Hippies en Ronny’s

29 juli 2010

Ze zijn voorbij. Die tien dagen waar elke Gentenaar maanden naar uitkijkt, zitten er weer op. Het was leuk, maar ik zal ze even niet missen, die Gentse Feesten. Tijd om terug te keren naar planeet Aarde.

Voor de tiende en laatste keer laat ik mijn vrouw eenzaam en alleen achter in ons bed. Normaal gezien sta ik tijdens de Gentse Feesten om halfvier ‘s ochtends op, maar vanavond ben ik niet eens in bed gekropen. Er is voor de verandering iets te doen vóór 4 uur: het optreden van Freddy De Vadder en de Bende van Miènde op het podium bij Sint-Jacobs. Daar wil ik mijn slaap gerust voor laten.

Steenworp

Een laatste keer fungeert de Vlasmarkt als openluchtdiscotheek. Dit is de nacht van de gemiste kansen, van de mensen die nog één maal alles willen geven.

Tijdens het optreden dommel ik niet in, wat altijd wijst op kwaliteit. Noch begin ik me na drie nummers te ergeren dat ik recht moet staan. Meestal word ik al vóór het eerste applaus ambetant als ik niet kan zitten. Vandaar dat ik slechts zeer zelden naar optredens ga en dat je me op muziekfestivals niet zult zien.

Het voordeel van de Gentse Feesten is dat je al dat culturele gedoe probleemloos kunt skippen. En als het is om te drinken vind ik het niet erg dat er geen zetels voorhanden zijn.

Nadat Freddy zich door de bisnummers gegromd heeft, begeef ik me naar de Parels. De Parels is een prima plek om te aperitieven op een steenworp van de Vlasmarkt. Je kunt er in alle rust cava staan drinken terwijl de trekkende en duwende massa op de Vlasmarkt zichzelf bijkans versmacht. Wat zijn we stijlvol, mijn maten en ik.

Korsten

Terwijl ons glas gevuld wordt met sprankelend vocht, vertelt Thomas Steurbaut dat hij een tip heeft voor me. “Volgend jaar moet je tijdens de Gentse Feesten eens een reportage maken over Ronnyville.”

“Ronnyville?”, vraag ik achterdochtig.

“Klein Turkije. Daar vind je de korst van de maatschappij.”

“Zijn die Ronny’s dan zo interessant?”

“Natuurlijk wel! Het zijn eigenlijk ook geen Ronny’s, maar korsten.”

“Wat bedoel je met ‘korsten’?”

“Een korst is iets dat op het lichaam zit en dat we liever kwijt zijn, maar dat wel nodig is.”

“Wil je zeggen dat Ronny’s nodig zijn op het lichaam der maatschappij?”

Brecht Decaestecker, journalist en blanke hiphopneger bij De Morgen, maakt enthousiast reclame voor zijn krant.

“Uiteraard zijn Ronny’s nodig!  Zij zetten ons ras voort door kinderen te kweken”, argumenteert Thomas. “Intellectuelen poepen immers niet graag. Die trekken zich slechts af op pornofilms waarin het nota bene vol Ronny’s loopt.”

“Het klinkt alsof je hier lang over nagedacht hebt.”

“Maar het is toch allemaal vanzelfsprekend? Zelfs bij de oermensen had je volgens mij al Ronny’s. Intellectuelen vonden het wiel uit, de Ronny’s zorgden voor het zaad.”

“Bestaat er dan ook geen tussenvorm, een soort intellectuele macho?”

Thomas denkt even na. Dan verschijnt er een licht van groot respect in zijn ogen. “Er is één intellectuele macho in de hele wereld: Clint Eastwood. In vergelijking met hem zijn wij allemaal janetten.”

Ademruimte

Terwijl we de ziel van de intellectuele macho verder proberen te doorgronden slinkt onze groep zienderogen. Enkele mensen keren reeds voor de ochtendstond terug naar huis, anderen kunnen niet weerstaan aan de lokroep van de Vlasmarkt.

“Ik ga niet mee, het is nog te vroeg”, oordeelt Matthias. “Op de Vlasmarkt zijn er nu nog veel te veel mensen.”

In de periferie van de Vlasmarkt verorbert Matthias een pizza. 'Hier kan ik me tenminste rustig stellen eten zonder me vertrappeld te voelen.'

Matthias heeft gelijk, het ís nog veel te vroeg. Ikzelf verschijn altijd pas tegen 5 uur op de Vlasmarkt. Er is dan al iets meer ademruimte. Zeker op de allerlaatste nacht van de Gentse Feesten moet je je niet haasten om op de Vlasmarkt te verschijnen als je geen voorstander bent van drukkende massa’s.

Huilen

Uiteindelijk zetten we ons een halfuur later toch in beweging. “Het is nog altijd veel te vroeg”, sakkert Matthias. Maar zijn verzet baat niet, de groep heeft besloten om tussen het volk te staan, en tussen het volk zullen we staan.

Het is een massa volk. Niet aangenaam. Matthias en ik beginnen bijna te huilen als kleine kinderen wanneer we zien dat de toog van de Kinky Star schier onbereikbaar is. Een halfuur van mijn leven verspillen om aan te schuiven voor een pintje? Mooi niet.

“Zouden ze in ‘t Smulderken pintjes hebben?”, vraagt Matthias.

Dat is geen slecht idee. ‘t Smulderken is een broodjeszaak, geen nachtwinkel. Het zijn alleen de nachtwinkels die tussen 1 uur en 9 uur geen alcohol mogen verkopen. “Kom, laat ons eens kijken. Dan zijn we tenminste even weg van tussen al die mongolen hier”, besluit ik.

Magisch

Tijdens de laatste nacht van de Gentse Feesten draaien mensen de gruwelijkste dingen in hun molen om overeind te blijven.

We hebben geluk: er zijn pintjes te koop. We zetten ons neer op het terrasje en genieten van de rust en het bier. Om de stilte te verdrijven hebben we het over één van de Grote Thema’s van het Leven: de Liefde. Alras komen we tot de conclusie dat liefde niets meer is dan een combinatie van vriendschap en erotiek. Die combinatie heeft het best iets magisch, anders stop je er beter mee.

Verder hebben we op dat moment niet veel meer te zeggen over de liefde, dus keren we maar weer terug naar het zuipende volk. Waarom blijft het toch zo druk? Moeten de mensen niet werken morgen?

Onstabiele relatie

Kevin Devos, een man met smaak die de affiches opstelt van Gent Jazz en Jazz Middelheim, heeft een verklaring voor de drukte. “Dit is de nacht van de gemiste kansen”, doceert hij. “Voor alle mensen die nu al negen dagen proberen om een lief op te doen is het de laatste kans.”

“Je klinkt niet alsof die mensen nog veel hoop moeten koesteren.”

“Neen, dat is zo. Ze zullen het zich morgen allemaal beklagen dat ze niet aan de een of andere costa zaten. Daar hadden ze misschien meer succes.”

“Liefde en Gentse Feesten: ze gaan niet samen”, zeg ik. “Ofwel zie je mensen in een hoogst onstabiele relatie belanden, ofwel zie je een relatie die sowieso al aan het kwakkelen was spectaculair ontploffen, met vele bittere tranen tot gevolg.”

“Het is ongelooflijk”, knikt Kevin. “Elke ochtend passeer ik op weg naar huis langs Portus Ganda. Dat is werkelijk een echtscheidingsrechtbank. Er wordt geruzied dat het niet mooi meer is. Alle onuitgesproken dingen komen naar boven, vaak een uur nadat mensen nog met elkaar zouden trouwen.”

Vertrappeld

Frederik Segers is de nuchterste man van de Vlasmarkt. 'Ik heb ontdekt dat het hier ook best plezant is als je gewoon cola drinkt. Neen, echt waar, ik méén het!'

Het zou goed zijn als de mensen naar Kevins wijze woorden luisterden, maar helaas: de drukte verdwijnt maar niet. Zodoende staat Matthias nog altijd geërgerd met zijn ogen te draaien omdat er voortdurend zatte meisjes en jongens tegen hem opbotsen.

“Ik voel me een beetje vertrappeld”, verwijst hij naar het drama in Duisburg. “Ik kan me heel goed inbeelden wat de mensen in die tunnel ervoeren. Vooral emotioneel dan. In het echt zal het daar allicht nog wel anders geweest zijn, maar toch: hier is het ook ambetant.”

Topavond

Echt zorgen maak ik me niet. Veel van de aanwezigen op de Vlasmarkt zijn specialisten, feestvierders van gerodeerde routine. De anderen zijn veelal mensen met een schuldgevoel die de Feesten grotendeels gemist hebben en toch één avond hun smoelwerk willen tonen. Volgens mij is de massa ook te dronken en te goedgezind om in paniek te schieten. Hoe kan het anders dat zoveel mensen met een glimlach rondlopen?

Eén van die glimlachers is David Van Belleghem. “Het is een topavond”, onthult David. “Bijna iedereen die hier moet zijn, is hier. Daarbij is iedereen super sympathiek.”

Wijze uitspraak

Ook Marieke, een meisje van krullende haren en felblauwe ogen, amuseert zich. Er is stilaan wat meer ruimte ontstaan en onophoudelijk staat ze met haar achterwerk te zwieren. “Je gat is alles”, legt ze al dansend uit. “Ik heb er één. Ik kán het.”

Het doet me terugdenken aan een wijze uitspraak van Thomas van enkele uren geleden. ”Weet je wat mijn vader altijd zei toen ik klein was?”, vroeg Thomas me. “‘Het is aan je eigen hol dat je weet hoe een ander schijt.’ Dat wil zeggen: je weet wat een ander doet omdat je het zelf doet.”

Onwezenlijks

Edmond Cocquyt senior met zijn zoon Edmond junior. 'Alles is hier lang, lang geleden begonnen met vijf hippies die samen één Irish coffee dronken', herinnert senior zich.

Het is een inzicht dat slechts op de Vlasmarkt kan opborrelen: ons gat als ultieme baken van wijsheid en zelfvertrouwen. Ik heb er echter mijn bedenkingen bij, want ik zie over de smerige kasseien een baken van wijsheid schrijden dat niet voor een gat te vangen is: Edmond Cocquyt. Niet de bebrilde kerel die de Vlaspoppenworp organiseert, maar zijn eerbiedwaardige vader, een wandelende encyclopedie over Gent en de Gentse Feesten.

“Goedemorgen mijnheer Cocquyt, alles in orde?”, groet ik hem.

Edmond senior kijkt met een halve grijns om zich heen. “Tja. Het heeft iets onwezenlijks, hé. Driehonderd meter verder zie je al opnieuw een normale stad die normaal functioneert, maar hier blijven de mensen feesten”, zegt hij.

“Was het in uw tijd dan zo anders?”

“Vroeger was de Vlasmarkt het gebied van de kinderen”, herinnert Edmond senior zich. “Er stond hier elk jaar de een of andere constructie, bijvoorbeeld een gigantische koe. Via de aars kroop je naar binnen om er via haar tong weer uit te rollen.”

“Oei, dus op mooie ochtenden in de vroege jaren zeventig stond dit plein nog niet vol zatte mensen?”

“Neen, zeker niet. De Feesten waren toen louter bij Sint-Jacobs. Ik weet nog hoe ik mijn Mini parkeerde vlak voor café Trefpunt, de straat overstak naar het middenpleintje en dat ik dán pas op de Gentse Feesten was. Tegenwoordig denken mensen dat ze de Feesten hebben gezien als ze tien dagen aan een stuk op de Vlasmarkt hebben gestaan. Dat klopt natuurlijk niet.”

“Hoelang gaat de traditie om hier tot ‘s morgens vroeg te blijven drinken eigenlijk al mee?”

Edmond senior graaft in zijn geheugen. “Goh, dat is allemaal zeer geleidelijk begonnen, het is moeilijk om daar echt een jaar op te plakken”, zegt hij. “Toen Walter De Buck de Gentse Feesten nieuw leven inblies, was er hier op de Vlasmarkt één café: Ekkentu, waar nu De Pantomiene is. Al van in het prille begin kwamen we naar daar als de optredens bij Sint-Jacobs afgelopen waren. Dan zaten we met vijf, zes man Irish coffee te drinken tot een uur of zeven ‘s ochtends. Elk jaar werd dat een beetje groter en een beetje later.”

Oprecht blij ben ik dat te horen. Het betekent dat zelfs het hippe gedruis van de Vlasmarkt deel uitmaakt van de folklore van de Gentse Feesten. Er was geen cafébaas die met een kater in zijn bad lag, opeens een lumineus idee kreeg en enkele collega’s belde met de boodschap: “Yo, gasten, als we nu eens een openluchtdiscotheek installeren en allemaal Irish coffee beginnen te verkopen, zou dat niet de max zijn voor onze jaaromzet en al?”

Neen, dit plein draagt evenzeer de traditie van de oude hippies in zich. Zelfs de talloze West-Vlamingen die nu hun zogenaamde Flashmarkt inpalmen en overmoedig van hun plezante koffie slurpen, zijn epigonen van de langharige contrairen die er veertig jaar geleden een serieuze schop in hebben gegeven.

De meedogenloze brigades van Ivago vallen de Vlasmarkt binnen. Daar kan geen sfeerbeheer tegenop.

Het is mooie kennis om te vergaren op de laatste ochtend van de Gentse Feesten. Graag had ik er nog wat langer van genoten, op mijn plein, tussen de personages en de figuranten van mijn verhaal, maar daar komen de wagens en de machines van Ivago alweer aangestoven, met in hun kielzog een tiental journalisten en fotografen. Ons afval, dat we gedurende tien dagen met zoveel overtuiging tussen de kasseien hebben gestampt, wordt losgewrikt en weggevoerd. Geüniformeerde mannen deporteren onze vuiligheid naar de verbrandingsoven.

Dat het dus gedaan is. Mijn notitieboekje staat vol. Mijn Vlasmarkt loopt leeg. Eenieder strompelt naar zijn bed, al dan niet met een tussenstop langs een normaal terras in een normale stad, een stad die er niet meer uitziet alsof hij ieder jaar het grootste culturele volksfeest van de planeet organiseert.

Een laatste biertje lukt nog net, en dan, eindelijk, naar bed. Twee weken platte rust. Zodat we fris man zijn tegen de Patersholfeesten.

Journalist Brecht Decaestecker overschouwt de Vlasmarkt. 'Ik wou hier nog wat zieltjes ronselen voor mijn partij 'Hent West-Vlaams', maar ik heb me van zweetband vergist', treurt Brecht.

Hans, een stoere manskerel van wie vaak enige dreiging uitgaat, toont zich van zijn zachtste kant. 'Mijn wallen maken me menselijker.'

Zelfs oude hippies blijven welkom op de Vlasmarkt. 'Ik weet dat ik een heel lelijk mannetje ben, maar mijn hart is goed en mijn ziel is rein.'

Via zijn neusgaten laat deze man in zijn ziel kijken. 'Zie je wel dat ook mijn hart rein en goed is? Zelfs op dit uur en op deze plaats.'

Het retrofascistische Batakamp heeft met zijn witte kousen een nieuwe traditie gelanceerd die hopelijk snel in de kiem gesmoord zal worden.

Gert Boel is een hele kerel. Hij prijst zichzelf aan als een betrouwbare jongeman aan wie je gerust al je geheimen kunt toevertrouwen. 'En ook al je geld', giechelt hij vertrouwenwekkend.

De hoeden van Pampero zijn populair op de Vlasmarkt. 'De oude hippies van vroeger zouden dat natuurlijk niet graag zien, maar ja, wat hebben die kerels eigenlijk al bewezen in hun leven?'

Een man van onduidelijke komaf verplaatst zich sierlijk door de massa. 'Mijn petje accentueert de elegantie van mijn bewegingen.'

Hans Dekeyser maakt van de laatste ochtend van de Gentse Feesten gebruik om voor het eerst acte de présence te geven. Zijn stijlvolle petje redt hem van de hoon die hij eigenlijk verdient.

Bij sommige mensen laat hun hoofddeksel diepere sporen na dan de Gentse Feesten zelf. Tijd heelt gelukkig alle wonden.

'Ah, neen, nu kom ik eens naar de Gentse Feesten en staat die mottigaard met zijn fototoestel hier ook weer', zucht Teun Van de Voorde verongelijkt.

Brecht Decaestecker heeft dan toch twee mensen gevonden die De Morgen lezen. 'Jullie laat ik voor de rest van mijn leven niet meer gaan', jubelt hij uitgelaten.

De medewerkers van het Botramkot nemen uitbundig afscheid. 'En nu gaan we elkaar weer een jaar lang mijden als de pest!'

Manschappen van Ivago houden zich klaar om het Botramkot af te breken. 'Op de schroothoop met dat mottig ding', luiden hun instructies.

Vuilnismannen blazen met hun machine alle afval op nette hoopjes. Elke herinnering aan de feestvreugde wordt zo uitgewist.

Feestvierders gaan in het verweer tegen de opruimactie. 'Blaas hier maar eens op', roepen zij uitdagend.

Edmond Cocquyt kijkt goedkeurend toe hoe de troepen van Ivago de kasseien van de Vlasmarkt oppoetsen. 'Flink schrobben, hé, mannen, want er hebben hier weer hippies rondgelopen en hippies stinken.'


Flattr this

Duel

26 juli 2010

Nog slechts één nacht Gentse Feesten te gaan. Lees het verslag van de voorlaatste ochtend om in de sfeer te geraken. Zet een muziekje op en drink een Irish Coffee. Oefen enkele oneliners voor de spiegel. En schrik niet als u mij straks tegenkomt vóór vier uur.

Een man doet dienst als zitbank. Een sfeerbeheerder grijpt meteen in. 'Op de Vlasmarkt wordt er niet gezeten. Jullie moeten blijven rechtstaan of gaan slapen.'

Sympathiek vind ik het niet dat het begint te regenen op het moment dat ik buiten kom. Ik zet de kraag van mijn jeansvest recht en begeef me richting centrum. De bui heeft me niet thuis kunnen houden en druipt terneergeslagen af.

Spioneren

Op de Vlasmarkt is er merkelijk minder volk dan anders, al staan er meer mensen die ik ken. Dat is typisch voor een zondagnacht.

Er loopt een sfeerbeheerder rond in burger. Ik herken hem en staar hem achterdochtig aan. Komt hij geniepig spioneren?

“Neen, hoor, ik heb een dag verlof”, glimlacht de man. “Vannacht verziek ik de sfeer, maar morgen kom ik de crowd weer managen.”

Onder de knoet

Rogier, de James Dean van de Vlasmarkt, voert een subversief dansje uit. Hij heeft geluk dat er geen flikken in de buurt zijn.

De massa wil niet gemanaged worden, de massa heeft entertainment nodig. “Dit zijn brood en spelen”, ziet de Antwerpse Gentenaar Swa Van Damme.

“De stad Gent noemt de Vlasmarkt een gecontroleerde uitlaatklep”, weet ik. “Zelfs als je hier staat te zuipen voor het vaderland stap je mee in een schema van de overheid om het volk onder de knoet te houden.”

Swa haalt zijn schouders op. Hij vindt het allemaal best in de stad die hem geadopteerd heeft.

Zelfverzekerdheid

Ook een andere ingeweken Gentenaar voelt zich opperbest. Yves Marquillie verloor enkele dagen geleden zijn dreadlocks op Batakamp en heeft zich dat nog niet beklaagd. ”Meteen daarna heb ik de wildste nacht van mijn leven meegemaakt”, grijnst de boomlange West-Vlaming. Ik vraag niet naar de details.

Zijn het dan allemaal vrolijke sjarels, daar op de ochtendlijke Vlasmarkt? Heus niet. David Bratzlavsky is zelfs somber. “Ik ben nu al drie dagen aan het feesten, maar mijn zelfverzekerdheid gaat er niet op vooruit”, vertelt David me.

“Ik ken het fenomeen. Je raakt op den duur ontrafeld. Alsof je hele persoonlijkheid uit elkaar zal vallen zodra men er nog maar één draadje uit trekt”, zeg ik.

“Zo is het. In theorie ben ik nog een mens, maar eigenlijk blijft er weinig van me over.”

“Dat heeft ook te maken met de vermoeidheid. Het is zelfs vooral door slaapgebrek dat we wegdrijven van de persoon die we zijn.”

“Dat klopt. Je hebt echt geen drugs nodig om jezelf te verliezen.”

“Als je jezelf wilt terugvinden, moet je lang genoeg slapen”, geef ik David mee als goede raad.

Slechte deal

Gert Boel rookt een filter zonder sigaret. 'Dat is beter voor mijn longen. Oké, het ziet er minder stoer uit, maar met een tronie als het mijne hoef je je over stoerheid geen zorgen te maken.'

Terwijl David een sanitair ommetje maakt, neem ik een foto van Gert Boel. “Nu heb ik een stukje van je ziel gepikt”, deel ik mee.

“Mag ik dan een slokje van je bier pikken?”, vraagt Gert.

“Dat mag je.”

Gert neemt een slok van m’n pintje. Het smaakt hem. “Maar toch is dit eigenlijk een slechte deal. Ik ben wel mijn ziel kwijt.”

“Maak je geen zorgen: je ziel is niet weg. Ik bewaar haar slechts.”

“Dat is geen geruststelling”, beseft Gert maar al te goed.

Deemoedig

Gert wendt zich af om zijn verdere lot te overdenken, zodat ikzelf even met Bert Cambier kan babbelen. Die heeft echter geen tijd voor een gesprek.

“Ik ga een beetje wandelen op zoek naar frisse lucht”, zucht Bert. “In Gent is de lucht op.”

“Ik hoop dat je bedoelt ‘op de Vlasmarkt’, want anders zul je nog een heel eind moeten wandelen eer je weer wat lucht vindt”, corrigeer ik.

Bert aanvaardt deemoedig dat ik gelijk heb, en verdwijnt van het toneel. Ondertussen zie ik hoe een dronken feestvierder zijn jas besmeurt met plezante koffie.

“De Irish coffee zit deze heer als gegoten”, noteer ik in mijn boekje. Van sommige oneliners ben ik ‘s ochtends best tevreden.

Verspilling

Tom Lievens drinkt een laatste pintje. 'Ik ben de knuffelbeer van de Vlasmarkt. Zo aaibaar als ik loopt niemand nog rond op dit uur en deze plek.'

Ik geraak aan de praat met Philippe, een Russische ober die ondertussen al zeer vlot meekan in het Nederlands. Philippe ergert zich aan de vele urinoirs op straat.

“Maar je kunt toch niet verwachten dat mensen het leuk vinden dat er elke dag tegen hun gevel gepist wordt?”, werp ik op.

“Neen, maar nu verdwijnt de urine in de riool. Dat is verspilling.”

“Waarom?”

“Het zou beter zijn dat mensen tegen een boom of een struik plassen. In urine zit er informatie en planten kunnen die analyseren. Zo geeft de mens een stuk van zichzelf door aan de natuur.”

“Dat is interessant. En wat geeft de natuur terug?”

“In de natuur wordt er altijd veel gegeven. Kijk naar eekhoorns. Die verzamelen maar noten en noten, en de helft vinden ze in de winter niet meer terug. Dat is goed voor het bos.”

“Je zou ook kunnen zeggen dat eekhoorns 50 procent belasting betalen om in het bos te mogen wonen.”

Philippe is het daar niet volledig mee eens. Als de dieren belast worden, dan is het door de mens. “Alle dieren werken voor de mens”, zegt hij. “We moeten dieren daarom respecteren. Maar het enige wat dieren van de mens krijgen, is pijn.”

Dikke zever

Nietsontziende feestvierders enteren de vrachtwagen van drankgroothandel De Wilde. Cafébazen richten in paniek een posse op, terwijl de nachtwinkels in hun vuistje lachen.

“Mensen doen elkaar ook pijn”, stel ik enkele minuten later vast terwijl er een gevecht uitbreekt aan café L’enfant terrible. De flikken komen snel tussenbeide om de gemoederen te bedaren.

“Ze zouden de duels van vroeger weer moeten invoeren”, oppert Philippe. “Dat was een veel beter systeem. Tweehonderd jaar geleden was er veel minder misdaad doordat alle grote conflicten opgelost werden met een duel.”

“Dat is dikke zever, Philippe. Misschien dat 10 procent van de bevolking toen meedeed aan stijlvolle duels, de rest lag in de modder te worstelen en te sterven.”

“Neen, dat is niet waar. In de tijd van duels was alles beter. Zo vermeed je gevechten tussen mensen.”

“Tussen mensen die aan de top van de maatschappij stonden, misschien. Maar verder werd er ook toen al aardig wat gevochten door de boerse klassen.”

Philippe wijst naar de dronkelappen die op het terras zitten. “Wil je zeggen dat die mensen hier ook allemaal boers zijn?”

“Wie zichzelf niet kan beheersen en voor het minste op de vuist gaat, mag gerust boers genoemd worden. Er is maar één duel dat de mens moet aangaan, en dat is het duel met zichzelf. Slechts degenen die die confrontatie overleven, mogen zichzelf burger van de maatschappij noemen.”

Philippe hoort allang niet meer wat ik allemaal aan het zeggen ben. Daarvoor zal ik hem niet op het aangezicht slaan. Ik ben een burger van de maatschappij. Gedurende vele nachten op de Gentse Feesten heb ik het duel met mezelf gewonnen. Dat zal ik altijd blijven doen.


Flattr this

Nachtbrakers hebben een bloempot gebroken. Veel potten zullen deze heren in hun verdere leven allicht niet meer breken.

Yves Marquillie kan niet verbergen dat hij op Batakamp is geweest. 'Daarnet is een sfeerbeheerder me al komen vragen om het plein te verlaten', glimlacht de stuurse feestvierder.

Een priemend beeld van Boris. 'Zo zien de lezers dat ik zelfs 's morgens op de Vlasmarkt nog scherp en gefocust ben.'

Een meisje met fiets is verdwaald op de Vlasmarkt. 'Ik had eerlijk gezegd verwacht dat alle zatlappen op dit uur al naar huis zouden zijn', zucht ze.

Zodra hij de ruimte krijgt, laat Boris zich graag verleiden tot exotische danspasjes.

Het Botramkot is uitverkocht. 'De uufflakke is op en de mostaardfabriek kan de vraag niet meer bijhouden', stamelt de uitbater verbaasd.

Rogier zoekt dekking om voorbij zoevende vuistslagen en bekertjes bier te vermijden op het terras van L'enfant terrible.

Gezond

26 juli 2010

Op de Gentse Feesten krijgt je stofwisseling het zwaar te verduren. Ook na acht nachten is het raadzaam dat je een evenwichtig dieet respecteert. Je begint de dag het best met een ricard om te eindigen met enkele croissants en een pintje. Zo blijven we fris tot op het bittere einde.

Als het te druk wordt, kunnen de flikken in een hoogtewerker kruipen. Zo vermijden zij al te innig contact met het smerige volk.

Dit is weer zo’n ellendige zondagochtend. Veel te veel mensen die beter naar de rommelmarkt of de warme bakker zouden gaan, lopen tegen elkaar op de Vlasmarkt. Ikzelf bots op volkszanger Jan Vandecasteele. Jan trekt een pijnlijke grimas.

“Wat scheelt er?”, vraag ik bezorgd.

“De Vlasmarkt is dodelijk voor mensen met spataders”, zegt Jan, die nochtans geen ouwe zak is. “Ik heb daar al enkele jaren last van. Uit elk van mijn benen zijn er reeds spataders gehaald”

“Heb je dan erge pijn, nu?”

“Als ik te lang stilsta, krijg ik een zwaar gevoel in m’n benen. Daarnaast heb ik ook last van een hernia en een dubbele scoleose.”

“Ik lijd met je mee. Zal ik iets halen om te drinken? Kwestie van het leed te verzachten.”

“Een pintje zou me goed doen.”

“Komt in orde.”

Prettige verschijning

Bart bewondert de hoogtewerker van de flikken. 'Amai, zeg, daar valt mijn mond nogal van open', stelt de brave man vast.

Gedwee onderga ik de vernedering vijf minuten te moeten wachten eer ik kan bestellen aan de toog van de Kinky Star. Als ik terugkom met bier en ricard – een vast ochtendritueel om m’n spijsverteringsstelsel te plezieren – ontmoet ik Bart , een oud-collega. Het is dit jaar de eerste keer dat hij zich laat zien op de Gentse Feesten, en het zal ook de laatste keer zijn.

“Dag Bart. Als ik geweten had dat jij hier ook was, had ik nog een pintje meegebracht”, veins ik.

“Dat is vriendelijk, maar ik ben stilaan aan het afronden”, zegt Bart. “Ik moet nog terug naar Brussel en ik hoop dat de marechaussee zich gedeisd houdt.”

“In dat geval scheiden onze wegen en knoop ik nu een gesprek aan met Jasmin Jebelli.”

“Ik kan je geen ongelijk geven”, mompelt Bart goedkeurend. Jasmin is immers een prettige verschijning. Zij is de zus van mijn maat Nima en over integratie heeft niemand haar iets wijs te maken.

Nima Jebelli wijst zijn zus Jasmin op goed gedrag en zeden. 'Zeg, hou je tong in je mond! Je bezoedelt de eer van onze familie!'

“Voor allochtonen zien jullie er allebei zeer cool uit”, geef ik broer en zus een hartelijk compliment.

“Nima is op latere leeftijd cool geworden dankzij mij”, weet Jasmin. “Ik was zijn voorbeeld.”

“Hij is toch de oudste van jullie beiden? Wat had jij hem te leren?”, vraag ik.

“Ik ben mezelf. Nima was een strever.”

“Misschien wou hij té geïntegreerd zijn?”, suggereer ik.

“Hij wou vooral te populair zijn. Maar dat lukte niet”, verklaart Jasmin. “Ondertussen is hij wel een mooie man geworden. Bekijk nu toch eens zijn baard!”

Nima staat zich een beetje te generen. “Zeg, zus, ga naar huis, dit is míjn stad”, reageert de ingeweken Kortrijkzaan.

Jasmin haalt nonchalant haar schouders op. “Ik ben tenminste de Jebelli met geld”, knipoogt ze.

Verbazing

Verpleegkundigen moeten meermaals uitrukken, onder andere om kapotte knieën op te lappen. Mensen dragen immers weinig zorg voor zichzelf als ze te veel gezopen hebben.

Terwijl wij ons allen gezellig staan te bezatten ligt iemand al verdacht lang buiten bewustzijn in de goot, tussen het andere afval van deze decadente maatschappij. Omdat ik me een goed burger wil tonen, stap ik naar een flik.

“Goedemorgen, mijnheer de agent. Is het jullie al opgevallen dat daar iemand in de goot ligt?”, vraag ik.

“O, maar die mens ligt daar goed”, stelt de agent me gerust. “Hij is heel gezond. Een beetje aan ‘t slapen, da’s alles.”

“Oké”, antwoord ik met oprechte verbazing, vastberaden me nooit meer een goed burger te tonen, zeker niet in het bijzijn van flikken.

Tien minuten later staat er wel een ambulance. Enkele verpleegkundigen brengen de jongeman bij bewustzijn, waarop die overeind krabbelt en uiteindelijk zonder veel omhaal wegwandelt, waarschijnlijk om zich elders neder te vlijen in een goot of een greppel.

Aanrander

Journalist Wouter A. heeft nog geen vuistslag mogen incasseren. 'Ik ben een man van het woord. Maar als ik te snel praat, bijt ik wel al eens op mijn tong. Dat is evenmin een pretje.'

Ook aan de andere kant van de Vlasmarkt, aan het Botramkot, ligt er een manspersoon tegen de vlakte. Ook rond hem staan enkele verpleegkundigen en sfeerbeheerders. Ook hij krabbelt uiteindelijk overeind om mooi níét in een ambulance te kruipen.

“Wat is er gebeurd?”, vraag ik. “Je hebt nogal een wonde aan je hoofd.”

“Och, niets ergs, een beetje uitgegleden”, minimaliseert de jongeman terwijl hij een broodje binnenwerkt.

“Als het dat maar is. Santé”, zeg ik.

Opeens komt er een sfeerbeheerder bij ons staan. “Je aanrander staat hier opnieuw. Het is de grootste beer van de Vlasmarkt en hij is nog zeer agressief”, zegt de sfeerbeheerder tegen de ontbijtende jongeling. “Ga alsjeblief weg, wij kunnen hem niet onder controle houden.”

“Ah, dus deze mijnheer is dan toch niet zomaar uitgegleden. Wat is er dan wel gebeurd?”, wil ik weten.

“Hij heeft de vriendin van zijn agressor in de poep genepen en op de mond gekust”, vertelt de sfeerbeheerder.

“Dan kun je al eens op je muil krijgen”, besef ik.

“Inderdaad”, bevestigt de sfeerbeheerder kordaat.

“Bon, ik ben dan maar eens naar huis, zeker”, besluit de gewonde jongeman. Tegen het advies van de sfeerbeheerder in wandelt hij richting Sint-Jacobs, waarbij hij rakelings langs zijn aanrander passeert. Ik volg op enkele meters afstand om eventueel heroïsch tussenbeide te komen of toch op zijn minst een foto te nemen. Maar er gebeurt niets.

Warm hart

Op het terras van L'enfant terrible wordt duidelijk dat de baard van Bert Cambier stilaan aan het uitrafelen is.

Omdat ik in mijn hoofd al afscheid genomen heb van de Vlasmarkt, wandel ik verder naar L’enfant terrible. Daar tref ik Matthias Stevens aan. Matthias is een nette jongen, maar hij voelt zich niet te proper voor de Gentse Feesten.

“Wat jij doet, is niet fair”, verwijt hij me meteen. “Je ligt gewoon elke nacht in je bed tot vier uur. Niet moeilijk dat je er nog altijd zo fris uitziet.”

“Pff, vóór vier uur ‘s ochtends is er toch niets te beleven op de Gentse Feesten”, repliceer ik.

“Dat is waar”, geeft Matthias toe. “Ik zit dan eigenlijk ook maar te wachten in het Baudelopark. Pas één uur voor de zon opkomt, vertrek ik naar de Vlasmarkt.”

Toch blijft Matthias de Gentse Feesten een warm hart toedragen. “Het is de max dat zelfs de bakkers meedoen”, looft hij de midddenstand. “Je kunt hier een beetje verder rustig twee croissants en een pintje bestellen zonder dat mensen je vreemd aankijken.”

“Een gezond ontbijt blijft belangrijk”, beaam ik. Daarzonder zouden we allemaal sterven, bloedend uit al onze lichaamsopeningen in een smerige goot.


Flattr this

Journalist Wouter is inventief. 'Voor een leeg glas Irish coffee krijg je één euro. Als je een beetje spaart, kun je algauw een hamburger of frieten kopen. Dat is profijtig.'

Deze Nele is 'very flash'. Als de Vlasmarkt vol vrouwen als haar zou rondlopen, zou de benaming 'Flashmarkt' eindelijk zin hebben.

Opzichtig staat Bart De Backer een sigaret te rollen. 'Zo hoop ik mijn imago van coole kerel te versterken.' We wensen hem alvast veel succes.

Blanke hiphopneger Brecht Decaestecker probeert Nima Jebelli te overtuigen van het nut van zijn partij 'Hent West-Vlaams'. 'Jongen toch, ik ben Kortrijk niet ontvlucht om opnieuw in een dictatuur van boeren te belanden!', sakkert Nima.

Om van de slechte gewoonte van het neuspeuteren af te geraken liet een jongeman zijn oor perforeren. 'Dat is een iets properder gat om in te pulken', legt hij uit.

Bart drinkt een coffee zonder Irish. 'Ik moet niet overdrijven. Als de flikken me straks tegenhouden, zal ik al blij zijn dat ze me niet opsluiten wegens mijn West-Vlaams accent.'

Kwaadaardig loenst een feestvierder naar de lens. 'Geef mij een slokje bier of ik knaag uw oren af', piept hij.

Sebbe van de Kinky Star wordt zot van het gezaag van de mensen. 'Kruip allemaal in jullie bed en laat mij met rust!', brult de man op de rand van een zenuwinzinking.

Terwijl alleman in dolle paniek op zoek is naar drank en sigaretten, eet David Van Belleghem rustig een broodje.

Plechtig knielt een sfeerbeheerder voor de laatste ricard van de ochtend. 'We moeten respect betonen voor hetgeen ons verbindt.'

De sfeerbeheerder die iedere ochtend bijkans ontvoerd wordt, moest het zojuist alweer op een lopen zetten. 'Mensen denken dat ik een mascotte ben of zo.'

Van pure honger probeert een feestvierder een vinger van een agente af te bijten. Toch mee opletten, hoor. Je weet niet waar zo'n vinger allemaal gezeten heeft.

Het gat

25 juli 2010

De Feesten zijn nog altijd niet ten einde. Het voorbije weekend lokte een massa volk. Voor het Botramkot staat vrijdag 23 juli geboekstaafd als de ergste avond ooit. Een theorie luidt dat dat te maken heeft met de diaspora van de oude Duveltent.

“Hebt u witte sokken aan?”, vraagt een man op strenge toon.

“Jazeker”, lieg ik.

“Ik kan ze niet zien.”

“Ze zitten in mijn botten.”

“Kunt u uw sokken dan niet over uw broekspijpen trekken?”

“Natuurlijk kan ik dat, maar veel avance zal dat niet hebben, want mijn sokken zijn kort en mijn botten hoog.”

“Dan zult u een andere oplossing moeten verzinnen”, zegt de man onvermurwbaar. “Zonder witte sokken komt u er niet in.”

Luizen

De oplossing bestaat erin dat ik voor 50 eurocent een paar witte kousen koop en ze over mijn cowboybotten trek. Het lijkt alsof ik op omzwachtelde voeten wandel. Het oogt nogal schaamtelijk, maar op Batakamp loopt iederéén er nogal schaamtelijk bij.

Yves Marquillie met dreads. Die essentiële lichaamsdelen zullen even later operatief verwijderd worden.

Het is voor het eerst in mijn leven dat ik me onderdompel in de geflipte wereld van Bataclan. De reden: ik wil zien hoe Yves Marquillie verlost wordt van zijn dreadlocks. Zijn langste dread meet 1,20 meter. “Ik heb hier dertien jaar voor gespaard”, zegt Yves niet zonder trots. “Ik ben er  altijd content over geweest. Je moet daar nauwelijks moeite in steken. Ja, drie keer heb ik luizen gehad, maar dat is een bewijs van gezond haar. Ik raad iedereen dreadlocks aan.”

Ontsmettingsmidddel

Waarom laat Yves zijn samengeklitte haar dan knippen? “Dreadlocks zitten in de weg bij het surfen”, verklaren zijn vrienden. “Je moet je omhoog kunnen drukken op je surfplank, en Yves stond al te vaak met zijn handen op zijn eigen haar.”

Vlak voor de operatie wordt Yves geïsoleerd. Grote rode handen aan lange stokken wijzen het gevaar voor de gemeenschap aan. De ‘dreadlock’ wordt besproeid met ontsmettingsmiddel en op een hoge stoel geduwd. Het knippen kan beginnen en nauwelijks tien minuten later staat de ex-dreadlock weer op de begane grond. Zal Yves nu definitief kortgeknipt door het leven gaan? “Waarschijnlijk laat ik mijn dreads wel weer groeien”, monkelt de boomlange West-Vlaming.

Nuance

Luc De Vos kijkt argwanend als zijn vrouw Sandra het aanlegt met theatermaker Arne Sierens. 'Moet ik nu echt wéér mijn fluit bovenhalen om een beetje aandacht te krijgen?', denkt Luc somber.

Mijn verwachting dat hele zwermen ongedierte Yves’ gehavende kapsel zouden verlaten op zoek naar een veiliger oord, werd niet bewaarheid. Maar ik ben blij dat ik Batakamp eindelijk meegemaakt heb. Het is er veel rustiger dan op de Vlasmarkt, waar ik vele uren later veel te nuchter toestuik. Zelfs ter hoogte van de Kinky Star, meestal een oase van rust, is het drummen geblazen.

Ook Fabian Lefevere, een politiek journalist die gevreesd wordt wegens zijn zin voor nuance, heeft er last van. “Ik ben tegen de Gentse Feesten”, zucht Fabian als er weer een zatlap tegen hem botst. “Vijf dagen volstaan, en om middernacht moet iedereen naar huis.”

Ochtenderectie

Nima Jebelli, een Gentenaar van Kortrijkzaanse komaf, wordt evenmin vrolijk van de drukte. “Ik sta hier met een ochtendhumeur op de Vlasmarkt”, bromt Nima.

“En ik met een ochtenderectie”, grijnst zijn buddy Bart De Backer.

Om mijn vrouwelijke lezers niet weg te jagen sla ik een praatje met Petra.

“Dag Petra, hoe gaat het?”, vraag ik met mijn balpen en notitieboekje in de aanslag.

“Goed, ik ben verhuisd naar Antwerpen.”

“Naar Antwerpen? Wat had je dáár verloren?”, reageer ik verbaasd.

“Ik heb er een leuk appartement gevonden dat in Gent onbetaalbaar is. Ik woon nu ook in een leuke buurt”, antwoordt Petra naar klaarblijkelijke waarheid.

“Je hebt je dus verbeterd?”

“Ja, inderdaad.”

“Zelf zou ik niet kunnen wonen in een stad vol Antwerpenaars”, beken ik.

“O, maar ik heb weinig contact met Antwerpenaars. En wees gerust: nooit zal ik mij het Antwerpse accent eigen maken. Dat is simpelweg veel te lelijk.”

“Keer je ooit nog terug naar Gent?”

“Goh, ja, ik denk het wel. Over een jaar of twee.”

Evangelisten

Swa Van Damme, een Antwerpse Gentenaar, drinkt geen Duvel, wel Chimay. Uit het flesje is dat niet echt stijlvol, maar toch behoort Swa tot het typische Vlasmarktras.

Ik bedank Petra voor haar bijdrage en wend me tot collega-journalist Jan Herregods. Jan staat bekend om een analytisch vermogen dat ook ‘s ochtends op de Vlasmarkt niet aan trefzekerheid inboet.

“Zeg eens, Jan, hoe zit dat hier met die drukte van afgelopen nacht?”

“Het is niet alleen de drukte, er is ook meer agressie dan vorig jaar”, merkt Jan op.

“Hoe komt dat?”

“Het verdwijnen van de Duveltent heeft een gat gelaten. In de Duveltent die nu op het Braunplein staat, wordt heel andere muziek gespeeld. Het oude publiek lust dat niet. Sommigen zijn onder een vuilnisbak verdwenen, maar de meesten belanden op de Vlasmarkt.

“Passen die mensen hier dan niet?”

“Neen. De flikken moesten al meermaals brandjes blussen, en dat is uitzonderlijk. Wat ook meespeelt, is dat er deze ochtend geen evangelisten op pad waren. Die jongens brengen er de sfeer wel in.”

Opengeslagen

Schalkse West-Vlamingen zijn niet per se agressief, maar hun schalksheid lijkt soms eerder thuis te horen onder de Duveltent.

Om Jans analyse te staven ga ik op zoek naar drinkebroers die je veeleer in de Duveltent dan op de Vlasmarkt zou verwachten. Alras vind ik er één die ik maar beter in de anonimiteit houd.

“Dag jongeman, wat heb jij vannacht zoal gedronken?”

“Zeven choufkes, zeven pinten en één wodka-redbull.”

“Dat is een niet onaardige hoeveelheid. Verwacht je morgen een kater?”

“Neen, een kater zal ik niet hebben. Wel een kleffe bek.”

“Wat valt jou op aan de Gentse Feesten?”

“Dat je er zeer gemakkelijk vaten bier kunt rippen.”

“Rippen zoals in diefstal?”

“Inderdaad. Vorig jaar hebben we twee vaten gestolen, dit jaar al één. Telkens als we met onze bende ergens toekomen, scouten we de area om te kijken of er iets te rapen valt.”

“Wat doen jullie dan met die vaten? Daar ga je toch niet zomaar pintjes van tappen?”

“Het eerste vat was een vat Chouffe. We hebben dat bij een maat op kot opengeslagen met een hamer.”

“Dat lijkt me geen doordacht plan.”

“Dat beseffen we ondertussen ook. Het vat spoot open en de hele ruimte zat onder het schuim. Maar daarna konden we het resterende bier wel in bekers gieten. Met het tweede vat zijn we naar een café gestapt. Dat bleek een elegantere oplossing.”

Ergste avond

Van het Botramkot is Nicolas Marichal het gezicht. Dat gezicht oogt niet vrolijk. 'We hebben de hele tijd moeten werken vannacht. Dat is niet de bedoeling.'

Voor zijn openhartige getuigenis bedank ik de West-Vlaamse jongeman. Enkele meters verder zie ik Nicolas Marichal van het Botramkot op zijn fiets kruipen. Ik vraag me af of ook hij gewaargeworden is dat er een ander publiek rondhangt op de Vlasmarkt.

“Dag Nicolas, goeiemorgen.”

“Ook een goeiemorgen.”

“Leuke nacht gehad?”

“Neen. Vrijdag 23 juli was de ergste avond uit de geschiedenis van het Botramkot.”

“Hoezo?”

“We hebben de hele nacht moeten werken, en dat is echt niet de bedoeling. Ondertussen stonden er voortdurend mensen tegen ons kot te schoppen en te kloppen, zodat er zelfs een mooi lampje op de vloer kapot gevallen is. Maar het opvallendst was alweer dat er véél te véél mensen uit de Denderstreek rondliepen op de Vlasmarkt.”

“Er doet een theorie de ronde dat de bezoekers van de oude Duveltent nu naar hier komen.”

“Ja, dat zijn kolonisatoren. Zij stichten overal nederzettingen. Daarbij zijn het geroutineerde weekenduitgaanders. Je komt ze vooral tegen op 20 juli en tijdens het tweede weekend van de Gentse Feesten.”

“Morgen wordt dus ook lastig?”

“Ik vrees van wel”, zucht Nicolas, die op zijn fiets kruipt en de zon tegemoet rijdt.

Omzwachteld

Ik sta wat rond me heen te kijken en zie een driekoppig gezinnetje rondlopen tussen het afval van de Vlasmarkt. Het kind, een jongen van een jaar of acht, houdt zijn neus stevig dichtgeknepen tegen de stank. Dat wordt later zeker een socialist.

Op blote voeten doorkruist Tim Vanackere het Vlaamse land. 'Als ik kousen nodig heb, ga ik wel eens langs bij Batakamp', luidt zijn originele levensmotto.

Op de Vlasmarkt is het gedaan, het meeste volk is weg. Maar aan café L’enfant terrible is er ongetwijfeld weer een afterparty. Onderweg naar daar valt mij een man op blote voeten op. Zijn rechtervoet is omzwachteld.

“Hallo”, groet ik hem. “Wie bent u en wat doet u hier?”

“Ik ben Tim Vanackere, 36 jaar, en sinds 15 mei doorkruis ik Vlaanderen op mijn blote voeten.”

“Waarom doet u dat?”

“Zo wil ik aandacht vragen voor de problemen van kansarmen en daklozen.”

“U hebt een verband rond uw rechtervoet.”

“Daar loop ik sinds gisteren mee rond.”

“Wat is er gebeurd?”

“Op de Gentse Feesten ben ik op een glasscherf getrapt.”

“Is dat uw eerste wonde?”

“Ja.”

“Sinds 15 mei?”

“Inderdaad.”

“Welkom in Gent”, grijns ik. “Los daarvan: hebt u eventueel nog een boodschap voor mijn lezers?”

“Je bent wie je bent, dus je leeft.”

Met zijn stalen wilskracht zet Nima Jebelli het aardmagnetisme naar zijn handen. 'Mijn ochtendhumeur is een wapen voor massadestructieve doeleinden.'

Ik wil vragen of dat ook geldt voor mensen uit de Denderstreek, maar mijn maat Nima heeft eveneens een boodschap voor de mensheid: ”Breydelspek is zo halal als een bloedend rund.”

“Daar krijg ik verdorie honger van, Nima. Laat ons het gat in onze maag vullen met een croque-monsieur van de Simon Says.”

“Dat is een goed idee”, oordeelt Nima. Het is ‘m geraden.


Flattr this

De haarslierten van Yves Marquillie worden gekortwiekt op Batakamp. 'Het zal nu weer járen duren om evenveel ongedierte in mijn haar te kweken.'

Wie zonder baard door het leven gaat, wordt al snel verdacht van Denderstreekse roots. Baardgroei is dan weer een grootstedelijke verworvenheid.

De tien geboden verdienen een elfde amendement: gij zult geen dwaze dingen op uw kop zetten.

Drie jongens uit de provincie richten op de Vlasmarkt een boysband op. Hun publiek zal vooral bestaan uit bejaarde homoseksuelen en slecht bebrilde tienermeisjes.

Joris van de Charlatan is een soort Hulk die bij het eerste zonlicht uit zijn kleren barst.

Deze twee jonge mensen zouden nergens anders passen dan op de Vlasmarkt. Let op de baardgroei en de Carapils.

Een meubelstuk van de Kinky Star steekt zijn hoofd buiten de tent. 'Ik kom pas naar buiten als Ivago al het vreemde volk heeft opgekuist!', waarschuwt deze man met smetvrees.

Op simpel verzoek poseert Gert Boel, een kerel van wie veel verwacht wordt, hoe een Denderstrekenaar op de Vlasmarkt vertoeft.

De wimpers van Cédric Meiresonne zijn verbrand. Zijn vrienden moeten duidelijk nog sigaretten leren opsteken als echte mannen.

Nima Jebelli krijgt geen woedend schuim op de lippen van een ferm decolleté. 'Mijn gestage integratie in het Westen heeft mij dat leren aanvaarden.'

Schaamblaas

23 juli 2010

We leven nog allemaal. Na zes nachten Gentse Feesten is er nog niemand afgevoerd met het syndroom van fataliteit. Er zijn wel al klappen gevallen. Maar de grootste klap kwam van boven. God kwam zich even moeien met het vrolijke volksfestijn.

Deze man zal zijn rug nooit meer wassen. Een Spaanse schone gebruikte zijn vel als canvas om te schetsen hoe haar land eruit ziet.

Zolang ik geen fictie schrijf, heb ik personages nodig van vlees en bloed. En op de Vlasmarkt komen de mensen niet tot leven vóór de ochtend zich genesteld heeft boven de daken. Het is voor mij altijd wachten, wachten, wachten.

Vreugde

“Eigenlijk begint het echte feest hier maar om acht uur ‘s morgens. Pas als de muziek afgezet wordt en er geen druppel alcohol meer te krijgen is, ontstaat de magische sfeer die de Vlasmarkt kenmerkt. Dan pas begint iedereen met iedereen te converseren”, leg ik uit aan Maud en Ken. De twee zijn vanuit het verre Leuven naar Gent afgezakt. Het is de eerste keer in hun leven dat zij de zon zullen zien opkomen boven de Vlasmarkt.

“Veel zon zal er wel niet te zien zijn”, wijst Maud op de wolken die boven ons hoofd hangen.

“Ach, wolken en regen zullen de vreugde niet breken”, stel ik haar gerust.

Egoïstische nacht

Terwijl de ochtend het hemelfirmament stap voor stap verovert, merkt Maud al dat totale onbekenden haar zomaar aanspreken. Niet eens om naar haar hand te vragen, gewoon om enkele woorden te wisselen en dan weer in de massa te verdwijnen.

Een kale Kempenaar die zijn levenseinde ziet naderen, probeert de mensheid op te vrolijken. In zijn bijzijn moet er gelachen worden.

“Ik heb nog maar een paar jaar te leven”, komt een kale Kempenaar vertellen. “Mijn doel is om de mensen weer te doen lachen. De tijd tussen onze geboorte en onze dood is zo kort dat je je beter amuseert in plaats van je energie ergens anders mee te verspillen.”

Ook Joël Lallemant komt ons even vergezellen. Hij is niet gelukkig. “Vanavond is zeer Vlaams. Niemand is bereid zich kenbaar te maken of conversaties aan te gaan”, beweert Joël, die van geboorte een Waal is. “Er wordt te weinig gedeeld.”

“Is het dan werkelijk zo’n egoïstische nacht?”, vraag ik bezorgd.

“Egoïstisch is misschien niet het juiste woord”, zegt Joël. “De sfeer is gewoon anders dan vroeger. Het is precies een afterparty van de Duveltent. De muziek is niet meer origineel. Zet Q-Music op en je hoort net hetzelfde. Je kunt hier niet meer zweven.”

“Waarom kom je hier dan nog?”, vraag ik nieuwsgierig.

Joël zucht. “Om mij te laten gaan.”

Snorrenindustrie

Emilie De Roo wil Yves Marquillies dreadlocks recycleren als snor. 'Zo'n snor geeft een dame toch net dat ietsje meer', weet Emilie.

Ook Yves Marquillie zal zich laten gaan. Enfin, toch voor een stukje. Zijn bovenmenselijk lange dreadlocks gaan er later op de dag af, dat alles in het prettige gestoorde kader van Batakamp. Heel wat meisjes wel nog een laatste keer met Yves’ blonde slierten op de foto.

Eén van hen is Emilie De Roo. Emilie is een trendsetter. Ze heeft meteen in de mot dat Yves’ rasta’s van goudwaarde zijn voor de snorrenindustrie.

Chaperon

Maar ook op een ander vlak is zij een voorbeeld voor haar geslachtsgenotes: glunderend haalt ze een plastuit te voorschijn. “Een plastuit is de max”, promoot ze het stuk plastiek. “Mijn vriendinnen gebruiken het en ik hoop dat volgend jaar alle vrouwen ermee rondlopen.”

“Wat is er zo machtig aan?”, wil ik weten.

“Wel, als vrouw is het een geheel nieuwe ervaring om rechtstaand te pissen zonder dat het in je broek is. Zo’n plastuit is overigens volledig aangepast aan de vorm van de vulva. Voor vijf euro heb je er al één.”

“Is het niet wat vreemd om je tussen de mannen te stellen plassen?”

Emilie kijkt opeens bedeesd. “Ik heb een schaamblaas”, bekent ze. “Ik kan niet pissen als iedereen erop staat te kijken.” Met een jongeman die chaperon speelt, holt ze als de bliksem naar het verst mogelijke urinoir.

Agressief

Feestvierders proberen een sfeerbeheerder mee naar huis te pakken als souvenir. Gelukkig komt een collega hem ontzetten.

Ikzelf ben een luiaard die al sakkert op de tien meter die hij moet wandelen naar het dichtstbijzijnde pissijn. Daar kom ik Bert Cambier tegen. Bert leende z’n baard enkele dagen geleden voor een leuke foto. De vorige ochtend heeft die baard zijn leven gered.

“Ik heb gisteren een vuistslag gehad”, getuigt Bert terwijl hij over zijn kaak wrijft. “Ik voel het nog altijd. Het is zo snel gebeurd dat ik zelfs niet gezien heb van wie de slag kwam.”

“Oei, dan zijn er toch nog een paar agressieve provincialen blijven hangen”, merk ik op.

“Het zijn niet alleen provincialen die agressief zijn”, zucht Bert. “Eén van mijn maten is zelf een gevecht begonnen. Hij is door de flikken afgevoerd naar het gevang. Ze moesten hem met vier agenten in bedwang houden, en nog lukte dat eigenlijk niet.”

“God zal over hem oordelen”, stel ik Bert gerust. “Zoals Hij over ons allen een oordeel vellen zal.”

Inventiviteit

Iedereen is door de regen in mum van tijd nat tot op zijn gat. Al valt dat bij sommigen net iets meer op.

Enkele minuten later weten we wat Gods beslissing is: naar de hel met ons. Een ongehoord luide donderklap breekt door de wolken, en het begint te gieten dat het niet mooi meer is. De mensen op de Vlasmarkt barsten los in tribaal gejuich, maar zoeken toch snel onderdak als de regen blijft aanhouden.

In een flits van inventiviteit – wie doet me dat na zo vroeg op de ochtend – neem ik een plank en ga er met enkele anderen onder schuilen. De sfeer is nat, maar vrolijk. Geroutineerde feestvarkens spoel je niet zonder slag of stoot in de goot.

“God daalt neder over ons in de vorm van regen”, zeg ik tegen mijn gezelschap. “Als er één iets is wat wij nu allen delen, is het zijn water.”

Er is ook een andere visie op dezelfde feiten. “Jezus staat ons onder te zeiken”, zegt iemand met een boze blik naar de hemel. Een schaamblaas heeft de Mensenzoon inderdaad niet.


Flattr this

Nicolas Marichal van het Botramkot blijft zich ergeren aan West-Vlamingen. 'Wanneer gaan die pipo's nu eens leren dat het 'uufflakke' is en niet 'gwuvvlokke'? Ik ben het beu!'

De dj-toren gaat in vlammen op. Honderden vips komen om in het inferno. Gerald, baas van de Charlatan, is tevreden. 'Dit smaakt naar meer. Volgend jaar zetten we de héle Vlasmarkt in de fik!'

Blinkende schilfers dwarrelen als futuristische sneeuw neer over het volk. Straks zal een ouderwetse regenbui bewijzen dat de real stuff veel meer effect heeft.

Deze jongeman zal zijn sleutels nooit kwijt geraken. Tenzij zijn oor op gruwelijke wijze afscheurt en in het riool valt.

Joëlle Lallemant is gedegouteerd van de Vlasmarkt. 'Bah, het ruikt hier verschrikkelijk Vlaams', snuffelt hij.

Maud en Ken drinken hun allereerste Irish coffee ooit op de Vlasmarkt. De twee zullen er tegen hun respectievelijke kleinkinderen nog vele wonderlijke verhalen over vertellen.

Yves Marquillies dreadlocks zijn zo lang dat hij er bang van wordt. 'Ik ga die dingen laten afknippen voor ze een eigen leven gaan leiden', fluistert hij met schrikogen.

Dit meisje test al één van Yves' dreads uit als snor. 'Het prikkelt een beetje. Is dat van de haartjes of de beestjes?', vraagt ze plagend.

Ook Maud probeert enkele dreads van Yves. Het experiment bevalt haar, maar om assortie te zijn vraagt ze wel nog een kleurspoeling.

Bart 'Freddy De Vadder' Vanneste is zijn plaksnorren beu. Voortaan laat hij een echte knevel staan. 'Maar het schiet niet erg op. Veel bijknipwerk heb ik niet', treurt hij.

Een meisje twijfelt over de aankoop van een snor. 'Vergt dat veel onderhoud? En hoeveel jaar garantie krijg ik?'

Een jongeman met een asymmetrische snor ontlokt de toorn Gods. 'Zo heb ik u niet geschapen', dondert de God van het christendom.

Een koppel eist om doorweekt gefotografeerd te worden. Een longontsteking zal hen de komende weken aan bed kluisteren en hun relatie nog inniger maken.

Een jongeman likt de regen van zijn vriend. Hopelijk is die nog niet nat tot op zijn gat.

Yves Marquillie en twee lotgenoten schuilen onder het schamel afdakje van het hamburgerkot. 'De vleesindustrie redt ons andermaal uit de nood.'

Emilie De Roo is blij dat ze mee onder de plank mag. 'Doorregend staan schuilen onder een mottig stuk pershout schept een band', weet zij.

Personages

22 juli 2010

Na vijf nachten Gentse Feesten ben je kapot, zelfs als je niet elke dag op de Vlasmarkt staat. Maar we moeten erdoor. We moeten onze demonen verdrinken en de grenzen van ons mens-zijn opzoeken. Ooit volgt er wel een catharsis. Ondertussen stapelt de waanzin zich op.

Ja, ik ben een parasiet. Hoeveel keer moet ik dat nu nog zeggen? Op uw meest onbewaakte momenten pik ik stukjes uit uw leven en voeder ze aan de massa in een omkadering die de mijne is. Zo wordt uw verhaal verspreid en raakt mijn naam bekend.

Te bekend.

Vorig jaar was ik nog incognito. Ach, daar is die ontslagen eindredacteur van De Morgen, wisten sommigen. Die jongen heeft niets beters te doen en plaatst uit armoe verslagjes over de Gentse Feesten op zijn website. Om hem een plezier te doen zullen we eens poseren voor de foto. Hij verdient daar toch niets mee, en wie leest die stomme blog anyway?

Geruisloos

Een jaar later. Mensen hebben mijn kop gezien in De Standaard. Vele feestvierders zijn – ik weet niet hoe – verzeild geraakt op mijn blog. Als ik op de Vlasmarkt mijn notitieboekje bovenhaal en mensen vragen mijn naam, dan moet ik maar “Tim” antwoorden en de ‘F.’ en al de rest rollen er vanzelf uit.

Dat is goed voor mijn ego, maar slecht voor mijn job. Zo kan ik niet werken. Ik moet me geruisloos onder de mensen kunnen begeven.

De mensen op de Vlasmarkt houden zich gedeisd. Maar zodra de Vlaspoppenworp begint, is het hek van de dam.

Toch sta ik boven het volk. Ik kijk erop neer. Reikhalzend proberen ze een glimp van me op te vangen. Ze wuiven om m’n aandacht te trekken: ‘Hier ben ik, zie mij staan.’

Sardonisch

De eerste vlaspop verdwijnt naar beneden. De massa begint te kolken. De jaarlijkse Vlaspoppenworp, telkens op de nationale feestdag van het Belgische rijk, zorgt voor meer animo dan het militaire defilé in Brussel. Samen met enkele andere bebaarde en/of besnorde Gentenaars sta ik helemaal bovenaan op de dj-toren van de Vlasmarkt popjes naar beneden te gooien. In enkele van die gevlochten vogelverschrikkers zit 20 euro verborgen.

Dit is wijs. Niet meer zo indrukwekkend als mijn allereerste keer, vijf jaar geleden, toen er een pak meer volk was, maar nog altijd spannend genoeg om even te vergeten dat ik slechts twee uur in mijn bed gelegen heb. Ik geniet van het woedende gehuil als iemand naast een popje grijpt. Ik kan niet anders dan sardonisch grijnzen als ik erin slaag om een popje netjes op een elektriciteitskabel te gooien, zodat het onbereikbaar boven de massa blijft hangen.

Gammel laddertje

Hij kan zijn geluk niet op, Gert Boel. Voor het eerst in zijn prille leven mag hij van op de dj-toren op de Vlasmarkt vlaspopjes naar het volk werpen. Daardoor vergeet hij even de dagdagelijkse ellende van zijn bestaan.

In mum van tijd zit de Vlaspoppenworp er weer op. Zoals de traditie het wil, tonen wij ten afscheid ons bloot gat aan het publiek, dat net als ons weer een jaar moet wachten op vijf minuten adrenaline. Het afkicken kan beginnen.

Via een gammel laddertje klauter ik naar beneden. Ik kom terecht op de verdieping waar de dj’s zelf staan en waar de vips rondhangen. Er geldt een zeer strikte dresscode: zonder snor geraak je er niet in. Zelfs de dames krijgen een stevige knevel op hun bovenlip geplakt.

Normale zatlappen

De schuld voor dat alles staat achter de draaitafels: Freddy De Vadder, het besnorde alter ego van komiek Bart Vanneste. Dit moet zijn avond worden. Ik hoop dat Bart zich amuseert, maar zelf zit ik me te vervelen in de vip-ruimte. Er is geen drank en iedereen is te druk bezig met aanwezig te zijn.

M’n maat Dieter Claus wil ook naar boven, maar ik krijg hem niet voorbij de stugge buitenwippers en sowieso wil ik weer tussen de normale zatlappen staan. Beneden is het goed, daar valt menselijke grondstof te ontginnen. Dieter verbijt zijn teleurstelling en houdt het hoofd recht. Een pintje zal hem troosten.

Ontgoocheling

Een winnaar van de Vlaspoppenworp: Benjamin Van Synghel heeft een popje met 20 euro opgevangen. Je zult het altijd zien dat gladgeschoren yuppies met het geld van bebaarde hippies gaan lopen.

Terwijl Claus een bekertje troost haalt, ontmoet ik voor het eerst een feestvierder die een popje met geld erin heeft opgevangen. Benjamin Van Synghel is opgetogen. “Ik heb nu 20 euro”, rekent hij uit. “Ik ben hier heel tevreden mee. Het geld zal mij helpen om mijn familie uit de armoede te halen.” Ik ben blij voor hem. Toch iemand die ik een beetje geluk heb toegeworpen.

Twee van mijn vaste personages, Matthias en Marieke, hadden geen geluk. “En we hebben nog zo naar u staan zwaaien!”, verwijt Marieke me.

“Sorry, ik heb jullie echt niet zien staan”, verontschuldig ik me. Ik wil de ontgoocheling in de ogen van Matthias en Marieke vastleggen, maar het wordt mij duidelijk gemaakt dat dat geen goed idee is. We moeten het eerst over een andere foto hebben, één waarop Matthias staat met een blik die net iets te wazig is.

“Als je die foto van mijn blog verwijderd wilt zien, kan dat op simpel verzoek”, leg ik uit.

“Ja, awel, haal die foto er dan maar van”, zegt Matthias zonder te twijfelen.

“Geen probleem. Je had dat zelfs al veel eerder kenbaar kunnen maken, bijvoorbeeld per sms of e-mail.”

Marieke merkt op dat mijn keuze van foto’s misschien toch iets selectiever mag zijn. Ik neem aan dat ze bedoelt dat ik mensen soms te weinig in hun waarde laat.

Hernieuwde journalistieke zeden

Matthias heeft geen vlaspopje kunnen vangen. Verwijtend kijkt hij naar de werper van dienst.

“De journalist moet zijn grenzen leren kennen”, doceert Matthias. “Het kan niet de bedoeling zijn dat er op de Gentse Feesten een Gestapo rondloopt die alles vastlegt wat schaamtelijk is. Overigens moet de journalist erop toezien dat hij ook zichzelf wat belachelijk maakt. De mogelijkheid bestaat immers dat ook journalisten schaamtelijk zijn. Misschien staan journalisten wel aan hun fluit te trekken terwijl hun lief aan het slapen is.”

“Mag ik dat allemaal zo noteren en in mijn verslag zetten?”

“Ja, doe dat maar. Zeker dat stukje van die fluit.”

Autoriteit

Claus arriveert met bier. Er wordt geklonken op hernieuwde journalistieke zeden, en op Claus’ eerste bezoek aan de Feesten dit jaar. Een ander personage van me, Bart T., komt erbij staan.

“Voel jij je de volgende dag nooit slecht van de drank?”, vraagt Bart.

“Neen, natuurlijk niet. Anders zou ik het hier geen tien dagen op rij volhouden”, antwoord ik naar waarheid.

“Kun je er dan gewoon zo goed tegen of doseer je?”

“Beide. De Feesten overleven is een kwestie van genetica en opvoeding.”

Dieter Claus staat op de Vlasmarkt. 'Mijn tweelingbroer Gunter komt hier niet. Maar omdat alles genetisch bepaald is, maakt het niet uit dat hij tomatensap drinkt en ik bier.'

Het debat over nature versus nurture barst in alle hevigheid los. Als oudste onder ons heeft Claus de grootste autoriteit en hij legt uit hoe de vork aan de steel zit. “Welnu, dienaangaande is het onderzoek naar identieke tweelingen bijzonder interessant”, vertelt Claus. “In een documentaire die ik laatst zag, kwamen twee broers voor die van elkaar gescheiden leefden. De ene zat hele dagen vruchten en yoghurt te eten in Nieuw-Zeeland, de andere dronk en rookte zich te pletter in Engeland. Die laatste kreeg een hartaanval.”

“Aha, logisch”, onderbreekt Matthias.

“Hola, wacht, ik ben nog niet uitgesproken”, zegt Claus zwaaiend met z’n benige vinger. “De andere helft van de tweeling heeft zich toen ook laten onderzoeken en jawel: die mens had precies dezelfde hartafwijking als zijn broer. Ze hebben hem onmiddellijk geopereerd.”

“De moraal van het verhaal is dus: het doet er niet toe of we nu hier staan te roken en te zuipen, want hoe we sterven, is toch genetisch bepaald”, vat ik samen.

“Inderdaad! Het maakt allemaal geen zak uit. En daarvoor loof ik de Heer”, besluit Claus de discussie opgewekt.

Simpele waarheid

Aan Freddy De Vadder moet ik geen toestemming vragen voor een foto. Hij is een publiek persoon op een publieke plaats, zijn tronie is eigendom van de gemeenschap.

Op een barkruk ontmoet ik een ober van een café waar ik graag kom. Het is een man van zijn eigen waarde, en hij verwijt me dat ik een bloedzuiger ben. “Jij staat hier maar te noteren wat mensen zeggen, dingen die je zelf niet zou kunnen bedenken”, legt hij uit. “Maar jij wordt er wel voor betaald, en wij niet.”

“Ik verdien hier niets mee”, verweer ik me. “Op mijn blog staan er geen advertenties en ik verkoop die teksten en foto’s niet.”

“Daar geloof ik niets van. Als je er niets aan verdient, sta je hier geen tien dagen aan een stuk te noteren.”

“Toch is het de simpele waarheid. Het enige wat ik hiermee bereik, is een beetje naambekendheid, maar dat is ook al.”

“Ik vind dat de mensen die je aan het woord laat ook betaald moeten worden.”

“Dat is tegen de journalistieke deontologie.”

“Het is tegen de wet dat jij nu weer alles opschrijft. Dat sta ik niet toe.”

“Ook niet anoniem?”

“Zelfs niet anoniem.”

“Dat is spijtig, want wat je zegt, is zeer pertinent en hoort zeker en vast thuis in mijn verslag van de nacht.”

“Toch mag je dit niet gebruiken.”

“Nu zitten we wel vast in een catch-22. Je haalt een heikel punt aan waar ik aandacht aan wil besteden, maar ik mág er geen aandacht aan besteden.”

“Correctie: jij zit in een catch-22″, zegt mijn gesprekspartner met een blik van ‘los het zelf maar op’. De foto’s die ik van hem genomen heb, zullen alvast voor eeuwig op mijn harde schijf staan, maar helaas nergens anders.

Verschrikkelijk beeld

Tom Verbruggen staat niet goed gekadreerd op de foto. Ik ben dan ook maar een amateur, terwijl hij een gerenommeerde professional is.

Mijn zelfvertrouwen als verslaggever heeft een ferme deuk gekregen. Ik heb nog maar weinig lust om aan mensen te vragen of ze met hun zatte kop op de foto willen. Eén man maakt er geen probleem van. “Ach, er lopen hier meerdere mensen rond met een fotoapparaat. Dat wéét je als je naar hier komt”, stelt hij mij gerust als ik vraag of hij echt héél zeker is of hij wel gefotografeerd wil worden.

Even later komt iemand zelfs met het verzoek om iets over hem te schrijven. “Ik wil wel dat je er een hagiografie van maakt.” Oké dan maar: Tom Verbruggen is een prima fotograaf die onder andere zijn talenten toont voor het Gentse collectief Genthology. Hij heeft zonet de ergste foto van zijn carrière genomen, laat hij grijnzend weten. Met mijn toestel maak ik een foto van de foto. Het is een verschrikkelijk beeld. (Ik plaats de link ernaar hier, maar ik waarschuw: als u een gevoelige maag hebt, als u nog moet eten en als u een fobie hebt voor opengesperde aarzen, kijk er dan alstublieft niet naar. Níét.)

Overtuigende stelligheid

“Ik kan het toch niet maken om die foto op m’n blog te zetten?”, vraag ik onzeker aan Tom. “Bestaan er grenzen aan wat een journalist kan openbaren?”

“Ach, neen, grenzen zijn er slechts voor Oost-Europeanen, maar voor de rest zijn er geen grenzen”, antwoordt Tom met overtuigende stelligheid.

Grenzen of niet, ik overweeg stilaan om me exclusief toe te leggen op fictie. Dan krijg je geen last met personages die in opstand komen en dreigen met een procedure voor de Raad voor de Journalistiek als ze geen royalty’s krijgen.


Flattr this

Meisjes met een zeiksnor stralen een apart soort erotiek uit. Zij zijn op een stekelige manier aaibaar.

Ook Machteld Van den Bossche liet zich aan snor opplakken. Zo heeft zij in één klap meer gezichtsbeharing dan haar vriendje ooit bij elkaar heeft kunnen sparen.

Een dame heeft een vlaspop gevangen, maar helaas zat er geen geld in. Zij bewaart het popje wel als aandenken.

Kurt Vanneste is een overlever. Een man van waarde die tegen een stootje kan. Van zijn bril is dat helaas niet langer te zeggen.

De spectaculairste bril van de Vlasmarkt. Deze feestvierder hoeft niet te vrezen dat zijn wallen onder zijn brilglazen komen uitzakken.

Een dame heeft het koud. 'Het zijn precies allemaal kleine borstjes', zegt een jongeman die haar het hof probeert te maken.

's Morgens op de Vlasmarkt communiceren de mensen in gebarentaal. Het is echter niet gemakkelijk als er een tegenstrijdige boodschap wordt overgebracht.

Aaneengegroeide tenen zijn een gemak in vochtige omstandigheden. De snelheid waarmee je je kunt voortbewegen verhoogt merkelijk.

Edmond Cocquyt, bezieler van de Vlaspoppenworp, is getroffen door een brandende sigaret. Zijn nekwervels bleven gelukkig ongedeerd.

Dynamiek

21 juli 2010

Gent heeft de kortstondige invasie van provincialen overleefd. Ja, er is bloed gevloeid, en ook het bier en de pis stroomden rijkelijk over onze authentieke kasseien. Maar de massa is weer naar huis en we hebben de stad opnieuw voor onszelf.

Dronken provincialen laten een spoor van vernieling en teelaarde achter in de stad.

Aan de vooravond van de glorieuze feestdag van het Belgische rijk stroomt de stad vol burgers die geen Gents bloed in hun aderen hebben. Gemoedelijk noemen wij hen provincialen. Een typisch fenomeen. Iedereen heeft een dag verlof in het verschiet, men kan lekker lang uitslapen en niemand heeft iets beters te bedenken dan een bezoek aan de Gentse Feesten.

Degoutant

Trams propvol provincialen daveren naar de Feestenzone. In porties van tweehonderd man worden de barbaren in het middeleeuwse centrum van onze mooie stad losgelaten. Autobestuurders die geen verkeersborden kunnen lezen, rijden zich keer op keer vast in een doodlopend straatje waar je niet mag parkeren. Men zou die auto’s, de inzittenden er nog in, van de baan moeten plukken en ze katapulteren naar de verste uithoek van Provincialië.

Het is degoutant, ik word er ziek van. Dit zijn ónze Feesten, blijf hier weg.

Zet een bak Duvel naast uw computer, lees mijn verslagen en snuif zo de sfeer op. Val ons niet lastig, want daar worden wij ambetant van. Ga in de nachtwinkel van uw rotdorp twijfelen tussen Cara en Château Migraine. Het is úw schuld dat Gentenaars tijdens de Feesten geen voorraad pintjes meer mogen inslaan in hun eigen nachtwinkels.

Als u Gent echt graag ziet, kom er dan wonen of blijf er eeuwig weg. Sterf desnoods als u niet kunt kiezen.

Boerse ouders

Wat voor Gentenaars een stapel oud papier is, is voor provincialen een handige toog.

Aan het Sint-Pietersstation lopen vier opgedirkte meisjes van Antwerpse of Brabantse komaf te zagen over “kunstzinnige arty’s“. Om beurten zetten ze een fles witte wijn aan de lippen. De zon is nog lang niet onder, maar de fles is bijna leeg. Moet ik mij nu kunstzinnig voelen omdat ik dat marginaal vind?

Zonen van boerse ouders strompelen in de verkeerde richting naar het centrum. Eén peet, de domste van de bende, raapt een kroonkurkje op en werpt het netjes in een vuilnisbak. Sympathiek. Zijn blik bier houdt hij stevig vast.

Ramptoerisme

Als ik even later in mijn bed kruip, hoop ik dat ik me overslaap: per uur dat ik later op de Vlasmarkt verschijn, zijn er vast en zeker vijfhonderd provincialen afgedropen.

Naar mijn doening ben ik te laat opgestaan. De ochtend gloort reeds aan de hemel. Ik zal me moeten spoeden om eerder dan de zon te verschijnen op de Vlasmarkt.

Ik verslaap me. Mijn gsm, die bijklust als wekker, heeft dienst geweigerd. Gelukkig heeft mijn bioritme zich reeds zo aangepast dat het mij op tijd uit mijn bed jaagt, waarbij op tijd betekent dat ik de zon nog zal kunnen zien opkomen boven mijn geliefde Gent. Arriveren na de morgenstond is ramptoerisme. Daar doe ik niet aan mee.

De dikkerd

In tegenstelling tot de vorige dagen loopt het nog vol mensen die hun weg terug naar het station zoeken. Enkele provincialen klampen me beleefd aan.

“Excusees, mijnheer, waar is de Martelaarslaan?”

“Rechtdoor”, antwoord ik behulpzaam.

“Hoe lang is dat nog stappen?”, vraag de dikste van het groepje.

“Vijf minuten?”, vraagt een andere.

“Goh, vijf à tien minuten, ‘t is te zien hoe snel je strompelt”, verkondig ik.

“Het zal dan allicht tien minuten worden”, grijnst de dikkerd. Ze bedanken me vriendelijk en ik wens ze een behouden thuiskomst. Voor dronken provincialen zijn het beleefde jongens.

Guitige snoetjes

Op weg naar de Vlasmarkt zie ik meer sporen van vandalisme dan op de voorgaande ochtenden tezamen. Het ligt dan ook in de aard van de provinciaal om een spoor van vernieling na te laten. ‘Ik betaal hier geen belastingen, dus wat kan het mij verdommen?’, zo redeneren zij.

Aangekomen op de Vlasmarkt, stel ik vast dat het uiteindelijk wel meevalt met het aantal provincialen. Ja, het is drukker dan anders op dat uur. Maar tegelijk zie ik meteen veel meer bekende gezichten. Zoals het edele gelaat van Nima Jebelli en de guitige snoetjes van Anne-Marie De Mets, Annelies Peeters en Barbara Claus. De dames voeren een gesprek over homo’s en massages of zo.

Baken uit het Oosten

Nima Jebelli weet zichzelf geen houding te geven als een vrouw zonder sluier of hoofddoek in zijn oor begint te toeteren. 'Help mij', smeken zijn ogen.

“Ik ben niet goed in homo’s”, stelt Anne-Marie. “Ik ben te agressief.” Dat ze te agressief is, is eigenlijk haar excuus om niet gefotografeerd te worden, maar bon, van een uit zijn verband gerukt citaat zijn nog maar weinig mensen gestorven.

Nima stelt zich voor aan het gezelschap. “Ik ben uw baken uit het Oosten”, beweert hij. Veel applaus levert hem dat niet op. Nima zucht. ”Ik heb nog maar zelden iets gezegd dat in mijn voordeel is. Ik zwijg beter.”

Sedentaire kakker

Toch krijgt onze West-Vlaamse allochtoon op de een of andere manier een Irish coffee in zijn handen gestoken. Met overtuiging slurpt hij het goedje naar binnen. Maar ook dat is niet in zijn voordeel. “Is het normaal dat je van Irish coffee moet kakken?”, vraagt hij bezorgd.

“Ja. Je bent nu als het ware te kakken gezet”, leg ik uit.

“Ik zal me dan maar neerleggen bij mijn lot als sedentaire kakker. Daarmee wil ik zeggen dat ik al zittend zal kakken, en niet al staand, zoals mijn voorvaderen.”

Ik noteer getrouw Nima’s woorden, waarvan ik me afvraag of ze wel op hun plaats zijn op een cultureel volksfeest.

Poëtische bespiegeling

De kapitein van de Vlasmarkt salueert zijn matrozen. Als laatste zal de kapitein het zwalpende schip verlaten.

“Weten jullie waarom de Gentse Feesten een cultureel volksfeest zijn?”, vraag ik terloops aan Nima en Marieke, een dame die bij ons is komen staan. “Wel, er is zeer veel cultuur en er is zeer veel volk. Gelukkig schrikt cultuur af. Daarzonder zou er hier nog meer volk zijn.”

Nima en Marieke bekijken me met een meewarige blik. “Misschien moet je eens met die krakers praten”, suggereert Nima. “Die zien er wel interessant uit.”

“Die mensen hebben geen ziel”, weet ik.

“Méén je dat? Of is het weer een poëtische bespiegeling.”

“Ik meen het. Mensen die niet in mijn wereld passen, kunnen geen ziel hebben.”

Nima is het daar niet mee eens. “Het zijn slechts mensen die over voldoende financiële middelen beschikken, maar er niets mee doen, behalve nog meer geld in hun zakken krijgen, die geen ziel hebben.”

“Dat is een zeer linkse stelling”, besef ik.

“Ik bén zeer links.”

“Heeft het socialisme dan niet heel veel kapot gemaakt?”

“Al het goede in onze samenleving komt van het socialisme.”

“Ah ja, en sinds wanneer zorgt het socialisme voor alcohol?”

“Alcohol zou ik niet goed durven noemen. Het is ook geen doel, wel een middel. Daarnaast moet ik toegeven dat ik te vinden ben voor de liberale zeden.”

“Al het goede komt van het liberalisme. De rest is de schuld van de socialisten”, vat ik samen.

Nima nuanceert. “Het liberalisme maakt het mogelijk dat je je kunt ontplooien als individu. Dat mag niet beknot worden door het socialisme. Maar verder moet iedereen hetzelfde loon krijgen.”

“Neen, want dan haal je alle dynamiek uit de maatschappij.”

Feestelijke vrijpostigheid

Twee heren misinterpreteren de liberale zeden op een manier waar Monseigneur Vangheluwe een puntje aan kan zuigen. Als daar maar geen kinderen van komen.

Voor we helemaal loos kunnen gaan met het projecteren van economische waanbeelden, komt Chantal Bonnevalle vragen of ik meega naar het terras van L’enfant terrible, een café bij Sint-Jacobs.

“Maar enfin, dat gaat niet. Alles moet hier nog beginnen”, sla ik het verzoek af.

“Neen, Tim, het is hier gedaan. Het is acht uur, de muziek is gestopt en er is geen drank meer te krijgen.”

“Toch blijf ik hier. Het hele plein staat nog vol mensen op wier feestelijke vrijpostigheid ik kan parasiteren.”

Chantal laat ons achter, maar algauw krijgen we weer gezelschap van Marieke. “Beloof me dat ik thuiskom”, beveelt ze goedbedoeld.

“Hoe kunnen wij dat beloven?”, vraagt Nima.

“Beloof het gewoon! Vrouwen zijn zwakke wezens en hebben onze geruststelling nodig”, merk ik op.

Marieke trekt spottend een wenkbrauw op, en gaat verder met haar verhaal. “Ik heb mijn sleutels aan iemand gegeven en ik weet niet meer hoe ik thuis zal geraken.”

“Waarom heb je dat gedaan?”, vraagt Nima.

“Ik heb een groot hart.”

Nima grijnst. “En een klein brein.”

Ik schiet in de lach. “Ik heb wel nog sigaretten”, zegt Marieke koeltjes. Het lachen vergaat me. Ikzelf sta al een uur te schooien. Of ik alsjeblief een sigaretje mag afbietsen? Marieke heeft inderdaad een groot hart, want vijf seconden later sta ik weerom lustig te paffen.

Geïnspireerde uitsmijter

Nima en ik, wij beiden om verschillende redenen zo seminuchter als tiramisu, aanschouwen hoe de Vlasmarkt langzaam leegloopt. Enkel hardleerse marginalen of provincialen – het verschil is soms moeilijk – lijken over te blijven. Zij raken op speelse wijze slaags met de sfeerbeheerders, waarvan sommigen bloedvlekken op hun shirt hebben van eerdere, minder speelse confrontaties.

“Zonder drank borrelt de marginaliteit op”, analyseer ik het vrolijke schouwspel.

“Drank is de conditio sine qua non bij uitstek”, parafraseert Nima.

“Dat geldt zonder uitzondering!”, geef ik nog mee als weinig geïnspireerde uitsmijter van de ochtend. Het is weer eens tijd om naar huis te gaan.


Flattr this

Provincialen hebben een indrukwekkende plas urine achtergelaten in het voorportaal van de Aula van de Gentse Universiteit.

Provincialen hebben een urinoir verzet opdat het ook voor hen bruikbaar is. Die mensen zijn en blijven notoire scheefzeikers.

Als het al veel te laat is, zegt het lichtpaneel aan het stadhuis dat de Feestenzone volzet is. Beter was er op voorhand gemeld: 'Provincialen niet toegelaten'.

Nima Jebelli vergelijkt zijn baard met het weelderige tapijt van een provinciaal. 'Hier kan ik best jaloers op zijn', zegt de hoofse stedeling.

Ruben Accou had zich fris geschoren, maar na enkele liters bier verschijnt er weer een hardnekkige stoppelbaard op zijn gelaat.

Ook allochtonen hebben oren. Als ze die niet gebruiken, kun je er nog altijd berispend aan trekken.

Een sfeerbeheerder eet een appeltje. Op de achtergrond probeert Marieke duidelijk te maken dat ze nog altijd niet weet hoe ze thuis moet geraken.

Een dronken provinciaal wordt door zijn dronken vrienden afgevoerd naar de hel, de plek waar provincialen zondigen voor hun boetes.

Het Sfeerbeheer op de Vlasmarkt wordt op handen gedragen door provincialen. Zij zijn immers alleen veldwachters en champetters gewoon die voor het minste met hun matrak beginnen te zwaaien.

Bij een gevecht tussen twee provincialen is er bij de ene een sproet open geslagen zodat de andere voor de rest van zijn leven een vieze ziekte zal dragen.

Om zich te onderscheiden van provinciaal vrouwvolk draagt deze ebbenhouten dame elegante muiltjes. Helaas hebben veel lompe boerenzonen op haar tenen getrapt.

Een man uit de buitenwijken van de grootstad besefte niet goed wat hij vroeg toen hij een groot ontbijt bestelde.

Een meisje en een roos. De roos zal niet verwelken, want die is van plastiek. Maar het meisje is één en al naturel.

Wat provincialen aanzien als een hoorn van overvloed, herkennen Gentenaars als een omgestoten vuilnisbak.

Het eerdere spoor van vernieling en aarde leidt uiteindelijk tot de geroofde plant. Provincialen hebben meer respect voor planten dan voor bezit.

Slagen en schoppen

20 juli 2010

Stilaan komen de Gentse Feesten op kruissnelheid. De feestvarkens raken onthecht van de dagelijkse sleur en bereiken de collectieve roes die de Vlasmarkt kenmerkt. Voor een reporter is het een eer om te mogen parasiteren op de vriendelijke waanzin van een uitverkoren massa.

Jan waagt zich aan een hamburger van fastfoodketen McDonald's. Een keuze die hij zich danig beklaagt: het vlees smaakt naar rubber en het broodje naar schuim.

Ik marcheer. Het is de derde nacht van de Gentse Feesten en ik marcheer met opgeheven hoofd naar het strijdtoneel van de Vlasmarkt. De weg naar het festijn is echter onvoorspelbaar, en zodoende houdt het lot mij tegen aan de McDonald’s op de Korenmarkt. Daar staan Annelies en Jan mij op te wachten. Het zijn warme mensen die samen met hun zoontje een hecht gezin vormen.

Negatief

Terwijl Jan met veel wansmaak een hamburger naar binnen werkt, trachten bruine medemensen zich te integreren in de westerse samenleving. Dat doen zij – al toeterend op een vuvuzela – door de nachtelijke vrede te verstoren. Er daagt niet meteen een veldwachter op om de vier lawaaimakers in de boeien te slaan, waardoor mijn ergernis een gevaarlijk niveau bereikt.

“Vuvuzela’s zijn de ziekte van deze tijd”, beslist Jan tussen twee happen door.

“Eén van de ziektes van deze tijd”, nuanceert Annelies.

“Liefste, niet te negatief zijn over onze tijd!”

Deemoedig

Jan en Annelies hebben kijk op de dingen. Het zijn opmerkzame mensen. Op de nieuw aangelegde Korenmarkt kijken zij voorbij het vele afval. “Er ligt hier enkel beton”, geeft Annelies haar kritiek. “En er is geen groen.”

“O, maar als het geen Gentse Feesten zijn, staan er palmbomen aan de terrassen”, deel ik mee.

“Toch hadden ze hier beter enkele échte bomen geplant”, vindt ook Jan.

“Berken, bijvoorbeeld”, stelt Annelies de zaak meteen op scherp.

Ik zwijg deemoedig. Bomen zijn de ziekte van deze tijd, besluit ik in mezelf, want zij brengen mensen tot vreemde stedenbouwkundige opvattingen.

Plooiers

Ons drietal begeeft zich naar café Het Spijker voor een laatste (Jan en Annelies) en eerste (ik) drankje. Als we er even later neerstrijken gaan we aan de haal met de állerlaatste bestelling. Laveloze burgers die na ons hun poging wagen, steken priemende blikken van afgunst en rancune in onze rug. Maar ons vel is dik en wij hebben drank. Dat scheelt.

Het nut van dat állerlaatste pilsje en die állerlaatste Westmalle tripel ontgaat mij echter: terwijl ik de állerlaatste ricard vlotjes tot op de bodem degusteer, krijgen mijn tafelgenoten hun bier nauwelijks naar binnen. Het lijkt wel alsof deze mensen vol zitten. Geen probleem, iedereen heeft zijn drempel, maar in mijn binnenste denk ik: plooiers, plooiers, plooiers! Daarbij verlies ik voor het gemak uit het oog dat ikzelf drie uur lag te pitten terwijl m’n vrienden stonden te drinken.

Absolute stellingen

Het koppel verdwijnt weer uit mijn leven en ik geraak even later eindelijk op de Vlasmarkt, waar alles gebeurt dat de moeite waard is om op te schrijven. Meteen bij het betreden van de heilige plek loop ik Mark Flerick tegen het lijf. Mark is brandweerman en radiopresentator. Zijn muziekgenre is metal en Gents is zijn taal.

Zelfs al torst Mark Flerick geen opzichtige tatoeage op zijn borstkas, om een onverbloemde mening zit hij nooit verlegen. Met deze jongen hou je beter rekening.

“Ik haat de Gentse Feesten”, oordeelt Mark niet geheel onverwacht. Hij is nogal goed in het innemen van absolute stellingen. “Er is te veel volk, te veel agressie en te veel uufflakke. Er zijn te veel West-Vlamingen en er zijn te veel Turken. Ja, er zijn te weinig korte rokjes, maar er zijn zeker te veel gasten van Turbojugend. Eén is er al te veel aan. Turbojugend, dat is de scouts voor dertigers. Iets tussen de Hells Angels en de chiro.”

Oude mens

In zijn lijstje van dingen die op de Gentse Feesten al te overvloedig aanwezig zijn, vergeet Mark tatoeages te vermelden. Er valt serieus wat getatoeëerd vel te spotten en bevorderlijk voor de onderlinge verstandhouding is dat niet. Burgers die geen inkt in hun huid hebben laten spuiten, voelen zich onzeker bij zoveel machtsvertoon. Alleen Mark trekt er zich geen kloten van aan. “Het enige waar ik echt niet tegen kan, is de ons-kent-ons-cultuur”, vertelt hij.

Op den duur – na drie aller-aller-allerlaatste pintjes – druipt Mark dan toch af. “Ik ben al een oude mens”, verontschuldigt hij zich. Voor oude mensen is geen plaats in deze maatschappij, en al zeker niet op de Vlasmarkt.

Klootzak

Er staat nogal wat volk op de Vlasmarkt en ik besluit een assistent aan te nemen. Daartoe lijkt Bart T. mij een geschikte kandidaat. Twee dagen eerder had ik Bart nog in diskrediet gebracht met een provocerende foto, maar toch slaagt deze hardwerkende Oost-Vlaming erin mij te vergeven.

“Je bent een klootzak, maar een grappige klootzak”, legt Bart z’n goedmoedigheid uit. “Je slaagt erin mensen belachelijk te maken op een respectabele manier.” Bart fronst de wenkbrauwen en lijkt terug te denken aan de bezwarende foto van enkele dagen geleden. “Heb ik dat nu echt gezegd?”

“Ja, Bart, dat heb je. Het heeft me geraakt. Ik stel voor dat je een pilsje voor me haalt, zodat we op onze goede verstandhouding kunnen klinken”, stel ik hem gerust.

Evenwichtige analyse

Voor een fotograaf is het het veiligst om enkel die mensen te fotograferen die gewillig poseren, zoals Omar, een rechtvaardige macho die kan drinken.

Niet iedereen is even gul met vergiffenis. Als ik een man confronteer met een kwalijke foto die ik van hem genomen heb, betrekt zijn gezicht. “O wéé, o wéé, o wéé”, zegt de man, die zichzelf substantiële invloed toedicht, met nadruk. “Zet dat niet online. Ik dwarsboom je journalistieke carrière op een manier die je je niet kunt inbeelden.” IJverig noteer ik het dreigement, wat eveneens wrevel opwekt. “En als je dit citaat gebruikt, ben je professioneel dood. You’re a dead man!

Terwijl ik de tot mij gesproken woorden aan het papier toevertrouw, stelt de man nog een laatste voorwaarde. “Als je nog maar mijn initialen vermeldt, kom ik naar je huis en sla ik met mijn vuist op je muil.” Ik bedank de man voor zijn evenwichtige analyse en neem m’n pintje weer over uit de handen van mijn trouwe assistent Bart T.

Geslepen vos

“Bij het plegen van journalistiek is het belangrijk dat je je grenzen kent”, deel ik Bart mee. “Geef mensen het gevoel dat ze controle hebben over de situatie en je raakt met veel weg. Maar als zij doorhebben dat jij een geslepen vos bent, slaan ze in paniek. Dan ben je beter op je hoede voor slagen en schoppen.”

Bart weet het nog niet, maar het zal de komende dagen zijn taak zijn om dergelijke ‘eventualiteiten’ zo elegant mogelijk op te vangen. De rest doe ik zelf wel.


Flattr this

Getatoeëerde torso's jagen de goegemeente angst aan. Toch zijn deze heren geen marginalen. Zij ontberen slechts een ziel.

Jongelingen wier borstkas niet indrukwekkend genoeg is, laten een tekeningetje zetten op hun schouder. Zo zien ook zij er stoer en gevaarlijk uit.

Mark Flerick is niet op zijn muil gevallen. Zelfs al steekt hij zijn onderlichaam in een broek met bloemenprint, met zijn oordeelkundig vermogen valt niet te spotten.

Bibit Van Laere behoeft geen tatoeage om dreigend voor de dag te komen. Haar blik kan doden.

Met een hoofddeksel op je kop, ben je alle dagen top. En zonder bedekking op je hoofd, is je schedelpan snel gestoofd.

Edmond, een telg uit het hoogedele Gentse geslacht Cocquyt, draagt een tattoo van rekbaar textiel. Het verhoogt zijn libido met 0,013 procent.

Dj Monsieur cRock is een wandelend reclamepaneel voor zichzelf. Wie wil, kan nog advertentieruimte huren op 's mans schouderbladen.

Chantal Bonnevalle houdt Bibit Van Laere in toom. Als Bibit op het punt staat om zomaar een strot door te bijten, uit je het best enkele sympathieke woorden.

Wie vriendelijk blijft, krijgt een warme Bibit Van Laere te zien. Zoveel zachtmoedigheid straal je niet uit op commando.

Journalist Brecht Decaestecker is de blanke hiphopneger van de krant De Morgen. Door zijn verschijning wint de krant aan geloofwaardigheid.

Nicolas Marichal trekt zijn haakneus op als hij vaststelt dat hij de enige is met een plastron. 'Al die onbeschaafde provincialen uit Aalst en Sint-Niklaas verpesten de sfeer op Vlasmarkt', zegt hij zonder omwegen.

Bert Cambier heeft speciaal zijn baard laten staan voor de Gentse Feesten. Het minste wat je ervan kunt zeggen, is dat er langer over nagedacht is dan over een tattoo op je kinnebak.

Een sfeerbeheerder beweegt mee op knallende hiphopbeats. Vooral de typisch Afro-Amerikaanse armbewegingen heeft hij merkwaardig goed in de vingers.

Deze jongeman vindt dat een bril niet volstaat om er stoer uit te zien. Graag rekt hij zijn V-kraag uit om het sierwerk op zijn borstkas te presenteren.

Gert Boel, een kerel van wie het land veel verwacht, veegt per uitzondering de vloer aan met zichzelf.

Waarom zou je naar een Spaans strand trekken als je ook op de Vlasmarkt kunt liggen bruinen? Stijlvol in eigen stad.

Het Botramkot brengt het beste in de mensen naar boven. In het geval van Edmond Cocquyt is dat zijn voorliefde voor sakosjen.

'Kijk daar! De redding is nabij. De mannen van Ivago komen eraan!' Het is goed dat mensen hoop blijven koesteren.

Met een stevige knevel probeert deze man wanhopig de aandacht van zijn kapsel weg te leiden. Wanhoop is zelden een goede raadgever.

Van reuzen is bekend dat zij al staande slapen. Door hun ergonomische lichaamsbouw blijven zij perfect in evenwicht.

Onversaagde personen die de Vlasmarkt trotseren op hun sandalen beginnen het best nu al te sparen voor een doortastende pedicure.

De koningin van de Vlasmarkt overschouwt haar rijk. 'Kneel, for I am the Queen of Trash', beveelt zij haar onderdanen.

Na een nachtje Gentse Feesten zitten Nic en Ellen vol. 'Maar een appelsien kan er altijd in', drukken zij ons goedgemutst op het hart.

Zonde

19 juli 2010

Des morgens op de Vlasmarkt worden steevast de Grote Onderwerpen aangesneden. Als er één Groot Onderwerp is, is het God wel. Maar over God zwijg ik, want Hij schiep mijn stad Gent boven alles.

's Nachts ligt Polé Polé erbij als een tropische vuilnisbelt. Door de sfeerverlichting ziet het er wel een zeer chique vuilnisbelt uit.

De stad is uitgestorven, doods en verlaten. Half vijf ‘s morgens, en nergens weerklinkt het gedreun van een feestje. Her en der zoeken bezoekers de weg naar huis, en daarbij lopen de meesten niet brullend door de donkere straten. Eén verdwaalde vuvuzela produceert enig getoeter. Oppassen toch met dergelijke instrumenten: in het foltermuseum van het Gravenkasteel zijn genoeg etsen te zien waarbij zo’n trechter ingebracht is in de een of andere lichaamsopening terwijl grijnzende beulen een kastrol olie aan de kook brengen. Het is niet omdat wij in de 21ste eeuw leven dat we moeten geloven dat de cursus ‘Foltertechnieken en dwangmaatregelen’ definitief geschrapt is uit het lessenpaket van de flikkenschool.

Te dom

Op dat uur in de ochtend ziet het terrein van Polé Polé er tropischer uit dan ooit: precies een Zuid-Amerikaanse favela. Er staan nog net geen jonge kinderen in het afval te scharten op zoek naar iets eetbaars. Wakkere flikken bewaken de vuiligheid om zodoende uw en mijn veiligheid blijvend te garanderen.

Op de Vlasmarkt heeft ene André de Laat nogal te klagen van de flikken. De man is muzikant – meer bepaald saxofonist – maar zit nu zonder instrument: de politie heeft de sax geconfisqueerd wegens nachtlawaai. Hij krijgt z’n bron van inkomsten pas terug als de Gentse Feesten afgelopen zijn. Vrolijk wordt André daar niet van. “De agenten hebben het pv zelfs in mijn plaats getekend”, klaagt de Nederlandse Antwerpenaar. “Maar ik ben niet pissed op de flikken, wel op het systeem. Die flikken zijn te dom om dat te beseffen.”

Genoeg speeksel

Dries Eeckhaut is het ideaalbeeld van de Gentse Feesten. Daarnaast heeft hij teer vel dat begint te verbranden zodra de zon opkomt.

Met flikken heeft de genaamde Dries Eeckhaut geen problemen. “Ik ben het ideaalbeeld van de Gentse Feesten”, zegt Dries. “Dat komt door mijn blauwe ogen.” Zijn vrienden bevestigen dat. Verder hebben z’n vrienden weinig over Dries te vertellen. Dat heb je met ideale mensen: daar zit geen verhaal achter.

Ik geraak aan de klap met Lauke. Lauke is een Gentse maar ze spreekt verdraaid proper Nederlands. “Mijn Nederlands wordt zelfs alsmaar mooier, al gebruik ik nog altijd de Gentse ‘r’”, zegt Lauke trots. Ze geeft meteen een taaltip mee voor als ik het ooit moet gaan uitleggen op de radio: “Als je Gentse ‘r’ achteraan in je keel zit, moet je haar laten rollen met genoeg speeksel.” We staan een beetjes ‘r’s’ te oefenen en inderdaad, als je die Gentse ‘r’ niet laat rollen, klinkt het toch alsof je je keelgat moet laten nakijken door een dokter. Ik heb een hekel aan dokters. Met hun spuiten en hun pillen altijd.

Van goeden huize

In haar hoedanigheid van taalpuriste kan ook Lauke zich echter af en toe schromelijk vergissen, zo ondervond ze. “Daarnet zei ik tegen iemand die nogal stond te stamelen dat het me opvalt dat mensen die te veel gedronken hebben geen ordentelijke zinnen meer kunnen vormen. ‘Ik heb een spraakgebrek’, antwoordde die man. Dat was best gênant”, vertelt Lauke.

Met Lauke heb ik een uitvoerige discussie over de toestand van de wereld waarbij ik mezelf – ongemerkt natuurlijk – veelvuldig tegenspreek. Aanvankelijk biedt Lauke nog weerwerk door te zeggen dat ik onzin uitkraam, maar uiteindelijk stelt ze vast dat ze ‘ja’ antwoordt op alles wat ik uit mijn botten sla. “Ik zou je moeten tegenspreken, tegen je moeten ingaan, maar ik sta hier maar ‘ja’ te knikken”, concludeert Lauke. Je moet inderdaad van goeden huize zijn om een Van der Mensbrugghe onder tafel te praten, zo hebben al velen vóór Lauke ondervonden. Waarmee ik natuurlijk niet gezegd heb dat Lauke niet van goeden huize is, maar het zou toch een verflaagje kunnen gebruiken.

Een geut whisky

Als de Vlasmarkt zo goed als leeg is, proberen Yves, een bejaarde muzikant uit Lokeren, en Dieter, een jonge christenmens die koffie ronddeelt, elkaar onder tafel te praten over God en geloof. Het levert een diepzinnige conversatie op, waarbij Yves zegt dat God alles is. Zelfs de stenen op de Vlasmarkt zijn God.

“God is geen steen”, corrigeert Dieter.

“God is een steen”, zegt Yves beslist.

Enkele jonge snaken nemen de bejaarde rocker Yves op in hun midden. Yves is een kleurrijk figuur van 899 jaar oud. Volgens hemzelf moet hij nog geboren worden, zo jong is hij.

De twee raken er theologisch gezien niet uit, maar Yves krijgt af en toe een nieuw kopje koffie van Dieter waar ik dan een geut whisky uit mijn heupfles in giet.

“Deze maatschappij heeft Gods geboden overboord gegooid”, weet Dieter, die al van op zijn zesde het woord Gods verspreidt en zich ondertussen aangesloten heeft bij de Jesus Crew. “God heeft ons die geboden nochtans gegeven opdat het de mensen goed gaat. Als de mensen God en Zijn geboden overboord gooien, blijft er niets anders dan ellende en miserie.”

Lovenswaardig leven

Volgens de uitgeslapen Dieter moeten we erkennen dat we schuldig zijn tegenover God. “Zonden zijn de scheiding tussen God en de mensen”, poneert hij. “Alleen God kan ons verlossen van onze zonden. Daarom heeft Jezus tweeduizend jaar geleden uw en mijn zonden op Zijn schouders genomen.”

Voor Dieter is het duidelijk: zonder geloof in God kunnen we geen goed mens zijn. “De mens neigt naar het kwade. Maar uit liefde voor God kies ik ervoor om niet te liegen en te stelen.”

“De mens is zuiver geboren”, stelt Yves stellig. “Ik ben 899 jaar en ik moet nog geboren worden.”

Ik leg Dieter uit dat ik atheïst ben, maar dat ik er toch naar streef om het goede te doen. Ik werp hem beleefd voor de voeten dat veel mensen geen geloof in God nodig hebben om een lovenswaardig leven te leiden. “Wat is er dan het ergst: niet geloven in God, maar het goede doen, of geloven in God, maar zondig zijn?”, vraag ik, subtiel alluderend op het pedofilieschandaal binnen de katholieke kerk.

“Da’s een goede vraag”, geeft Dieter toe. Maar echt lang hoeft hij niet na te denken over een antwoord. “Het gaat er niet om dat je goede dingen doet, het gaat erom dat je niet zondigt. Alleen met de hulp van God lukt dat.”

In stilte blijf ik erbij dat ik God of de Bijbel niet nodig heb om een voorbeeld te zijn voor mijn medemensen. Barmhartig giet ik nog een scheut whisky in Yves’ koffie. Dieter weigert beleefd. Zonde.


Flattr this

Op de dj-toren aan de Vlasmarkt wordt de sneeuwmachine aangezet. Dat leidt tot handgezwaai en vreemd schuim in je pilsje.

Nima Jebelli is omgeven door ongelovige christenhonden. 'Repent, y'all, repent!', predikt hij.

Nima Jebelli is omgeven door ongelovige christenhonden. 'Repent, y'all, repent!', predikt hij.

'Toon berouw voor uw zonden, of ik ontplof', gromt Nima Jebelli. De fotograaf krijgt uit schrik het beeld niet scherp.

Nima Jebelli steekt zijn vuist in de lucht. De onreine christenhonden op de Vlasmarkt hebben zich aan zijn gezag onderworpen.

Zodra hij iedereen bekeerd heeft, draagt Nima Jebelli bij tot de goede sfeer middels traditioneel handgeklap. In zijn leven vormt Nima een brug tussen het Oosten en het Westen. Die brug staat nog niet op instorten, maar de Feesten zijn dan ook maar pas begonnen.

Twee heren die elk iets van een zijstreep in hun kapsel hebben, wisselen ervaring uit. Zij hebben hun zaakjes duidelijk op orde.

Heeft deze jongeman een tattoo laten zetten om z'n spieren te benadrukken, of heeft hij spieren gekweekt om zijn tatoeage onder de aandacht te brengen? Vraag het hem gerust als u deze man tegenkomt.

Een jong stel vraagt om al kussend en rokend op de foto te mogen staan. De fotograaf zegt 'oké', vraagt zes euro en gaat zich een Irish coffee bestellen. Het leven zit soms eenvoudig in elkaar.

Dries Eeckhaut en Jeroen De Temmerman ontvangen een nieuwe voorraad Irish coffee. 'Past dit wel bij het ideaalbeeld van de Gentse Feesten?', vraagt Dries zich af.

Een nieuwe voorraad schuim daalt neer over de massa. Zodoende blijft iedereen toch een beetje proper.

Vlokken schuim tooien het gestileerde kapsel van Stijn Baert. 'Als mijn haar hier hinder van ondervindt, stap ik naar de flikken', dreigt Stijn binnensmonds.

Ook Nicholas Courant ontsnapt niet aan de kunstmatige sneeuw. 'Maar zolang er geen flikken uit de lucht vallen, klagen we niet', lijkt de algemene consensus.

Yves beschermt zijn kapsel tegen het neerdwarrelende schuim. Zijn neomoderne coupe zullen ze alvast niet verbrodden.

Een lichtelijk gehandicapte medemens komt de vredevolle harmonie van de Vlasmarkt verstoren door met zijn kar tussen het volk te sjezen. Lichtelijk gehandicapten zouden hun plek moeten kennen.

Na uren en uren drinken beginnen sommige wallen wel erg zwaar door te hangen. 'Maar morgen is er een nieuwe dag, tegen dan zullen ze wel weer op hun plek hangen. Hoop ik', prevelt de eigenaar.

Een jonge vrouw met afropruik neemt het volledige beeld in beslag. Dat is goed, zo wordt u niet geconfronteerd met het mottige gelaat van de zatlappen achter haar.

Een stijlvolle dame heeft speciaal haar witte laarzen aangetrokken voor de Feesten op de Vlasmarkt.

Een vreemdeling van onduidelijke komaf probeert het meisje Lauke te verleiden. Zij valt voor zijn bril, maar niet voor de ogen die erachter schuilen.

'Ik had haar bijna', zegt een vreemdeling over het meisje dat hem net ontglipte. 'Had ik ze nu nog net íéts dieper in de ogen gekeken, dan was ze de mijne.'

Lauke glimlacht opgelucht. Ze is weer eens ontsnapt aan charmeurs van onduidelijk allooi. 'Het is toch belangrijk dat verleiders goed ter taal zijn', weet de immer kritische Lauke.

Sommige mensen hebben geen bed met satijnen lakens nodig voor romantiek. De Vlasmarkt volstaat.

Sommige mensen hebben geen bed nodig voor een deugddoend dutje. Een trede volstaat.

Na de fotograaf is David Van Belleghem met voorsprong de meest frisse vierder op de Vlasmarkt. Hem zullen ze niet gauw naar huis drinken.

Ivo, bij zijn vrienden beter bekend als UFO, geniet van een pilsje. Zijn hoedje is van een of ander exclusief merk dat enkel verkocht wordt in de Zeeman.

Twee volhouders maken met gebarentaal duidelijk dat zij best aangename kerels zijn om mee op te trekken. Mensen die daaraan twijfelen, nemen beleefd een slokje van hun biertje of kijken wat doelloos rond.

Vuiligheid wordt opgekuist met een trekker. Niets hightech, gewoon noeste handenarbeid. Jobcreatie is weer helemaal in.

Een man probeert een hoop bekers op een hoopje te borstelen. Je moet je ergens mee kunnen bezighouden, hé, als je om negen uur 's ochtends nog op de Vlasmarkt staat.

Over de rassen heen ontstaat er verbroedering. Nima Jebelli had ontroerd een traan weggepinkt was hij nog present geweest. Dat kan hij dankzij deze foto alsnog doen.

Yves overschouwt tevreden de Vlasmarkt. Hier klopt zijn hart, hier stroomt zijn bloed, hier zal zijn geest ronddwalen mocht zijn lichaam ooit komen te verscheiden.

Adrien, telg uit het roemrijke Gentse geslacht Cocquyt, blijft stevig overeind op de Vlasmarkt. Een Cocquyt krijg je niet gauw klein.

Een putatieve prins eigent zich de troon van de Vlasmarkt toe. Onder zijn bewind zal het volk gratis bier krijgen en moeten alle flikken zichzelf in de nor draaien.

Enkele verschoppelingen zitten te wachten tot Ivago hen komt opscheppen. De fut is eruit, energie hebben ze niet meer, zelfs niet om de parasiet van een fotograaf weg te jagen.

Een man met West-Vlaamse roots monstert de leeggelopen Vlasmarkt. 'Het is goed geweest. Morgen komen we terug en hopelijk beleven we onder dezelfde omstandigheden een even glorieuze nacht', vat hij een en ander samen.

Angst en wanhoop

18 juli 2010

Er is nog maar één nacht Gentse Feesten gepasseerd en ik heb het gevoel dat we al een week verder zijn. Misschien heb ik dit weekend een beetje te veel hooi op mijn vork genomen, maar dronken ben ik nooit geweest. Gelukkig maar, want angst en wanhoop zijn nooit veraf.

Terwijl Afrikaanse muzikanten zingen van 'Jesus' alhier en 'Hallelujah' aldaar dansen Gentenaars alsof de wereld vergaat. Als zij zo blíjven dansen, vergaat de wereld liever vroeg dan laat.

Ik heb geschreven, geschreven, gedronken, geïnterviewd, gepokerd, geluisterd, gedronken en geschreven. Dat vat zowat mijn weekend samen. Geslapen heb ik nauwelijks, tenzij enkele uren in de zetel van mijn maat Matthias, die overigens gecast is als één van de vaste personages voor de volgende verslagen. Vandaag, zondag, heb ik hoofdzakelijk achter mijn bureau gezeten om zowel een reportage als een opiniestuk te schrijven voor de krant De Standaard.

Echte christenen

Nu ben ik moe. Een beetje leeg. Ik verlang naar mijn bed voor een hazenslaap van maximum vier uur. Daarna vertrek ik naar de Vlasmarkt, alwaar het ochtendgloren de mensen weer zot in hun hoofd zal maken.

Ik besef dat dit eerste verslag ontgoochelend kort zal zijn. Mensen willen lange dingen lezen van mij. Enfin, ik weet niet of de mensen dat echt willen, maar ík wil in ieder geval wel lange lappen tekst over de Gentse Feesten produceren. Alvast één lezeres kijkt daar zelfs naar uit, liet ze me via Twitter weten. Sorry, Hanne, ik hoop je morgen een langer verslag te kunnen aanbieden. Al weet ik zelf niet goed wanneer ‘morgen’ eigenlijk begint.

Los van dat alles heb ik zaterdagavond een enthousiaste groep Afrikanen muziek horen spelen aan het station. Ze deden dat djingeldjangelgewijs en zongen daarbij van ‘Jesus’ en ‘Hallelujah’. Meer lyrics hadden ze niet. Af en toe kwam een blanke madam het podium opgekropen om te zeggen: “Dit zijn echte christenen die houden van Jezus.” Eén van de laatste nummers in hun set was ‘No Jesus, no cry’. Ik ben nogal blij dat ik dat uit tweede hand vernomen heb.

Ongeziene felheid

Al pokerend vermijd je de drukte van de Gentse binnenstad. Wie wint, kan straks het meest trakteren. Zo is iedereen blij.

Er waren ook minder enthousiaste Afrikanen op de Feesten. Twee negers ontmoetten elkaar nabij Sint-Jacobs, waarbij de ene verkondigde: “Africa is free!” Waarop de andere veeleer somber repliceerde: “No, it’s not free.” Die tweede heeft gelijk, maar zal nog moeten oppassen: het verleden heeft vaak genoeg getoond dat zwarte mannen met realiteitszin slecht zijn in het ontwijken van kogels.

M’n maat Matthias is slecht in het ontwijken van mijn fotocamera. Op een bepaald moment werd het hem te veel. “Weg met die camera, Tim!”, beval die goeie, ouwe makker van me.

“Ja, Tim, Matthias wil zich de dingen herinneren zoals ze in zijn hoofd gebeurd zijn”, schoot Peter Moerenhout, een gemeenschappelijke maat die we koesteren wegens zijn parapsychotische inzichten, Matthias te hulp.

“Néén, ik wil de dingen vergéten. Maar Tim legt alles vast!”, weerlegde diezelfde Matthias meteen met ongeziene felheid.

Daar zag je weer de angst en de wanhoop opduiken. En branie. “Daarjuist liep iedereen hier rond met angst en wanhoop in de ogen”, bracht Peter me op de hoogte. “Angst dat ze een mot op hun muil zouden krijgen van de een of andere zatlap. Wanhoop uit vrees dat ze geen mooi wijf mee naar huis zouden kunnen nemen. Maar nu overheerst branie, met dank aan drank en illegale roesmiddelen. Die branie is op een manier nog triestiger.”

Meer heb ik niet opgeschreven in m’n notitieboekje. Daarmee moeten jullie het doen. Morgen zal ik nog wel wat foto’s uploaden van de zaterdagnacht. Die zullen mijn geheugen mogelijk verfrissen.

Overigens: wie mij straks tegenkomt op de Vlasmarkt mag mij altijd een ricard trakteren. Dat is goed voor mijn gestel.


Flattr this

Bart De Backer benut zijn volledige concentratie om zijn tegenspelers af te troeven bij het pokerspel.

De winnaars van de pokermatch rekenen uit hoeveel geld zij straks zullen verliezen bij het billijk trakteren van hun vrienden. De verliezers leunen buiten beeld grijnzend achteruit.

Een priester met zijn huishoudster. De pijn van het celibaat is niet besteed aan deze rekkelijke sjarel.

De stralen van de zon vallen net nog niet op de Vlasmarkt, maar met haar ochtendlijke glimlach zorgt Barbara Claus alvast voor warmte.

David Bratzlavsky kust angst en wanhoop weg bij z'n maat Peter Moerenhout. Zij komen voor elkaar op in een wereld die zichzelf niet meer redden kan.

Met een gesofisticeerd nektapijt vermijdt David Bratzlavsky dat er bier in zijn kraag gegoten wordt. Inventiviteit zit 'm in de details!

Nicolas Marichal verkoopt boterhammen op de Vlasmarkt. Ondanks de ferme slagschaduw komt z'n haakneus het beeld niet verstoren.

Mario is een bijzonder sociale mens die werkt in de daklozenopvang. Hij torst een bierton mee, maar staat die ondanks veelvuldige verzoeken niet af voor adoptie.

Volg

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 48 other followers