste tijd merk ik echter dat ik ook mijn Facebookstatus niet meer onderhoud – vreemd want ‘t schijnt dat de hele wereld eraan verslaafd is. Als ik een goed gedacht kwijt kan op Twitter, los ik het daar. Zelfs links verspreid ik liever via Twitter dan Facebook. Stom, eigenlijk, want site stats blijven aantonen dat de verwijzende kracht van Facebook nog altijd vele malen groter is.
Facebook gebruik ik zelf meer en meer passief: op mijn iPod Touch scroll ik door de ‘news feed’ en like ik wat ik leuk vind. Zonder zelf mede te gaan delen waar mijn gedachten naar uitgaan. Terwijl ik TweetDeck op deze fijne zakcomputer wél gebruik om te twitteren.
Weet ge wat het is met Facebook? Veel te veel ballast. Kijk eens op uw wall: tjonge, die staat vol brol die ge daar zelf niet op gezet hebt of op wilt. Facebook doet dat voor u, geheel automatisch, en ge hebt daar zelf nauwelijks of geen controle over.
Die controle heb ik wel op mijn blog. Hier ben ík chef. Ik denk er daarom sterk aan om voortaan Mensbrugghe.be te gebruiken voor ‘statusupdates’ van langer dan 140 tekens. Facebook haal ik er gewoon van tussen.
Van de week ben ik ook gewaar geworden dat ik toch wel betrekkelijk vlot kan tikken op het virtuele toetsenbord van mijn iPod. Zo vlot, dat het mij eigenlijk niet meer stoort om al eens iets langer uit te schrijven.
Zoals deze blogpost bijvoorbeeld.
Daarvoor gebruik ik de app van WordPress. Da’s een zeer rudimentair spel, eigenlijk enkel geschikt voor geschreven tekst. Foto’s en filmpjes moet ge hier niet proberen op te smijten.
Maar zo wil ik het. Niet te veel moeite. Snel een gedacht kunnen uittikken, en hop, op ‘Publish’ drukken. Mijn blog als hoogstpersoonlijke prikbord.
Uiteraard blijf ik Facebook gebruiken om naar hier te linken. Dan hebt gulder d’r ook nog iets aan.
Filmpje over Facebook van Alex Trimpe
The World Is Obsessed With Facebook from Alex Trimpe on Vimeo.
Hiernamaals
4 maart 2011
Yep, ik schrijf weer voor De Morgen. Eerlijk gezegd had ik niet verwacht dat mijn artikels er ooit nog zouden opduiken — en ik ben niet de enige. Maar kijk, ondertussen heb ik al drie reportages afgewerkt en begin ik het zelf stilaan te geloven. ‘t Voelt verdomd goed om weer thuis te zijn.

Een oude foto van de vroegere directeurswoning van de Glasfabriek van Sas van Gent. Thans is het gebouw een ruïne waar het volgens sommigen spookt. Omdat de buren vooral last hebben van nachtlawaai van jongeren wordt het spookhuis gesloopt.
Hoewel ik van 2003 tot 2009 al eens voor De Morgen gewerkt heb, is mijn carrière als journalist eigenlijk pas echt begonnen toen ik eind 2009 reportages voor De Standaard begon te schrijven. Daarvoor had ik — raar maar waar — geen enkele ervaring met dat genre. Mijn verzonnen bijdragen voor jongerenbijlage MIX buiten beschouwing gelaten zijn er in zes jaar tijd allicht maar drie artikels van mij verschenen in De Morgen. Nu heb ik er in nauwelijks twee weken tijd al evenveel geschreven.
In mijn vorige krant — De Standaard dus — las ik vandaag onder de rubriek ‘Paranormaal erfgoed’ het volgende bericht: ‘Spookhuis gaat plat’. Het betreft hier het fameuze spookhuis in Sas van Gent. Een week geleden was ik er zelf nog voor een reportage, één keer ‘s nachts en één keer overdag. Het verslag daarvan is vorige zaterdag in De Morgen verschenen. Omdat Jonas Lampens toen enkele fantastische foto’s genomen heeft en een pagina beperkt is in afmetingen, zag ik me genoodzaakt om duchtig te snoeien in mijn artikel. Gelukkig kan ik hier de oorspronkelijke versie kwijt.
Kort gezegd komt het verhaal hier op neer: twee mensen wonen naast de ruïne van een oude villa, op een bepaald moment zegt de een of andere spokenjager dat zich daar paranormale dingen voordoen, en voor je het weet komen er elk weekend jongeren kabaal maken. De buren vinden dat nachtlawaai niet prettig, en eisen op den duur dat de ruïne gesloopt wordt. Het spookt er niet eens, drukken ze mij op het hart. Ik geloof dat gerust, maar toch vraag ik twee sjarels met paranormale affiniteit of zij eventueel contact kunnen leggen met de entiteiten uit het hiernamaals. Dat kunnen ze. Ze zijn er zelfs van overtuigd dat een sloop het probleem niet zal oplossen: “Die entiteiten zullen daar blijven.”
‘Als het hier echt zou spoken, was ik schatrijk’
‘Wij maken hier wat mee’, zuchten Jack en Ine Snelders. Het Nederlandse koppel woont naast een ruïne die bekendstaat als het spookhuis van Sas-van-Gent. Er is zoveel nachtelijk lawaai dat de twee niets liever wensen dan dat het gebouw zo snel mogelijk gesloopt wordt. Van paranormale verschijnselen hebben de omwonenden geen last. Wel van jongeren die er luidruchtig komen griezelen. Een hek hielp niet, dus gaat de eigenaar over tot de sloop.
De Poeldijkweg vormt de grens tussen het Oost-Vlaamse Assenede en het Zeeuws-Vlaamse Sas-van-Gent. Langs weerszijden van het smalle, onverlichte wegdek is de poldergrond even vettig. Midden in een maïsveld aan de Nederlands kant doemt een oude ruïne op. Het is oude directeurswoning van de nabijgelegen Glasfabriek. Zelfs in het duister is duidelijk dat de villa vijftig jaar verwaarlozing slecht verteerd heeft.
Het spookt er, zegt men. Volgens de legende werd een deserterende Duitser tijdens de Eerste Wereldoorlog geëlektrocuteerd op het terrein. In de Tweede Wereldoorlog zouden Canadese soldaten er met hun jeep op een mijn gereden zijn. De rusteloze zielen hebben een thuis gevonden in de ruïne.
Maar niet voor lang meer: aan de gebarsten gevel hangt een bord van sloopfirma Sagro uit het nabijgelegen Sluiskil. Nog even en dan gaat het spookhuis tegen de vlakte.
De ooit zo chique villa heeft geen dak meer. Boven de verbrokkelde muren zie je het wolkendek oplichten in onheilspellend oranje, met dank aan de industrie langs het Kanaal Gent-Terneuzen. In de meeste vertrekken is de vloer ingestort. Als je niet goed uitkijkt, glibber je in een smerig waterpoel vol puin. Door de lege raamkozijnen klinkt het spookachtige geroep van kievieten. Wie ervoor openstaat, kan zich hier gerust de daver op het lijf laten jagen.
Plots tast het licht van een zaklantaarn de verweerde gevel af. Het is buurman Jack Snelders (64). Hij en zijn vrouw Ine wonen al achttien jaar naast het spookhuis.
“Toen we hier kwamen wonen, was de villa nog redelijk intact. Maar gaandeweg is het gebouw beginnen te vervallen. En in 1996 kwam The Ghosthunter verklaren dat het een spookhuis was. Toen is alle ellende begonnen”, zucht Jack. ‘The Ghosthunter’ is de Nederlander Joost Knop, “exorcist van beroep”. Hij houdt een site bij met alle paranormale verschijnselen die hij heeft gadegeslagen.
“Maar ik heb hier nog nooit spoken gezien”, verklaart Jack stellig. “Vóór The Ghosthunter zijn openbaring deed, was hier niets aan de hand. Dat huis was gewoon de oude villa van de Glasfabriek. Sommige spokenjagers worden echt kwaad als ik hen vertel dat hier geen spoken zitten.”
Van Nederland sloeg de hype over naar België, en ondertussen komen ook Duitse spokenjagers er hun geluk beproeven. “Nu staan er op YouTube zelfs filmpjes over dat zogezegde spookhuis, en weet de hele wereld het”, verzucht Jack zich.
Het zijn niet de spokenjagers, maar dronken jongeren die Jack en Ine het leven zuur maken. “De spokenjagers maken over het algemeen geen lawaai. Het zijn de jongen die baldadigheden uithalen. De meiden zijn bang en beginnen maar wat te roepen. Onze pauw reageert daarop, waarna de meisjes nog méér begonnen te gillen. Dat is een rottigheid.”
Jack wijst op de matras die in de woonkamer ligt. “Wij slapen nu hier, want op zolder is het lawaai niet meer te harden”, verklaart hij. “De politie komt soms eens langs als we bellen, maar de helft van de tijd dagen ze niet eens op.”
Anderhalf jaar geleden was de maat vol voor Jack en Ine. In een brief vroegen ze de eigenaar, de Belg Luc Christiaen, om maatregelen te nemen. “Eerst probeerde die het probleem op te lossen door een hek te plaatsen, maar dat werd telkens weer gesloopt. Op den duur werd de eigenaar er zelf radeloos van, dus besliste hij uiteindelijk maar om het hele huis te laten slopen”, vertelt Jack.
Ondertussen beslisten Jack en Ine om hun huis te verkopen. “Het is ons gewoon te veel geworden met dat lawaai”, geeft Jack toe. “Maar we geraken ons huis gewoon niet kwijt. Nu, als de ruïne gesloopt wordt, is de kans wel groot dat we hier blijven.”
Dan moet die sloop wel dringend beginnen. De heemkundige kring van Sas-van-Gent begon een petitie tegen de afbraak, waardoor het spookhuis heel wat media-aandacht geniet. “Door de ophef die nu ontstaan is, vrees ik dat we het alleen maar kwader zullen krijgen”, zegt Ine. Jack knikt. “Hoe meer bekendheid, hoe meer jongelui. Vanmiddag zijn hier niet minder dan acht auto’s gestopt om naar de villa te kijken. Als het hier nu eens écht zou spoken, was ik schatrijk”, grijnst Jack.
Spookt het er nu of niet? We vroegen twee heren met paranormale affiniteit om – overdag – een oordeel te vellen. Eén van hen, Joris Rasemont, is de kleurrijke klokkenluider van het Gentse Belfort. Zijn moeder heeft hem ingewijd in het sjamanisme.
We spreken af bij Joris’ kameraad Ronald Vermeulen, een Gentse dichter die enkele jaren geleden verkaste naar Sas-van-Gent. In zijn woonkamer staat een boekenkast vol titels die tot de verbeelding spreken: Experimenten met magie, Handboek van de handleeskunde, Wichelroede en pendel in ieders bereik. “Dat is mijn occulte bibliotheek”, zegt Ronald trots. Verder liggen er tarotkaarten en de onvermijdelijke kristallen bol.
De twee hebben het spookhuis nog nooit bezocht, zelfs al woont Ronald vlakbij. “Op mijn eentje waag ik me daar niet aan. Ik heb geen zin om het noodlot uit te dagen”, blaast de dichter. Enkele maanden geleden, toen er van de sloop nog geen sprake was, vatten Joris en Ronald wel het plan op om het terrein over te kopen en de ruïne om te bouwen tot een kunstencentrum. Maar voor ze hun fondsen tezamen kregen, kwam het bericht dat het verwaarloosde bouwsel tegen de vlakte gaat. Vandaar dat ze uitkijken naar een eerste en laatste bezoek.
Zijn ze niet zenuwachtig? “Neen, wij kunnen die spoken aan”, zegt Joris zelfverzekerd. “Maar we moeten wel opletten dat we geen ‘entiteiten’ meenemen.”
Als we aankomen bij de ruïne, aarzelt Ronald niet lang om het gebouw binnen te stappen. Op de overblijfselen van nachtelijke feestjes aan de ingang – lege flessen wodka en breezer – lijkt hij niet te letten. Zijn oog valt meteen op een trap die nergens naar leidt. Volgens Jack en Ine is die nog gebouwd door de vader van de huidige eigenaar – waarom is niet duidelijk. “Het is net een altaar”, vermoedt Ronald. “Het zou me niet verwonderen dat er hier nog zwarte missen zijn opgedragen.”
Joris zet pas vele minuten later zijn eerste stappen in de ruïne. Eerst heeft hij een hoop speciale ringen op zijn vingers gestoken, achttien (!) in totaal. “Om mij te beschermen”, verklaart hij. De twee doorzoeken de ruïne. Vlak bij het ‘altaar’ houden Joris en Ronald opeens halt. “Voel je dat ook?”, vraagt Joris. Ronald knikt. “Een beklemmend gevoel aan mijn hart”, beaamt hij met een grimas. Enkele meters verder komt hun tikker weer tot rust. “We hebben het alletwee gevoeld. Dat gebeurt niet vaak”, vertelt Ronald met grote ogen.
“Hier zijn dingen gebeurd die niet zuiver zijn”, weet Joris. “Er hangt een enorm verdriet in dit gebouw”, vult Ronald aan. “Hier is een entiteit aanwezig.”
Als ze even later weer naar buiten stappen, zijn ze opgelucht. “De beklemming is weg”, zeggen de twee. De twee occultisten werpen een laatste blik op het gebouw. Ze zijn tevreden dat ze er nog eens binnen geweest zijn, maar blijven achter met een gevoel van spijt. “Dit is een heiligdom. Zeer jammer dat ze het zullen slopen”, treurt Joris. “Dat zal geen geluk brengen. Ik zou niet graag de aannemer zijn die hiervoor verantwoordelijk is. Maar de entiteiten zullen hier blijven.”
Zouden ze hier zelf willen wonen als het gebouw eventueel gerestaureerd werd? Ronald twijfelt, Joris zou dat wel zien zitten. “Maar dan moet er eerst iets gedaan worden aan de entiteiten die hier rondhangen. Die zijn niet goed voor het hart.”
Iets zegt ons dat de buren het daar grondig mee eens zijn.
The Truth about Markets
27 februari 2011
Het boek The Truth about Markets (2003) van John Kay is tamelijk geweldig voor wie zich afvraagt hoe economieën eigenlijk echt werken.
Op heldere wijze legt Kay uit waarom vrije-markteconomieën een pak efficiënter blijken dan planeconomieën. Even duidelijk is zijn betoog dat ongebreideld kapitalisme evenmin zaligmakend is. De auteur hamert op het belang van pluralisme, tegen ‘the single voice’ in. Kay spreekt met gezag, maar schuwt de (zelf)spot niet.
Op pagina 337 kwam ik de volgende passage tegen – één van de vele gewiekste paragrafen uit het boek:
The assumptions of the American business model (ABM) are false, but that does not imply their opposite is true. There are people who think economic behaviour is mostly altruistic, political mechanisms of allocations are always preferable to the anarchy of the market, government should control and preferably own all productive assets, and highly progressive taxation should be imposed to bring about an egalitarian distribution of income and wealth. Such people are, however, in a minority, and I doubt if many of them will have read this far.
Een andere leuk zinnetje komen we tegen op pagina 351:
It is not true that profit is the purpose of a market economy, and the production of goods and services is a means to it: the purpose is the production of goods and services, profit the means.
Zelfs al zijn heel wat feiten uit het boek ondertussen reeds ouwe koek, het geheel blijft een bijzonder relevant, actueel en prikkelend werk voor wie zich nog niet vastgereden heeft in een of ander groot gelijk. Of zoals Kay het in zijn allerlaatste zin zelf verwoordt:
This book is dedicated to those for whom a partial understanding of complex reality is better than the reassurance of false universal explanations.
Lees het. Koop het. Leer eruit.
Weer onder de Wapper
19 oktober 2010
‘Als mijn boek klaar is, kom ik het binnensteken’, had ik in zowat elk volkscafé gezegd toen ik er op reportage was over de Lange Wapper. Die vermaledijde Lange Wapper zal er nooit komen, maar het boek is er ondertussen wel. Dus ging ik nog eens op pad om exemplaren van Onder de Wapper uit te delen, met fotograaf Steven De Baere als getuige. En als chauffeur, want ikzelf moest pilsjes drinken.

Viviane, uitbaatster van Frituur Royerssluis, kan moeilijk geloven dat ze in een boek staat. Ze toont het bewijs aan een klant. (Foto Steven De Baere)
Het begint al goed. Steven en ik stappen Frituur Royerssluis binnen, vlak bij de gelijknamige sluis die ‘t Eilandje met de Antwerpse haven verbindt. Ik leg uit dat ik een boek kom afgeven waarin het bewuste frituur een prominente rol speelt, en die brave mensen geloven er niets van. Viviane, de vrouw achter de toonbank, herkent mij zelfs niet meer. Dat is op zich niet zo verwonderlijk, want we zijn ondertussen bijna een jaar verder en mijn lange haren zijn ondertussen gekortwiekt.
Dankbaar
Dan zit er niets anders op dan het bewijs boven te halen. Ik sla mijn debuut open en steek het onder Vivianes neus. “Dat zijt gij toch?”, vraag ik wijzend op een foto.
Viviane knippert met haar ogen. “Maar… Hoe kan dat nu? Natuurlijk ben ik dat!”, zegt ze verrast. “En kijk, Willy en Marc staan er ook in!” Uit tevredenheid trakteert ze ons op pils, wat Steven en ik dankbaar aanvaarden.
Langzaam komt de herinnering terug aan de grijze novemberavond dat ik daar mee aan de toog stond tussen de andere klanten. “Zijt ge nu content met de uiteindelijke beslissing dat er geen brug komt?”, vraag ik haar.
Viviane haalt de schouders op. “Tja, wij zijn content, ja”, zegt ze gelaten. Veel enthousiasme kan de tunnel echter niet opwekken.
Kapot

De baas van Frituur Royerssluis wijst op gebouwen die afgebroken zullen worden voor een tunnel. (Foto Steven De Baere)
Haar man mengt zich in het gesprek. “Ziet ge daar die gebouwen achter u?” Steven en ik draaien ons om. “Neem daar meer eens een foto van, want ‘t zal de laatste keer zijn dat ge ze kunt fotografen.” De gebouwen, oude silo’s voor graan, moeten blijkbaar verdwijnen omdat de tunnel van de Oosterweelverbinding daar passeert.
De frituurbaas is minder opgetogen over de uiteindelijke beslissing van de Vlaamse regering. Het is niet naar zijn zin dat de Viaduct van Merksem zal verdwijnen voor een nieuwe constructie. “Die viaduct is niet kapot, blijf die dan gebruiken”, zegt hij opgewonden. “Een vrouw die niet kapot is, blijft ge toch ook gebruiken?”
“Maar misschien toch iets minder”, grijnst één van de klanten.
De friuurbaas negeert hem. “Het moet natuurlijk weer geld kosten, want het mág niet goedkoop zijn. Dus breken ze een brug af om een nieuwe te kunnen bouwen”, foetert de man. “En de Antwerpenaar mag betalen, en blíjven betalen.”
“Weet ge wat nog het ergste is? Dat ze hier allemaal aan de toog staan te zagen, maaer dat dat niets opbrengt”, knipoogt Viviane.
Hoogst verbaasd
We zouden graag nog wat langer naar het energieke gefoeter luisteren, maar de volgende halte roept: Café Scaldis, helemaal aan de andere kant van het langgerekte Kattendijkdok. “Is dat ver te voet?”, vraagt Steven.
“Bwoh. Toch een goeie twintig minuten wandelen”, schat ik.
“Laten we dan maar met de auto gaan”, beslist Steven. Ik vind dat een wijs besluit.

Toon zit te gniffelen als José, bazin van Café Scaldis, ontdekt dat ze in een boek staat met foto's en al. (Foto Steven De Baere)
Als we even later Café Scaldis binnenstappen, herken ik aan de toog Toon, die ruim aan bod komt in mijn reportage over ‘t Eilandje. Hij herkent mij ook, maar het geheugen van José, de bazin, laat verstek gaan. Net als Viviane is zij hoogst verbaasd als ze zichzelf ontdekt in Onder de Wapper. “Dat wist ik echt niet meer”, bekent ze.
“Ik wel”, grijnst Toon. “Dat was een zeer leutige avond.”
“Zijn er hier ooit andere avonden?”, vraagt José gespeeld streng.
Steven en ik krijgen meteen een eerste traktatie aangeboden – er zullen er nog verschillende volgen. Toon stelt ons voor aan een andere stamgast, Stan uit Turnhout.
“Dus dat zijn de mannen die voor ons pensioen zullen zorgen?”, grijnst Stan.
“Het zal dan toch maar een klein pensioen zijn”, repliceert Steven.
“En ik dan?”, vraagt Toon verontwaardigd aan Stan. “Ik moet ook nog dertien jaar geld afdragen, hoor!”
Gewapende arm
De gepensioneerde Stan is zijn hele leven lang vleeshouwer geweest. Ontbenen was zijn specialiteit. “Ik heb vroeger wat uitgestoken”, lacht de man. “Ooit had ik eens ruzie in een café. De barman dreigde ermee dat hij de politie zou bellen. Doe maar, zei ik. Even later kwamen er drie agenten binnen. Ik stond naast de deur, met mijn hand in mijn zwarte leren jas. ‘Handen omhoog!’, riep ik. Die flikken schrokken, lieten zich op de grond vallen en begonnen om hun leven te smeken. Toen ben ik keihard in de lach geschoten. Waarop die agenten míj klop gegeven hebben en mij in den bak hebben gesmeten.”
Het is niet de enige keer dat hij in aanraking kwam met de gewapende arm der wet. “Eén keer zat ik geboeid in een politiewagen. Het was nacht en ik gebaarde dat ik sliep. De agenten hadden honger en gingen een pak friet eten terwijl ze mij zomaar achterlieten. Ik ben toen met het portier en al ontsnapt!”, schatert Stan.
Hij neemt een flinke teug van zijn pint en klopt zich trots op de borst. “Ik was een held in Turnhout.”
“Maar in Antwerpen is ‘t veel minder”, zegt José met venijnige pretogen.
Stan bekent dat hij lichtjes ijdel is. “Door mijn werk als uitbener had ik echt stevige biceps”, herinnert hij zich met enige weemoed. “Nu lijd ik helaas aan de ziekte van Edel.”
“De ziekte van wát?”, vraag ik.
“De ziekte van Edel. Ik heb meer haar op mijn hol dan op mijn schedel.”
Geanimeerde gesprekken
We schieten allebei in de lach. Ik trakteer hem en Toon een pint, die ik later zal vergeten te betalen. Maar ik ben er zeker van dat José mij dat vergeeft, want anders zou ze mij nadien niet zo gul getrakteerd hebben.
Helaas blijft het feest niet duren: Steven en ik hebben nog andere haltes af te leggen, zoals Café Bieke in Deurne-Noord. Spijtig genoeg kom ik daar nergens toogtisten tegen die ik tijdens mijn eerdere passage al ontmoet heb. Dat betekent dat Steven en ik niet meer getrakteerd worden en nog veel erger: dat we geen geanimeerde gesprekken meer meemaken. Voor de show drinken we nog enkele pinten, maar dan is het over en uit. Terug naar Gent, onze taak zit erop.

Frituur Royerssluis: een zeldzame plek van menselijkheid in het machinale havengebied. (Foto Steven De Baere)

Industrieel erfgoed moet wijken, hoe schoon het ook is, voor een stomme tunnel die beter elders zou passeren. (Foto Steven De Baere)

Bazin José, vaste klant Toon en de auteur ontmoeten elkaar opnieuw aan de toog van Café Scaldis. (Foto Steven De Baere)
Sjofel en marginaal
14 oktober 2010
Niet zo gek lang geleden – het was wel nog volop zomer – zat ik op een Antwerps terras met Bert Bultinck, een oud-collega van De Morgen die nu net als ik arbeidt voor De Standaard, al is zijn functie wel iets indrukwekkender dan mijn freelancestatuut.
Bert gaf me onverhoeds een compliment. Hij zei dat hij dat niet zou kunnen, een volkscafé binnenwandelen, samen met de toogtisten pinten drinken en vervolgens naar buiten stappen met een verhaal. “Ik kan er ook niet aan doen, maar in zo’n café bekijken mensen mij meteen als een buitenstaander”, zei Bert.
“Mij ook”, repliceerde ik. “Ge moet als Gentenaar maar eens een Antwerps café binnen wandelen waar iedereen iedereen kent. Dat is niet evident.”
“Jamaar, da’s nog iets anders. Kijk naar mij: ik draag een bril en een tamelijk deftig hemd. Mensen zien mij meteen als een intellectueel die even onder het volk wil komen. Bij u is dat veel minder het geval, met uw jeansvest en uw oorringen en zo”
“Ik zie er sjofel en marginaal uit, wilt ge zeggen?”, vroeg ik dreigend.
Bert schoot in de lach, wat hij meestal doet in dergelijke situaties. Ik besloot zijn opmerking als een compliment op te nemen. Andermaal werd mij duidelijk dat mijn journalistieke toekomst in het volkscafé lag.
Ik heb nu al een aantal café bezocht en besproken, onder andere café Gent-St.-Pieters, café Viking in de Muide en de vele cafés in Antwerpen-Noord voor mijn boek over het natuurlijke tracé. Onlangs heb ik voor het eerst een caféreportage gemaakt in de Brugse Poort. Het was zogezegd een zwaar café in een zware buurt: verschillende klanten waren al in contact gekomen met het gerecht en ook cafébaas Georges Moyar heeft al eens ‘vast gezeten’, al was hij naar eigen zeggen onschuldig.
Fotograaf Hendrik Braet en ik vreesden er eerlijk gezegd een beetje voor, maar op ons muil hebben we uiteindelijk niet gekregen. Integendeel, de stamgasten begonnen ons meteen mee te trakteren. Hoe komt dat? Niet omdat wij er sjofel of marginaal uitzien, maar gewoon omdat wij ons graag laten trakteren terwijl wij aandachtig luisteren naar de mensen hun verhaal. Veel hoeft daar verder niet over gezegd te worden. Dat verhaal leest u als reportage op Apache.






