Al sinds november ben ik bezig met een reeks reportages over de Lange Wapper. De bedoeling is dat ik op zoek ga naar verhalen in de buitenwijken van Antwerpen, waar de Oosterweelverbinding passeren zal. Al iedere keer was rotweer mijn doorweekte deel. Behalve die mooie doch bitter koude dag dat ik de Liefkenshoektunnel bezocht. Maar toen zaten we in Oost-Vlaanderen, en in Oost-Vlaanderen regent het niet – behalve in Aalst.

Wat ik maar wil zeggen: als mijn tocht door de Antwerpse achterbuurten mij één ding geleerd heeft, is dat de Koekenstad absoluut een viaduct nodig heeft. Zo kunnen de mensen tenminste schuilen.

Ritmisch djingeldjangel

26 april 2010

Laatst was ik in San Francisco. Dat is een wijze stad in de Verenigde Staten van Amerika, op zichzelf een wijs land in een wereld die aan het vergaan is. Enfin, het is daar wijs als je ondernemend bent, niet bang bent om op je muil te gaan en vervolgens ook niet op je muil gaat, want dan heb je er gelegen.

In sommige straten stond er werkelijk op elke hoek een mijnheer of mevrouw – meestal met een huid van donkerbruin allooi – te schooien om een sigaret of een weinig wisselgeld. In tegenstelling tot de meeste bedelaars van bij ons zijn die peten alginder welbespraakt. Sommigen hadden zelfs gevoel voor humor. Ik heb zelfs schooiers boeken zien lezen terwijl ze tussen hun vuile vodden op straat lagen. Allemaal mislukte ondernemers.

Het gebrek aan een vangnet zorgt ervoor dat er daar zoveel mensen op straat leven. Daarbij komt dat het klimaat in Frisco – als je die bijnaam uitspreekt in San Francisco, lyncht men je – zeer aangenaam is. Het sneeuwt er nooit, de temperatuur zakt er slechts zeer zelden onder de tien graden Celsius en in de zomer is het er niet zo overweldigend heet als in Los Angeles, dat enkele honderden kilometers zuidwaarts ligt. Daarnaast is het stadsbestuur zo slim geweest om bedelaars een aalmoes te geven. Een doordachte zet was dat: alle straatlopers die zich de reis konden permitteren, zakten af naar de stad aan de Grote Baai. De burgemeesters die hun luizig straatvolk zagen vertrekken, zullen het zich al ferm beklaagd hebben.

Het gebrek aan een vangnet zorgt er echter ook voor dat mensen veel rapper een onderneming uit de grond stampen. Als de overheid niet permanent klaarstaat om je te pamperen, probeer je er zélf voor te zorgen dat je comfortabel leeft. Durven springen wordt daarom geapprecieerd, hoe hard de val ook kan zijn. Niet iedereen haalt heelhuids de andere kant, maar je hebt tenminste een reden om iets aan te vangen met je talent en je leeg gat op te heffen.

Ik vind dat eigenlijk wel wijs.

Wat ik ook wijs vond, waren de kabeltrams. Dat zijn inderdaad zeer toeristische rammelbakken, maar de peet die onze tram bestuurde, had enig muzikaal talent. Met het belletje zorgde hij voor een ritmisch djingeldjangel dat in de jaren tachtig niet had misstaan als beat onder een hiphopnummer. Toen was rap nog primitief, eenvoudig en streetwise. (Niet dat ik verder iets van hiphop ken.)

Het uitzicht op Alcatraz was overigens ook nogal de max.

Aasgieren

19 april 2010

Aha! We kunnen er weer mee beginnen!

Ik heb mij een nieuwe externe harde schijf gekocht – een spel van 1 terabyte, dus vier keer zo groot als de harde schijf van mijn computer zelf. Dat betekent dat ik weer wat plek vrij heb op mijn Mac, zodat ik eindelijk de filmpjes kan beginnen te archiveren die al máánden op mijn Flip Mino HD stonden. Mijn plan is om die beelden met de regelmaat van een ouderwetse, ietwat gedeukte klok op mijn blog te smijten met telkens een klein woordeke uitleg erbij. Zodoende ontstaat langzamerhand een online beeldarchief waar vele generaties archivarissen nog lang zoet mee zullen zijn.

Het onderstaande filmpje is gemaakt op 21 januari – al bijna drie maanden geleden, inderdaad. Ik stond op de parking van Opel Antwerpen. Ik stond er al lang. Mijn kloten vroren van mijn lijf en mijn tenen braken af zo ik te hard stamp stond te voeten. Maar je hoorde mij niet klagen. Ik was er aanwezig als een van de vele aasgieren die verslag kwamen brengen over de ontslagen bij de Antwerpse autofabriek. Die dag kregen de werknemers immers te horen dat het gedaan was met hun geliefde assemblagelijn.

Erehaag

De meeste van m’n collega-journalisten keken door de vensters van de kantine hoe het personeel het slechte nieuws te horen kreeg. Met hun neuzen en camera’s tegen het glas geplakt begluurden ze de arbeiders. Daar deed ik niet aan mee. Samen met Matthias Declercq – niet de jonge politicus uit Gent maar de jonge journalist van De Morgen – stond ik te wachten aan de personeelsuitgang.

Nadat een eerste arbeider het gebouw had verlaten, duurde het even voordat de persmeute besefte dat Matthias en ik op de interessantste plaats stonden en zij niet. Het onderstaande filmpje toont hoe de kudde zich haast opdat de Opelarbeiders toch opgewacht zouden worden door een erehaag van micro’s, videocamera’s en zoomlenzen. (Let niet op het geluid, dat is sowieso zeer stil en ik sta maar wat te lullen.)

Ikzelf ben zonder verslag naar huis gegaan. Ik had geen zin om aan mensen te vragen: “En, hoe voelt het om buiten geschopt te worden? Naarwaar gaat ge op reis met uw ontslagvergoeding? Zijt ge al elders weest solliciteren?” Dat neemt niet weg dat ik bovenstaand filmpje gerust een beetje eerder online had kunnen zwieren.

Tylney Hall Hotel

11 maart 2010

Een bezoek aan Tylney Hall Hotel. Indrukwekkende plek. Machtige bar ook. Enfin, een ouderwets Engels landgoed waar slecht geklede buitenlanders nu de toerist mogen komen uithangen.

Volg

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 48 other followers