Rechts

27 september 2011

Vandaag in Humo: een reportage over rechtse studentenclubs in Gent. Daaronder vallen zeker het Katholiek Vlaams Hoogstudentenverbond (KVHV) en de Nationalistische Studentenvereniging (NSV!). Omdat de Jong N-VA al eens als een jolige bende rechtse jongens en meisjes wordt afgeschilderd, komen ook zij aan bod.

Het artikel staat in de studentenbijlage van het gerespecteerde weekblad. Hieronder plaats ik de oorspronkelijke, wat langere versie. De scans heb ik van de Facebook-pagina van Jonas Naeyaert, preses van het KVHV, geplukt.

Het zal je meer overkomen: je bent een rechtse, Vlaamsgezinde student en je studiegenoten zijn stuk voor stuk overtuigde progressievelingen die heimwee hebben naar de paarse regeringen van Guy Verhofstadt. Dan ben je de pineut. Of niet? ‘Vier jaar geleden werden Vlaamsgezinde studentenverenigingen als extremistisch beschouwd. Maar Bart De Wever heeft ons uit de marginaliteit gehaald.’

De pet van Jonas Naeyaert laat over zijn engagement weinig twijfel bestaan.

Stel: ik ben een jonge student, vers uit het middelbaar onderwijs. Eindelijk ben ik verlost van de politiek correcte flurk van een godsdienstleraar die het multiculturele denken met alle geweld door de strot van zijn leerlingen wil stampen. Of ik aan de UGent de juiste studiekeuze heb gemaakt, weet ik nog niet. Wat ik wel weet, is dat ik sympathie heb voor de Vlaamse zaak, dat Bart De Wever (N-VA) groot gelijk heeft en dat ik me graag afzet tegen de stuitende naïviteit van al wat zich links en progressief noemt. Ik ben jong én rechts, mag het? Alleen vraag ik me af bij welke politieke studentenvereniging ik me moet aansluiten. Jong N-VA UGent? Bwa, die zijn niet rechts genoeg. De Nationalistische Studentenvereniging (NSV!)? Goh, allicht zijn die een beetje té radicaal voor hun eigen goed. Het Katholiek Vlaams Hoogstudentenverbond (KVHV)? Ga weg, ik mag rechts zijn, ik ben niet oubollig.

‘De NSV! zijn marginalen, het KVHV zijn marginalen met geld en Jong N-VA? Tja, dat bloedt dood’, sneert een oudgediende uit het Gentse studentenleven.

Hoezo, Jong N-VA bloedt dood? De Gentse studentenafdeling van ’s lands grootste partij bestaat amper vijf jaar. Die hoort springlevend te zijn. Lokt het succes van Bart De Wever dan geen horden schachten? ‘We hebben momenteel vijftig leden’, schat voorzitter Gregory Deseck (22), die aan zijn masterjaar geschiedenis begint. ‘Sinds onze oprichting in 2006 is het aantal leden rechtlijning toegenomen. We merken geen speciale evolutie sinds de verkiezingsoverwinning van de N-VA, maar door de aanslepende regeringsonderhandelingen kijken we wel uit naar het begin van het academiejaar, wanneer de nieuwe studenten in Gent arriveren. We hebben goede hoop.’

Het electorale succes van de N-VA zorgt er vooral voor dat de flamingante studenten minder in het verdomhoekje zitten. ‘Het stigma is zeker kleiner’, bevestigt Deseck. ‘In de beginjaren kregen we al eens slechte woorden te verwerken. Het Vlaams-nationalisme had nog een slechte naam en dat straalde af op Jong N-VA. Vlaamsgezinde organisaties werden als extremistisch beschouwd.’

‘We zijn indertijd begonnen met een budget van 50 euro’, lacht oprichter en huidig Kamerlid voor de N-VA Peter Dedecker (27). ‘Na een jaar hadden we zes leden. Toen werden we nog vaak op één hoop gegooid met het Vlaams Belang.’

Ook Nick Mouton (33), tegenwoordig N-VA-schepen in Lovendegem, moest als Vlaamsgezinde student opboksen tegen een hoop vooroordelen. Mouton was begin de jaren 2000 voorzitter van de Vlaams-Nationale Studentenunie (VNSU), de voorloper van Jong N-VA. ‘Het waren moeilijke tijden. Je diende voortdurend uit te leggen dat je Vlaamsgezind kon zijn zonder dat je extreem rechts was. Dat was vermoeiend’, herinnert hij zich. ‘Al wie Vlaamsgezind maar niet extreem rechts was, was welkom bij de VNSU. We moesten ons continu onderscheiden van het toenmalige Vlaams Blok. Voor mezelf was er echter nooit een contradictie tussen Vlaamsgezindheid en een eerder progressief gedachtegoed. Ik heb dat nooit als tegenstrijdig ervaren. Ik was toen al samen met mijn huidige vrouw Iftara. Sommigen konden niet vatten dat ik Vlaamsgezind was omdat ik een relatie had met iemand van allochtone origine. Als Vlaams-nationalist kreeg je bijna automatisch een xenofobe stempel.’

‘Bart De Wever en de N-VA hebben het Vlaams-nationalisme uit de marginaliteit gehaald. De laatste twee, drie jaar is het stigma op ons verdwenen’, stelt Gregory Deseck opgelucht. ‘De drempel is lager geworden. Op café word je niet meer vreemd bekeken als je zegt dat je van Jong N-VA bent. Daar komen wel urenlange debatten van, maar dat hebben we graag.’

Een pagina uit Humo. Het is mogelijk best wel een interessante pagina.

De NSV! wordt wel met een scheef oog bekeken. De vereniging droeg lange tijd – en draagt eigenlijk nog altijd – een donkerbruine stempel. Meer Vlaanderen betekende niet alleen minder België, maar evengoed minder migratie en minder multicultuur. Ergo, de NSV’ers zijn een bende fascisten en racisten en horen niet thuis aan de universiteit, zo redeneerden de linkse studentenverenigingen. Die vormden aan de UGent lang een hecht antifascistisch blok in het Politiek en Filosofisch Konvent, dat de erkende politieke studentenbewegingen verenigt. Daardoor kreeg de NSV! gedurende vele jaren nul op het rekest telkens als zij een aanvraag indiende om aan de Gentse universiteit erkend te worden.

Maar kijk: vorig jaar lukte het de NSV! dan toch om – voor het eerst sinds 1984 – de erkenning binnen te rijven. Lang duurde de pret niet. ‘Momenteel zitten we weer in het vagevuur’, zucht preses Vincent Schoenaers (21), die geschiedenis studeert. ‘We zijn onze erkenning kwijt door een beslissing van het bestuurscollege van de universiteit, maar mogelijk krijgen we ze binnenkort weer terug. Dat spelletje is nu al een aantal jaar bezig.’

Als de studentenclub weer erkend wordt, betaalt de universiteit bepaalde werkingskosten terug. ‘Maar we proberen voor een eigen spaarpotje te zorgen door lidgeld, steun van oud-leden en sponsoring. Ook een cantus zorgt voor inkomsten. We zijn zoveel mogelijk zelfbedruipend’, zegt Schoenaers.

Voor de NSV! blijft het moeilijk om zichzelf salonfähig te maken in universitaire kringen, maar nieuwe studenten vinden wel makkelijker hun weg naar de vereniging. ‘Ik weet niet of dat met de opeenvolgende verkiezingen te maken heeft. Het kan ook zijn doordat we actiever geworden zijn’, vermoedt Schoenaers. ‘Momenteel tellen we een veertigtal leden. Dat is een goed gemiddelde voor een politieke studentenvereniging. We zien vooral dat er meer volk komt naar de debatten die we organiseren. Die gaan over onderwerpen die nu meer aandacht krijgen dan vroeger, zoals migratie.’

Op zondag 18 september stapten heel wat NSV’ers mee in de protestmars tegen het akkoord over de splitsing van kieskring BHV. ‘Het is een slecht akkoord. Wij zijn voor de meest radicale oplossing: een zuivere splitsing zonder toegevingen. De NSV! gaat nog altijd voor een onafhankelijk Vlaanderen met Brussel als tweetalige hoofdstad. De faciliteiten moeten worden afgeschaft.’ Is dat wel realistisch? ‘Wij laten Brussel niet los. Die stad bestaat al duizend jaar, terwijl hij pas sinds de jaren dertig een overwegend Franstalig karakter heeft gekregen’, merkt Schoenaers op. ‘Brussel blijft ook een Brabantse stad vanwege de vele pendelaars uit de omliggende provincie. Wel is de samenstelling van de bewoners in korte tijd sterk veranderd door de migratie.’

Dat is voor de NSV! geen reden om Brussel de rug toe te keren. ‘Anders zouden we ons evengoed van Antwerpen en Gent moeten afkeren. We vinden wel dat er een migratieprobleem is. Het eerst wat moet gebeuren, is een migratiestop. Wij geloven niet dat migratie een vorm van vrijheid is. Veel mensen worden tot migratie gedwongen door economische omstandigheden. Daarom moeten we de problemen ook aanpakken in de landen van herkomst’, zegt Schoenaers. ‘Ons eigen consumptiepatroon heeft daar een invloed op. Het kan niet dat het Westen zijn overschotten blijft dumpen op buitenlandse markten. Daardoor gaan de lokalen boeren failliet. Dat is een mondiaal probleem dat we vanuit Vlaanderen zomaar niet kunnen oplossen. Wel kunnen we hier bijvoorbeeld de onveiligheid aanpakken. Het Vlaams Belang focust daar heel hard op, maar het gaat verder. Zo is er een verschil in het gebruik van de openbare ruimte. Mensen uit zuiderse culturen leven bijvoorbeeld meer op straat en dat kan soms botsen. Er bestaan geen pasklare antwoorden om zulke samenlevingsproblemen op te lossen. Geen enkele strekking heeft die, wat men ook beweert.’

‘Linkse studentenverenigingen zien Brussel als een multicultureel experiment. Daar geloven wij niet in. Je mag niet experimenteren met mensen. Dat kan al eens ontploffen, om het plastisch uit te drukken’, stelt de NSV!-preses. ‘De multiculturele maatschappij heeft nooit bestaan, toch niet met de omvang en de samenhang van vandaag. Multiculturaliteit is tegenwoordig een ideologie op zoek naar een historische basis. Vroeger ging het er ongestructureerd aan toe. Er bestond geen woord voor. In het multiculturele Antwerpen van vijfhonderd jaar geleden waar men zo graag naar verwijst, leefden misschien 500 Italiaanse handelaars op een bevolking van 100.000 man. Vele buitenlanders woonden er niet permanent. Inwijking kwam vooral uit de Kempen.’

‘Economisch zijn we niet rechts, maar eerder links – hoewel de betekenis van die begrippen vervaagt. Wij zijn wel conservatief’, legt Schoenaers uit. Dat komt vooral tot uiting in de ethische standpunten van de studentenvereniging, zoals over abortus en euthanasie. In hun politieke beginselverklaring staat dat abortus weer in het strafrecht moet. ‘Die stelling is zeer kort uitgedrukt. Je kunt mensen niet zomaar met een wet in een richting dwingen. Je moet meer sensibiliseren opdat zo’n wet overbodig wordt’, zegt de preses diplomatisch. ‘Onze mening is genuanceerder dan wat er in de beginselverklaring staat. Daardoor ontstaat er wel een vooroordeel. Sommige mensen kijken niet verder dan de statuten.’

Blijft het katholieke geloof belangrijk voor de conservatieve jongens en meisjes van de Nationalistische Studentenvereniging? ‘Er zit van alles bij ons. Zowel praktiserende christenen, atheïsten als aanhangers van het heidendom. Zelf ben ik niet echt gelovig. Mijn conservatisme komt niet voort uit een geloof in het religieuze’, stipt Schoenaers aan.

In de politieke beginselverklaring van de NSV! valt punt twee nogal op: onvoorwaardelijke amnestie voor de collaborateurs uit de Tweede Wereldoorlog. Leeft dat thema nu nog altijd, zelfs bij jongens en meisjes die zeventig jaar na de feiten student zijn? ‘Dat komt misschien raar over, maar toen de NSV! in de jaren zeventig opgericht werd, was dat thema nog zeer actueel’, verklaart Schoenaers. ‘Verschillende mensen die de repressie hadden meegemaakt waren toen vijftig. Het is een traditie om voor amnestie te blijven pleiten. Er wordt niet meer actief mee gewerkt binnen de NSV!, maar we blijven de informatie levend houden. Het thema leeft nog bij leden die familie hadden die de repressie hebben meegemaakt, maar veel zijn er dat niet.’

Hoewel de NSV! expliciet stelt dat zij niet gebonden is aan een partij, blijkt de vereniging sinds haar oprichting in 1976 een kweekvijver voor politiek talent dat later zijn weg vond naar de top van het Vlaams Belang. Filip Dewinter, Frank Vanhecke, Bruno Valkeniers, Marijke Dillen en Karim Van Overmeire: allen waren zij lid in hun studententijd.

Maar net als ex-VB’er Karim Van Overmeire wordt ook de huidige generatie NSV’ers verleid door de formatie van Bart De Wever. ‘Bij de laatste verkiezingen heeft het merendeel op de N-VA gestemd, terwijl de meesten enkele jaren geleden nog voor het Vlaams Belang kozen’, zegt Vincent Schoenaers. ‘Ik vermoed dat velen dat gedaan hebben uit strategische overwegingen. Veel van onze leden hangen niet vast aan een partij, maar brengen een pragmatische stem uit als er verkiezingen zijn.’

Maakt het succes van De Wever het gemakkelijker om flamingant te zijn? ‘Wij hebben altijd durven zeggen dat we Vlaamsgezind zijn’, repliceert Schoenaers. ‘Over het algemeen zijn de reacties nu wel positiever. De houding is minder afwijzend. Er wordt meer gepraat.’

Als de NSV! weer mag toetreden tot het PFK, zal zij zich comfortabel aan de zijde van het KVHV schurken. Dat verbond gaat al sinds 1923 door het leven als het KVHV. De Gentse afdeling werd enkele keren opgedoekt, maar rees telkens weer op uit haar as. ‘We tellen zo’n dertig actieve studentenleden, maar daarnaast blijven ook afgestudeerde leden een rol spelen, zodat we vaak met 150 man zijn. Het ledenaantaal fluctueert door de jaren: nu eens zijn het er twintig, dan vijftig. Zoals elke politieke studentenvereniging zijn we niet zo zichtbaar, maar we houden zeker ons hoofd boven water’, vertelt preses Jonas Naeyaert (21), die afstudeerde in de politiek wetenschappen en voor het nieuwe academiejaar twijfelt tussen criminologie en rechten.

‘Er is een stijging van het aantal schachten, maar of dat door de N-VA komt, kun je niet zomaar zeggen. Het kan evengoed zijn omdat we meer activiteiten organiseren’, zegt Naeyaert voorzichtig. ‘Je mag niet te snel causale verbanden leggen, maar het is goed mogelijk dat het succes van de N-VA er wel iets mee te maken heeft. Bij de veertien nieuwe schachten die zich tot nu toe aangesloten hebben, is het merendeel voor de N-VA. Bij de vorige verkiezingen heb ikzelf op de N-VA gestemd voor de Senaat en op het Vlaams Belang voor de Kamer. Het zou contradictorisch zijn om mij aan één partijpolitieke koers te houden.’

‘In 2004 stemde zowat iedereen in de Gentse afdeling op het Vlaams Belang, nu stemt driekwart op de N-VA’, weet een oud-preses van het KVHV die liever anoniem blijft.

Gastheer Jonas Naeyaert staat me te woord in Gentlemen’s Club De Gekko, in het hart van de Gentse studentenbuurt. Er speelt metal. Een rosse kat baant zich een weg tussen mooie houten meubels – kloek timmerwerk uit lang vervlogen tijden. Aan de muren hangen een grote Vlaamse vlag en de Prinsenvlag, de vaan van de orangisten die hereniging met het Nederlandse koninkrijk beogen. Op een ventilator kleeft een sticker met een duidelijke boodschap: ‘Political correctness? Nein danke!’ Naeyaert schenkt me een Belgisch pintje in een Duits bierglas en steekt een sigaret op. Het rookverbod telt hier niet, want De Gekko is geen officiële horecazaak, wel een groot uitgevallen studentenkot – Naeyaerts hoogslaper bevindt zich boven de bar.

De Gekko komt uitstekend van pas voor vergaderingen van het KVHV-bestuur, maar binnenkort zou dat wel eens kunnen veranderen. De Vlaams-nationalistische vereniging droomt immers van een eigen huis. ‘Daardoor moet onze studentengemeenschap sterker staan’, zegt Naeyaert. ‘Het moet een centrum voor het Vlaamse studentenleven worden waar plaats is voor iedere student met een Vlaams hart.’

Naeyaert blijft liever discreet over het jaarbudget van het KVHV, maar dat de studentenvereniging ervan droomt een eigen studentenhuis te kopen, doet vermoeden dat er een solide financiële backing is. ‘We kunnen toegeven dat ons budget iets groter is dan dat van bijvoorbeeld de ALS en Comac (twee extreem linkse studentenverenigingen, red.)’, zegt de preses met een behoorlijk understatement. ‘Bij het PFK krijgen we jaarlijks iets van een 600 euro. Daar kun je niet echt een werking op bouwen. Voor onze openingsacties alleen al geven we al snel meer dan het dubbele uit. Voor een club als de onze is het overigens gevaarlijk om volledig afhankelijk te worden van subsidies. Die kraan kan toegedraaid worden.’

Het budget komt vooral van oud-leden. ‘Oud-studenten zorgen voor een heel groot stuk van onze werkingsgelden’, vertelt Naeyaert. ‘We hebben geld, maar niet door subsidies, wel door onze eigen leden. Dat maakt ons financieel én intellectueel rijker. Zonder centen kun je geen werking hebben.’

Daarnaast blijft het KVHV de studentencodex verkopen, samen met het SK (Seniorenkonvent), dat de regionale studentenclubs overkoepelt. De codex is het liedboek van de student en onontbeerlijk op een studentencantus. Het ding kost zo’n 10 euro. ‘Het KVHV verspreidt de codex uit culturele manifestatie, niet om geld te verdienen’, benadrukt Naeyaert. ‘We verkopen enkele duizenden codices per jaar. Het aantal schachten blijft al jaren stabiel, terwijl de studentenpopulatie toeneemt. Het studentenleven neemt dus af. Iedereen heeft tegenwoordig een tv en internet op zijn computer. Vroeger had je enkel een bureau en een bed op je kot. Als je geluk had, was er ook een zetel. De studenten zaten op café. Nu blijven ze meer op hun kot. Op café gaan wordt altijd maar duurder en duurder en dan is er ook nog eens het rookverbod.’

Het KVHV blijft zwerven bij het traditioneel studentikoze studentenleven. Dat wil zeggen dat ze ook vasthouden aan de typische petten en lintjes. ‘Dat is een deel van ons cultureel-studentikoos patrimonium. Vlaamse studenten hebben altijd met petten en linten rondgelopen. Ik vind dat heel belangrijk. Dat behoort tot de identiteit van Vlaamse studenten.’ Die petten leveren soms al eens problemen op. ‘Je bent natuurlijk zeer herkenbaar. Voor bepaalde linkse individuen werkt zo’n pet als een rode lap op een stier. Het VRG (Vlaams Rechtsgenootschap, studentenkring van de rechten, red.) draagt ook petten en soms krijgen die ruzie doordat linkse studenten zich vergissen – wat hen meestal zuur bekomt’, lacht Naeyaert.

De Vlaams-conservatieve vereniging beroept zich nogal eens op een stijlvol studentenleven. ‘Al te vaak zien we het studentenleven ontsporen tot vulgariteit. Vele tradities worden gewoon vergeten – die zijn blijkbaar niet meer cool. Maar op een cantus kotsen en pissen onder de tafel past niet bij ons. Wij proberen een zeker stijl alsook normen en waarden uit de studentencodex te eerbiedigen. Wij willen niet in de vuiligheid rollen.’ Dragen de KVHV’ers dan een kostuum op een cantus? ‘Vaak wel. Dat ademt een zekere stijl uit. Maar het is niet omdat we traditioneel studentikoos zijn dat er geen plaats is voor plezier. Dat is complementair bij ons.’

Naast de studentikoze werking is er ook de politieke werking. Het KVHV is compexloos rechts. ‘Communisten mogen universiteitsgebouwen vandaliseren, maar wij zouden ons moeten schamen omdat we pluralistisch rechts zijn? Dat is een scheeftrekking’, vindt Naeyaert. ‘We trekken een lijn in het centrum en iedereen die zich daar rechts van bevindt, is welkom bij het KVHV. Onze rangen tellen rechts-liberalen, radicaal-nationalisten en conservatieve katholieken. Dat pluralisme creëert een rijkdom. Er ontstaat een dialoog zonder dat we moeten inboeten op onze boodschap, wat bijvoorbeeld wel met de toenmalige Volksunie is gebeurd.’

Heeft het KVHV dan geen welomlijnd ideologisch programma? ‘De léden zijn het KVHV. De NSV! werkt wel met een zeer rigide ideologische structuur. Rechts-liberalen vinden er moeilijk hun draai. Studenten met een eerder atypische ideologische invulling van het Vlaams-nationalisme kunnen bij ons wel gedijen. Wij zien dat als een rijkdom’, vertelt Naeyaert. Dus de leden hoeven bijvoorbeeld niet tegen abortus te zijn om bij het KVHV te horen? ‘Door de band genomen zijn we tegen abortus, terwijl sommige leden daar een uitzondering op vormen. We zijn het er wel over eens dat abortus te veel gezien wordt als een soort voorbehoedsmiddel. Er wordt respectloos en gratuit mee omgesprongen.’

‘We vinden niet dat waarden en normen voorbijgestreefd zijn. Wij vinden dat geen romantische zever’, zegt de preses. Is er heden ten dage te weinig respect voor de westerse waarden? ‘Zeer zeker’, knikt hij beslist. ‘Gent is bijvoorbeeld geen probleemstad zoals Brussel of Londen, maar wat ik wel zie, is dat er zowel bij autochtonen als allochtonen sprake is van vervreemding. De derde generatie allochtonen valt tussen twee stoelen in. Ze zijn noch Turks of Marokkaans noch Vlaams. Die generatie, een product van de integratie, zien we volledig ontsporen. Stilaan mag daarover gepraat worden, ook binnen de traditionele partijen. Maar we vrezen dat het wel eens te laat kan zijn om de huidige demografische ontwikkelingen terug te draaien.’

Wat zou er dan moeten gebeuren? ‘Volgens het KVHV ligt het vooral aan onze eigen mentaliteit. We moeten niet zozeer een vijandbeeld creëren, maar we moeten zelf, als volk, sterker staan. Kijk naar de geboortecijfers. Die zijn relatief desastreus. Een Belgische vrouw krijgt gemiddeld 1,6 kinderen, terwijl een geboortecijfer van 2,1 nodig is om je bevolking in stand te houden. Het geboortecijfer bij allochtonen ligt echter op 6 à 7. Binnen enkele jaren kan dat zeer grote demografische aardverschuivingen opleveren. We geloven daarom dat er een migratiestop mag komen.’ Naeyaert hoedt er zich voor om te stellen dat er voor vreemdelingen geen plaats is in Vlaanderen. ‘We geloven niet dat een buitenstaander niet kan thuishoren in onze maatschappij. Maar hoe groter de groep buitenstaanders is, hoe moeilijker het wordt om die groep in te kapselen.’

In Nederland is de islamofobe PVV van Geert Wilders als een komeet omhoog geschoten. Kunnen KVHV’ers zich vinden in het discours van de Nederlandse populist? ‘Goh. We kunnen ons herkennen in bepaalde punten, maar het totale verhaal van Wilders is niet het project van het KVHV. Wilders heeft een zeer sterk vijandbeeld. Hij houdt zich graag bezig met islambashen. Wij geloven niet dat de islam per se een probleem is. We hebben niets tegen een brave moslim die vijf keer per dag bidt. Dat is niet het probleem waar we vandaag mee te maken hebben.’ Ook het Vlaams Belang vernauwt het migratieprobleem steevast tot de islam. ‘Wij zien problemen in massamigratie en globalisering, niet in personen of religies.’

Ook Jong N-VA UGent mocht mee op de foto.

In Gent is er de laatste jaren een enorme instroom van Oost-Europeanen. Is dat dan het grote probleem? ‘Goh, je kunt daar niet zomaar een zwart-witbeeld op plakken. Het zijn ook niet de modale Bulgaren en Roemenen die problemen veroorzaken. Ik denk eerder aan bendes en dergelijke.’

Enkele maanden geleden deelde het Gentse Kamerlid Tanguy Veys (VB) flyers rond in Turkse handelszaken met als boodschap: ‘Keer tevreden terug!’ Op het pamflet prijkte een vliegtuig met de Turkse vlag. ‘Dergelijke stunts zijn tegenwoordig legio bij het Vlaams Belang. (blaast) Ik ga niet zeggen dat die actie ongepast is, want wij geloven niet in politieke correctheid. We kunnen half tevreden zijn met die actie, maar wij werken wel aan een ander project.’

Meer waarden en normen? Nayaert knikt. ‘Niet alleen de derde generatie allochtonen ontspoort, maar ook de autochtone jeugd. Als de maatschappij zelf geen sterke inherente sociale waarden heeft om vreemdelingen in te kapselen, wiens schuld is het dan? We zijn niet eens in staat om onze eigen maatschappij in handen te houden’, zegt de student somber. ‘Het aantal echtscheidingen ligt heel hoog. Kinderen worden daardoor opgevoed in moeilijke omstandigheden en komen vaak terecht in de werkloosheid en de criminaliteit. Er is sprake van verval. Onze tegenstanders noemen ons al snel moraalridders, maar dat is onzin. De cijfers spreken voor zich. De morele ontreddering door kapotte gezinssituaties is groot. Wij geloven nog altijd dat het gezin de hoeksteen van de maatschappij is. Dat klinkt ouderwets, maar het gezin is wel een nucleus die voor stabiliteit zorgt. Kinderen die worden opgevoed in een stabiel gezin krijgen later in hun leven betere kansen. Als daar afbreuk aan gedaan wordt, krijg je bepaalde consequenties.’

Zijn de meeste leden gelovig? ‘Ja, maar velen zijn niet praktiserend. Er zitten zelfs enkele atheïsten bij. We willen meer zijn dan een katholiek vriendenclubje. Iedereen kan zich wel vinden in de christelijke waarden en de relevantie daarvan voor de maatschappij.’

Zelf is Naeyaert niet eens katholiek. ‘Ik ben luthers. Ik ben katholiek gedoopt, maar uit theologische overtuiging heb ik mij laten herdopen. Ik ben echter niet antikatholiek’, glimlacht hij. Hoe reageren medestudenten erop dat hij gelovig is? ‘Sommigen vinden dat raar. Dat is niet meer trendy. Maar wij zijn geen club voor de modale student. Onze leden hebben iets meer te bieden dan de doorsneestudent.’

We spreken elkaar op de vooravond van de protestmars in faciliteitengemeente Linkebeek tegen het akkoord over de splitsing van BHV. Uiteraard gaat Naeyaert mee betogen. ‘Die protestmars lag al langer vast, maar het akkoord over BHV is een reden te meer om te protesteren. Objectief gezien is er een verbetering, maar de faciliteitengemeenten zijn we allicht voorgoed kwijt, terwijl dat Vlaamse grond is. De Vlamingen zijn nu triomfantelijk omdat ze zogezegd veel bereikt hebben, terwijl ze toegevingen hebben gedaan die miniem lijken, maar waarop de Franstaligen later zullen incashen. De regeringsonderhandelingen zijn nog niet voorbij. Er moet nog over geld gepraat worden en ik voorspel dat de Vlaamse partijen door het akkoord over BHV zeer inschikkelijk zullen zijn.’

‘KVHV kiest resoluut voor onafhankelijkheid’, beklemtoont Naeyaert. ‘Er zijn wel enkele leden die voor confederalisme pleiten, maar grotendeels leeft de overtuiging dat België een achterhaalde structuur is die niet meer in staat is om het belang van het merendeel van de bevolking te dienen. Wij geloven dat een staat zo dicht mogelijk bij het volk moet staan. De Belgische politiek staat echter mijlenver van de burger. Door de grendelgrondwet en de belangenconflicten die de vorige staatshervormingen hebben ingevoerd, is de politieke mogelijkheid om hervormingen door te voeren in Vlaanderen stelselmatig onmogelijk gemaakt. Door de particratie leven politici in een fantasiewereldje. Het confederalisme zou ook weer zo’n halfslachtige oplossing zijn: we willen wel een beetje hervormen, maar toch niet te veel. Willen, maar niet kunnen.’

Zal Vlaanderen een stuk rechtser worden zodra het onafhankelijk is? ‘Het is een objectieve vaststelling dat Vlamingen conservatiever zijn dan onze zuidelijke buren. Dus ja, het politieke landschap in een onafhankelijk Vlaanderen zou zich verrechtsen. De democratie zou wel beter werken. Je hebt ‘demos’ nodig: dat is niet zozeer een volk, maar een sociologische entiteit die bepaalde waarden en normen deelt. Met een te grote groep die te pluraal is, wordt het zeer moeilijk om democratie uit te voeren. Dat is wat we zien in België. De belangen liggen te ver uiteen. België is in se niet democratisch. Het sociaal-economische debat zou veel beter gevoerd kunnen worden in een onafhankelijk Vlaanderen.’

Hoe realistisch is dat onafhankelijke Vlaanderen? ‘Het DNA van de traditionele partijen is onlosmakelijk verbonden aan België. Hun machtsstructuur zit in België. Zonder België wordt het voor hen zeer moeilijk om hun macht te bewaren. Hun belangen liggen daardoor niet in het oplossen van België. Maar zeg nooit nooit.’

Het succes van de N-VA lijkt het einde van het land wel dichterbij te brengen. ‘Het is zonder precedent dat de Vlaams-nationalistische partijen in Vlaanderen samen meer stemmen hebben dan de traditionele partijen. Ik had enkele jaren geleden niet durven voorspellen dat de N-VA zo’n superboom zou meemaken’, geeft Naeyaert toe. ‘De houdbaarheidsdatum van België is al lang overschreden. Bij de Vlaming ontstaat er een roep om verandering, wat zijn uiting vindt in het stemgedrag. Die Vlaamsgezinde onderstroom is er gewoon. In 2004 stemde nog één miljoen Vlamingen op het Vlaams Belang, niet alleen een Vlaams-nationalistische maar ook een rechtse partij.’

Voelt het niet ongemakkelijk om voluit rechts te zijn in een progressieve omgeving als een universiteit? ‘Universiteiten zijn vaak een bolwerk van progressief links – dat zie je ook in de Verenigde Staten. Links staat daar buitenproportioneel sterk’, beseft Naeyaert. Hoe komt dat? ‘Mensen die ideologisch rechts georiënteerd zijn, zullen andere professionele keuzes maken dan linkse mensen, die vaker voor een ngo of in het onderwijs gaan werken. Links is zeer sterk in het creëren van een culturele hegemonie, wat rechts veel te weinig doet. De politieke correctheid is een zeer goed voorbeeld. Over sommige dingen mag je niet spreken. Dat is “sociaal niet wenselijk”.’

Is de politieke correctheid niet aan het kantelen? Nu is het al bijna taboe als je zegt dat je voor het behoud van België bent. ‘Ik denk dat niet. Het ironische is trouwens dat wij het enige land zijn waar het revolutionaire linkse kamp een betoging houdt vóór het behoud van het systeem. Ik denk niet dat het ondertussen al politiek correct is om te zeggen dat je tegen België bent. Integendeel.’

‘Politieke correctheid is een vorm van cultureel marxisme. De essentie van het KVHV is dat er vrij over alles gesproken kan worden zonder taboe en zonder politieke correctheid. Wat we wel zien is dat bepaalde meningen die KVHV al honderd jaar verkondigt meer en meer ingang vinden. Dat vinden wij uiteraard positief. Maar is dat een verademing? Laat ons zeggen dat we ons nooit veel hebben aangetrokken van wat het establishment, de staat of de universiteit van ons dacht. Maar het is goed dat er een bewustzijn ontstaat bij de Vlaamse burger. Dat kunnen we enkel aanmoedigen.’

Het KVHV is aan geen enkele partij gebonden en dat is volgens Naeyaert een groot voordeel. ‘We zijn niet gebonden aan beleidsopties of een rigide programma. Wij kunnen doen wat we willen. We kunnen ook de mensen uitnodigen die we willen. Wij zijn een academische club. Die moet niet op zichzelf terugplooien. In de Vlaamse beweging zien we veel navelstaarderij. Dat brengt niets op. Je moet je geest openhouden en je blik op de horizon richten. Vooruit denken. Wij zijn niet bang voor andere meningen – die prikkelen de geest.’

Dus het KVHV nodig ook mensen uit met wie de leden het niet eens zijn? ‘Nadat Erik De Bruyn eerder dit jaar uit de sp.a was gestapt, hebben wij hem uitgenodigd voor een lezing. We wilden hem een forum geven aan de universiteit om reclame te maken voor zichzelf. We waren benieuwd naar zijn plannen. Niet dat KVHV’ers ooit voor hem zouden stemmen, maar iedereen is welkom op onze activiteiten. Maar De Bruyn wou niet komen! (lacht)’

Naeyaert stelt expliciet dat het KVHV elitevormend is. ‘We willen een speerpunt vormen. Dat is essentieel in onze werking. We willen studenten klaarstomen om in het professionele leven bepaalde agendapunten te bewerkstelligen. We proberen onze leden te vormen tot mensen met een coherente ideologie. Andere politieke studentenverenigingen zijn daar veel minder mee bezig’, vertelt Naeyaert.

‘Elite wordt vaak als een lelijk woord gezien, maar daarmee bedoelen we mensen die goed zijn in iets. Dat zie je nu al: oud-KVHV’ers zijn zeer prominent aanwezig in de politiek en de bedrijfswereld. Al mag het nog wat gestroomlijnd worden. Het doel is om mensen op plaatsen te krijgen waar ze invloed kunnen uitoefenen om zo onze idealen te verwezenlijken’, verklaart Naeyaert. Als je naar het aantal (oud-)ministers kijkt, lijkt die missie alvast goed te slagen: onder andere Pieter De Crem (CD&V), Wilfried Martens (CD&V), Tony Van Parys (CD&V) en Jaak Gabriels (Open Vld) waren lid van het KVHV. Ook Gerolf Annemans (VB), Carl Decaluwé (CD&V) en Bart De Wever (N-VA) koppelden er hun politieke interesse aan een studentikoze omkadering.

De oud-leden blijven actief betrokken bij het KVHV. ‘Wij geloven in een levensbond, wat je ook ziet ook bij de Duitse studentenverenigingen. Ons project stopt niet bij het afstuderen. Dan begint de echte werking pas. Je bent klaargestoomd voor de werkelijkheid en dan verlaat je de bubbel van het studentenleven. Het heeft een grote waarde dat de oud-leden blijven komen en dat we die nog iets te bieden hebben en zij ons. Studenten ageren, oud-studenten financieren’, doet de preses uit de doeken.

Door het contact met de voorgangers blijven bepaalde streefdoelen doorgegeven worden aan iedere nieuwe generatie. Zoals – ook bij het KVHV – de vraag om amnestie. ‘De grieven van de Vlaamse onafhankelijkheidsstrijd blijven grotendeels dezelfde. Het is aan ons om iets te veranderen, niet aan mensen die tachtig of negentig zijn. Al is het wel een beetje moeilijk voor ons om ons in te beelden wat er toen allemaal is gebeurd. Anderzijds heb je maar een geschiedenisboek open te slaan om te leren wat de repressie was. Als je de geschiedenis niet kent, kun je de toekomst niet veranderen’, betoogt Naeyaert.

Hij vindt het abnormaal dat amnestie nog altijd zo gevoelig ligt. ‘In alle buurlanden is de evolutie van amnestie voltrokken. Het is heel normaal dat er verzoening is na zo’n verdeelde toestand. De Belgische staat blijft echter de haat aanwakkeren. We zijn ondertussen zeventig jaar verder en er mag nog altijd niet over gesproken worden. Ik vind dat heel kleinzerig en typerend voor de Belgische staat, die meer bezig is met de belangen van een kleine groep dan met de belangen van de Belgen. We doen geen campagnes meer voor amnestie, maar dat wil niet zeggen dat het thema niet meer relevant is.’

Voelen rechtse studenten zich nog altijd het slachtoffer van linkse repressie? ‘De verdraagzaamheid is gegroeid’, erkent Naeyaert. ‘Tien jaar geleden kwam je soms in de problemen als je een Vlaamse studentenpet droeg, maar nu gebeurt dat niet zo vaak meer. Soms roept men nog wel eens “racist!” of “fascist!” als er een Vlaamse vlag op je tas kleeft, maar niet meer zo frequent als enkele jaren geleden. Die evolutie begon al vóór de boom van de N-VA. Soms is er nog sprake van vandalisme of graffiti. Vorig jaar zijn enkele KVHV-leden aangevallen met kettingen, vermoedelijk door anarchistische krakers. Maar vroeger kwam dat veel vaker voor, zeker in de Overpoortstraat (de uitgaansbuurt voor studenten, red.). Ofwel verdwijnt de polarisatie ofwel is de harde kern van onverdraagzaam ultralinks aan het verdwijnen.’

‘Het geweld kwam niet alleen van extreem links’, corrigeert een oud-student uit de tijd van toen. ‘Ook rechts deed mee. De anarchisten vielen één van onze cafés aan, wij vielen daarop een kraakpand binnen. Tien jaar geleden was dat een vorm van communicatie. Nu is die periode voorbij – gelukkig maar.’

Zitten de drie flamingante studentenvereniginen elkáár eigenlijk in de haren om nieuwe zieltjes te veroveren? Vincent Schoenaers van de NSV! ontkent. ‘We beschouwen het KVHV en Jong N-VA niet als concurrentie, maar als een aanvulling. Het zijn medestanders. Tussen studentenverenigingen is er geen concurrentie zoals tussen politieke partijen.’

‘In het wereldje kent iedereen elkaar. We komen naar elkaars activiteiten. We zijn zeker geen concurrenten’, benadrukt ook Naeyaert. Er zijn wel verschillen. ‘Het KVHV is nationaal-conservatief. De NSV! is nationaal-revolutionair. Hun focus ligt meer op provoceren en actievoeren. Wat niet wil zeggen dat wij vies zijn van enige actie: onlangs nog hebben wij de IJzertoren bezet nadat het IJzerbedevaartcomité had beweerd dat de Vlaamse strijd gestreden was. De kiesuitslag zegt iets anders.’

In vergelijking met de hardere broertjes lijkt Jong N-VA wel het kneusje van de flamingante studentenclubs. ‘Je kunt Jong N-VA moeilijk een echte studentenvereniging noemen’, vindt Naeyaert. ‘Het is een jongerenafdeling van een politieke partij die vanuit Brussel de koers bepaalt. Veel marge heb je dan niet.’

‘Bij Jong N-VA houden we ons in grote lijn aan de koers van de partij’, erkent voorzitter Gregory Deseck. ‘De band met de N-VA is niet meteen een pluspunt. Flamingante studenten zullen voor de NSV! of het KVHV kiezen omdat die onafhankelijk zijn. Jongeren sluiten zich liever niet te snel aan bij een partij.’

Zorgt Bart De Wever niet voor een aanzuigeffect bij studenten die zich kunnen vinden in de Vlaamse verzuchtingen? ‘Ik denk niet dat Bart De Wever echt voor bekeerlingen zorgt. Daar heb ik mijn twijfels bij’, zegt Deseck. ‘Veel leden waren al flamingant voor ze student waren. Anderen zijn als student geïnteresseerd geraakt in politiek, zoals ikzelf. Ik ben opgegroeid in een apolitiek gezin. Door de lessen over de geschiedenis van België ben ik flamingant geworden. Er zijn logische en rationele redenen om Vlaamsgezind te zijn. Studenten die zonder politieke voorkeur hun studie beginnen en zich dan pas een mening vormen, zijn wel in de minderheid.’

‘Het politieke engagement is verminderd, maar je ziet wel meer autodidacten opduiken die individueel hun mening hebben gevormd’, vult Naeyaert aan. Hij is er zelf zo één. ‘Vanaf mijn vijftiende is mijn interesse in politiek beginnen te groeien. Ik woon hier in Gent, een multiculturele stad, en dan ontwikkel je je eigen visie op de multiculturele maatschappij.’

‘Autodidacten zijn vaak radicaler. En hoe linkser de faculteit, hoe rechtser en geëngageerder ze meestal zijn’, vertelt de anonieme oud-preses van het KVHV geamuseerd. Hij beklemtoont dat het KVHV geen clubje is voor stamboomflaminganten. Het is meer een meritocratie. ‘In het KVHV zitten rijke stinkerds samen met studenten die zelf hun studie betalen. Het grote voordeel van het georganiseerde studentenleven is dat je mensen echt goed leert kennen. Je zit samen achter de vrouwen, ligt samen dronken in de goot en organiseert samen activiteiten. Dan merk je snel wie wat waard is. Het is een soort officierenschool.’

Buisproffen

13 oktober 2010

Een tijd geleden vroeg De Standaard mij om enkele artikels te schrijven voor een studentenbijlage die bij de aanvang van het academiejaar bij de krant zou zitten. Wel, ik heb dat met veel plezier gedaan. Eén van de onderwerpen waren buisproffen: wie zijn ze en waarom doen ze het?

Via Twitter ging ik op zoek naar de monsters die de studenten de schrik van hun leven bezorgen. Alras had ik een hele lijst vol namen. Sommige proffen wilden niet meedoen, de meeste reageerden gewoonweg niet, maar degenen die mij te woord wilden staan, hadden wel degelijk iets te zeggen. Dat mondde uit in een artikel dat ik met veel genoegen geschreven heb. Uit de zeven interviews kon ik zelfs met groot gemak een twééde stuk puren, ditmaal over de flexibilisering van het hoger onderwijs. (Dat vind ik helaas niet meer terug op de website van De Standaard.)

Soit, sowieso waren die twee artikels veel te kort om al de gespreksstof die ik uitgetikt had in weer te geven. Kappen dat ik heb moeten doen. Omdat ik die interviews nog altijd zeer de moeite waard vind, geef ik ze hier integraal. Geniet ervan. Relatief absolute aanraders zijn de gesprekken met Eric Van de Casteele en Carl Devos. Vaak dolkomisch, altijd scherp.


Flattr this

Dirk Aeyels is een buisprof zonder weerga. Ik heb getuigenissen ontvangen van studenten burgerlijk ingenieur die zeven keer het examen van zijn vak ‘systemen en signalen’ afgelegd hebben. Maar het is ook een aimabel man. Het ene moment kijkt hij je aan met streng priemende ogen, het andere moment zit je te praten met een olijke gozer. Hij wéét dat hij twee gezichten heeft. “Maar jammer genoeg hebben de meeste studenten het niet door als ik middenin een technische uitleg een grap smokkel”, zucht hij.

Aeyels had liever niet dat ik ons gesprek op tape opnam. Hij vertrouwde erop dat ik alles zou kunnen noteren in mijn notitieboekje en dat ik de geest van zijn woorden correct zou weergeven. Dat bleek gelukkig zo te zijn: aan het interview hoefde er voor zijn part nauwelijks iets veranderd te worden. Oef!

Was u ervan op de hoogte dat u de naam hebt een buisprof te zijn?

Dirk Aeyels: “Tot voor kort kende ik die term niet. Maar toen ik op website van het VTK (Vlaamse Technische Kring, studentenclub van de burgerlijk ingenieurs, TVDM) keek wat er geschreven stond over mijn vak, las ik daar wel al in de eerste zin ‘buisvak’. Ik weet dat ik de naam heb veeleisend te zijn, maar ik ben verbaasd dat men dat reduceert tot ‘buisprof’. Ik kan niet zeggen dat ik dat prettig vind, maar het is nu zo, zeker?”

Waarom vinden studenten u veeleisend?
“Ik tracht te peilen naar inzicht. Daarom neem ik ook het liefst mondelinge examens af. Helaas lukt dat niet meer: er zijn te veel studenten. In mijn lessen probeer ik zo natuurlijk mogelijk kennis over te brengen. De studenten moeten creatief kunnen omspringen met die kennis. Maar als een student onvoldoende kennis verworven heeft, is het zeer moeilijk om nog creatief te zijn. Van burgerlijk ingenieurs wordt een theoretische onderbouw verwacht, maar tegelijk moeten ze in staat zijn om na te denken over toepassingen.
“Als wij vroeger op ons examen pure kennisvragen kregen, was dat een cadeau. Nu niet meer: men studeert te weinig. Zelfs kennisvragen blijken een hindernis. Ik heb ook het gevoel dat studenten slordiger formuleren. Ze hebben het vaak moeilijk om een redenering op te bouwen. Vele studenten weten wel iets, maar niet precies genoeg. Het antwoord zit in hun hoofd, maar ze krijgen het niet uitgelegd op papier. Als ik daar niet soepeler mee zou omgaan, zouden de slaagcijfers dalen. In die zin geef ik dus iets meer toe.”

Ligt dat aan de studenten zelf?
“Neen, ik leg de schuld niet bij de studenten zelf. Waarschijnlijk heeft het te maken met de veranderende maatschappij. Ook wordt er in het middelbaar anders lesgegeven dan vroeger. Studenten worden minder goed voorbereid op universitaire studies.”

Wat is het slaagpercentage voor uw vak?
“Ik weet niet hoeveel studenten geslaagd zijn. Ik volg de evolutie van de slaagcijfers niet op de voet. Collega’s spraken me vroeger wel aan op het slaagpercentage voor mijn vak. Dat was niet leuk, zelfs al was het goed bedoeld. Zij moeten beseffen dat ik het ook goed meen. Ik wil mijn studenten niet buizen, ik wil dat ze iets bijleren.”

Vindt u het vervelend als een examen niet goed is?
“Er zijn mensen die vier keer op rij 6 op 20 halen voor mijn vak. Dat vind ik erg voor de studenten in kwestie. Kunnen ze het niet of studeren ze het niet? Systemen en signalen is basisleerstof voor alle ingenieurs. Studenten moeten zich enkele basisbegrippen eigen maken die in de verdere opleiding een rol spelen. Het is een theoretisch vak met vele praktische toepassingen. In die zin is het een belangrijk vak. Maar op het moment zelf zien vele studenten niet in waarom dit vak nodig is. Dat komt pas later – hoop ik toch. Dan beseft men: tiens, bij Aeyels hebben we toch iets geleerd. Dat was wel degelijk zinvol.”

Hoe zit het met het niveau van de studenten?
“De bovenlaag van de studenten presteert nog altijd zeer goed. Maar er is een grotere instroom dan toen er nog een toelatingsexamen was (het examen werd in 2004 afgeschaft, TVDM). Vooral de onderlaag lijkt groter te zijn. Veel studenten raken nog door het eerste jaar, maar dan komen ze in de tweede bachelor ‘Systemen en signalen’ tegen…
“Ik ben voor een ingangsexamen. Dat hoeft niet moeilijk te zijn, maar je kunt dan wel zien wie de motivatie en de aanleg heeft voor deze opleiding. Zo weet je ook dat studenten niet zomaar aan een opleiding beginnen.”

De overheid verwacht dat universiteiten en hogescholen meer mensen met een diploma afleveren. Is dat een goede zaak?
“Op zich is het principe van een democratische instroom goed, maar er wordt vooral gekeken naar de uitstroom. Op dit moment is de industrie nog altijd tevreden, maar in de Verenigde Staten heeft men nu al last van ‘grade inflation’. Dat wil zeggen dat men te gemakkelijk hoge cijfers geeft voor prestaties die dat niet verdienen. Het is geen goede ontwikkeling dat de inhoud van het diploma zo weggenomen wordt. Dat zal op termijn gevolgen hebben, ook voor de industrie.
“De universiteit is geen bedrijf dat producten aflevert. Maar ik vrees dat we meer en meer die richting aan het uitgaan zijn. Ik vind het ook afschuwelijk als men spreekt over studenten als klanten. Ik ga daar niet mee akkoord.”


Flattr this

Eric Van de Casteele (1963) is lector aan de Arteveldehogeschool. Hij doceert ‘Belgische geschiedenis’ en ‘Leerstelsels en instellingen’. Daarnaast is hij ook nog eens medewerker van het weekblad Knack. Dit moet zowat het prettigste interview zijn dat ik ooit al afgenomen heb. Die Van de Casteele zegt niet alleen zinnige dingen, het is ook nog eens een hilarische verteller. Zijn studenten hebben zijn vele splijtende oneliners verzameld op een Facebookpagina. “Ik heb zelf een trauma overgehouden aan mijn studententijd.”

Hoe komt het dat studenten vinden dat u een buisprof bent?
Eric Van de Casteele: “Alle algemene vakken in de Arteveldehogeschool – zoals sociologie, economie, communicatieleer, grafische technieken, recht en geschiedenis – zijn min of meer buisvakken. Voor de opleidingen communicatiemanagement en journalistiek is ervoor gekozen om die vakken op een kwalitatief hoogstaand niveau te blijven aanbieden. Wij zijn van mening dat universele kennis het blikveld verruimt. Die theoretische kennis biedt meer diepgang en scherpt de kritische geest aan. Je bevordert daarmee het abstract denken. Hogeschoolonderwijs is meer dan een directe link tussen de studie en de latere loopbaan, je moet ook vorming bieden.
“De trend om te specialiseren en louter praktijkgericht te werken is volgens mij voorbij. We horen dat het bedrijfsleven tevreden is over studenten die naast professionele ook algemene kennis hebben.
“Die theoretische vakken hebben nog een ander voordeel. Meer dan 30 procent van onze studenten studeert via een schakelprogramma verder aan de universiteit. Dan is het handig dat ze al enkele algemene vakken hebben gekregen, zodat ze beter kunnen aansluiten bij het universitaire niveau.”

Maar de studenten struikelen wel over die vakken?
“Dat is al altijd zo geweest. De ene heeft last met economie, de andere met sociologie: elk vak is voor een aantal studenten wel een buisvak. Ik heb nooit anders geweten.”

Hebben de studenten dan geen algemene kennis opgedaan in de humaniora?
“Er heeft zich een toenemende specialisering voltrokken in het middelbaar onderwijs. Enerzijds heb je de onderverdeling tso-aso-kso. Daarbij móéten studenten zich al van in het eerste jaar beginnen te specialiseren. Anderzijds heb je ook binnen het aso verschillende specialisaties. Scholieren kunnen kiezen tussen Latijn-moderne talen, economie-wiskunde, menswetenschappen, en noem maar op.
“Hoe meer je leerlingen in hokjes steekt, hoe minder algemene, universele kennis zij hebben. Iemand die menswetenschappen heeft gestudeerd kan misschien goed geschiedenis, maar heeft moeite met economie. Iemand die economie heeft gekozen, heeft het dan weer moeilijker met sociologie en psychologie. De richtingen die men in de humaniora kan volgen, komen doorgaans niet overeen met de eerstejaarsopleidingen aan de hogescholen. Daardoor krijgen veel studenten het lastig.”

Is het dan zo erg?
“Niet bij elke student. Maar er zijn meer studenten dan vroeger die last hebben met pure basiskennis. Het is niet de bedoeling dat beginnende studenten al alles weten, want dan ben ik m’n job kwijt, maar ze zouden toch iets meer voorkennis mogen hebben. In de les godsdienst kijken leerlingen tegenwoordig naar een film. Tijdens taallessen discussieert men voortdurend over het een of ander onderwerp, zonder dat de grammatica zelf goed geleerd wordt. Iedereen moet nu mondig zijn, maar men discussieert zonder theoretische basiskennis. Aan mondigheid ontbreekt het niet, maar mondigheid is nog iets anders dan zinnige dingen zeggen. Waarom niet eerst kennis aanbieden en dan een mening vormen in plaats van omgekeerd?”

Leerlingen moeten kortom weer hun mond houden en aandachtig luisteren naar wat de leraar zegt?
“Ik ben geen reactionair, hé. Ik wil niet manu militari terug in de tijd. Ik zeg niet dat het weer zoals vroeger moet zijn. Ik ben wel conservatief in die zin dat ik denk dat kwaliteitsvolle vorming voor kritische mensen zorgt. Kennis is macht. Hoe dommer iemand is, hoe sneller hij misleid wordt. Dat is niet goed voor de democratie. Van een student die aan de hogeschool studeert, mag je toch verwachten dat hij het verschil kent tussen een parlementslid en een minister? Daar heb je geen politieke knobbel voor nodig. Dat moet je weten.
“Ligt het enkel aan de organisatie van het middelbaar onderwijs dat studenten minder basiskennis hebben?
‘Neen. Er is om meerdere redenen een groeiend gebrek aan concentratievermogen. Dat is een algemeen maatschappelijk fenomeen. Zo zijn er de vele input en prikkels van de moderne tijd, zoals sms, Twitter, Facebook,… Studenten hebben het steeds moeilijker om een bladzijde leerstof te reproduceren. Twee, drie lijntjes, dat gaat nog. Vanaf vijf lijntjes wordt het te veel. Voor veel vakken vormt dat een probleem. Men heeft er almaar meer moeite mee om een groter verhaal als één geheel weer te geven.”

De jongste jaren wordt vanuit de overheid gepoogd om het hoger onderwijs te democratiseren. Is dat een goede zaak?
“Je moet opletten dat je popularisering en democratisering niet verwart. Democratisering betekent dat mensen uit een minder rijk gezin ook de kans krijgen om te studeren. Iedereen moet uiteraard de mogelijkheid krijgen zich te ontplooien. Maar popularisering betekent dat elke ouder vindt dat jongeren per se hoger onderwijs moeten volgen.
“Nu komen veel studenten – zo’n 30 procent – uit het tso of uit het kunstonderwijs. Ik heb zeer veel respect voor zulke studenten die er geraken door hard te werken. Je moet je ook de vraag stellen waarom iemand in het tso beland is. Vaak zijn die studenten daartoe gedwongen. Je moet die scholieren de kans geven om zich te herpakken als ze achttien jaar zijn. Ik pleit dus niet voor ingangsexamens of een numerus clausus. Alleen is het zo dat steeds meer studenten onvoldoende voorkennis hebben om hogere studies succesvol af te ronden.”

Worden die zwakkere studenten er dan niet meteen uit gefilterd?
“Door leerbegeleiding en voortdurend te testen probeert de hogeschool ervoor te zorgen dat zwakkere studenten de middenmoot bijbenen. Op zich is dat positief, maar daar kruipt enorm veel tijd in. Daardoor dreigen de betere studenten op hun honger te blijven zitten. Dat wordt een probleem. Die studenten vragen er ook om om op de ouderwetse manier les te krijgen: voeten onder tafel schuiven en luisteren. Zij beginnen zich te enerveren als het systeem te schools wordt, waardoor ze hun talenten niet voldoende kunnen waarmaken. Dat zijn vaak creatievere mensen die een beetje egocentrisch zijn. Op den duur komen ze niet meer naar de les en waardoor ze soms zelfs buizen.
“Ik vrees dat er op die manier een grotere kloof kan ontstaan tussen de minder begaafden en de beter begaafden. De grote middenmoot die je vroeger had, dunt vandaag uit. Nu heb je eerder een grotere groep zwakke studenten tegenover een kleine groep zeer sterke studenten, wat niet alleen met begaafdheid te maken heeft, maar ook met motivatie. Die trend zie je ook in de maatschappij opduiken. Denken we daarbij aan de toenemende kloof tussen arm en rijk.
“Dat is een jammerlijke evolutie, omdat we op den duur richting Amerikaanse toestanden dreigen te evolueren. Het gevaar bestaat dat de beter opgeleiden zich willen verwijderen van de zwakkeren, zodat de vraag naar de oprichting van private elitescholen zou toenemen. Op die manier zouden we het kind van ons huidig kwalitatief hoogstaand en gedemocratiseerd hoger onderwijs met het badwater weggooien. Ik vermoed dat men dat bij de directies van de hogescholen beseft. Daarom wordt eraan gedacht om de begaafde studenten meer te stimuleren.”

Bent u streng om een zeker niveau te handhaven?
“Ik examineer helemaal niet zo streng. Vroeger nam ik veel meer mondelinge examens af, en dat was zelfs in het voordeel van de studenten. Na een schriftelijke voorbereiding was er een mondelinge herkansing. Ik lette er wel op dat ze de volledige leerstof kenden, en niet de helft. Het is niet omdat je met 10 op 20 geslaagd bent voor een vak, dat je maar de helft moet kennen. Als we zo beginnen, zijn we hopeloos verloren. Studenten moeten hun stof studeren, niet gewoon lezen. Voor een vak als geschiedenis blijven namen en data belangrijk. Ik sta er ook op dat men een groter aantal bladzijden kan reproduceren.”

Spreekt u er studenten op aan als ze te weinig gestudeerd hebben terwijl ze wel slim genoeg zijn?
“Ja. Dat is het voordeel van het mondelinge examen. Je kunt meteen feedback geven. Examens zijn vaak ideale momenten om sommige studenten bij te sturen. Je mag nog zo slim en creatief zijn, als je niet studeert, geraak je er niet door. Jongeren van 17 tot 20 jaar zullen zo’n opmerking ook veel sneller aanvaarden van een lector dan van hun ouders. Het is zeer aangenaam als je ziet dat ze zich in de tweede zit herpakt hebben.”

Ergert u zich aan lectoren die lakser quoteren?
“Het is zeer jammer dat bepaalde hogescholen of lectoren redeneren dat studenten te dom zijn en dat ze daarom de kwaliteit van het onderwijs moeten verlagen. Ze pleiten ervoor om complexe onderwerpen niet meer te behandelen, want de studenten verstaan het toch niet meer. Ik vind dat een verwerpelijke visie. Dat is elitair en misplaatst. Overigens moet je als lector in staat zijn om je leerstof, hoe complex en abstract die ook is, op een bevattelijke manier uit te leggen. Als lector kun je maar respect krijgen, als je dat respect vraagt. Studenten moeten je vak kunnen waarderen, ook al doen ze het minder graag.
“Vergeet ook niet dat vele studenten niet graag hebben dat er cadeaus worden weggegeven. Dan voelen ze zichzelf waardeloos. Anderzijds: als studenten weten dat ze móéten studeren voor een bepaald vak, gaan ze dat ook wel doen. Veel studenten halen daardoor zeer hoge scores voor vakken die bekend staan als buisvakken.”

Is het onderwijs aan de hogeschool nu moeilijker of makkelijker dan vroeger?
“De taakbelasting is in ieder geval veel groter geworden. Daartegenover staat dat je ‘maar’ 10 op 20 moet halen om erdoor te zijn voor een vak. Daardoor onderschatten sommige studenten het examen, wat leidt tot uitstelgedrag. Met twee dagen studeren kennen we de helft en dan zal het wel lukken, denken ze. Velen mispakken zich daaraan. Als je op voorhand weet dat je 14 of 12 op 20 moet halen, ga je iets meer je best doen.”

Gaan de slaagcijfers dan achteruit?
“Algemeen gezien zijn de slaagcijfers ongeveer gelijk met vroeger. Alleen zijn de studenten die in eerste zit geslaagd zijn voor alle vakken uitzonderingen geworden. Nochtans moet je nu slechts de helft halen, terwijl dat vroeger 60 procent was.
“Het huidige flexibele systeem is in het voordeel van mature studenten. Jongeren zonder voldoende zelfkennis waren volgens mij beter af met het oude systeem. De ouders weten bovendien vaak niet meer in welk jaar hun zoon of dochter nu precies zit. Gemiddeld slechts een vierde van de studenten zit in een regulier traject.”

Hebt u zelf buisproffen meegemaakt waarvoor u een heilige schrik had?
“Dat niet. Schrik is een groot woord. Ik heb wel een trauma overgehouden aan Engels in mijn tweede jaar aan de Hibo (thans Arteveldehogeschool, TVDM). Ik was daar toen geen krak in en tot vijf jaar geleden heb ik álle zomers van dat examen gedroomd. Nooit was ik erdoor. (lacht)

Wat doet u het liefst: een examen afnemen of een examen afleggen?
“Als examinator zit je niet met die stress. Maar je hebt evenmin de voldoening die je hebt als je een goed examen hebt afgelegd. Voor zware vakken mooie cijfers halen doet enorm veel deugd. Ik heb daarvoor gejuicht vroeger. Gesprongen in de lucht van fierheid.
“Als examinator moet je vaak voorzichtig zijn met wat je zegt. Ja, er kan al eens gelachen worden, maar jonge studenten hebben het vaak moeilijk om bepaalde uitspraken of beoordelingen juist te plaatsen. Vergeet niet dat voor veel studenten de overgang van middelbaar naar hoger onderwijs vaak zeer moeilijk en stresserend is. Student zijn is niet altijd even leuk.”

Is het misschien dat gebrek aan relativeringsvermogen dat u die reputatie van buisprof bezorgt?
“Studenten hebben enorm veel fantasie over lectoren. Dat is ongelooflijk. (lacht) Maar het heeft ook zijn charme.”

Past u de examencijfers nog aan als de scores er echt niet goed uitzien?
“Ik herzie de resultaten nooit. Een examen krijgt een cijfer en daar blijf ik bij.”


Flattr this

Ivan De Cnuydt (1958) doceert aan de Arteveldehogeschool algemene economie aan de opleiding communicatie in het eerste en het tweede jaar. In de journalistiek wordt de cursus in twee delen gegeven in het tweede jaar. Hij geeft al dertig jaar les en zeult al lang het imago van buisprof met zich mee. Zijn handboek Economie vandaag, dat hij samen met Sonia De Velder schreef, is een standaardwerk. “Ik buis geen studenten, ik geef studenten het cijfer dat ze verdienen.”

Bent u er zich van bewust dat u het imago van buisprof hebt?
Ivan De Cnuydt: “Uiteraard weet ik dat. Je hebt dat imago, en daar geraak je waarschijnlijk ook nooit meer van af. Toen ik algemene economie begon te doceren, was ik allicht diegene die qua buiscijfers vooraan stond. Ondertussen is dat geëvolueerd. Momenteel is 43 procent van de eerstejaarsstudenten geslaagd in eerste zit voor mijn vak. Er zijn collega’s die lagere slaagcijfers hebben. Mijn imago klopt dus niet meer.”

Maar u legt de lat wel hoog?
“Inderdaad. Mijn handboek wordt in heel Vlaanderen gebruikt, en allicht leg ik de lat het hoogst. Het is zelfs mogelijk dat ik de lat in de loop der jaren nog hoger heb gelegd, zonder dat mijn slaagcijfers daarom gedaald zijn. Integendeel. Ik zal dus zeker niet beweren dat het niveau van de studenten gedaald is.”

Hoe verklaart u die paradox?
“Mijn vak is niet makkelijker geworden, maar de huidige cursus is wel veel beter dan die van twintig jaar geleden. Daarnaast zijn ook mijn lessen didactisch gezien van een veel hoger niveau. Ook werk ik nu met een elektronische leeromgeving, zodat studenten dag en nacht oefeningen kunnen maken. Wie daarop 2 op 20 scoort, weet dat er werk aan de winkel is.
“De slaagcijfers zijn niet gedaald, maar toch is de instroom van studenten anders dan vroeger. Wij stellen vast dat economie een vak is dat gemeden wordt in het middelbaar onderwijs, net als wiskunde. Scholieren hebben daardoor te weinig financiële kennis. Een ander aspect is dat leerlingen in het secundaire onderwijs toetsen krijgen. Dat gaat dan telkens over vijf à tien pagina’s. Dat is heel wat anders dan een hele cursus studeren.
“Bovendien heb ik de indruk dat men in het middelbaar zeer snel tevreden is met de antwoorden. Ken je je begrippen uit het hoofd, dan ben je geslaagd. Ik stel mijn vragen niet op die manier. Ik peil naar inzicht en naar de kennis van de actualiteit. In mijn cursus staan honderden begrippen, maar je moet die niet memoriseren. Je moet ze kunnen gebruiken en weten wat die begrippen inhouden. Bij multiple choice moeten studenten hun keuze motiveren, of ze krijgen geen punten. Dat is de reden waarom studenten mijn cursus zo moeilijk vinden.”

Hoe overleven studenten uw examen?
“Om te beginnen moet je het juiste curusmateriaal gebruiken. Ik kom jaarlijks met een nieuwe versie van mijn handboek. De actualiteit verandert nu eenmaal voortdurend. Daardoor pas ik trouwens ook altijd mijn examenvragen aan. Slechts 10 procent van de vragen heb ik de voorbije jaren al gesteld. Sommige studenten denken echter: goh, ik heb nog een boek van vorig jaar, die nieuwe koop ik niet. Dat is uiteraard hun keuze.
“Veel studenten maken ook samenvattingen. Of ze downloaden een samenvatting, waarvan er op het internet tientallen versies te vinden zijn. Als je je daarmee bezighoudt, garandeer ik dat je nooit meer dan 5 op 20 zult halen. Mijn boek ís al een samenvatting. Je moet het boek studeren, niet de samenvatting. Na elk hoofdstuk staat er wat je moet weten en kunnen. Als je daar rekening mee houdt, kun je geen tekort hebben.”

Studenten studeren dus verkeerd?
“Vele studenten verstaan onder studeren ‘aandachtig lezen’. Nu blijkt uit onderzoek dat dat slechts een rendement van 10 procent oplevert. Je moet dus naar de les komen. Want als je iets hoort uitleggen, haal je een rendement van 20 procent. Ik geef ook presentaties, want iets zíén, geeft zelfs 30 procent rendement. Met andere woorden: als je aandachtig oplet tijdens de les, haal je een rendement van 50 procent. Dan ken je al de helft van de cursus. De correlatie tussen lessen volgen en slagen is bijzonder groot. De les moet wel een meerwaarde hebben. Als de professor zijn cursus voorleest, blijf je beter weg.
“Studenten komen echter in het algemeen steeds minder naar de les. In de eerste week is er te weinig plaats in het auditorium. Kom vijf weken later kijken, en er zit maar 60 procent meer. Kun je dan verwachten dat ik een slaagcijfer van 60 procent kan voorleggen? Als je alleen naar de studenten kijkt die naar de les komen, haal ik een slaagcijfer van meer dan 60 procent.”

Waarom legt u de lat zo hoog?
“Eigenlijk kun je nu je diploma halen door op elk vak net 10 op 20 te scoren, terwijl vroeger 14 op 20 nodig was voor een vrijstelling. Die evolutie is geen goede zaak. Je moet je bepaalde competenties eigen maken om te slagen, maar blijkbaar moet dat slechts voor de helft. Ik weet niet of een werkgever tevreden zal zijn met de helft. Het is nu al makkelijker om te slagen. Ik zie niet in waarom ik daarbovenop nog het niveau zou moeten verlagen. Er zijn collega’s die de lat almaar lager leggen, maar hun slaagcijfers stijgen niet. Waarom niet? Omdat studenten altijd de neiging hebben om onder de lat door te kruipen.
“Vroeger kon je niet naar het volgende jaar als je te veel tekorten had. Nu heeft men het hele systeem flexibeler gemaakt omdat men studenten sneller wil laten afstuderen. Maar ze doen er net langer over. Nogal wat studenten laten de eerste examenkans voor economie passeren. We schuiven dat wel door naar de tweede zit, denken velen. Maar zeker als je niet naar de les bent geweest, kan ik je garanderen dat dat niet goed afloopt in tweede zit. In de tweede zittijd is maar 50 procent van de eerstejaarsstudenten komen opdagen voor het examen economie.”

Maar officieel hoeft die student zijn jaar niet over te doen?
“Zo’n student kan thuis vertellen dat hij naar het tweede jaar gaat en dat hij gewoon nog één vak meeneemt uit het eerste jaar. Of twee, of drie, of zelfs vijf vakken. Zeggen tegen studenten met vijf tekorten dat hij naar het volgende jaar mag, is een verkeerd signaal. Want wat gebeurt er vervolgens? Die studenten leren vooral de vakken van het tweede jaar. Ze blijven voor economie werken met een verouderd handboek. Ze leren de samenvatting van het vorige jaar. Ze komen niet naar de les, want ze hebben dat zogezegd al eens gedaan. ‘Het zal nu wel lukken, zeker?’, hopen ze.
“In de praktijk stellen we vast dat zulke studenten in aantal toenemen. Er zijn tegenwoordig meer studenten die niet dan wel in een regulier traject zitten. Het slaagcijfer van tweedejaarsstudenten die het modeltraject volgen – en dus geen vakken meesleuren uit het eerste jaar – bedraagt meer dan 70 procent. Bij die anderen is dat slechts 30 procent. Zij blijven dus met de problemen zitten. Na drie jaar sukkelen beseffen ze misschien dat ze de verkeerde opleiding volgen, maar dan ben je al bijna verplicht om te blijven plakken, want als je aan een nieuwe opleiding begint, ben je drie jaar kwijt. Dit systeem is dus veel duurder voor de gemeenschap.”

Vindt u het vervelend dat u de naam hebt een veeleisende prof te zijn?
“Neen. Studenten weten wat ze moeten doen. Als ze zich daaraan houden, dan slagen ze. Er zijn studenten die de dag na het examen vergeten wat ze gestudeerd hebben. Maar vaak hoor je van oud-studenten dat er toch wel iets blijven hangen is. Ze kennen mijn naam nog. ‘Uw cursus was misschien wel moeilijk, maar we hebben er iets van opgestoken’, krijg ik regelmatig te horen. Dat vind ik veel belangrijker dan dat ze zich zouden afvragen: ‘De Cnuydt, wie was dat ook alweer?’ (lacht)

Zijn studenten vaak ontgoocheld als ze hun uitslag vernemen?
“Na de examens is er altijd feedback voorzien. Sommigen hadden een hoger cijfer verwacht. Maar als we het examen doorlopen, moet ze toegeven dat hun resultaat terecht was.”

Vindt u het vervelend om studenten met een nipte buis naar huis te sturen?
“Bij mij zijn er zeer weinig mensen die een 9 op 20 halen. Ik ben zeer soepel. Als ik bij een schriftelijk examen op een 9 uitkom, bekijk ik dat examen opnieuw. Vaak komt het dan aan op een half puntje. Een 9 wordt dan al snel een 9,5 en dat moeten we afronden naar 10. Dus eigenlijk ben ik een zeer studentvriendelijke examinator. (lacht) Bij mij halen sommige studenten 16 of 17 op 20, zelfs in de tweede zit. Als ze het niet goed doen, halen ze sneller een serieus tekort, zoals een 6 of een 7 op 20. Of minder. Dat geeft me natuurlijk een naam. Wie enkel zijn cursus uit het hoofd heeft geblokt, haalt zelfs maximum 2 op 20. Dat is bij ongeveer een vierde van de eerstejaarsstudenten het geval.”

U hebt een fanpagina op Facebook. Wist u dat?
“Ik heb de indruk dat die pagina een stille dood gestorven is. Zo’n pagina kan wel heel gevaarlijk worden als het uit de hand loopt. Studenten vertellen soms dingen die niet kloppen. Dat was vroeger ook al het geval. Zo ontstaan er verhalen die moeten verantwoorden waarom een student niet geslaagd is. Maar ik buis geen studenten, ik geef studenten het cijfer dat ze verdienen.”

Ergert u zich soms aan collega’s die lakser quoteren dan u?
“Er zijn docenten die zeggen: deze student kan niet slagen, dus ik geef hem een 9. Want dat cijfer is makkelijk op een deliberatie. Ik doe dat niet. Ik geef geen 9 als iemand maar een 6 verdient.”


Flattr this

Politicoloog Carl Devos (1970) is alom aanwezig in de media. Je zou bijna vergeten dat de wetenschapper ook nog les geeft aan de UGent. En nog geen klein beetje: politicologie in eerste bachelor en politieke besluitvorming in tweede bachelor. “Een stevig vak”, zegt hij zelf. Daarnaast begeleidt hij de stage en bachelorpaper in derde bachelor en doceert hij Belgisch federalisme in de master. Je kunt van Devos veel zeggen, maar op zijn mondje is hij niet gevallen. “Wie niet slaagt, is ofwel niet gemotiveerd genoeg of heeft niet het karakter en de discipline om deze opleiding te volgen.”

Carl Devos (UGent) is niet van plan om van de universiteit een kakschool te maken.

Toen ik Carl Devos een mail stuurde met de vraag of ik hem mocht interviewen over zijn imago als buisprof, kreeg ik meteen een duidelijk antwoord. “Ik vind niet dat dat een te koesteren omschrijving is, maar ik heb inderdaad niet meteen de hoogste slaagcijfers”, erkende Devos. “De formulering ‘gemakkelijk buizen uitdelen’ klopt alvast niet, ik ben er niet op uit om iemand als niet geslaagd te beoordelen, ik doe dat zelfs niet graag. Slagen of niet doen studenten zelf. Als ik de vele-niet geslaagden zie, ben ik daar niet meteen enthousiast over.”

Hij gaf wel een verklaring voor zijn veeleisende manier van examineren: “Ik ben streng omdat ik wil dat wie aan de UGent politieke wetenschappen studeert (en dat zijn er niet weinig) zijn diploma waard is zodat ze elders zeggen: die komt van Gent, dat is goed gerief. Het gaat er dus om een diploma en onderwijsinstelling een goede reputatie te geven. Bovendien is de universiteit geen kakschool, maar wordt aangezien als de ‘hoogste’ onderwijsopleiding. Nadien zeggen studenten graag, en terecht, dat ze aan de universiteit studeerden. Wel, dan moeten ze tijdens hun studies bewijzen dat ze dat waard zijn. Bovendien verwachten wij nogal wat van onze studenten, ze moeten dat ook aankunnen en moeten daarom voldoende streng geëvalueerd worden.”

Weet u al lang dat u het imago van een veeleisende prof hebt?
“Ik had die naam al van toen ik assistent was. Ik heb mij daar nooit veel van aangetrokken. Op blogs las ik soms vernietigende commentaren. De verleiding om te denken ‘wat voor een kloothommel eersteklas ben ik wel?’ is groot, maar je moet dat vooral relativeren. Luisteren naar en rekening houden met gefundeerde en terechte kritiek, zonder er de slaaf van te worden. Want veel opmerkingen zijn onterecht. Ik zou het niet prettig vinden om gehaat te worden, maar ik moet ook niet populair zijn. Van behaagzucht heb ik geen last. Ik kan nog altijd in de spiegel kijken en uitleggen waarom ik doe wat ik doe. En de klagers roepen luider dan wie het wel goed vindt. Als ik de onderwijsevaluaties mag geloven is dat de grote meerderheid.
“Die reputatie kan soms rare vormen aannemen. Ooit heb ik een mondeling examen afgenomen dat zeer goed verliep. Echt een tof en interessant gesprek. Er werd  gelachen. Nadat die student weer naar buiten was gewandeld, bleef de deur op een kier staan. Ik hoorde hem op de gang zeggen: ‘Man, dat was weer niet te doen! Ik heb weer alle hoeken van de kamer gezien.’ Sommige studenten houden graag mythes en vooroordelen overeind. Dan denk ik vooral: jammer, we hebben die student onvoldoende kritisch kunnen vormen zodat hij zelfstandiger leert denken.”

Begrijpt u dat u de reputatie hebt van buisprof?
“Ik ben ook student geweest. Ik versta dus dat er mythes bestaan over proffen die graag studenten buizen. Maar daar is dus niets van aan. Ik ben niet uit op een bloedbad. Ik streef er niet naar om er eens serieus de bijl in te zetten. Evenmin heb ik een ‘numerus fixus’ in mijn hoofd. Als studenten niet slagen, beschouw ik dat niet als een persoonlijk falen van mijnentwege, maar ik vind het wel jammer. Er zijn immers heel wat factoren die ik niet onder controle heb. Motivatie en discipline bepalen sterk of studenten slagen of niet.
“Ik zal u zelfs een bedrijfsgeheim verklappen: vaak pas ik de cijfers opwaarts aan. Als alle examens verbeterd zijn, plaatsen we de resultaten in een lijst. Wanneer dat er echt heel dramatisch uitziet, verminder ik bijvoorbeeld het gewicht van enkele heel slecht scorende vragen of krijgt iedereen er een half punt bij. Of een punt, als het werkelijk erg is. Ik heb nog nooit van mijn leven het algemene cijfer naar beneden getrokken. Van mij mag iedereen slagen, ik wens het iedereen toe. Maar mijn job is niet enkel mensen opleiden maar ook nagaan of ze aan de normen voldoen. De universiteit levert immers een garantiebewijs af.”

Maar u bent wel een strenge professor?
“Er zijn verschillende redenen om hoge eisen te zetten. Ik zeg tegen mijn studenten: ‘Jullie hebben gekozen voor universitair onderwijs. Dat wordt door de maatschappij en de arbeidsmarkt aangezien als de hoogste onderwijsvorm. Je zult ervoor moeten werken en de lat ligt hoog.’ In principe zou de lat nergens hoger mogen liggen. Ik wil dat mensen die hier een diploma halen een kwaliteitslabel meekrijgen: dit is degelijk materiaal. Dat doe je maar door ervoor te zorgen dat de studenten die het diploma halen het effectief ook waard zijn. Dat is mijn grootste bekommernis.
“Wij zijn eigenlijk onderbemand om alle studenten in de hogere jaren heel veel  begeleiding te geven bij papers, masterproef, groepswerken enz. Van de studenten in de hogere jaren moeten we dus zeker zijn dat ze goed genoeg zijn, ook om zonder dat wij er de hele tijd naast zitten hun opdrachten te maken. Daarom moet je voldoende streng selecteren in het eerste jaar. Wat voor zin heeft om een massa mensen door te laten naar het tweede jaar en hen dan oefeningen te geven waarvan je weet dat ze die eigenlijk niet aankunnen?”

Er moet dus duchtig geselecteerd worden in het eerste jaar?
“Elk jaar verwelkomen wij honderden nieuwe studenten. Bij het verbeteren van de examens zien we dat er pak zijn met 2, 3 of 4 op 20. Dat zijn mensen die wellicht niet geschikt zijn voor deze opleiding. Door mijn manier van examineren haal ik die studenten er voor een groot stuk uit. Ze moeten hun stof kennen en kunnen reproduceren, maar ze moeten ook inzicht hebben en de actualiteit volgen. Ik stel ook in het eerste jaar ook vergelijkings- en toepassingsvragen, maar minder dan in hogere jaren. Politiek is immers geen dood materiaal, dat is levend weefsel. Als je dat allemaal op een hoop gooit, is dat inderdaad veel, maar wie niet slaagt, is ofwel niet gemotiveerd genoeg of heeft niet het karakter en de discipline om deze opleiding te volgen. Zelden heeft het met intelligentie te maken.

“De uitzonderingen die ongelooflijk intelligent zijn, kunnen het hele jaar feesten, De anderen moeten ruim op voorhand beginnen te werken. Dat is saai en nerdy, maar als je syllabus te lang blijft liggen, ben je verloren. De meeste mensen die op het examen buizen, waren eigenlijk al gebuisd in november.”

Spreken uw collega’s u soms aan op uw slaagpercentages?
“Op deliberaties vragen collega’s weleens: ‘Devos, zijt ge weer streng geweest?’ Er zijn nog strenge proffen, zoals er ook milde proffen zijn. Het is veiliger om in de anonimiteit van de groep te gaan staan en je cijfers naar een gemiddeld slaagpercentage op te trekken. Dan zal er nooit iemand een opmerking maken. Het imago van buisprof moet je niet koesteren, sympathiek is het niet. Je moet niet streng zijn om streng te zijn, maar om te vermijden dat je in het laatste jaar over een student moet zeggen: ‘Die had hier eigenlijk niet mogen zitten’. In het tweede jaar heb ik sommige academiejaren ook lage slaagcijfers. We testen studenten in het eerste jaar vaak op een andere manier dan in hogere jaren. Het is niet omdat je een goed eerstejaarsresultaat had dat je nadien ook de rest goed aankan. Maar uiteraard liggen de slaagcijfers in latere jaren flink hoger.”

Vinden uw studenten u soms onrechtvaardig?
“Soms zijn studenten kwaad omdat ze iets hebben opgeschreven dat op zich wel juist is, maar dat geen antwoord is op de vraag. Studenten mogen gerust creatieve en inventieve antwoorden geven, en dat belonen wij. We willen kritische en originele geesten immers stimuleren. Maar als een student antwoordt met het verkeerde stuk uit de syllabus, dan geef ik daar geen punten voor. ‘Dat is toch een bewijs dat ik gestudeerd heb?’, zeggen ze dan.’ Ja, maar ik wil vooral weten of ze de vraag juist kunnen beantwoorden. Zomaar wat kletsen is onvoldoende.
“Een ander voorbeeld: als het antwoord op een vraag ‘Laurette Onkelinx (PS)’ luidt, moeten ze niet afkomen met ‘Jeanette Onkelinx (PS)’ of ‘Onkelinx (CDH)’. ‘Maar enfin, ik heb toch ‘Onkelinx’ juist?’, hoor je dan. Dat is belachelijk. Dat is niet de helft juist, dat is helemaal fout. Dan heb je gestudeerd als een papegaai zonder na te denken of op te letten bij het nieuws.”

Hebt u zelf buisproffen meegemaakt?
“Ik heb nog les gehad van Paul Ghijsbrecht, toentertijd een zeer bekend gerechtspsychiater en professor psychologie. Dat was een fenomeen. De manier waarop hij examens afnam, zou nu niet meer mogen. Precies bij die man moest ik mijn allereerste examen afleggen. Na het schriftelijke deel nodigde hij twee studenten per keer, altijd een goede en een slechte, uit voor het mondelinge deel. Dat examen vond plaats in een auditorium – ik ervaar nog altijd trauma’s als ik er passeer. De eerste rij zat vol assistenten en op het podium stonden drie stoelen. De mythe deed de ronde dat je je niet mocht neerzetten op de middelste stoel. Die was heilig. De studente die met mij naar binnen was geroepen, moest de topografie van de hersenen tekenen. Helaas vergiste ze zich. Waarop de professor tegen mij: ‘Devos! Corrigeer!’ Ik zie dat meisje nog altijd met triestige oogjes naar mij kijken. ‘Heeft zij iets fout gedaan? Ja of neen?’, herhaalde de prof. Waarop ik die tekening met een rood krijtje moest verbeteren of ik was zelf gebuisd. Dat was hard.”

Hoe moeten studenten uw vak aanpakken om een buis te vermijden?
“Ik voel me een ouwe vent telkens als ik het vertel, maar het klopt: na een aantal weken moet je al je leerstof beginnen te bekijken. Zo weet je op voorhand waaraan je het meest tijd zult moeten besteden tijdens de blok, welke hoofdstukken moeilijker zijn dan andere. Onderlijnen, kleuren, structureren, prepareren, daarom nog niet studeren.
“De meest voorkomende reden van falen is dat studenten een slechte studiekeuze hebben gemaakt. Er zijn mensen die politiek ongelooflijk interessant vinden. Met hun maten discussiëren ze tot een stuk in de nacht over politiek. Maar dan merken ze dat de wetenschappelijke studie van politiek toch iets anders is. Dat is nu eenmaal veel saaier. Er zijn ook mensen die wel willen blokken, maar die niet geïnteresseerd zijn om de politieke actualiteit te volgen. Met een gebrek aan motivatie of aan interesse zit je hier niet op je plek.”

Dat druist in tegen het imago van de pol & soc, dat in andere richtingen vaak bestempeld wordt als ‘gemakkelijk’.
“Toen ik vroeger zei dat ik pol & soc studeerde, vroegen andere studenten: ‘Maar jongen toch, waarom doe je geen univeristeit?’ (lacht) Daarom proberen wij er nu echt voor te zorgen dat die opleiding kwalitatief hoogstaand is. Ik denk dat we daarin geslaagd zijn, maar toch komen hier nog altijd heel wat mensen terecht vanuit een negatieve keuze. De redenering is vaak: ‘Rechten is te veel recht, geschiedenis te veel geschiedenis, en we willen absoluut wiskunde en statistiek vermijden. Welke opleiding kunnen we volgen met veel verschillende dingen? Ah, Pol & Soc ziet er interessant uit.’ Daardoor is er een brede instroom van zeer ongelijke kwaliteit. Het volk dat hier niet thuishoort, filteren we eruit, want ondertussen zijn we geen makkelijke opleiding meer.

‘Niet meer’?
“Onze opleiding is nu moeilijker dan toen ik student was. De kwaliteit is beter. Toen ik hier studeerde, heb ik proffen meegemaakt die uit hun nek stonden te kletsen. Als je het zelf goed kon uitleggen, geraakte je er bij die mensen gemakkelijk door.”

Maar toch is de instroom nog altijd zeer breed?
“Er is een nieuw dogma aan de universiteit: flexibilisering. Zet de poorten maar open, iedereen mag binnen. Dat is democratisering, en dat is op zich positief. Maar als je vroeger voor zeven van de tien vakken een buis had, kreeg je de boodschap: dit is niets voor u. Vandaag draaien ze het om: goed, je hebt drie vrijstellingen! Daardoor zitten wij met studenten die maar blijven spartelen om misschien ooit een  diploma te halen.”

Het mag gerust allemaal een beetje strenger?
“Principieel sta ik wel achter die opendeurpolitiek, maar ik vraag me af we er niet in doorgeschoten zijn. De gemiddelde kwaliteit van de nieuwe studenten is niet minder dan vroeger, maar moeten we het mogelijk maken dat ze per se in een richting blijven hangen terwijl ze daar eigenlijk onvoldoende scoren? Moeten we iedereen die zin heeft maximaal ondersteunen opdat het toch zou lukken? Sommigen zouden beter iets anders studeren, waarmee ik niet wil zeggen dat die mensen dom zijn.
“Studenten krijgen zeer veel begeleiding als ze dat willen. Er zijn studenten die uit een slechte middelbare school komen en niet goed voorbereid zijn op universitair onderwijs. Die mensen kun je helpen en dat is een mooi sociaal-democratisch principe. De vraag is of je mensen daar op lange termijn een dienst mee bewijst, want op een bepaald moment valt de begeleiding onherroepelijk weg. Je moet dus ook die begeleiding doseren om de zelfredzaamheid te stimuleren. En ze ook leren hoe het er in het leven na de opleiding aan toe gaat: deadlines overschrijden moet gesanctioneerd worden. Later krijg je daar misschien je C4 voor.
“Ook zijn er tegenwoordig sluipwegen om onze bacheloropleiding te omzeilen. Studenten die bijvoorbeeld een bachelordiploma eventmanagement hebben – ik noem maar een voorbeeld en wil dat diploma niet geringschatten – kunnen hier na een schakeljaar aan hun master beginnen. Onze eigen studenten beginnen te protesteren: ‘Waarom zouden wij nog zo’n ambetante cursus met zulke lage slaagcijfers moeten doorstaan als je via de hogeschool een iets minder strenge opleiding kunt volgen om daarna evengoed je masterdiploma te behalen?’ Want het is uiteindelijk dat laatste diploma dat telt op de arbeidsmarkt.’ Straks wordt de master twee jaar, dan moet  je al zes jaar studeren – drie jaar bachelor, een schakeljaar en twee jaar master – voor een universitaire master als je vanuit de hogeschool komt, dat zal die zij-instroom wellicht verminderen. Die zij-instroom is doorgaans heel gemotiveerd en ook zeer degelijk, maar het kan niet de bedoeling zijn dat we onze eigen bachelors ondermijnen. Dat is nog altijd de beste aanloop naar de master.”


Flattr this

Kristien Hemmerechts (1955) is schrijfster. Maar ze geeft ook Engelse literatuur aan de HUB. Daarnaast doceert ze creatief schrijven en Nederlandse literatuur. Ze doet al 31 jaar, en nog altijd met evenveel empathie, zelfs al heeft ze de naam een strenge prof te zijn. “Tegen sommige studenten zou je op het mondeling examen liever zeggen: ga naar huis en kruip in je bed, je bent doodop.”

Kunt u geloven dat u het imago van buisprof hebt?
Kristien Hemmerechts: “Ik weet niet of ik het imago heb van veel te buizen. Ik heb wel het imago dat ik streng ben. Dat is niet helemaal onterecht. Ik stel nu eenmaal een aantal eisen, wat toch moet kunnen in het universitair onderwijs. Als het daar niet kan, waar dan nog wel? Eisen stellen is ook een vorm van respect voor de intelligentie van de studenten.

“Als ik het zo bekijk, vind ik mezelf een hele faire prof. Ik maak zeer duidelijke afspraken met de studenten. Het volstaat niet dat je dingen uit je hoofd kent, je moet echt ook wel begrijpen wat je zegt. Feitjes kun je opzoeken via Google en Wikipedia, maar als je geen inzicht hebt in de essentie van de cursus, heeft het geen zin om examen te komen afleggen. Je moet op een kritische manier kunnen omgaan met de leerstof. Op het mondeling examen stel ik veel vragen om daarnaar te peilen. Je moet verbanden kunnen leggen. En als studenten iets niet begrijpen, kunnen ze me altijd mailen met hun vragen.”

Wie gebuisd is, weet dat het terecht is?
“Veel studenten hebben onvoldoende inzicht in zichzelf. Ze blijven bijvoorbeeld volhouden dat hun examen goed en fantastisch was, terwijl ze heel bizarre theorieën kwamen verkondigen. Andere studenten zijn zeer goed, maar denken telkens weer dat ze een slecht examen hebben afgelegd.”

Wat vindt u van het nieuwe bachelor-master-systeem?
“Mijn indruk is dat dat in het voordeel is van de studenten. Als je een steek laat vallen, moet je niet langer het hele pakket opnieuw doen. Dat is een goede verandering. Het systeem is nu ook zo geëvolueerd dat je je het niet meer kunt veroorloven om het hele jaar niets te doen en op het einde gas te geven.”

Hebt u zelf buisproffen meegemaakt toen u student was?
“Neen, nog nooit. En in al de jaren dat ik lesgeef heb ik nog nooit een docent ontmoet die zei: en nu ga ik mijn studenten eens buizen! Ik kan met de hand op het hart zeggen dat ik alleen nog maar mensen ben tegengekomen die de studenten graag zien en die blij zijn als ze het goed doen. Anders vragen ze zich af of ze de stof misschien niet goed uitgelegd hebben. Ik zeg altijd tegen mijn studenten: ‘Besef dat wij daar op het examen niet zitten als sadisten om jullie te buizen.’ Dat zijn slechts verhalen die studenten vertellen om het interessant te maken. Er is ook een ombudsdienst: studenten zijn dus niet weerloos overgeleverd aan de willekeur van de proffen. Wij worden daarbij voortdurend geëvalueerd. Wij kunnen niet zomaar eender wat doen.”

Zijn er collega-proffen van wie u soms denkt: die is misschien niet streng genoeg?
“Dat vind ik soms, ja. Ik heb gemerkt dat een prof nooit in de problemen komt als hij vooral hoge cijfers geeft. Terwijl je stevig in je schoenen moet staan als je iemand een 6 op 20 geeft. Dat moet je kunnen verantwoorden. Ergens hoop ik wel dat studenten respect hebben voor een prof die hen tegenhoudt als het niet goed is, want er iedereen doorlaten is een makkelijkheidsoplossing.”

Past u uw cijfers soms aan als u alle resultaten tezamen ziet?
“Neen. Ik concentreer me heel hard tijdens het examen, maar vergelijk de examens achteraf niet. Aandachtig blijven luisteren is wel een moeilijk aspect van het examen. Daarom loop ik af en toe wat rond. Bij sommige studenten moet je het antwoord eruit sleuren. Da’s verschrikkelijk.
“Tijdens het examen moeten wij neutraal blijven. We mogen niet laten merken of het goed of slecht is. Ik vind dat onmenselijk. Ik kan dat niet. Het is toch sadistisch als je een student laat voort praten als hij een verkeerd antwoord geeft? Dan vraag ik of ze wel zeker zijn van wat ze zeggen. Zou het niet anders zijn? Als ze het dan nog niet doorhebben, zijn het ezels.
“Ik heb het er ook vaak moeilijk mee dat wij de studenten na het examen niet mogen zeggen welk cijfer ze gehaald hebben. Sommige mensen zijn zo angstig en zenuwachtig dat ik de neiging heb om ze duidelijk te maken dat ze met een gerust hart voor hun volgende examen kunnen beginnen te studeren.”

Hebt u het lastig om een cijfer te plakken op de prestatie van een student?
“Cijfers zijn een noodzakelijk kwaad. Tijdens het jaar zal ik geen cijfers meer geven, maar gewoon feedback. Studenten pinnen zich vaak te veel vast op een cijfertje. Feedback geeft meer adem, zodat de studenten niet al op voorhand in paniek schieten.
“Examens afnemen doe ik echt niet graag. Studenten zijn dan moe en zenuwachtig, en zelf zit je daar als de sadist vragen te stellen. Tegen sommige mensen zou je liever zeggen: ga naar huis en kruip in je bed, je bent doodop.”


Flattr this

William Van Belle (1949) geeft les sinds 1980. Hij werd in 1987 aangesteld als docent. Momenteel is hij gewoon hoogleraar en doceert hij Nederlandse taalkunde in eerste en derde bachelor, alsook in de master. Daarnaast geeft hij argumentatieleer in de derde bachelor en pragmatiek en discoursanalyse in de master. Hij praat voorzichtig, wikt en weegt z’n woorden. Maar een zacht eitje is hij niet. ‘Als een student op zijn examen enkele pertinent onmogelijke dingen schrijft, en zijn eindscore is een 9, dan blijft het een 9.’

Weet u dat u de naam hebt een veeleisende prof te zijn?
William Van Belle: “Ja, maar ik ben een beetje verrast dat ik ‘buisprof’ genoemd wordt. Dat zal dan vooral gelden voor Nederlandse taalkunde in het eerste jaar. In de latere jaren komt het zelden voor dat iemand gebuisd is. Sowieso hebben alle taalkundevakken in het eerste jaar relatief lage slaagcijfers.

“Nederlandse taalkunde is dan nog een speciaal geval: de taal kennen de studenten al, nu moeten ze met die kennis leren redeneren. Dat is voor sommige mensen een hele stap. Ze moeten een begrippenapparaat verwerven dat dikwijls haaks staat op wat ze geleerd hebben in het middelbaar onderwijs. Daar stopt het niet: ze moeten die kennis ook uitleggen en toepassen. Sommige studenten denken nog altijd dat ze moeten tonen dat ze iets gestudeerd hebben. Zo werkt het niet. Ze moeten bewijzen dat ze het begrijpen. Ben ik daarom veeleisend? Dat kan. Ik denk dat het belangrijk is om al van in het begin duidelijke eisen te stellen, zodat studenten op het examen weten wat onze verwachtingen zijn. En van studenten Nederlandse taal- en letterkunde mag je toch ook verwachten dat zij een bevattelijke tekst kunnen schrijven.”

Is het nodig om in het eerste jaar streng te zijn?
“Een universitaire opleiding is cumulatief: elk jaar bouw je verder op wat je het vorige jaar geleerd hebt. Wie een vak onvoldoende kent, zal er het jaar daarop nog minder van kennen. Ik denk daarom dat het goed is om veeleisend te zijn. Dat is natuurlijk een ondankbare taak, je wordt daar niet populair door.

“Toen ik hier begon te doceren, gaf ik een vak in de tweede kandidatuur. Tien procent van de 120 studenten deed dat jaar voor de derde keer. Dat zijn toestanden die je moet vermijden. Van een student die geslaagd is in het eerste jaar moet je zeker zijn dat hij probleemloos zijn studie kan afwerken.”

Hoe zien de slaagcijfers voor uw vakken eruit?
“In het eerste jaar is ongeveer de helft erdoor. In de andere jaren slaagt bijna iedereen. Er zijn vakken in het eerste jaar met veel hogere slaagcijfers dan de mijne, en ik vraag mij af of dat wel een goede zaak is. Al heeft dat natuurlijk ook te maken met de aard van het vak taalkunde. Nu, het staat dus niet op voorhand vast hoeveel studenten mogen overgaan naar het volgende jaar. Elk goed examen dat ik lees, is een opluchting. Een plezier zelfs.”

Hebt u zelf buisproffen meegemaakt?
“Wat mij vroeger vooral tegenstak, is dat we zoveel letterlijk moesten memoriseren. Ik heb daar nooit de zin van ingezien. Vandaar dat ik van mijn studenten vraag dat ze zelf analyses kunnen maken.”

Hebt u het ook lastig om een cijfer te geven als u twijfelt tussen een 10 en een 9?
“Een oudere collega heeft me gezegd: je moet altijd het hoogste cijfer geven dat je kunt geven. Als ik twijfel tussen een 9 en een 10, zal het dus een 10 worden. Waarom niet? Maar als een student op zijn examen enkele pertinent onmogelijke dingen schrijft, en zijn eindscore is een 9, dan blijft het een 9.”

Komen studenten achteraf vaak klagen over hun score?
“Na de examens staat mijn bureau vol studenten die hun examen willen inkijken. Velen zijn al vergeten wat ze precies opgeschreven hebben. We kunnen hen altijd tonen waarom ze een bepaald resultaat halen.”


Flattr this

Professor Alex Vanneste (1945) geeft Franse taalvaardigheid en Franse linguïstiek in eerste en tweede bachelor aan de Universiteit Antwerpen. Ook sociolinguïstiek in tweede en derde bachelor zijn van hem, net als Belgische taalpolitiek in het masterjaar. Hij doceert al sinds 1970, en doet dat met veel liefde voor het vak. Zijn liefde voor de Franse taal en het Franse land is echter nog veel groter. Toen hij fotograaf Michiel Hendryckx – nog zo’n francofiel – ontmoette, waren de twee twintig minuten zoet met het verheerlijken van al het goede dat Frankrijk te bieden had, terwijl ik geduldig stond te luisteren.

Bent u er zich van bewust dat u het imago hebt van buisprof?

Alex Vanneste: “Je voelt en hoort dat. Ik loop hier al veertig jaar rond en ontmoet veel oud-studenten – er studeren hier zelfs al kinderen van oud-studenten. Bij u hebben we afgezien, zeggen ze vaak. Ik weet al heel lang dat ik die reputatie heb. Als je dat niet weet, leef je niet in deze wereld. Maar of je ook écht streng bent, is iets anders.”

Vindt u het vervelend dat u die reputatie hebt?

“Ik vind dat niet erg. Ik ben overtuigd van wat ik doe en waarom ik het doe. Toen ik zelf nog student was, waren er ook professoren van wie wij zeiden of dachten dat ze streng waren. Bij studenten leven nu eenmaal heel wat mythes. De buisprof is er één van. Het eigenaardige is dat de colleges van mijn keuzevakken – die de studenten dus vrijwillig bijwonen – altijd vol zitten. Als ik nu echt zo’n vervelende, strenge prof was, zou er daar geen kat zitten. Dan zouden de studenten denken: naar die Vanneste gaan wij niet, dat is een buizer eerste klas. Ik maak me dus niet ongerust over mijn reputatie.”

Die reputatie geldt dan vooral voor uw verplichte vakken?

“In de eerste twee jaren doceer ik Franse taalvaardigheid, en dat is inderdaad een probleembak geworden, zeker voor de huidige studenten. Al 25 jaar organiseer ik propedeuses, een voorbereidende week voor nieuwe studenten. In het begin van die introductieweek neem ik een test af. Daaraan merk ik dat het niveau van het Frans van de nieuwe studenten stelselmatig achteruit gaat, al 25 jaar aan een stuk. Dat is een maatschappelijke evolutie, en niet de schuld van de studenten. Zij zijn echt niet dommer geworden. Want op het einde van die week volgt er een tweede test. Ook de uitslagen van die test dalen al 25 jaar op rij, maar de individuele resultaten liggen wel altijd gemiddeld 20 procent hoger dan die van de begintest. Studenten zijn wel degelijk nog in staat om in korte tijd vooruitgang te boeken, als ze maar begeleid worden en willen werken.

“Wat je wel hebt – en dat is een zeer delicaat onderwerp –, is dat er tegenwoordig, meer dan vroeger, jongeren naar de universiteit komen die hier eigenlijk niet echt op hun plaats zitten. Het nieuwe systeem van flexibiliteit werkt dat in de hand. Er heerst een mentaliteit van: alles moet kunnen, alles moet mogen. Nochtans is een opleiding aan de universiteit of de hogeschool geen vrijblijvende bezigheidstherapie. Hier moet je iets leren. Als je hier buiten stapt, moet je sterker en beter zijn dan anderen in je studiedomein. Voormalig minister van Onderwijs Frank Vandenbroucke (sp.a) zei altijd dat de universiteit studenten beter moest begeleiden opdat het slaagpercentage zou stijgen. Maar dat doen wij al lang. Studenten mogen hier elk moment binnen stappen, ze mogen mij mailen en bellen, ik lig daar niet van wakker. Je ziet echter dat sommige studenten zo snel, zo goedkoop en zo gemakkelijk mogelijk aan een diploma proberen te geraken. En proberen kost geld.”

Hoe komt u aan uw reputatie?

“Kent u de mythe van de 50 procent? Als je in de humaniora tien onregelmatige werkwoorden moest vervoegen, en je had er vijf juist, dan kreeg je vijf op tien. Maar als mijn studenten tien van de twintig werkwoorden correct hebben vervoegd, zijn ze gezakt voor die test. Bij pakweg zestien juiste vormen slagen ze. ‘Wat voor een beest is dat?’, zie je de studenten denken als ik dat uitleg.”

Waarom zo streng?

“Ik ben eerder veeleisend dan streng. Stel je eens voor dat wij iemand een diploma geven die vier jaar lang slechts de helft van alle vragen correct beantwoord heeft. Als die afgestudeerde enkele jaren later voor een klas staat en tien woorden op het bord schrijft, zijn er daar vijf van fout. Dat is dan eigenlijk een sukkelaar! Als je de ambitie hebt om het hoogste diploma te behalen dat er is op het vlak van taal, dan moet je meer kunnen dan de helft. Ik zeg niet dat studenten moeten afzien, maar ze moeten wel iets bijleren, ze moeten bij de besten horen. Mijn studenten moeten ook begríjpen wat ze zeggen op het examen. Als ze zomaar zitten te vertellen wat ze van buiten geleerd hebben zonder nog maar te weten waarover ze bezig zijn, dan doorpik je dat snel als examinator en zakken ze. Ze moeten het verstáán en kunnen verklaren.

“Er is ook nog een ander aspect. Een student taal- en letterkunde kost de maatschappij jaarlijks een dikke 3.000 euro. Mijn collega’s en ikzelf worden ervoor betaald om die mensen op te leiden en ze na vier jaar op de markt te zetten met een waardevol diploma. Dan wil ik niet dat men over mijn oud-studenten zegt: ‘Waar heeft díé Frans geleerd? Daar staat nogal wat haar op!’ Het is veel sympathieker en gemakkelijker om iedereen erdoor te laten, maar je hebt toch een grote verantwoordelijkheid tegenover de maatschappij en de universiteit? Het is misleidend om afgestudeerden af te leveren met een diploma dat niets waard is. Zeker nu er zoveel vraag is naar mensen die goed Frans kunnen.”

Doet het u iets als u studenten met een buis naar huis stuurt?

“Hoe ouder ik word, hoe lastiger het is om iemand te ‘flessen’ – om een studententerm te gebruiken. Tijdens de examenperiode doe ik niets meer als ik thuiskom. Anders zit ik tot ‘s avonds laat te schrijven en te werken, maar tijdens de examenperiode laat ik mij neerploffen in de zetel en moeten ze mij niet te veel meer vragen. Examens afnemen is fysiek en mentaal vermoeiend. Twijfelen tussen 15 en 16 of tussen 4 en 5 op 20 is niet erg. Maar tussen 9 en 10 wel. Als je een getal met twee cijfers geeft, is die student er voor eeuwig van af. Anders moet hij herbeginnen. Studenten zeggen graag dat sommige proffen buizen met de glimlach, maar ze beseffen niet hoezeer wij daarmee bezig zijn.”

Denkt u soms: verdorie, die student heb ik te veel gegeven en die te weinig?

“Wij nemen gelukkig notities tijdens de mondelinge examens. Vlak na het examen geef je een cijfer, maar als je achteraf die notities bekijkt, gebeurt het vaak dat de definitieve score hoger of lager ligt. Dan kun je je oordeel nog bijstellen. Maar daarna moet je dat loslaten. Anders word je ongelukkig.”

Buist u veel studenten?

“In het eerste jaar slaagde er voor Franse taalvaardigheid 64 procent. Voor linguïstiek was het 57 procent. In het tweede jaar was dat respectievelijk 66 procent en 75 procent. Het slaagpercentage voor sociolinguïstiek bedroeg 80 procent en voor mijn vak in de master was zo goed als iedereen geslaagd. Ben ik dan nog een buisprof?

“In een andere vakgroep was er een prof met een bijzonder zure reputatie. Dat was zogezegd een ‘buizer’. Wat bleek uit de cijfers? Collega’s van haar met een veel sympathieker imago buisden veel méé studenten. Vandaar dat ik dus vaak spreek van de mythe van de buisprof.”

Het percentage studenten dat mag slagen ligt niet vast?

“Dat is nog zo’n mythe. ‘Er mogen er maar 40 procent door’, zeggen studenten bijvoorbeeld. Dat klopt natuurlijk niet. Hier heerst geen communistisch regime. Wel liggen de algemene slaagpercentages altijd wel ergens rond of zelfs eerder boven de helft, met uitschieters afhankelijk van het jaar.”

Kunt u met uw reputatie nog overeenkomen met uw studenten?

“Veel hangt af van je manier van lesgeven. Lesgeven is het liefste wat ik doe. Ik vind het plezierig om zoveel mogelijk studenten bij hun voornaam te kennen. Als je je tijd neemt om iets goed uit te leggen, maakt dat veel goed bij de studenten. Prof zijn is meer dan examens afnemen, het is een totaalpakket, een vormingstaak. Bildung!

“Studeren is een wederzijds contract. Ik word verondersteld om les te geven, om oefeningen te verbeteren, om bereikbaar te zijn als studenten met vragen zitten, om ze te begeleiden. Studenten hebben de plicht om te studeren, de lessen bij te wonen en om uitleg te vragen als ze iets niet snappen. Die overeenkomst moet je respecteren.”

Hoe overleeft een student het examen van de gevreesde Alex Vanneste?

“Een student heeft geen enkele reden om schrik te hebben voor een examen. Als iemand bang is, dan is er iets loos. Schrik is een slechte raadgever, want dan begin je vaak te gokken. Voor Frans, bijvoorbeeld, zijn er drie dingen belangrijk om vorderingen te maken: ten eerste oefenen, ten tweede oefenen en ten derde oefenen! Elke dag twintig minuutjes: meer moet dat niet zijn. Hoe hebben we onze moedertaal geleerd? Door te oefenen, omdat we de taal constant horen rondom ons en gebruiken. Daarom spreek ik op de universiteit ook altijd Frans met mijn studenten. Is dat streng zijn? Ik noem dat consequent zijn.

“Ik zeg mijn studenten ook dat ze Franstalige media moeten volgen, maar ik weet dat dat niet eenvoudig is. Ze doen dat meestal niet. Het belangrijkste is dat studenten hun tijd goed plannen, dat ze oefeningen maken en dat ze de stof regelmatig herhalen. Je moet de studenten soms doodeenvoudige en vanzelfsprekende tips geven om ze te helpen.”

Hebt u als student buisproffen meegemaakt?

“Zeker. In de eerste licentie was er één prof voor wie ik verschrikkelijk bang was. Ik kwam zijn bureau binnen om het examen af te leggen en hij zat daar in zijn comfortabele zetel. Voor mij was er geen stoel. De professor stelde zijn vraag, en ik moest op mijn knieën het antwoord opschrijven op een bord. Op de koop toe stond hij na enkele minuten recht om zijn geraniums water te geven. Ik was zo verbouwereerd door die belachelijke situatie dat ik mijn schrik vergat.”

Was het vroeger makkelijker dan nu?

“Neen, maar ook niet moeilijker. De maatschappij denkt dat studeren aan de universiteit nu veel moeilijker is dan vroeger, maar dat is volgens mij niet waar. Wij hadden vroeger veel meer lesuren per week, nu zijn het er duidelijk minder. Zoveel lastiger zal het dus wel niet zijn. Ik denk dat dat zelfs kwantitatief te bewijzen is.”


Flattr this

Volg

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 44 other followers