Antidemocraat

3 januari 2012

In De Morgen schreef collega Douglas De Coninck een artikel over Sharia4Belgium, de radicale moslimgroepering die nogal wat aandacht weet te vergaren. In zijn stuk nam Douglas enkele passages over uit een gesprek dat ik had met Fouad Belkacem alias Abu Imran. Hieronder vindt u het integrale interview.

Het artikel over Sharia4Belgium dat op 2 januari 2012 in de krant verscheen.

Dat Sharia4Belgium de laatste tijd nogal actief is. Vorige week werden tot tweemaal toe leden van het fundamentalistische broederschap in de boeien geslagen omdat ze winkelwandelaars trachtten te bekeren. Enkele weken geleden haalden ze nog vlotjes alle media met hun stelling dat het Atomium een afgodsbeeld is dat maar beter tegen de vlakte gaat.

De ‘dreigementen’ tegenover het blinkende monument lijken ludiek, maar wat Belkacem te zeggen heeft over de democratie en de rechtsstaat is dat niet. Met de glimlach verwijst hij de scheiding der machten naar de prullenbak. Geen enkele moeite neemt de man om zijn grote wensdroom – heel Europa knechten onder de regels van de sharia – te verbergen.

Vaak rijst de vraag of je dergelijke antidemocraten een forum moet geven. Ik heb me die vraag ook gesteld. Maar mijn nieuwsgierigheid is groter: ik wil weten wat die mensen te zeggen hebben. Dat iemand het eeuwig onafgewerkte proces dat democratie is, wil afschaffen ten gunste van een systeem dat 1.400 jaar lang geen millimeter evolutie heeft gekend, intrigeert mij. Ik ga ervan uit dat een dergelijk antidemocratisch gedachtegoed weinig kans maakt bij de hedendaagse westerling.

Geweld wil Abu Imran naar eigen zeggen niet gebruiken. Verder laat hij weinig twijfel over de doelstellingen van Sharia4Belgium: ‘De Belgische democraten zijn extremistische misdadigers, gevaarlijke mensen die gestopt moeten worden.’ Een gesprek met een antidemocraat in hart en nieren.

Onlangs bestempelde Abu Imran het Atomium nog als een symbool van afgoderij, maar neen, waanzin detecteer je niet in de blik van Fouad Belkacem (29), zoals zijn officiële naam luidt. Dit is de man die het hoge woord voert namens Sharia4Belgium.

Voor een moslim die zijn geloof op militante wijze belijdt en uitdraagt, heeft Belkacem een verrassend gevoel voor humor. “Ik ben Vlaming!”, antwoordt hij lachend wanneer ik pols naar zijn etnische afkomst. “Maar mijn ouders komen uit de grensstreek tussen Algerije en Marokko.” Een grens die hij overigens verwerpt, want de Maghreblanden vormen in zijn visie één geheel.

Achter zijn strenge baard gaat een guitig, jong gezicht schuil. Met een speelse glimlach om de lippen trekt de leider van de radicale moslimgroepering van leer tegen álle westerse waarden en álle westerse instellingen. Woensdag werden vijftien leden van het vreemde broederschap nog gearresteerd omdat ze zonder toelating hun boodschap stonden te verkondigen in Antwerpen.

“Als democraten openlijk zeggen dat zij democratie over de hele wereld willen verspreiden, en zelfs F-16’s sturen om ons plat te bombarden, dan is het maar een kleine moeite om in het hartje van Europa de democratie te verwerpen en op te roepen tot sharia en islam”, zegt hij uitdagend.

“De democratie staat op uitsterven. Langs alle kanten zijn er gaten en problemen. Daarom zie je overal oorlogen en nieuwe conflicten. Het is ermee gedaan. Het einde is nabij. Ooit zullen de Belgen inzien dat zij het slachtoffer zijn van een bende criminelen die met hun voeten speelt, die hen uitbuit en misleidt. Er zijn problemen en wij hebben de oplossing. Spijtig genoeg is de westerse geest zo bekrompen dat men niet meer naar de feiten kijkt.”

Of de westerse burger heeft helemaal geen zin om de democratie overboord te gooien en zijn toevlucht te zoeken tot de islam en sharia?
Abu Imran: “Wij hebben niet gezegd: word moslim. We vragen om de zaak even te bekijken. De criminaliteit is torenhoog. Er is een politieke én een economische crisis. Over de hele wereld is er oorlog, mee gefinancierd met het geld van Belgische belastingbetalers. De Belg moet gaan werken, zijn rijkdommen worden hem afgepakt zodat Pieter De Crem (CD&V) de cowboy kan uithangen in Libië om zichzelf te bewijzen aan zijn afgoden en heren in de Verenigde Staten. ‘Het is een eer voor mij om de Amerikanen te dienen’, zei hij op televisie. Is het niet schandalig om dat te weten en er niets aan te doen?”

Je kunt wel iets doen. Bij de volgende verkiezingen bijvoorbeeld niet meer stemmen op Pieter De Crem.
“Een oplossing binnen de democratie? Je wilt het systeem dus gebruiken tegen het systeem zelf?”

Pieter De Crem is niet het systeem. Hij is maar een deel van de democratie.
“Wij zijn flexibel. We vegen gewoon het hele systeem van de kaart en installeren een zuiver, goddelijk systeem dat perfect is. Dat is het speciale van onze ideologie, van ons geloof. Het is niet gebouwd op mensen, die gecorrumpeerd kunnen worden.”

Een islamitische staat heeft toch ook leiders nodig?
“Een kalief dient de wetten van Allah te gehoorzamen. Als hij dat niet doet, zal het volk hem ter verantwoording roepen. In de democratie heb je een ambtstermijn en kun je vier jaar het varken uithangen. Pas als je ambtstermijn erop zit, kunnen we weer op jou of iemand anders stemmen. In de sharia bestaat dat niet.”

Is er momenteel één land waarvan u zegt: daar zijn ze op de goede weg?
“Neen. Tussen 1995 en 2001 kwam Afghanistan in de buurt onder het leiderschap van Mullah Omar – moge Allah hem beschermen. Ze waren nog maar begonnen met de implementatie van de islamitische staat, maar door de invasie van het Westen heeft het niet mogen zijn. Vierenveertig landen kwamen Afghanistan platbombarderen en nu klagen zij over de chaos en de miserie. Had de mensen dan toch met rust gelaten.”

“Wij hebben 1.300 jaar geleefd onder de sharia. Al die tijd hebben we bewezen dat we het kunnen. De moslims zijn toen tot in Spanje, Frankrijk en Oostenrijk geraakt.”

Zou een ongelovige ongelovig mogen blijven in een islamitisch België?
“Zolang hij zich houdt aan de sharia is er geen probleem. Als hij beschermgeld betaalt, worden zijn rijkdom, zijn eer en zijn bloed beschermd. Niemand heeft het recht hem aan te raken.”

Dus als atheïst zal ik niet opgejaagd worden?
“Zolang je beschermgeld betaalt en je je houdt aan de wetten, zoals de heiligen en de godsdiensten respecteren. Wij adviseren de mensen wel om moslim te worden, maar we kunnen je enkel aanmoedigen. Als je niet overtuigd bent: oké, geen probleem. Betaal beschermgeld – 20 euro per jaar – en je geniet onze volledige bescherming. Prachtig!”

Als u de Belgische partijprogramma’s – los van de ethische kwesties – bekijkt, bij hetwelk leunt uw visie dan het dichtst aan?
“Eerlijk gezegd bij geen enkel programma. Het enige in deze democratie waarin ik mij kan vinden, is dat een persoon het recht heeft om één dag per week te rusten. Voor de rest mag het hele wetboek naar de hel.”

Als er verkiezingen zijn, gaan jullie dan eigenlijk stemmen?
“Absoluut niet. Ik zou graag hebben dat alle moslims hun geloof beschermen. Iemand die gaat stemmen, bevestigt dat een parlementariër of een minister het recht heeft om wetten te maken naast Allah.”

Wie gaat stemmen, is medeplichtig?
“Tuurlijk. Zo zit democratie in elkaar. Jullie stemmen op misdadigers die jullie uitbuiten. Dat slaat nergens op.”

Er bestaan geen politici met een oprecht engagement?
(schudt het hoofd) Spijtig genoeg zijn er wel nog heel wat naïeve mensen. De meeste kiezers lezen niet eens het partijprogramma, maar luisteren gewoon naar de mooie praat van de politici en naar de propaganda in de media. Kijk hoeveel stemmen Bart De Wever (N-VA), die sukkel, heeft gekregen. Wat heeft hij veranderd? 541 dagen heeft hij zitten spelen met de emoties en de rijkdommen van de Belgische inwoners. Dat is dan het hartje van Europa. Iedereen is trots om Belg of Vlaming te zijn, terwijl het meest onontwikkelde land ter wereld niet zoveel dagen nodig heeft om een regering te vormen.”

“In België moet je op alles wat je koopt, invoert of uitvoert belastingen betalen. Doe je dat niet, dan ben je een fraudeur en vlieg je in de gevangenis. Je rijkdommen worden je onrechtvaardig ontnomen. De Belgische regering buit de gemeenschap uit. Op de koop toe word je behandeld als een stuk vuil.”

U verzet zich tegen de Belgische rechtbanken omdat het symbolen zouden zijn van afgoderij.
“Dat klopt. Wij roepen moslims op niet naar de rechtbanken te stappen. Voor familiale zaken en maatschappelijke problemen bieden we een alternatief: een islamitische sharia-rechtbank. Allah heeft ons gezegd: ‘Als jullie geschillen of problemen hebben, regel dat dan in de traditie van de Koran.’ Ik kan me niet voorstellen dat een man samen met zijn godvrezende vrouw, de moslima met haar pure, zuivere status, naar de rechtbank zou gaan om een ongelovige een oordeel te laten vellen. (verontwaardigd) Hoe kan iemand zoiets in zijn hoofd halen? Onze zuivere, reine kinderen kunnen we toch niet meenemen naar de rechtbanken van een sm-rechter, een perverseling van een rechter die masturbeert tijdens de rechtszaken. Hoe kun je zoiets doen?”

Vindt u het hier eigenlijk nog leuk in België?
“Natuurlijk, ik amuseer me de hele tijd. (lacht) Zoals je kunt zien in onze video’s heb ik altijd een glimlach op mijn gezicht. Ik voel me goed.”

Misschien is het door uw eeuwige grijns dat mensen denken dat jullie een toneeltje opvoeren?
“Dat is niet zo. Ik denk dat ik al voldoende bewezen heb dat we bloedserieus zijn. En een grapjas zou zijn huiswerk niet zo goed hebben gemaakt als ik. Wij bestrijden de ongelovigen met onze tongen.”

Begrijpt u dat de angst leeft dat jullie gewelddadige jihadisten zijn?
“Laat ons eerlijk zijn: iemand die geweld gebruikt, komt niet dagelijks in de media. Ik geef praktisch iedere dag een interview. Wij produceren drie video’s per week. We lopen op straat onze boodschap te verkondigen. We gebruiken provocatie en uitdagende uitspraken om de boodschap goed te laten overkomen – anders zat jij hier niet. Is dat het profiel van een jihadistische groepering? Terreurorganisaties werken zo niet. Die opereren ondergronds, je weet niet wie de leiders zijn.”

Is de politie al komen aankloppen om te controleren wat jullie eigenlijk allemaal uitsteken?
“Ik ben één keer uitgenodigd door de antiterreureenheid. Zelfs de cel antiterrorisme (van de federale gerechtelijk politie, TVDM) weet dat wij enkel provoceren. Eén van de hoofdinspecteurs zei: ‘Stop nu toch eens met dat uitdagen. Je weet dat het niet strafbaar is, maar telkens als je provoceert, komt er een klacht waar wij ons mee moeten bezighouden.’ (grijnst) Ik heb medelijden met de Belgische inwoners die zoveel belastinggeld betalen voor antiterrorisme, terwijl die inspecteurs daar de hele dag zitten te niksen. Dankzij ons hebben ze nog iets te doen. Eigenlijk bieden wij werkgelegenheid. (lacht)

Nadat jullie het Atomium hadden verketterd, zei Vlaams Parlementslid Yamila Idrissi (sp.a) over jullie: ‘Ofwel hebben we hier te maken met een gevaarlijke groepering ofwel met een bende dorpsidioten.’
“Een gevaarlijke groepering? Hebben wij ooit iemand aangevallen? Hebben we ooit iets misdaan – fysiek – aan de Belgische gemeenschap? Ik denk het niet. Wij provoceren, we gaan zelfs tot het uiterste om te provoceren en onze boodschap luid en duidelijk te laten overkomen. Maar wanneer hebben we iemand onrecht aangedaan? Het is eigenaardig dat Yamila Idrissi ons een extreme en gevaarlijk groepering noemt. Het zijn de misdadigers die de Belgische regering vertegenwoordigen die we als extremisten kunnen bestempelen. Ze doen alles om hun democratie te promoten en te verdedigen, zelfs al kost dat het leven aan duizenden moslims, zoals we hebben gezien in Libië. De Belgische democraten zijn extremistische misdadigers, gevaarlijke mensen die gestopt moeten worden.”

Als jullie niet gevaarlijk zijn, zijn jullie idioten.
“Als Yamila Idrissi de term ‘marginalen’ had gebruikt, had ik haar gelijk gegeven. Een marginaal persoon staat aan de rand, naast de maatschappij. Dat klopt: wij willen niet gelinkt worden aan democraten of aan westerse waarden en normen. Wij verwerpen die. Zij probeert ons belachelijk te maken, maar ik ben geen idioot.”

U kunt toch begrijpen dat het absurd overkomt als u over het Atomium zegt: ‘Weg ermee, want dit is afgoderij’?
“Ter verduidelijking: ik heb nooit gezegd dat wíj het Atomium zullen afbreken. Wat ik wel zeg, is dat mensen in de Brusselse stations sterven van de kou en de honger, terwijl de regering miljoenen pompt in een stuk metaal. In een islamitische staat zou dat niet gebeuren. Dan zouden we onze inwoners eten en drinken geven. Gratis. Zoveel mensen zijn het slachtoffer van het kapitalisme, terwijl dat stuk metaal aanbeden wordt als een afgod naast Allah.”

Ik ken niemand die dat stuk metaal aanbidt.
“Wat is het Atomium?”

Een voorstelling van een ijzermolecule.
“Is dat dan niet het symbool van België?”

Euh, neen.
“Waarom staat het dan afgebeeld op de eurobiljetten?”

Het staat op sommige euromunten. Omdat het een bekend monument is. Zoals er zoveel zijn.
“Waarom heeft onze video zo’n ophef veroorzaakt? Waarom hebben we zoveel dreigementen ontvangen in verband met het Atomium? Waarom zijn de mensen zo kwaad als het toch maar een stuk metaal is? Dan moet het wel een afgod zijn waarvoor mensen affectie en liefde tonen.”

Mensen zouden ook kwaad zijn als u het Viaduct van Vilvoorde zou bestempelen als een afgod die neergehaald moet worden.
“Ik denk het niet. (glimlacht) Mensen zouden waarschijnlijk blij zijn als het Viaduct van Vilvoorde wordt neergehaald.”

Bent u altijd al even sterk gelovig geweest?
“Neen. Ik ben een bekeerling. Negen jaar geleden ben ik bekeerd tot de islam. Ik ben geboren en getogen in dit land. Ik ben opgegroeid tussen jullie. Ik kom dus niet van Mars. Erger nog: ik ben naar een katholieke school gegaan! (grijnst) Het heeft niet veel uitgehaald.”

Op uw twintigste bent u bekeerd?
“Ongeveer. Ik ben goed bezig: nog maar 29 en de meest gehate man van Vlaanderen. (lacht)

Hoe kwam dat zo plots?
“Allah leidt wie hij wil, zoals hij ook laat afdwalen wie hij wil. Maar het is niet dat ik een homo was en plots moslim werd. Ik ben opgegroeid met de islamitische tradities. Mijn ouders belichamen de traditionele islam van Marokko of de Maghreblanden. Zij knikken braaf van ja. Dat doen wij niet.”

Jullie zijn modern?
“Modern zou ik niet meteen zeggen. Onze ouders stammen uit de tijd van de kolonisatie. De islamitische landen waren gekoloniseerd door de Europese grootmachten. Die mensen zijn opgegroeid in een sfeer van dictatuur. Wat verwacht je dan dat er uitkomt?”

Schapen.
“Inderdaad. Traditionele ja-knikkers. Wij daarentegen zijn opgegroeid in een milieu van rebellerende gedachten. (grijnst) Freedom of speech!

Dus jullie zijn wat jullie zijn dankzij de democratie?
“Neen, dankzij Allah. Hij heeft de realiteit zo in elkaar gestoken dat hij zijn dienaren heeft gekozen in het hartje van Europa. Had iemand zich veertig jaar geleden kunnen inbeelden dat de oproep tot sharia vanuit België zou vertrekken? Ik ben er zeker van dat Allah heel grootse plannen heeft met de moslims van Europa.”

Moslims zijn nu nog een kleine minderheid in België en Europa. Hoe gaan jullie de boel overnemen?
“Tegen 2030 is zeker meer dan de helft van België moslim, zo heb ik gelezen in een Amerikaans onderzoek. (Volgens het Pew Research Center zal 10 procent van de Belgen tegen dan moslim zijn, TVDM) Wij proberen dat te versnellen. Als elke moslim vier vrouwen heeft en elke vrouw vijf kinderen baart, dan zijn dat er twintig in totaal. Dan komen we er heel snel, aangezien de autochtonen met moeite één kind voortbrengen. Maak de berekening zelf maar. Het zal heel snel gaan.”
“Eén op de vijf kinderen die in Antwerpen geboren wordt, is een moslim. Op bepaalde scholen zitten praktisch geen autochtonen meer. Het ziet er echt niet goed uit voor Filip Dewinter en Geert Wilders. Daarom zeg ik ook: aanpassen of opkrassen. Leg er u gewoon bij neer. De islam komt, zal domineren en zal blijven domineren. Ik zou me maar al beginnen voor te bereiden.

Opkrassen? Waarheen? Antartica?
“Laten we ons even voorstellen dat alle extreem rechtse en islamofobe mensen vertrekken naar Antartica en daar een staat van ongelovigen oprichten. Ook daar kunnen mensen zich bekeren en moslim worden. Plots zullen we daar staan, oproepend tot de sharia. Waar ze ook gaan, de hele wereld zal gedomineerd worden door de islam en de sharia. Ga naar de maan, en wij zullen er staan. Vlucht naar de bodem van de oceaan, en wij zullen er staan. Er is geen ontsnappen aan. De islam zal overal zijn.”

Daar bent u volledig zeker van?
“Drieduizend procent. Daar twijfel ik geen seconde over.”

Als de islamitische staat in België er ooit komt, wie zal dan de leider zijn? Wordt die verkozen door het volk?
“Onze profeet heeft duidelijke voorwaarden gesteld waaraan een leider moet voldoen. De lijst is lang. Een raad van geleerden zal bestuderen op wie die voorwaarden van toepassing zijn. (glimlacht)

Is er nu al iemand die in aanmerking komt?
“Die is er, zonder enige twijfel. (kamerbrede grijns)

Slikken

8 oktober 2011

Moeder, waarom slikken wij? Een prima artikel van Nico Schoofs op voorzet van uw dienaar.

Vandaag staat er een uitstekend artikel van Nico Schoofs in De Tijd: ‘Moeder, waarom slikken wij?’ Het gekke is dat ook mijn naam vermeld wordt bij de credits.

Dat zit zo: vorige week maakte ik al een eerste versie, maar het ontbrak me aan informatie, ervaring en tijd om het meteen bol te werken volgens de maatstaven van het financieel-economische dagblad. Ik schreef een voorzet, Nico gaf er een eigen draai aan en werkte af zoals het hoort.

Als journalist moet je weten wat je kunt en wat je niet kunt. Ik durf te zeggen dat ik een goede reportage kan schrijven. Maar of ik ook een goed artikel kan schrijven over een tamelijk technisch onderwerp als psychofarmaca, daar ben ik (nog) niet zo zeker van. Nico Schoofs kan het in ieder geval wel. Hulde aan hem.

Gelukkig haal ik nog een beetje eer door de titel: die is wel volledig van mij. Moeder, waarom slikken wij? Enkele antwoorden van kinderpsychiaters Emmanuël Nelis en Eric Schoentjes.

Tachtig procent van de Rilatine die in België geslikt wordt, passeert door een Vlaams kinderkeeltje. Waalse minderjarigen wenden zich vooral tot neuroleptica. Maar altijd luidt dezelfde conclusie: kinderen uit een kansarm gezin krijgen de meeste psychofarmaca te slikken. Een enkele keer tot de dood erop volgt.

Jelle De Smaele vierde op 16 oktober 2008 zijn vijfde verjaardag. Nog geen twee weken later, op een sombere eerste november, vond mama Cindy Van Wayenbergh hem levenloos in zijn bedje. Doodsoorzaak: vergiftiging. De avond tevoren had hij een overdosis Dipiperon gekregen, het medicijn dat van hem een braaf ventje moest maken. Want Jelle was een ADHD’er en als ADHD’ers stout zijn, krijgen zij niet alleen het stimulantium Rilatine maar ook een neurolepticum, zoals Dipiperon er één is.

Van Wayenbergh stond terecht voor het Gentse hof van assisen en kreeg deze week levenslang voor de moord op haar zoontje. Gedurende de twee weken voor zijn dood had zij de dosis Dipiperon stelselmatig verhoogd. In de rechtszaal reed de vrouw uit Geraardsbergen zich vast in een resem makkelijk te doorprikken leugens – ze torst een IQ van amper 77 – waarna ze alsnog toegaf dat ze een heel flesje Dipiperon in een beker had gespoten en het haar zoon had laten opdrinken. Zo’n flesje bevat 60 ml van het medicijn, terwijl experts er dinsdag op wezen dat 20 ml al een overdosis betekent, zeker voor een kind. In het bloed van de jongen vond men een concentratie Dipiperon die vijftig maal hoger was dan de toegestane dosis.

‘Dit geneesmiddel wordt enkel gebruikt als het noodzakelijk is. Dipiperon is een relatief zwaar medicijn. De werking bij kinderen is nog niet echt onderzocht’, vertelde gerechtsarts Michel Piette vorige week dinsdag aan assisenvoorzitter Bart Meganck. Het werkzame bestanddeel, pipamperon, beïnvloedt de neurotransmitters in de hersenen. Het medicijn van Janssen Pharmaceutica wordt vooral toegediend aan mensen met een psychose, zoals schizofrenie of een achtervolgingswaan. Het wordt ook voorgeschreven aan ouderen die gewelddadig verdrag vertonen.

‘Dipiperon wordt voornamelijk in België en Nederland gebruikt’, zegt kinderpsychiater Eric Schoentjes (UGent). ‘Gezien het profiel van het medicijn – het heeft minder bijwerkingen en een milder effect dan andere neuroleptica – wordt het ook aan kinderen met gedragsmoeilijkheden voorgeschreven. Er is veel klinische ervaring, ook bij jonge kinderen. Het product heeft zijn nut bewezen en het is niet ongewoon dat artsen Dipiperon voorschrijven. Dat is zeker niet onverantwoord. Maar het is natuurlijk altijd een kwestie van afwegen. Net zoals je geen methadon geeft voor een hoofdpijn.’

Ook kinderpsychiater Emmanuël Nelis van het Brugse AZ Sint-Lucas hoedt er zich voor om Dipiperon een gevaarlijk product te noemen: ‘Een medicijn is veilig wanneer het verschil tussen de therapeutische en de toxische dosis groot is. Zolang Dipiperon binnen bepaalde marges gebruikt wordt, is het veilig.’

‘Dipiperon is in principe niet voor kinderen bedoeld, maar als er voldoende controle is, heeft de arts de therapeutische vrijheid om het medicijn voor te schrijven’, zegt Jan Depoorter van de Algemene Pharmaceutisch Bond (APB). ‘Het middel is enkel op voorschrift te krijgen. Doordat het in druppels toegediend wordt, kun je de dosis perfect aanpassen voor kinderen. De ouders moeten er natuurlijk wel verantwoordelijk mee omspringen.’

De moeder van Jelle De Smaele deed dat niet: sinds het begin van de behandeling in januari 2008 had de vrouw 2,6 keer meer Dipiperon in huis gehaald dan nodig was. Van Wayenbergh beschikte over genoeg Dipiperon om twee flesjes door te verkopen aan haar buurvrouw, voor het geval ook dier kinderen lastig begonnen te doen. Hoe was ze daarin geslaagd? Expert Roy Van Cauwenberghe, inspecteur bij het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten (FAGG), wees naar dokter Marc De Lombaert, die het Dipiperon had voorgeschreven: ‘Op slechts één van de negen voorschriften van dokter De Lombaert stond de posologie vermeld. Nochtans is dat altijd verplicht.’ De posologie is de dosering die een dokter op maat van de individuele patiënt voorschrijft.

Een probleem bij Dipiperon is dat het bij kinderen off-label wordt voorgeschreven. ‘Dat wil zeggen dat er in de bijsluiter niets staat over het gebruik bij minderjarigen’, legt Emmanuël Nelis uit. ‘In de praktijk gebeurt dat vaak met psychofarmaca. Bij slechts twee neuroleptica staat het gebruik bij kinderen beschreven in de bijsluiter: resperidon en aripiprazol. Tegenwoordig schrijf ik nog maar zelden Dipiperon voor, vroeger gebeurde dat iets meer. In het geval van ADHD is het medicijn maar de zesde of zevende keuze: er moet ook sprake zijn van agressief gedrag.’

Uit de cijfers van het Riziv, het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering, blijkt in ieder geval dat apothekers de laatste twee jaar minder Dipiperon verkochten voor minderjarigen. In 2008 ging het nog over 84.496 doorsneedagdosissen. In 2010 waren dat er maar 81.140 meer. Tegelijk tonen de statistieken wel dat het gebruik bij zeventienjarigen gestegen is: van 8.356 in 2008 naar 11.488 in 2010.

‘Een apotheker weet dat hij voorzichtig moet zijn met geneesmiddelen voor kinderen. Ik ben er bijna 100 procent zeker van dat iedere arts bij het eerste voorschrift zeer goed zal uitleggen hoe het medicijn gebruikt moet worden’, zegt Jan Depoorter van de APB. Daar hamerde dokter De Lombaert ook op in de Gentse assisenzaal: ‘Ik heb de dosering ontelbare keren doorgenomen met de moeder van Jelle: vijftien druppeltjes per dag, geen druppel meer.’ Even later liet hij zich wel ontvallen dat hij dacht dat de flesjes Dipiperon kleiner waren.

‘Het behoort uiteraard tot de plicht van de arts dat hij op elk voorschrift noteert hoe je een product moet gebruiken’, merkt kinderpsychiater Schoentjes op. ‘Maar je moet erop kunnen rekenen dat ouders op een verantwoorde manier omspringen met dergelijke medicijnen. De verantwoordelijkheid ligt uiteindelijk nog altijd bij hen.’

Stappen ouders niet al te gemakkelijk naar een dokter voor een pilletje of een druppeltje als hun kind te lastig doet volgens hen? ‘Het gebruik van psychofarmaca is schijnbaar eenvoudig. Een opvoedkundige of psychotherapeutische aanpak vergt veel meer inspanningen, zowel van de therapeut, van de patiënt als van de omgeving. Dan lijkt een pilletje slikken gemakkelijk, misschien te gemakkelijk. Daardoor worden er soms te snel psychofarmaca voorgeschreven’, erkent Schoentjes. ‘Ook is psychofarmaca toedienen niet de enige oplossing. Er zijn veel alternatieven om kinderen met psychiatrische problemen te helpen, zoals psychotherapie of opvoedingssteun.’

Tegelijk stipt de Gentse kinderpsychiater aan dat het spijtig is dat kinderen minder gebruik kunnen maken van medicijnen die inwerken op het psychisch welbevinden. ‘Dat is jammer, want psychofarmaca hebben wel degelijk een vooruitgang betekend in de behandeling van mensen met psychiatrische problemen.’

Waarom zijn dergelijke producten minder beschikbaar voor kinderen? ‘Daar zijn verschillenden redenen voor, zowel eerbare als oneerbare. Om te beginnen kun je psychofarmaca pas gaan gebruiken als zo’n product goed onderzocht is. Er zijn heel strenge regels en dat is een goede zaak. Terecht zijn de regels voor het gebruik bij kinderen nog veel strenger. Het zijn tenslotte kwetsbare wezens. Maar net door die strengere regels is de financiële kost voor aanvullend onderzoek hoog. Farmabedrijven zijn geen liefdadigheidsinstellingen. Zij hebben aandeelhouders die een dividend verwachten. Hun finaliteit is winst maken. Dat betekent dat bedrijven minder investeren in onderzoek naar het gebruik van psychofarmaca bij kinderen.’

Daarnaast hebben psychofarmaca geen al te beste naam bij de publieke opinie. Om de haverklap verschijnt er wel ergens een artikel dat het overmatige gebruik van Rilatine aan de kaak stelt. ‘Het is op zich gezond dat de samenleving terughoudend is tegenover het gebruik van psychofarmaca’, vindt Emmanuël Nelis. ‘Het bijsturen van de hersenfuncties van kinderen met medicijnen wekt een zekere weerstand op, terwijl mensen het voorschrijven van geneesmiddelen tegen astma heel normaal vinden. Er is nog een hele weg af te leggen op het vlak van wetenschappelijke betrouwbaarheid. De kennis is vaak zeer beperkt. Persoonlijk denk ik dat er te veel antidepressiva worden geslikt. Vaak hebben zij bij kinderen slechts de efficiëntie van een placebo. Er is onderzoek gebeurd bij minderjarigen, maar voor depressie halen de meeste antidepressiva de bijsluiter niet. We moeten dus voorzichtig zijn.’

‘De media berichten zelden positief over psychofarmaca. Dat mogen ze doen, maar het zaait verwarring bij ouders die een oplossing zoeken voor hun kind’, reageert Schoentjes. ‘Soms wordt er uitgegaan van de veronderstelling dat psychofarmaca sowieso te gevaarlijk zijn voor kinderen. Maar als er aanwijzingen zijn van de werkzaamheid, kun je kinderen de kans toch niet ontnemen om geholpen te worden?’

Aan de cijfers te zien moeten er in Vlaanderen blijkbaar zeer veel kinderen geholpen worden met psychofarmaca. Volgens cijfers van het Riziv slikten in 2007 niet minder dan 18.607 minderjarige Vlamingen Rilatine, een product van de Zwitserse farmareus Novartis. In 2010 waren dat er al 22.595.

Het Riziv berekent ook hoeveel defined daily doses of doorsneedagdosissen er per jaar over de toonbank van de apotheker gaan. (De doorsneedagdosis is de gebruikelijke dagdosis van een geneesmiddel dat aangewend wordt in zijn voornaamste indicatie bij een volwassene.) In België ging het om 3,3 miljoen dagdosissen in 2007 en 4,6 miljoen in 2010. Rilatine vindt vooral in Vlaanderen vlot afnemers: in 2007 ging het om 2,8 miljoen doorsneedagdosissen. Voor 2010 noteerde het Riziv liefst 3,7 miljoen dagdosissen Rilatine. Dat betekent dat in België 80 procent van de dosissen door Vlaamse jongeren wordt geslikt. Voor alle duidelijkheid: het Riziv betaalt het geneesmiddel niet terug voor meerderjarigen.

‘Het gebruik van Rilatine zit inderdaad in stijgende lijn. Tien jaar geleden leek ADHD niet te bestaan, maar het is opvallend dat het zo blijft stijgen. Ik kan moeilijk geloven dat tien procent van de jongeren ADHD’er zou zijn, maar dat is een persoonlijke bedenking’, laat Jan Depoorter weten.

Vooral het verschil tussen het noorden en het zuiden van het land is merkwaardig. ‘Wallonië gebruikt meer neuroleptica dan Vlaanderen, waar er meer ADHD-medicijnen voorgeschreven worden’, weet kinderpsychiater Nelis. ‘De reflex in de Waalse cultuur lijkt eerder te zijn om stress tot rust te brengen. In Vlaanderen schrijft men meer stimulerende middelen voor om de efficiëntie en de concentratie te vergroten. Het verschil is hallucinant.’

De kinderpsychiater uit Brugge wijst erop dat er ook sociale verschillen bestaan in het gebruik van psychofarmaca: ‘Armoede is één van de belangrijkste risicofactoren bij mentale weerbaarheid. Ook bij minderjarigen uit arme gezinnen zien we dat het gebruik van psychofarmaca groter is.’

Hoe komt dat? ‘Onze omgeving is die van een industriële samenleving die het goed stelt. Fysiek zijn we nauwelijks nog kapot te krijgen door ziektes die vroeger wel dodelijk waren. Maar de lat lag vijftig jaar geleden veel lager, terwijl de prestatiedruk nu veel hoger is, ook bij minderjarigen. Zo’n zestig procent kan daar goed mee overweg, maar 20 procent van de kinderen absoluut niet. Zij vallen meer op dan ooit. Daardoor ontstaat een nieuw onderscheid: je mentale functies. In Afrika bestaat dat onderscheid niet. Daar ben je al mee als je nog maar een beetje kunt lezen en schrijven. Hier niet. Bij ons moet je kunnen lezen en schrijven, kunnen rekenen, kunnen multitasken, met de computer kunnen werken en reeds op jonge leeftijd keuzes maken over relaties, seksualiteit en vrijheden’, somt Nelis op. ‘Er zijn echter jongeren die niet intelligent, handig of sociaalvaardig zijn. Iemand met een aandachtsstoornis valt nu veel meer op. Het verschil is duidelijker. Wat doen we met hen?’

Psychofarmaca zijn een klein deel van het antwoord, volgens Nelis. ‘Onderwijs en vrijetijdsbesteding voor jongeren zonder speciale vaardigheden zijn ook erg belangrijk. Als je niet kunt voetballen, geen muziek kunt spelen of niet handig bent, val je overal tussenuit. Verveling is de regel bij onze kwetsbare doelgroep. Zij hangen rond in de stad en de commerciële sector pikt ze op. Daar vallen ze ten prooi aan verslavingen, zoals cannabis of de computer. Dat is een uitdaging voor onze maatschappij.’

‘Er is het laatste decennium een zeer grote toename geweest van het gebruik van Rilatine, neuroleptica en antidepressiva bij jongeren’, stelt ook Eric Schoentjes vast. ‘Dat is een positieve evolutie in die zin dat er nu meer kennis over vergaard wordt. De toename moet wel goed gemonitord worden, maar je mag het kind niet met het badwater wegsmijten. Ook in andere takken van de geneeskunde is er veel minder onderzoek naar het effect van medicijnen op kinderen, die nu eenmaal een andere stofwisseling hebben dan volwassenen. Maar als een kinderarts een geneesmiddel tegen kanker of astma voorschrijft waarvan de werking vooral onderzocht is bij volwassenen, wordt daar veel minder moeilijk over gedaan dan bij psychofarmaca, terwijl de situatie dezelfde is.’

‘Tegen een patiënt met astma zeg je toch ook niet: haal wat rustiger adem. Dat zou mishandeling zijn’, vult Nelis aan. ‘Maar je moet wel altijd afwegen hoeveel gezonde krachten er zijn. Een kind heeft vier leefwerelden: zichzelf, het gezin, de school en zijn vrije tijd. Je moet er je tijd voor nemen om daarnaar te kijken. Daarin verschilt de geestelijke gezondheidszorg fundamenteel van de rest. Inschattingsfouten ontstaan soms wanneer die vier leefwerelden onvoldoende onderzocht worden.’

Het is goed mogelijk dat dokter Marc De Lombaert zo’n inschattingsfout gemaakt heeft. Tijdens de zitting van het hof van assisen kon de man niet overtuigend aantonen dat hij een degelijk klinisch onderzoek naar de toestand van Jelle De Smaele had gevoerd. Wel beklemtoonde hij een zeer drukke praktijk te hebben waar veel OCMW-klanten over de vloer komen. De dokter erkende ook dat hij mogelijk te veel vertrouwd heeft op het verantwoordelijkheidsgevoel van de moeder en de stiefvader van de jongen.

Op de specifieke zaak van Jelle De Smaele wil Eric Schoentjes in geen geval ingaan, beklemtoont de kinderpsychiater. ‘Maar als een pilletje helpt, waarom zou je het dan niet voorschrijven als arts?’ Omdat de ouders misschien een opvoedkundig probleem hebben veeleer dan dat het kind een psychiatrisch probleem heeft? ‘Maar dan heeft het kind sowieso een probleem. Misschien komt er ooit wel een pilletje voor de ouders dat hun capaciteiten verhoogt om hun kinderen op te voeden?’, lacht Schoentjes. ‘Soms wenden ouders zich tot de alternatieve geneeskunde. Maar dergelijke producten moeten helemaal niet voldoen aan de strenge eisen van de klassieke geneeskunde. Er gebeurt veel minder onderzoek naar en niet elk poedertje is even onschuldig. Soms hebben dergelijke producten helemaal géén werking, maar evengoed blijken ze bijvoorbeeld nierfalen te veroorzaken.’

Ouders kunnen zelf nagaan of medicijnen iets vermelden over gebruik bij kinderen op de website kinderformularium.nl.

Ronse

26 september 2011

Samen met fotograaf Bas Bogaerts ben ik een nacht gaan zuipen in Ronse. Vorige week nog schreef Simon Demeulemeester, redacteur bij Knack.be, op zijn blog een brief aan burgemeester Luc Dupont. Daarin verwijt hij het stadsbestuur dat het te weinig politie inzet om iets te doen aan het vele geweld in de Parel van de Vlaamse Ardennen.

Reportage over Ronse in De Morgen. Bas kon fotograferen zonder dat zijn toestel stukgeslagen werd. Een overwinning!

Wij hebben niet op ons muil gekregen. Bas kreeg wel ambras met twee dronken dames van in de vijftig, maar verder moesten we niet voor ons leven gaan lopen.

Het enige geval van agressie dat we die avond meemaakten, was op de N60 richting Ronse. Een straalbezopen koppel in een BMW vond er lol in om telkens zeer bruusk te remmen vlak voor Bas’ stationwagon. Op een gegeven moment sprongen de zatte lieden uit hun wagen om op de ruiten te gaan kloppen. Dat alles op het tweede baanvak van een steenweg waar tamelijk snel gereden wordt. Man, wat zagen ze er kwáád uit. En wij weten nog altijd niet waarom.

Bon, ik heb rustig een foto genomen van die onnozelaars, de nummerplaat opgeschreven en verder eens goed gelachen met zoveel opgefokte dwaasheid. Bas was zich onderwijl sterk aan het inhouden om niet uit zijn wagen te springen en in het asfalt een gedetailleerde afdruk te maken van des chauffeurs gelaat.

Het verslag van het verdere verloop van de avond staat in De Morgen van vandaag. Hieronder de uitgebreidere special edition.

Ja, er heerst een degoutante geweldcultuur in de Parel van de Vlaamse Ardennen. Niet waar, de stad is net haar verval te boven aan het komen. De Ronsenaars reageren verdeeld op de brandbrief van journalist Simon Demeulemeester (DM 22/9). ‘Ronse is een bokaal: zet er twee schorpioenen in en ze zullen vechten.’

Alles is peis en vree wanneer we Ronse binnenrijden. De ondergaande zon werpt een gulden glans op de vele art-decohuizen. Het valt op hoeveel woningen te huur of te koop staan – in het Nederlands en het Frans, want Ronse is een faciliteitengemeente, gelegen aan de taalgrens. Hier koop je riante kastelen tegen een prijs waarvoor je in het verre Gent met moeite een half herenhuis krijgt. Enig nadeel: je zit er behoorlijk geïsoleerd van de rest van Vlaanderen. De E17, de dichtstbijzijnde (Vlaamse) autosnelweg, ligt op een halfuur rijden. Ten zuiden van Ronse, in de provincie Henegouwen, loopt wel de E429. Die verbindt de stad met Brussel.

Het stuk snelweg is niet de enige link tussen de grote Belgische hoofdstad en het kleine Ronse. ‘Petit Bruxelles’ wordt het Oost-Vlaamse stadje met z’n 25.000 inwoners weleens genoemd. Niet alleen vanwege de tweetaligheid en de fraaie architectuur uit de eerste helft van de twintigste eeuw, maar ook vanwege de jongeren van – vooral – Marokkaanse origine die steeds zichtbaarder in het straatbeeld opduiken. De allochtone gezinnen in Ronse komen vaak van de hoofdstad overgewaaid.

In de gepeperde brief die ex-Ronsenaar Simon Demeulemeester aan burgemeester Luc Dupont (CD&V) schreef, maakt hij gewag van een ware geweldcultuur. Het aantal agenten is volgens de jonge journalist te gering om de agressie onder controle te houden, laat staan in te dijken. Met zes agenten is er geen sprake van verhoogde waakzaamheid, argumenteert Demeulemeester.

Wij staan nog geen vijf minuten op de Grote Markt in Ronse of er passeert al een agent met een Mechelse scheper. Het luidruchtige Franstalige gezelschap op één van de terrasjes gaat er niet stiller door discussiëren. Is dit de verhoogde waakzaamheid? “Wees gerust, het is niet door de media-aandacht voor Ronse dat ik nu met een hond rondloop”, glimlacht de jonge politieagent vriendelijk. “Dit is mijn vaste partner.”

Is er iets aan van de berichten over de geweldcultuur in Ronse? “Ach, dit is de ruigste plaats van het arondissement, maar dit arondissement is wel het rustigste in de wijde omgeving”, sust de politieman. “Zelf ben ik eigenlijk maar een inwijkeling, maar toch hou ik van deze stad. Het kan er heetgebakerd aan toe gaan, maar evengoed is het een leuke plaats.”

Merkt hij dan niet dat er de laatste jaren meer geweld is? “Dat hangt af van weekend tot weekend. Soms moet je drie interventies op één nacht doen, soms geen enkele. Als politie komen wij wel altijd te laat, als de feiten al gebeurd zijn”, vertelt de agent. “Het jammere is ook dat wij wel mensen oppakken, maar dat we dan te horen krijgen dat er geen plaats is in de gevangenis én dat er geen enkelbanden meer zijn. Die gasten krijgen dan wel enkele voorwaarden opgelegd, maar ze staan zo weer op straat. De volgende keer dat ze tegen de lamp lopen, komt er gewoon een voorwaarde bij.”

We gaan ons licht opsteken in café Classic Tour op de Grote Markt. Merken de klanten dat er een geweldcultuur heerst in Ronse? “Natuurlijk klopt daar iets van. Maar waar zie je dat niet?”, repliceert Bernard (64), die samen met echtgenote Inge (59) en het bevriende koppel Martien (50) en Tia (46)* een zaterdags pintje drinkt. “Het is wel zo dat Ronse als grensstad relatief in verval is. De huizen zijn hier ook goedkoper dan elders. Dit is een faciliteitengemeente, waardoor er sneller kansarme Walen en allochtonen naar hier komen. Er zijn meer allochtonen in Ronse gaan wonen dan de stad kan dragen.”

“In Oudenaarde zie je dat veel minder”, vult Martien aan, die verder nauwelijks een goed woord over heeft voor zijn geboortestad.

“Onze kinderen wonen nu in Gent”, zegt Inge. “Toen ze nog in Ronse uitgingen, hebben ze verschillende keren vechtpartijen meegemaakt. Er was meer agressie in de cafés, ook omdat de politie niet tussenbeide kwam. Ik vind het doodjammer dat er zoveel armoede, leegstand en criminaliteit is. Je zit hier in een uithoek van Vlaanderen. Er is nauwelijks werk.”

“Dat is een misvatting”, reageert Martien. “Veel Ronsenaars werken in Ronse zelf. Maar er zijn ook veel werklozen. Vaak gaat het om mensen die niet de kwaliteiten hebben om hier aan een job te geraken.”

Tia, zelf geboren en getogen in Ronse, merkt op dat er de laatste twee jaar wel weer meer jonge mensen in het stadje komen wonen. “De omgeving is zeer mooi en in Ronse word je snel aanvaard”, zegt ze. Bernard knikt. “Je voelt dat er verval is, maar er is ook opbouw. De burgemeester doet zijn best om meer toerisme naar Ronse te halen. Maar echte Ronsenaars klagen nu eenmaal over hun stad”, grijnst hij.

Als we weer naar buiten stappen, zien we dat er op de Grote Markt een combi staat. De agenten mogen niet met ons spreken, maar laten toch verstaan dat ze hier nu al enkele weekends lang ’s nachts postvatten om de rust te bewaren. De cafébazen appreciëren de geste: volgens hen is er effectief minder geweld nu de politie een oogje in het zeil houdt.

“Al sinds drie maanden staat de politie op wacht”, zeggen Allison (20) en haar moeder Marilor (60), de bazin van café The Palace. “Bij problemen komen ze meteen tussenbeide. Er is nu meer veiligheid. Enkele maanden geleden zagen we veel meer vechtpartijen.”

Marilor is opgelucht dat enkele lastige klanten vorig jaar in de nor gedraaid zijn. “Het waren vreemdelingen. Jongeren tussen achttien en dertig jaar. We zagen ze vaak ook schade aanrichten aan geparkeerde wagens, maar dat is fel verminderd sinds de politie meer patrouilleert”, getuigt de Franstalige cafébazin.

“Toch blijft het moeilijk om volk naar ons café te lokken”, merkt Allison. “Mensen blijven thuis of gaan naar de discotheek. Ik weet niet hoe dat komt. Evengoed is het door het rookverbod.”

In de andere uitgaansbuurt van Ronse, de Kleine Markt, klinken echter minder positieve geluiden. “Vorige week is er hier op zaterdagochtend nog zwaar gevochten geweest. Opeens stopten er enkele auto’s en stond er een bende van vijftien man op het plein om te vechten”, zegt een cafébaas. “Sommige van die jongeren zijn al 25 keer opgepakt, maar lopen nog altijd vrij rond.”

Ook hij situeert de problemen bij de groter wordende onderlaag van de bevolking. “Er komen hier veel kansarmen mensen toe, vooral Walen en allochtonen. Velen zijn klant bij het OCMW”, zegt de cafébaas. “De werkloosheid in Ronse bedraagt bijna 15 procent. Nu is er in iedere stad met armoede wel sprake van overlast, maar dat dat ook in zo’n kleine stad als Ronse gebeurt, is erg. En de politie kan niets doen zolang er geen bewezen feiten zijn. De laatste twee jaar is het veel verergerd. Er is een groep jonge mannen die zich niet aanpast en volledig ontspoord is.”

“De heetste avond is de vrijdag. Dan staat het plein stampvol. De politie moet soms drie interventies per nacht houden. Om middernacht doen wij onze gordijnen naar beneden om oogcontact te vermijden. Vroeger waren we open tot twee, drie uur, nu maximum tot één uur. Het is spijtig dat wij ons moeten aanpassen aan de straat”, getuigt de man. “In mijn jonge jaren ben ik een linkse voorvechter geweest. We gingen de wereld veranderen. Maar met ouder worden zie je wel de realiteit. Pas op, ik zal nooit op een extreme partij stemmen, want dan houd je alleen slogans over. Maar je moet wel kunnen zeggen wat er aan de hand is. De politie zou harder moeten kunnen ingrijpen. Nultolerantie, zoals in Lokeren. Zo hebben ze daar hun problemen kunnen oplossen.”

Ondanks de ellende blijft hij Ronse graag zien. “Het is een mooi stadje. Ik woon hier graag. In dit grote dorp kent iedereen iedereen.”

Voor carnavalscafé Bommoss, eveneens op de Kleine Markt, staat een bende Ronsenaars gezellig zat te worden. ‘Keep On Smiling’ van Tom Jones schalt vrolijk door de luidsprekers. Maar zodra je mensen aanspreekt over de agressie in hun stad, worden ze bloedserieus. “Ja, er is veel geweld. Ge zoudt ervan verschieten. Ik ken veel mensen die niet meer buiten durven komen omdat ze bang zijn”, zegt Andy Maes (33). “Ik ben gelukkig groot: 2,05 meter. De meeste mensen zijn bang voor mij.”

De mééste, maar niet allemaal. Zeven jaar geleden werd Andy zelf het slachtoffer van agressie. “Dertien Marokkanen hebben me aangevallen. Ik heb een messteek gekregen onder mijn kin en één in mijn rug”, vertelt hij terwijl hij op het lange litteken onder zijn kin wijst. “Sindsdien ben ik toch wel een beetje racistisch. Maar op het Vlaams Belang stemmen doe ik niet. Ik stem blanco!”

Ook Andy wijt het geweld aan de kansarmoede. “Ik ben zelf een Waal, maar woon al zeventien jaar in Ronse. Nu heb ik gelukkig een job. Maar enkele jaren geleden was het onmogelijk om iets te vinden, zelfs al ben ik tweetalig. In een interimkantoor in Oudenaarde werden een Waalse vriend en ik afgeblaft. Werk vinden is het grootste probleem in de streek. Daardoor zijn veel jongeren gefrustreerd.”

Andy vertelt over de zware vechtpartij die vorige week zaterdag plaatsvond op de Kleine Markt, maar was er zelf niet bij. Eric Vandendaele (52), de echtgenoot van de bazin van de Bommoss wel. “Om vier uur hebben we het café gesloten, waarna ik met enkele vrienden naar het café hiernaast trok, De Clubman. Om zes uur kwamen we weer buiten. Twee Marokkanen zochten ruzie. Er ontstond geduw en getrek. Die ene gast viel met zijn achterste in een bloembak, waarop de andere het op een lopen zette. Maar even later stond hij hier terug met vijftien anderen. Ik heb mij kunnen verdedigen, maar mijn twee kameraden waren er erg aan toe”, doet Eric zijn relaas. “De politie is pas een half uur later toegekomen. Er zijn verschillende aanvallers opgepakt, maar de meesten zijn weer vrijgelaten.”

Eric is verbitterd over de aanpak van de burgemeester. “Die heeft meer patrouilles beloofd, maar heb jij ze hier al gezien? De voorbije drie uur heb ik ze hoogstens één keer zien voorbijrijden met hun combi. Terwijl ze weten hoe gevaarlijk het hier kan zijn op de Kleine Markt”, klaagt hij. “Als de politie het recht niet in handen neemt, zullen wij het zelf doen. Het lijkt nu al bijna alsof wij meer mogen dan hen. Het is spijtig dat ik het moet zeggen, maar op den duur zou je er racistisch van worden.”

Op straat komen we een jonge Marokkaan tegen. Nabil (24) is afkomstig van de beruchte wijk Maritime in Sint-Jans-Molenbeek, maar woont nu al enkele jaren in Ronse. Hij is uitsluitend Franstalig. “Het spijt me dat ik hier ben. Ronse is een bokaal. Zet er twee schorpioenen in en ze beginnen te vechten. Er is hier niets voor de jeugd. Geen cinema. Geen sportfaciliteiten. Geen werk. Enkel problemen. En onrechtvaardigheid. Alleen omdat ik Marokkaan ben, word ik regelmatig tegengehouden door de politie. Willekeurig.” De jongeman zucht gelaten. “Ronse is een put, in alle opzichten.”

Nabil ontkent niet dat er agressie is. “Natuurlijk is er veel geweld. Zeer veel zelfs”, beaamt hij. “Vaak gaat het om tieners die zich willen tonen. Ze drinken te veel, roken een joint en willen stoer doen zoals hun grote broer in Brussel.”

Aan één van de cafés in de stationsbuurt ontmoeten we de extraverte Vanessa Van der Eecken (33). “Ik ben een geboren en getogen Ronsenaar en ik heb nog nooit problemen gehad. Enkele jaren was het wel erger, maar nu zien we meer blauw op straat. De flikken doen hun best”, benadrukt ze fel. “Als je uitgaat voor de lol en de goede vrede, zul je geen problemen krijgen. Ik denk dat Simon Demeulemeester hier al lang niet meer geweest is.”

Ondertussen is het al voorbij middernacht. We hebben inderdtijd nog geen enkele opstootje gezien, behalve toen fotograaf Bas het halvelings aan de stok kreeg met twee doorzopen annex leeggekotste dames van boven de vijftig. Op de Grote Markt lijkt alles rustig. Op het terras van de Classic Tour genieten enkele vriendinnen van het nazomerweer. Een geweldcultuur kun je je hier niet bij voorstellen. “En toch durf ik niet alleen naar huis, hoewel ik amper 500 meter verder woon”, zegt Elke (31). “Als een allochtoon een sigaret komt schooien en je zegt dat je niet rookt, word je meteen uitgescholden voor ‘sale pute’.”

Twee jaar geleden is ze gewond geraakt bij een gevecht. “Er ontstond ruzie op een terras. De vechtersbazen begonnen met marmeren tafels te gooien. Eén is op mij beland. Ik had twee gebroken en twee gekneusde ribben. Toch sleurde ik me de volgende dag naar het politiekantoor om een verklaring af te leggen, maar dat werd uitgesteld. En nog eens. Toen ik drie weken later alsnog mijn verhaal deed, waren de camerabeelden van het voorval al gewist, want die worden maar twee weken bewaard”, zegt de jongevrouw misprijzend. “Ondertussen woon ik recht tegenover het politiekantoor. Toch is er al twee keer ingebroken bij ons. Hier is meer aan de hand dan enkel een onveiligheidsgevoel.”

Peggy (29) knikt. Zij is verpleegster in het ziekenhuis van Ronse. Elke week ziet ze slachtoffers van vechtpartijen toekomen. “Vaak met blauwe plekken, soms met snijwonden en af en toe zelfs iemand met een gebroken kaakbeen”, somt ze op. “Onlangs is er een jongen van zeventien aangevallen. Hij moest vervolgens één van de agressors pijpen. Dat is gewoon overdag gebeurd. De meeste vechtpartijen vinden wel ’s nachts plaats.”

Volgens Peggy durven vele slachtoffers geen klacht in te dienen. “De politie raadt zelfs af om klacht in te dienen. ‘Anders kennen ze je adres’, waarschuwen ze. Dat is toch niet meer normaal?”

* De meeste namen in dit artikel zijn pseudoniemen, tenzij de naam voluit staat.

Motoren

24 september 2011

Vandaag houden in Gent ruim 3.000 motorrijders een protestmars. Ze eisen veiliger wegen. Ze eisen dat de overheid ook eens aan hún fysieke integriteit denkt. Met motorjournalist Bart De Schampheleire ging ik op zoek naar enkele levensgevaarlijke punten voor motorrijders. Vandaag in De Morgen.

Een ferm ingekort artikel met een mooie foto van Jonas Lampens.

Soms bereid je een reportage al weken op voorhand voor. Met een gids die vaak in het buitenland zit en fotografen die een drukke agenda hebben, is een datum vastleggen geen makkie. Maar goed, uiteindelijk lukt dat toch en trek je op pad. Als de zon dan ook nog eens van de partij is, prijs je jezelf gelukkig.

Tot de actualiteit opeens tussen je plannen komt bromfietsen in de vorm van een opstappende Frank Vandenbroucke en een gevild Syrisch meisje. Dan wordt je reportage noodzakelijkerwijze geamputeerd – nieren en lever vliegen eruit, armen en benen worden bijgesneden en het hart van de tekst wordt ingesnoerd. Niets aan te doen, nieuws gaat altijd voor. Dat weet je als je schrijft voor een gazet.

Gelukkig staat er op internet geen limiet op het aantal tekens, zodat ik de oorspronkelijke, veel langere versie hier kan publiceren.

Veel rijplezier en wees voorzichtig in de bochten. Vangrails zijn er niet op deze website.

Vandaag houden vele honderden motorrijders een protestmars in Gent. Het staat ze niet aan dat er zoveel gevaarlijke plekken zijn op de Vlaamse wegen. Er wordt te weinig aan hen gedacht, luidt het. De Morgen liet zich op de motor rondrijden langs enkele verraderlijke punten.

We hebben afgesproken in Gent. Met een zware BMW 1.600 GT rijdt Bart De Schampheleire (35) de Kouter op. Hij heeft mee: een extra helm en een paar beschermende motorhandschoenen. Even later kruip ik nogal stuntelig op het passagierszitje van de kloeke tweewieler en hobbelen we door het drukke stadsverkeer.
De Schampheleire is een gids met ervaring. Motorrijden is zijn beroep: al vier jaar schrijft hij voor het magazine Motoren & Toerisme. Meer nog dan zijn bureau is zijn motor zijn werkplek. Als bereden journalist is hij voortdurend op de baan om nieuwe modellen uit te testen.

“We hebben geluk met het weer”, merkt De Schampheleire op. Inderdaad, voor de verandering regent het eens niet. Wel staat er ondanks de blauwe hemel een strakke wind. Stilletjes hoop ik dat ik niet van het passagierszitje zal waaien zodra we ons op de autosnelweg begeven. Maar eerst nemen we een kijkje aan het Gentse Lippensplein, een druk knooppunt waar zeven straten op uitkomen en twee tramlijnen passeren. Door het vele busverkeer ligt het wegdek er glooiend bij – zelfs het zebrapad lijkt een waar hindernissenparcours. De kasseien zijn af en toe voorzien van een vormeloze laag asfalt. De metalen plaat van de tramwissel ziet er best onschuldig uit, maar biedt geen centimeter houvast zodra het geregend heeft.

“Je mag hier maar 30 per uur. Maar als je zo traag over de kasseien rijdt, heb je miserie om overeind te blijven”, vertelt De Schampheleire. “Als je sneller rijdt, heb je daar minder last van. Maar als je dan in de remmen gaat en het heeft geregend, lig je er. Dan staat er honderd man te supporteren en te lachen, maar niemand zal je komen helpen.”

De volgende halte is de Willem Van Nassaustraat. Het is een korte maar steile kasseiweg nabij het Citadelpark. Het wegdek zit vol putten. Sommige zijn zo diep dat een creatieve stadsdienst er hekkens rond geplaatst heeft. SUV-bestuurders halen hier hun hart op, maar met een motor probeer je maar beter tussen de vele gaten te slalommen.

Slalommen is sowieso een must in de stad. Het valt me op hoeveel keer De Schampheleire moet uitwijken voor een plots overstekende voetganger. Je kunt je als motorrijder geen seconde onoplettendheid veroorloven. En dan nog kan het noodlot toeslaan, zo mocht mijn gids zelf ondervinden. Enkele maanden geleden kwam hij zwaar ten val door een overstekende kat. “Ik ben erover gereden en tegen de grond gegaan. Ik heb enkele ribben gebroken en mijn milt was beschadigd. Een stuk van mijn rug is nu gevoelloos”, zegt de motorjournalist.

De Schampheleire heeft geluk dat hij het ongeval nog kan navertellen. Zijn collega Ruben Van Den Bossche was minder fortuinlijk. Een te hoge vangrail werd hem fataal. ‘Hij is onder de vangrail gegleden en kwam met zijn rug tegen een paaltje terecht. Zijn ribben hebben zijn hart en longen geperforeerd. Dan is het meteen gedaan”, vertelt de motorrijder somber.

De te hoge vangrails zijn de reden waarom de protestactie begonnen is. Enkele maanden geleden raakte Lorenzo Millecaen (21) uit Evergem zwaargewond toen hij in het Gentse havengebied op de grond viel en tegen een paaltje van zo’n vangrail smakte. Op dezelfde plek, een helse bocht vlakbij de papierfabriek Stora Enso, vielen de voorbije drie jaar al acht doden en 23 zwaargewonden. Vader Marc Millecaen – zelf motorrijder – kon de onverschilligheid van de Vlaamse overheid niet langer verdragen en zette een grote protestmars op het getouw.

“Bij het uittekenen van de weginfrastructuur moeten motorrijders bijna als zwakke weggebruikers gezien worden. Maar motards krijgen de laagste prioriteit”, zucht De Schampheleire. “Je kunt niet eisen dat al je eisen perfect opgevolgd worden, maar soms zouden ze toch wat meer rekening mogen houden met ons. Als motorrijder begin je al met een achterstand omdat de mensen je als een halve zot beschouwen. Mijn baas zegt altijd: ‘Je moet er als motard altijd van uitgaan dat alle andere weggebruikers idioten zijn.’ Jij moet de problemen altijd proberen te voorzien en ervan uitgaan dat de rest jou niet ziet.”

We zetten koers richting de Vlaamse Ardennen, waar het niet alleen aangenaam cruisen is, maar waar de argeloze motorrijder ook al eens stevig verrast kan worden. De eerste halte is de spooroverweg aan het station van Gontrode, een deelgemeente van Melle. Die oogt ongevaarlijk genoeg, maar een jongen op een Dax stelt zich recht op de voetsteunen als hij de sporen oversteekt. Zelfs automobilisten gaan fors op de rem staan als ze de spooroverweg naderen. De Schampheleire laat me afstappen en demonstreert waarom: als je er met enige snelheid over rijdt, ga je met de wielen van de grond. Het lijkt wel een dubbele schans. “Als je vrouw achteropzit, ben je ze hier kwijt wanneer je niet remt”, waarschuwt De Schampheleire.

In Oosterzele toont hij ons een waar kunstwerk. De Schampheleire heeft er een gepaste naam voor: de Mondriaanse Steenweg. In de bewuste Meerstraat zijn hele stukken van het wegdek in het groen geschilderd. Waarom, dat is niet meteen duidelijk, maar wat wel zeker is, is dat de groene stroken spekglad worden zodra het een beetje geregend heeft. Eén groene strook bevindt zich ter hoogte van een vernauwing waar ook nog eens paaltjes staan, zodat motorrijders extra veel kans maken op levensbedreigende letsels wanneer ze uitglijden. Ook een kruispunt is helemaal in groene verf getooid.

Het gevaar is echter niet altijd even opvallend. Enkele kilometers verder, in het vredige Balegem, wijst De Schampheleire op een ogenschijnlijk onnozele hindernis. Het betreft de aansluiting van de Boerestraat op Walzegem. Die bestaat uit klinkers. De klinkers verzakken tegenover de betonnen platen van Walzegem, zodat er een hoogteverschil ontstaat van vier centimeter – precies op de plaats waar motorrijders een beetje hellingshoek moeten halen om de bocht te ronden. Geen probleem voor een wagen, maar voor een motor is het een verraderlijk obstakel, zeker als het donker en glad is. Opeens schiet je voorwiel weg en beland je in het decor of, erger nog, onder een voorbijdenderend landbouwvoertuig. “Iedere overgang met klinkers is gevaarlijk”, weet De Schampheleire. “Na twee jaar beginnen die klinkers gegarandeerd te verzakken.”

Om de rit wat avontuurlijker te maken neemt de motorjournalist ons mee naar de Lange Munte in Scheldewindeke. Op de woeste kasseibaan van wel twee kilometer lang beginnen mijn organen zowaar tegen elkaar te pogoën. Het heuvelachtige landschap rondom ons is prachtig en ik heb het gevoel dat ik het van zéér nabij zal leren kennen als de motor over een al te grote bobbel in het wegdek dendert. “Hier moet je wel snel rijden. Dan heb je minder last van de bulten”, zegt De Schampheleire nadien. “Het stomme is dat er een parallelweg is die veel beter berijdbaar is, maar om de een of andere reden staat die niet aangeduid.”

We laten de Vlaamse Ardennen achter ons en stuiven naar de E40. Daar verwacht je niet meteen veel obstakels, maar niets is minder waar. “De grootste blunder die men kon begaan, is de lichten doven op de autosnelwegen. Dat is dodelijk voor motorrijders. Ja, in Frankrijk is dat al lang zo, maar daar staan er langs beide kanten reflectoren. Hier zijn die er ook, hoor. Maar het gras staat een meter hoog, zodat je ze niet ziet”, sneert De Schampheleire. “De Franse autosnelwegen liggen er nagenoeg perfect bij, hier in België heb je soms gedurende honderden meters een teerstrook. Die worden spiegelglad als het regent.”

Hij toont ons een voorbeeld van zo’n teerstrook, op de E403 ter hoogte van het West-Vlaamse Ruddervoorde. Terwijl de wind hard zijn best doet om me van het passagierszitje te blazen zie ik dat wegenwerkers hun best hebben gedaan om de spoorvorming tegen te gaan. De twee geulen op de rechterrijstrook zijn opgevuld met teer. Comfortabel voor automobilisten, maar wat ben ik blij dat het niet regent.

Dergelijke gemakkelijkheidsoplossingen zijn niet het enige gevaar op de autosnelweg, weet De Schampheleire. Ook het tijdstip is belangrijk. “De vrijdagavondfile richting kust is het ergst. Mensen zijn moe na een week werken. Ze zijn niet meer bezig met autorijden en op de achterbank zitten op koop toe drie gillende kinderen met schopjes naar elkaar te smijten. Dan gebeuren er al eens ongelukken door onoplettendheid”, vertelt mijn gids.

“Ik begrijp ook niet dat de overheid en de verzekeringsfirma’s niet investeren in een voortgezette rijopleiding. Er zouden al meteen heel wat minder ongevallen gebeuren”, zegt hij overtuigd. “Met motoren kun je iets doen aan het mobiliteitsprobleem, maar de overheid beschouwt ons nog altijd als een slechte statistiek, een hindernis voor het verkeer.”

Volgens een studie van het onderzoeksbureau Transport & Mobility Leuven die deze week werd geplubliceerd, zou 10 procent meer motorfietsen op de autosnelweg zelfs 40 procent minder file betekenen. “Indien we – engiszins ambitieus – niet 10 procent maar 25 procent van de auto’s zouden vervangen door motorfietsen, dan is er van files, van verliestijden en van filekost al helemaal geen sprake meer”, schrijven de onderzoekers.

Tenzij natuurlijk wanneer het verkeer vastloopt door een zwaar ongeval, bijvoorbeeld wanneer een motorrijder het slachtoffer werd van ondoordachte weginfrastructuur. Als we in Beernem weer de E40 oprijden, wijst De Schampheleire op een grote witte pijl in de bocht van de oprit. “Ook gevaarlijk glad als het nat is. Ik ken deze bocht, maar als je dat niet weet, rijd je recht over die pijl en schuif je zo van de baan”, zegt hij. “Daar komt motorrijden steeds meer op neer: weten waar de gevaarlijke punten zijn en ze vermijden.”

Bloedpiet

11 juli 2011

Zaterdagochtend stond ik in mijn bloot gat in Gaasbeek, en vandaag in De Morgen. Dat alles zodat Spencer Tunick voor veel geld foto’s vol naakte mensen kan verkopen.

Vele mensen in hun bloot gat. Leutig dat ze dat vonden, zelfs al stonden ze te rillen dat de stukken ervan vlogen.

Nog voor het ochtendgloren op reportage gaan zonder uw kleren aan, dat valt eigenlijk best mee. Behalve dat het koud is, dat ge moe zijt, dat het regent, dat ge geen notitieboekje kunt bijhouden en ge moet vaststellen dat ge een bloedpiet hebt en geen vleespiet.

Slechts enkele uren voordat ik op een onmenselijk vroeg uur uit mijn bed moest, zat ik nog op een terras met een groep vrienden. Toen ze lucht kregen van de reportage waar ik naartoe was gestuurd, gaf dat aanleiding tot hilariteit. Inderdaad, ten koste van uw dienaar.

Vicky, die er nooit een probleem mee heeft gehad om luidkeels over intieme lichaamsdelen te beginnen, vond het een mooie aanleiding om voor de hele Groentemarkt het verschil tussen een bloedpiet en een vleespiet uit te leggen. Ze deed dat zelfs meermaals, opdat iedereen het toch goed begrepen had.

Welnu, wat is dat verschil? Een bloedpiet is een penis die naargelang de temperatuur en de staat van opwinding enorm in grootte kan variëren. Een vleespiet is een stuk saucijs dat in alle omstandigheden zijn lengte en dikte blijft behouden, maar af en toe van vorm verandert.

Adam en Eva hadden geen kleren. Daarom hield Eva zedig haar hand voor haar muis. Zoals één dame ook deed in Gaasbeek.

In de krant kunt ge het gelukkig niet zien – ondanks het visuele vernuft van fotografe Ans Brys is mijn slecht onderhouden lijf niet voorbij de scherprechters van de fotoredactie geraakt – maar ik heb dus een bloedpiet. Dat wil zeggen: een schriel worstje zodra de temperatuur onder een comfortabele achttien graden Celsius zakt.

Maar het loopt daar vol blote mensen in allerlei vormen en kleuren, dus schamen doet ge u voor het gemak niet. Zelfs niet met een bloedpiet. (HLN.be heeft wel een foto waarop ik sta: waar is Willy?)

Toch heb ik één jonge vrouw gezien die duidelijk niet goed in haar vel zat. Met een kussen onttrok ze haar borsten aan eventuele glurende blikken, met haar hand bedekte ze haar kruis. Ze deed dat niet op zedige wijze, zoals de Eva op het Lam Gods van de gebroeders Van Eyck doet met haar muis. Het zag er krampachtig uit. Beschaamd was ze. Ze zuchtte en ze kreunde, alsof ze langs alle kanten bekeken werd.

Even dacht ik te zeggen: ‘Ge moet u niet schamen, we staan hier allemaal bloot. Kijk, ik heb zelfs een bloedpietje, maar ik voel mij toch ook niet aangestaard?’ Het is goed dat ik gezwegen heb. Haar hart zou waarschijnlijk in een kramp geschoten zijn.

Even later kwam ze zelf tot de conclusie dat ze hier niet op haar plaats was. Miscast.

Een andere vrouw was door Spencer Tunick zelf weggestuurd. Niet omdat ze baloeftig was van postuur of wegens de vele tatoeages op haar lijf: ze weigerde haar laarsjes uit te trekken. Uit protest marcheerde ze het volgende half uur de hele tijd over de weide, opzettelijk in het zicht van de persfotografen. Met haar zwarte botjes en verder niets. Bij sommige mensen zou een beetje schaamte niet misstaan.

Prince

5 juli 2011

Vandaag in De Morgen: een artikel waarin ik op zoek ga naar de cafés waar Prince zijn aftershow geeft na zijn concerten op het Sint-Pietersplein. Dit is de iets langere versie.

Zal Prince vanavond of morgen een aftershow geven? En zo ja: waar? Het zijn niet alleen diehardfans die het zich afvragen, maar ook de Gentse muziekclubs. ‘Normaal gezien sluiten we op dinsdag, maar nu houden we toch speciaal de deuren open. Je weet nooit.’

Waar is dat echte feestje van Prince?

Vanavond zullen 17.000 fans Prince van jetje zien geven op het Gentse Sint-Pietersplein. Morgen zijn het er nog eens zoveel. Dat is alvast zeker. Maar de grote vraag is nu waar de popster zijn legendarische aftershow zal geven.

“Er zijn drie mogelijkheden”, zegt Nicolas Verbrugge, uitbater van de kleurrijke soulclub White Cat. “Ofwel is er géén aftershow, ofwel is er één met tickets. Soms gebeurt het ook dat Prince met zijn gevolg een café binnenvalt, beveelt dat er niet meer gerookt wordt en dat de deuren dicht moeten. Maar het aanwezige publiek mag wel blijven zitten.” Verbrugge gokt op de eerste optie. “Ik denk eerlijk gezegd dat er geen aftershow zal zijn, toch zeker niet in Gent. Anders had ik er al iets over opgevangen”, gelooft hij.

Gerald Claes van de Charlatan denkt er net zo over. “Als er al een aftershow is, zal die vermoedelijk niet plaatsvinden in Gent. De Culture Club is niet uitgerust voor optredens, de Make-Up Club is niet meer toegankelijk voor het publiek en neen, de aftershow is ook níét in de Charlatan.”

Bij Greenhouse Talent, de organisator van de concerten op het Sint-Pietersplein, weten ze evenmin meer. “Er zijn net zoals vorig jaar veel fans die bellen naar ons, maar helaas kunnen we ze niet helpen. Wij hebben niets met die aftershows te maken. Het is heel moeilijk om er iets over te weten te komen. Je moet op het moment zelf zeer alert blijven, want pas op het laatste nippertje beslissen Prince en zijn entourage.”

Vorig jaar gaf Prince twéé aftershows in de Viage, in Brussel. Ben Van Alboom, muziekjournalist bij Focus Knack en presentator van het electroprogramma Switch op Studio Brussel, betwijfelt of de artiest wel drie keer op rij voor dezelfde locatie zal kiezen. “Maar het zou me evengoed verbazen als de aftershow in Gent is. Misschien is het deze keer in Antwerpen te doen? Evengoed is er geen afterconcert”, speculeert Van Alboom. Volgens de Gentse journalist deed een maand geleden het gerucht de ronde dat de Balzaal van Vooruit uitverkoren was. “Maar dat verhaal is daarna weer uitgestorven”, zegt hij.

Toch maar eens bellen naar Vooruit. Hoe zit dat met dat gerucht? “Daar kan ik niets over zeggen”, antwoordt persverantwoordelijke Caroline Van Peteghem. Ik meen vage spot in haar stem te herkennen. Dus ze kan bevestigen noch ontkennen? “Inderdaad”, antwoordt Van Peteghem lachend. Laat het er ons wijselijk op houden dat Vooruit alsnog in de running is.

Een andere mogelijke locatie is de middeleeuwse kelder van het NH Hotel Belfort. “De mogelijkheid bestaat dat de aftershow hier plaatsvindt, maar voorlopig weet niemand iets. Ik kan u wél in contact brengen met een tussenpersoon”, klinkt het cryptisch.

Die tussenpersoon is Bart Meyskens van Avenue L, een communicatiebureau dat vooral netwerkevents organiseert. Als Prince optreedt in het NH Hotel, zal het via hen gebeuren. “Wij houden ons paraat. Sowieso heeft zijn entourage altijd enkele opties in petto, zodat Prince op het allerlaatste moment kan kiezen tussen een grote of een kleine zaal, een zaal met weinig of veel licht. Als de aftershow op een andere plek zou plaatsvinden, zou ik daar met evenveel plezier naartoe gaan.”

Meyskens is niet zenuwachtig. “Het is wel spannend. Je voelt een zekere opwinding en een verlangen om zoiets te organiseren. Je krijgt naar verluidt wel veel regels opgelegd, maar op zich is een concert voor 200 à 300 man organiseren niet zo moeilijk.”

Ook Nicolas Verbrugge wacht rustig af wat de nacht zal brengen. “We organiseren soms Prince-avonden in de White Cat. Dan loopt het hier vol met mensen van de fanclub. Muzikant Stijn (Vandeputte, TVDM) komt dan ook. Vitalski, eveneens een grote fan, draait zijn favoriete nummers”, zegt Verbrugge. “Maar zelf ben ik geen enorme fan.”

Normaal blijft zijn kelderclub gesloten op dinsdag. “Maar deze keer zal ik toch speciaal opendoen. Dat is maar een kleine moeite en je weet nooit wat het opbrengt”, zegt Verbrugge nuchter. “Ik heb zelf nog niets vernomen van de entourage van Prince, maar er hebben mij al veel fans gebeld of die aftershow bij mij plaatsvindt.”

Misschen weet Serge Simonart, de bekende muziekjournaliste van Humo, meer? Simonart was er de vorige twee keer bij in de Viage. Als hij de telefoon opneemt, gebaart hij echter van krommenaas. “Princie? Wie is dat? Moet ik die kennen?”, probeert hij nog, om vervolgens toch een gesprek toe te staan. “Normaal gezien neem ik in de periode vóór een optreden van Prince nooit mijn telefoon op: veel te veel fans en journalisten die vragen of ik iets meer weet over een aftershow. Als ik iets wist, zou ik het zeker niet zeggen. Dan maak je misschien enkele honderden mensen blij, terwijl er duizenden ontgoocheld voor de deur staan. Met een beetje pech veroorzaak je nog rellen ook.”

Volgens Simonart weten enkel Prince zelf en maximum tien mensen uit zijn entourage wat er zal gebeuren. “Enkele technici houden zich klaar om in actie te schieten, maar tot ze opgeroepen worden, kunnen ook zij slechts speculeren”, vertelt de journalist. “De echte fans zullen via Twitter wel te weten komen waar ze naartoe moeten.”

Turken

3 juni 2011

Hemelvaart, Schmemelvaart. Ik heb gewerkt, gisteren. De hele middag rondgelopen in de Wondelgemstraat in Gent. Turken gevraagd waarom ze toch zo fanatiek voor de nationale ploeg van hun land van oorsprong blijven supporteren. Wijze gasten, die Turken.

Als Turkije vanavond de Rode Duivels inblikt, weet iedereen al wat er zal gebeuren: alle Turkse wijken in België zullen ontploffen. Karavanen van toeterende auto’s zullen voor een hels kabaal zorgen. Zouden ze ook zo luidruchtig vieren als België wint? Neen. Waarom niet? In de onderliggende reportage staan enkele antwoorden.

Vandaag staat deze repo in De Morgen – koop die gazet, want er staan prachtige foto’s bij van Jonas Lampens. Dit is de lange, ongekapte versie. Zoals altijd mijn favoriete versie.

De reportage in de krant is kleiner van lengte, maar schoner van opmaak. Koop die krant!

Sommige Turkse Belgen zijn Belgischer dan andere, maar allemaal zijn ze even Turks. Dát is de reden waarom Belgische Turken vanavond, bij de cruciale wedstrijd België-Turkije, massaal voor hun land van oorsprong zullen supporteren. ‘Sport en nationalisme hangen sterk samen. En Turken zijn heel nationalistisch.’ Op zoek naar de Turkse voetbalziel.

“Dat de beste moge winnen!”, zegt Ahmet Sönmez (38) met een gulle lach. Hij haalt grijnzend zijn schouders op als ik vraag wie er dan de beste is. “Ik heb de dubbele nationaliteit, ik win altijd bij zo’n duel.”

Ahmet zit met enkele vrienden te keuvelen op het trottoir van de drukke Wondelgemstraat, de bruisende slagader van de Gentse Rabotwijk. Net als zovele andere Turkse Gentenaars genieten ze van het mooie weer. Dit is hun wijk. Nergens anders in België vind je zoveel Turkse winkels, cafés, restaurants, bakkers en slagers bij elkaar.

Het is ook deze straat die vol claxonnerende wagens zal stromen als het Turkse elftal wint van de Rode Duivels. Waarom toch? “Omdat het Turken zijn natuurlijk! Je kunt het kind uit het land halen, maar het land niet uit het kind”, zegt Ramazan Göktepe (42). Hij is eigenaar van grand café Godot, een chique brasserie in het historische centrum van Gent. Op zijn menukaart zul je geen Turkse specialiteiten vinden, maar toch blijft hij zijn roots koesteren. “Natuurlijk zal ik supporteren voor Turkije”, knikt hij. “Al vrees ik wel dat het een gelijkspel zal worden. België is goed bezig de laatste tijd.”

Cemal Yilmaz (29) vreest geen gelijkspel, hij hóópt erop. “België mag zelfs winnen. Want als Turkije wint, zal het hier weer wat zijn.” Cemal baat het Kamli Kösk Café uit in de Wondelgemstraat en heeft duidelijk geen zin in opstootjes na een Turkse zege. “Mensen moeten vredevol naar het voetbal kijken. Sommige jongeren zijn helaas boelzoekers. Als Belgen in Turkije zouden doen wat sommige Turken hier doen, ze zouden slaag krijgen”, zucht hij. “De meeste Turken zijn fanatiek, maar mij maakt het niet veel uit wie er wint. Voetbal en politiek interesseren mij niet.”

Daarmee is hij een onwaarschijnlijk grote uitzondering. Volgens sporteconoom Trudo de Jonghe, die aan de Lessiushogeschool het vak ‘sport in de wereld’ geeft, hangen voetbal en politiek net heel hard samen. “Sport is ontstaan in de negentiende eeuw, toen ook het nationalisme opkwam”, doceert De Jonghe. “Sport is één van de natievormende elementen, naast geschiedenis, religie of het leger. Het is niet voor niets dat voor een internationale sportwedstrijd nog altijd de volksliederen worden gespeeld. Daar komt nog bij dat Turkije een heel nationalistisch land is. Dat kun je van België niet zeggen.”

Sociologe Klaartje Van Kerckem, die aan de UGent onderzoek doet naar de multidimensionaliteit van identiteit, kan zich vinden in die analyse. “Symbolische etniciteit is het laatste wat verdwijnt bij migranten. Voor Turken is voetbal daar een voorbeeld van, net zoals hun keuken”, zegt ze. “Ik ken niemand die zich schaamt om Turk te zijn. Ze zijn zeer nationalistisch, hoe Belgisch ze zich ook voelen. Die twee identiteiten kunnen perfect samengaan. Al is Turk zijn eerder iets cultureels. Ze voelen zich het best bij Turkse mensen. Belg zijn is meer iets wettelijks. Daarmee willen ze aangeven dat ze hier geboren zijn.”

Volgens haar is de Turkse identiteit bij alle Turken, overal in België, even sterk. Het verschil zit hem in hun identificatie met België. “Hoe negatiever de reacties op hun Turkse identiteit, hoe minder Belg ze zich voelen”, verklaart Van Kerckem.

Het is zowaar het verhaal van Mevlüt Tapmaz (31), uitbater van Hisar Snack in de Wondelgemstraat. Ook hij hoopt dat Turkije de Rode Duivels vanavond verslaat. “Negentig procent van de Turken is voor de Turkse ploeg”, stelt hij. “Hoe dat komt? Het nationalisme, hé. En hier zijn we een minderheid. België aanvaardt ons niet. Ik heb veel Belgische klanten. Ze zijn altijd zeer vriendelijk. Maar als je dieper ingaat op thema’s als migratie, komt er een onderliggende afkeer naar boven. Zelfs van mensen van wie je ’t niet had verwacht”, zegt hij met spijt in zijn stem. “In vele discotheken en cafés worden we gediscrimineerd: we mogen er niet binnen omdat we ‘zwartkopjes’ zijn. Maar ik ben hier óók geboren. Op den duur draai je je om, keer je je af. Waarom zou je nog moeite blijven doen om aanvaard te worden als Belg?”

Cemal Yilmaz volgt dat denkspoor niet. “Sommige Turken moeten zich toch beter integreren. We zitten hier nu al veertig of vijftig jaar in België en waar staan we?”, merkt hij op. In het gezin waar hij opgroeide, moest hij zich niet te nationalistisch gaan gedragen, onvervond hij snel. “Toen ik een jaar of acht was, liep ik op een dag op straat met een Turkse vlag rond mijn schouders – niet eens vanwege een voetbalmatch of zo. Ik heb toen serieus onder mijn voeten gekregen van mijn oudere broer”, herinnert hij zich.

In de meeste Turkse gezinnen lijkt het tegenovergestelde echter te waar te zijn: daar wordt nationalisme op prijs gesteld. “Vergeet niet dat vele ouders die in Turkije opgegroeid zijn nauwelijks scholing gekregen hebben. Als ze op de schoolbanken iets geleerd hebben, was het de grootsheid van het Ottomaanse Rijk en dat ze Ataturk niet mogen beledigen. Er is sprake van indoctrinatie”, zegt De Jonghe scherp.

Zo cru wil Van Kerckem het niet verwoorden, maar ook zij erkent dat nationalisme meegegeven wordt met de ouders. “Door huwelijksmigratie wordt het voortdurend versterkt”, vult ze aan. Maar er is nog een ander aspect: Turken zullen hun ouders nooit de rug toekeren. “Het is zéér uitzonderlijk dat iemand volledig breekt met de groep. Hun respect voor hun ouders en familie is daar veel te groot voor”, zegt Van Kerckem.

Die trouw aan de groep zorgt er volgens De Jonghe voor dat de Turkse gemeenschap een beetje aan de zijkant staat. “In Gent wonen enkele familieclans samen in een beperkt aantal wijken die haast monocultureel zijn. De Turken spreken Turks, ze kijken naar de Turkse tv en ze lezen Turkse kranten”, somt De Jonghe op.

Helemaal gelijk kan ik hem niet geven. De Turken die wij te spreken krijgen in de Wondelgemstraat drukken zich haast allemaal uit in accentloos Gents. “Wij zitten tussen twee vuren”, beseft Mevlüt. “Turkije is mijn vaderland, België mijn moederland. Als we in Turkije komen, horen we: ‘Kijk, de Europeanen zijn daar.’ Terwijl we hier niet als echte Belgen worden beschouwd. Daarom zul je geen enkele Turk met een Belgische vlag op straat zien komen als de Rode Duivels winnen. Het zit nochtans in onze cultuur om te vieren.”

Mevlüt is wel de uitzondering op zijn eigen regel: trots haalt hij een Turkse én een Belgische vlag te voorschijn. “Als de Duivels winnen, hang ik de Belgische vlag uit, zeker weten. Je moet sportief blijven”, zegt hij nuchter.

Maar hij blijkt niet de enige die de Duivels nog koestert. Enkele jongelingen in een blinkende Duitse luxewagen stoppen netjes in het midden van een kruispunt om ons te woord te staan. Ja, natuurlijk rijden ze met de Turkse vlag rond als België wint. “Maar als de Rode Duivels winnen, zal het met de Belgische zijn. Geen probleem! Ik supporter ook voor AA Gent, hé”, lacht de chauffeur.

Gürbüz Zeki (48), die voor de parochiekerk op een bankje zit met twee kameraden, zal geen enkele vlag laten wapperen. “Ik supporter nu wel voor Turkije, maar eigenlijk heb ik het liefst een gelijkspel. Dan zal er geen ruzie zijn. Als België tegen eender welk ander land speelt, hoop ik dat België wint. Ik woon hier al veertig jaar, ik ben ook Belg.” Toeterend door de straten rijden zal hij al zeker niet doen. “Oh, neen. En mijn kinderen ook niet! Niemand heeft het recht om andere mensen zo te storen.”

Gürbüz beseft natuurlijk dat zijn straat hoedanook vol claxonnerende wagens zal staan als Turkije wint. “Ach, dat lawaai, dat zijn we ondertussen al gewoon”, zegt Georgette Thienpont (68), die haar hondje komt uitlaten. “Het is wel goed dat burgemeester Daniël Termont beslist heeft dat dat maar tot een bepaald uur kan. Ze mogen vieren, maar moet dat echt op zo’n manier? Ik hoop dat de Belgen winnen, het zal dan kalm zijn.”

Ahmet, die enkele meters verder zit, volgt het gesprek geamuseerd. “Jullie moeten ook maar eens gaan claxonneren als jullie winnen. Zolang er maar geen vandalisme is!”, zegt hij van op zijn krukje.

Het is echter niet enkel voor de stilte dat Georgette de Rode Duivels steunt. “De Belgen zouden best wel wat harder mogen supporteren voor hun team. Dan zouden de spelers beter hun best doen. Bij de Turkse voetbalfans zie je toch meer samenhorigheid”, stelt ze kritisch vast.

“Als België beter zou voetballen, zouden er misschien meer Turkse supporters zijn voor de Rode Duivels”, vermoedt Van Kerckem. “Het niveau van ons voetbal is niet te vergelijken met dat van het Turkse vaderland.”

“Normaal gezien supporteren veel Turken die ik ken wel voor de Duivels, maar die speelden tot voor kort écht slecht”, zegt ook Ramazan hoofdschudend. “Het is zelfs zo erg dat ze zeggen: als Turkije niet voorbij België geraakt, verdienen ze niet om naar het WK te gaan.”

Cemal ligt er allemaal niet van wakker. “Ik hoop in de eerste plaats op een goede regering”, zegt hij bezorgd. Welke Belg niet?

Wereldorde

22 mei 2011

Ik ben thans ‘De Nieuwe Wereldorde’ aan het lezen, een bijlage die vorig weekend bij De Tijd zat. Of correcter: de krant zat bij die bijlage.

Niet minder dan 68 pagina’s telt ‘De Nieuwe Wereldorde’. Dat is een indrukwekkend aantal bladzijden. Des te indrukwekkender is dat die pagina’s stuk voor stuk vol belangwekkende artikels staan.

Ik ben er systematisch aan ‘t doorlezen en zit thans nog niet eens aan de helft. Elk stuk is een stevig staaltje journalistiek. In Thurn & Taxis, het gerenoveerde douanecomplex waar de redactie zit, mogen ze trots zijn.

Gisteren kocht ik nogmaals De Tijd, want ik heb mijn debuut gemaakt in de zakenkrant met een artikel over Circus Rose-Marie Malter. Daar ben ík trots op, net zoals het mij genoegen verschaft reportages te leveren voor De Morgen en Humo.

Straks word ik dan toch een serieuze journalist. Ik begin alvast te sparen voor zo’n koperen plakkaat om naast mijn voordeur te hangen:

“Tim F. Van der Mensbrugghe. Serieuze journalist”

Al vraag ik mij af of het wel strookt met de deontologie dat journalisten reclame maken voor zichzelf.

Zijn hoofd is lijk een bak koperen nagels. Dat zeggen ze in Kortrijk van iemand met wortelgrijze haren, zo leert de nieuwste aflevering van het Woordenboek van de Vlaamse Dialecten ons. Het boek verzamelt de dialectwoorden die gebruikt worden voor het menselijk lichaam. Ik vind het de max.

Een woordenboek lees je normaal gezien niet voor je plezier. Maar dit exemplaar is voor de verandering wel behoorlijk hilarisch. Het is een genot om te zien hoe creatief men in het Vlaams over het lichaam kan vertellen. Nooit gedacht dat een woordenlijst zo vermakelijk kon zijn.

In De Morgen gaf ik gisteren al een overzicht van de leukste termen. Dat artikel staat niet online. Wel hebben Het Nieuwsblad en De Standaard het vandaag nog eens herkauwd. Dat strekt mij tot eer, zo durf ik te snoeven.

Aan de telefoon had professor taalkunde Magda Devos (UGent) me uitgelegd dat de vunzigste termen voorbehouden zijn voor de lichaamsdelen waar het meest schaamte rond hangt. De kloten, fluit en foef dus. Ook mensen met een lichaamsbouw die afwijkt van de normen worden met velerlei prachtige doch kwetsende formuleringen overladen.

Voor uw gemak: een overzicht.

Blutsepieper (naakt persoon)
Een blutsepieper is een naakt persoon. Iemand zonder kleren wordt ook als blutsebloot omschreven. Of paddermoedernaakt. Een andere variant is padderpiddernaakt. Iemand die écht niet meer bloter kan zijn, krijgt het adjectief ‘pidderpadderpoedernaakt’ mee. Of dan zegt men: “Hij is zo naakt als een ganzegat.”

Huisteknuist (klein persoon)
Al met al een vriendelijke term voor iemand die klein van gestalte is. Andere omschrijvingen getuigen van minder respect, zoals ‘drol’, ‘keutel’, of ‘opneukertje’. Dan klinken ‘aarddolletje’ en ‘kadoddermannetje’ sympathieker. Je kunt ook gewoon vaststellen dat iemand in een mergbeentje past. Of te weinig schoppen onder zijn kont gekregen heeft.

Baloeftig (dik)
Iemand die in zijn vet vergaat of erin versmacht, is baloeftig. Slijkevlet. Een kamerolifantje of kwabbelkloot. Een dikke vrouw is een maroffel en een man met een opgeblazen, baardeloos gezicht heeft een gesplet aarsgat. Wie een vollemaansgezicht bezit, heeft een poeftête of pompewezen.

Tekenterter (zeer mager iemand)
Hij is zo mager als een solferstek, dat moet wel de dood in burgerskleren zijn. Als je eruit ziet als een gestroopte puit of een afgedroogde haring, zit je onder je gewicht. Tekenterters zijn niet meer dan een verklede koperdraad. Een magere vrouw is een plank met een hol in. Ook een elfrib of grepschijter mag probleemloos enkele kilo’s bijkomen.

Kwakmadoeze (slordige vrouw)
Wie mooi is, is een doodzonde waard, maar wie te lelijk is om voor de duivel te dansen, heeft pech. Hij of zij heeft een muil om maskers op te gieten, wordt gezegd. Als ge dat ziet, vergaat de liefde, maar ze is tenminste schoon als ze alleen staat. Een slordige vrouw is een kwakmadoeze, nog vuiler dan de oren van een biechtvader.

Babilotten (pijpenkrullen)
Meisjes met pampillotten of babilotten hebben haarklodden die in mooie pijpjes gekruld zijn. Maar mannen met een haarscheiding lopen ondanks alles rond met een luizegang of luizenboulevard. Je haar dan maar niet kammen? In dat geval is je kapsel verdestrueerd en heb je een aaksternest op je hoofd.

Koperkeun (roodharig)
Koperkeunen zijn ferm geroest. Met hun rosse haar lijkt hun hoofd op een bak koperen nagels. Hij is karotezwarte of wortelgrijze. Zij is koeroste. Als ze samen ooit kinderen zullen krijgen, is de kans groot dat ook van hen gezegd zal worden dat ze gemaakt werden toen de buis roestig was.

Blutskakker (kaal)
Iemand die met zijn knieën door zijn broek zit, moet niet naar de klerenwinkel, maar naar de pruikenmarchand. Blutskakkers dragen een vleesklak of hebben een kletsebielde. Zijn haar heeft karakter, ‘t valt liever uit dan grijs te worden, lacht men schamper. Hij heeft een voorhoofd tot in zijn nek, fluistert de goegemeente vol ontzag.

Rattemoustache (hitlersnorretje)
Neen, het hitlersnorretje is niet uitgevonden door Adolf Hitler. Nog vóór de Duitse dictator droeg komiek Charlie Chaplin reeds een neuswarmertje. Na de Tweede Wereldoorlog werd de rattemoustache echter steevast geassocieerd met Hitler. Van een snotsnorretje of snotneusje spreekt nauwelijks nog iemand.

Flonkaard (neus)
In Gent zijn neuzen snoepgoed, ook bekend als cuberdons. Het reukorgaan noemt men er een flonkaard. Elders is ‘snotkoker’ gangbaar. Iemand met een vervormd exemplaar heeft in de volksmond achter de deur gestaan toen de neuzen uitgedeeld werden. Een dikke neus is een kaarsendopper, een plat neusje een pui die op zijn gat zit.

Mosselschuiten (grote oren)
De Franse muzikant Serge Gainsbourg had koolbladen van oren. Het waren oren als mosselschuiten. Plakwaaiers of pollepels wijzen eveneens op buitenmaatse oorschelpen. Wie tegen de wind gereden heeft, heeft een stel flaporen. Zijn oren staan te ver van zijn kop. Als er op de koop toe schapeboter in zit, is het tijd voor oorstokjes.

Geuzevlees (borsten)
De mammeloezen van een vrouw dragen nogal wat geuzennamen. Van een dame met een behoorlijke portie geuzevlees zegt men dat ze niet over haar eigendom kan kijken. Ze heeft mogen kiezen: vier kleintjes of twee grote. Piefertjes zijn afgekrabde muggebeten. Doorhangende zeeptetten kunnen vrouwen dan weer over hun schouder smijten.

Kwadoel (kont)
De twee billen vormen het achterkasteel. Een uit de kluiten gewassen zitkasteel is een aalkarteel. In de kwadoel of het achterste gezicht zit een gruisbuis of achtermond. Daaruit komen haagvinken of grasdekkers. Wie geen slot aan zijn gat heeft, doet zijn gevoeg. “Waarom pakte gij in uw neus dat ‘k ik in mijn gat niet en wil”, zegt men bij broekhoest.

Fietemarol (penis)
Een crispianus is geen geleerde uit de oudheid, maar slechts een zeikspel. Elke man wordt met zo’n pisseloen geboren. Het valt op hoe vaak de fietemarol een eigennaam draagt, zoals charel, désiré, jan en jef. Een plat duivenjong is het geheel van de dardanellen of genoffels en de wiesteko. Uit de deugddoener komt sporadisch kallevet of snoksel.

Mizzewanne (venusheuvel)
Als Kortrijkzanen van een bloedput spreken, hebben ze het wel degelijk over het voorkwartier van een vrouw. De mizzewanne of de potijze brengt menig man het hoofd op hol. Maar het vogelmuiltje wordt niet altijd gerelateerd aan seksuele wellust: ook met ‘de put van verdommenis’ verwijzen dialectsprekers naar de schede.

Kaloens (scheel)
Een paanoog wil niet goed mee. Mensen gaan er kaloens of lodderlijk door zien. Met dergelijke kerewijtogen kun je zonder probleem ‘bachten een boom’ kijken. Of ‘mee zijn linkse oog in zijn rechtse broekzak’. Als hij schreemt lopen de tranen van zijn linkeroog op zijn rechterkaak. Of zoals in Aalst: zijn één oog zegt foert tegen ‘t ander.

Patattenveld

13 maart 2011

Een patat met de aardappelziekte aan zijn kloten. Genetische modificatie kan patatten resistenter maken tegen de pseudoschimmel die de ziekte veroorzaakt. (Foto Ben Millett)

België heeft zijn eigen legertje eco-warriors: de Field Liberation Movement zal op zondag 29 mei een experimenteel patattenveld in Wetteren vernietigen. Op het proefveld testen de UGent, het Vlaams Instituut voor Biotechnologie, de Hogeschool Gent, het Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek en chemiereus BASF aardappellijnen uit die resistent gemaakt zijn tegen de aardappelziekte. De actievoerders zullen de genetisch gemodificeerde aardappelen uit de grond halen en vervangen door biopatatten.

Voor De Morgen van zaterdag 12 maart 2011 schreef ik een artikel over de actie tegen de genetisch gemodificeerde organismen (ggo’s).

Flauwekul

Omdat een nieuwsstuk slechts beperkt is in lengte kon ik maar weinig achtergrondinformatie over de patatten in kwestie kwijt. Wel nu, het zijn coole aardappelen. De Field Liberation Movement zegt dat de veldproef in Wetteren nutteloos en gevaarlijk is, maar René Custers van het VIB spreekt dat tegen.

“Dat is flauwekul. Deze proef is absoluut niet gevaarlijk. Wij gebruiken nartuurlijke resistentiefactoren die voorkomen in wilde aardappelrassen. Wel wordt er tijdens de proeven een marker gebruikt voor antibioticaresistentie. Maar de aardappellijnen die uiteindelijk op de markt zullen belanden, zullen die marker niet bevatten. Qua veiligheid is er niets mis met onze aardappelen”, stelt Custers. “En nutteloos? Nu zijn er al aardappellijnen op de markt met een bepaalde resistentie tegen Phytophthora infestans. Die zijn verkregen via conventionele veredeling, dus door aardappelrassen te kruisen. Dat kost heel veel moeite en duurt tientallen jaren. Via genetische modificatie boek je veel sneller resultaat. Een ander voordeel is dat je in één stap meerdere resistentiefactoren kunt inbrengen. Bij conventionele veredeling kun je maar een resistentiefacter tegelijk inbrengen. Als één resistentiefactor met een kans van 1 op 1.000 wordt doorbroken, wordt een dubbele resistentiefactor met een kans van 1 op 1000 x 1000 doorbroken en een een driedubbele resistentie met een kans van 1 op 1000 x 1000 x 1000. Meervoudige resistenties zijn dus vele malen duurzamer.”

Ratten-DNA

“Ik zou hier zeer graag eens over discussiëren met de tegenstanders”, geeft Custers nog mee. “Een tijdje geleden hebben we al een heel goed gesprek gehad met een aantal Vlaamse bio- en milieuorganisaties. Dat was heel leerzaam voor beide kanten. We willen dat in het kader van het veldproefproject veel meer doen. Milieuorganisaties zien wel het verschil tussen dit aardappelproject en andere ggo-toepassingen. Maar het is blijkbaar nog een brug te ver om dat publiek toe te geven.”

De nuance zit er hem in dat er voor de veldproef in Wetteren cisgene patatten gebruikt worden, en geen transgene. Wat wil dat zeggen? Dat de aardappelen enkel soorteigen genetisch materiaal kregen ingeplant, en dus geen – ik zeg maar iets – ratten-DNA of reptielengenen. Het publiek hoeft niet bang te zijn voor moorddadige Frankensteinpatatten die argeloze voorbijgangers in de nek zullen springen en doodbijten.

Lobbywerk

Toch is de Field Liberation Movement niet overtuigd door dat argument. “Zelfs al zijn de aardappelen in Wetteren cisgeen, dan nog is hun genetische code veranderd”, benadrukt Steven, één van de initiatiefnemers, aan de telefoon. “Je weet nog altijd niet wat de gevolgen zijn. Je verandert DNA, maar je weet niets van de context waarin de nieuwe genpatronen terechtkomen. Wij zijn tegen veldproeven in openlucht en vinden dat men het voorzichtigheidsprincipe moet hanteren voor dergelijk onderzoek. Het risico van een ggo-besmetting van de grond is niet uitgesloten. Bij eerdere proeven met maïs is ook al gebleken dat naburige velden gecontamineerd waren. Hou ggo’s alsjeblieft in het labo.”

Steven wijst er ook op dat de FLM niet zozeer protesteert tegen het gevaar van deze specifieke veldproef. “Overal in Europa staat de ggo-industrie te trappelen om ingang te vinden. Met dergelijke experimenten proberen ze hun legitimiteit te vergroten. Dat is niet het resultaat van democratische besluitvorming, maar van lobbywerk. De universiteit kruipt op de knieën voor internationale firma’s, terwijl ze het algemeen belang moet dienen.”

Agent Orange

Rector Paul Van Cauwenberge van de UGent is niet te spreken over die beschuldiging. “Commercie speelt geen rol in dit project, enkel het wetenschappelijke belang telt. Wij doen ook niet aan productie. Dit is een onderzoek. Met grote bedrijven als Monsanto hebben wij niets te maken en dat willen we ook niet.”

De multinational Monsanto is één van de grote spelers in de wereldmarkt voor herbiciden. Tegelijk is het marktleider voor de productie van gemodificeerde zaden. “De grootste productie van ggo’s zit hem in het creëren van gewassen die resistent zijn tegen herbiciden. Nu al komt een zeer groot deel van de eiwitproducten voor de Europese veestapel uit genetisch gemodificeerde soja uit Zuid-Amerika. Die soja is resistent gemaakt tegen het herbicide glyfosaat, dat door Monsanto verkocht wordt onder de naam Roundup. Datzelfde bedrijf is ook marktleider voor genetisch gemodificeerde zaden. Dat leidt tot een centralisering van de voedselproductie”, zegt Steven. “Ondertussen duikt er al superonkruid op dat resistent is tegen glyfosaat. De oplossing? Een herbicide dat vergelijkbaar is met Agent Orange.”

Pertinente onwaarheid

Volgen de FLM heult het VIB met de grote multinationals. “Het VIB heeft zelf heel weinig wetenschappelijk belang bij het onderzoek naar die aardappelen. De veldproef heeft de bedoeling om tegenstanders van genetische modificatie te counteren. Men streeft naar aanvaarding van genetisch gemodificeerde gewassen. We hebben het gevoel dat het VIB de poorten voor ggo’s wagenwijd wil openzetten. Daarbij is het goed om weten dat het VIB voor de helft gesponsord wordt door grote bedrijven”, stelt Steven onomwonden.

“Dat is een pertinente onwaarheid”, reageert Custers. “Het VIB heeft een breed scala aan overeenkomsten met heel wat bedrijven, maar dat levert bijlange niet de helft van de middelen waarmee VIB onderzoek doet. Het ligt eerder in de ordegrootte van 12 à 15 procent. Samenwerken met bedrijven is vaak ook de enige manier waarop interessante vindingen hun weg kunnen vinden naar consumenten en producenten. Een publieke instelling is niet in staat die zaken zelf te ontwikkelen en op de markt te brengen.”

“Ggo’s worden geassocieerd met multinationals”, erkent Custers. “Ook in onze veldproef is BASF aanwezig. Maar het meeste materiaal in de proef is afkomstig uit publiek onderzoek en is uiteindelijk bestemd voor kleinere bedrijven.”

Transgene modificatie

Maar dat de veldproef een communicatiedoel dient, wordt niet ontkend. Integendeel zelfs. “Wij willen net tonen dat dit experiment veilig is. De bedoeling is om informatie te verschaffen, zodat het publiek zich zelf een oordeel kan vormen. Wij willen communiceren wat de voordelen zijn van deze aardappel”, legt Godelieve Gheysen, professor moleculaire biotechnologie, uit. “Onze boodschap is dat deze ggo-aardappelen grote voordelen hebben, zowel voor het milieu als voor de boer. Wat wij doen, is vergelijkbaar met conventionele veredeling, alleen gebeurt het veel sneller en met een resistentere aardappel als resultaat. Wij hebben het VIB gevraagd om in dit project te stappen omdat zij ervaring hebben met communicatie en met de vergunningen die nodig zijn voor een veldproef.”

“Voor het brede publiek is het moeilijk om een genuanceerd oordeel te vormen”, beseft Custers. “Milieuorganisaties creëren een sfeer van onzekerheid, waardoor het publiek snel geneigd is ggo’s als gevaarlijk te bestempelen. Die boodschap blijft hangen. Maar er is een groot verschil tussen transgene en cisgene modificatie. Bij transgene modificatie wordt soortvreemd genetisch materiaal binnengebracht. Onze veldproef moet echter uitsluitend cisgene aardappellijnen opleveren.”

Minder pesticiden

Volgens de universiteit kunnen de gemodificeerde aardappelen ervoor zorgen dat boeren tot 80 procent minder schimmelbestrijdende middelen moeten spuiten. Daarom supportert ook de Boerenbond voor de veldproef. “We bekijken experimenten met ggo’s van geval tot geval. Als zo’n experiment bijdraagt tot duurzame landbouw, dan wijzen wij het niet af. In het geval van deze aardappelen zijn wij ervan overtuigd dat ze zeer positieve effecten hebben voor het milieu”, verklaart François Huyghe.

Huyghe is zich bewust van de technieken van de zaden- en pesticidenmultinationals, maar wil het experiment van de UGent daar niet mee geassocieerd zien. “Deze ggo’s zijn niet resistent tegen pesticiden, maar tegen de aardappelziekte, waardoor boeren net minder pesticiden zullen moeten gebruiken. En daarom steunen wij dit experiment.”

Onnatuurlijke technologieën

“Wij beseffen dat de aardappelziekte zeer nadelig is voor boeren”, erkent Steven van de FLM. “Maar ook via conventionele veredeling kunnen aardappelen resistent gemaakt worden tegen Phytophthora infestans. Laat ons daarom onze energie steken in rasveredeling in plaats van genetische modificatie.”

“De vernietiging van de veldproef lijkt me toch de verkeerde manier om die boodschap te verkondigen”, vindt Custers. Vanwaar komt die weerstand tegen ggo’s volgens hem? “De tegenstand tegen ggo’s is tweeledig. Enerzijds zijn sommige mensen bang. Ze zijn tegen onnatuurlijke technologieën – maar je kunt eindeloos discussiëren over wat natuurlijk is en wat niet. Anderzijds hebben veel tegenstanders van ggo’s een probleem met grootschalige industrie. Zij pleiten voor een kleinschalige, lokaal verankerde landbouw – zoals door de biolandbouw nagestreefd wordt. Maar daar kun je niet voor de volle 100 procent op steunen. Grootschalige, geïndustrialiseerde landbouw blijft nodig voor de voedselproductie. Zeker als je die op wereldwijde schaal beschouwt en rekening houdt met het feit dat steeds meer mensen in steden wonen.”

In de aanloop naar 29 mei belooft de Field Liberation Movement alvast enkele andere acties om het publiek alvast warm te maken. De UGent is niet van plan om te wijken. “Alle vergunningen die nodig waren, hebben wij gekregen. De federale overheid heeft ons toestemming gegeven voor deze veldproef”, argumenteert Van Cauwenberge. “Wij blijven achter onze zaak staan. Als je democratische toestemming hebt gekregen, moet je niet zwichten voor niet-democratische drukkingsgroepen. Wij zullen trachten de schade tot een minimum te beperken. Het is mijn plicht om die gewassen te beschermen.”

Volg

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 44 other followers