Vandaag in De Morgen: interview met Ha-Joon Chang, een Zuid-Koreaanse econoom die doceert aan de Universiteit van Cambridge. Chang vindt het kapitalisme nog altijd het beste economische stelsel dat bestaat, maar deinst er niet voor terug om maatregelen te bepleiten waarvan vrijemarktideologen griezelen.

'23 Things They Don't Tell You About Capitalism': een aanrader voor wie zonder dogma's over economie wil nadenken.

Ha-Joon Chang schreef vorig jaar het uiterst interessante boek 23 Things They Don’t Tell You About Capitalism, ondertussen ook vertaald als 23 dingen die ze je niet vertellen over het kapitalisme. In het Nederlands klinkt die titel een pak sulliger klinkt, maar de inhoud blijft zeer de moeite.

“Vergeet even de financiële meltdown, waarvan de gevolgen zich nog tientallen jaren zullen doen voelen. Wat de meeste mensen niet weten, is dat het vrijemarktbeleid al daarvoor in de meeste landen tot lagere groei, toenemende ongelijkheid en groeiende instabiliteit had geleid”, schrijft Chang, om er meteen aan toe te voegen dat zijn boek géén antikapitalistisch manifest is. “Dit boek laat zien dat het kapitalisme beter moet en beter kan worden gemaakt.”

Volgens de auteur zijn er de laatste drie decennia meer en zwaardere economische crises doordat de westerse overheden al te zeer de raad van vrijemarkteconomen hebben opgevolgd. “Het beleidspakket van de vrije markt, vaak aangeduid als het neoliberale beleidspakket, benadrukt lage inflatie, grotere kapitaalmobiliteit en grotere baanonzekerheid (eufemistisch een flexibeler arbeidsmarkt genoemd), in essentie omdat dit beleid vooral is afgestemd op de belangen van de bezitters van financiële activa. Beheersing van de inflatie krijgt de nadruk omdat veel financiële activa een nominaal vast rendement hebben, waardoor inflatie het reële rendement aantast”, analyseert de heterodoxe econoom. “Aan onze obsessie met inflatie moet een eind komen. Inflatie is de boeman geworden die gebruikt is om beleid te rechtvaardigen waarvan vooral de bezitters van financiële activa hebben geprofiteerd, ten koste van stabiliteit op de lange termijn, economische groei en menselijk geluk.”

Chang pleit zelfs onomwonden voor meer protectionisme, tenminste in ontwikkelingslanden:

“Ondanks hun eigen geschiedenis dwingen de rijke landen de ontwikkelingslanden nu hun grenzen open te zetten en hun economieën bloot te stellen aan de volle kracht van de mondiale concurrentie, met behulp van de condities die ze verbinden aan hun bilaterale hulp en aan de leningen van de internationale financiële instellingen waar zij het voor het zeggen hebben (zoals het IMF en de Wereldbank) alsook via de ideologische invloed die zij uitoefenen dankzij hun intellectuele overwicht.”

De auteur drukt erop dat industrie, de productie van goederen, nog altijd de meest robuuste bron van welvaart is. In de dienstensector heeft hij veel minder vertrouwen. “Als je je ontwikkeling van meet af aan vooral op dienstverlening baseert, zal je productiviteitsstijging op de lange termijn veel geringer zijn dan wanneer je je ontwikkeling op industriële productie baseert”, stelt Chang. “Postindustriële fabeltjes zijn erg genoeg voor rijke landen maar uitgesproken gevaarlijk voor ontwikkelingslanden.”

Merkwaardig genoeg breekt de professor ook een lans voor de verzorgingsstaat als belangrijk onderdeel van het kapitalisme. Net zoals faillissementswetten ondernemers een tweede kans geven en hen zo aanzetten om risico’s te nemen, zo zorgt een sociaal vangnet ervoor dat werknemers risico’s durven te nemen in hun loopbaan en meer openstaan voor verandering. Zij krijgen zo immers een tweede kans als een carrière move verkeerd uitdraait. “Wanneer ze weten dat ze een tweede kans krijgen, kunnen mensen makkelijker een keuze maken voor hun eerste baan en in hun latere carrière meer openstaan voor veranderingen”, redeneert Chang.

Daarnaast richt de auteur zijn pijlen op de financiële sector, die dringend meer regelgeving nodig heeft:

“Er zijn vele verhalen over de financiële crisis van 2008 die laten zien dat personen die geacht werden het slimst te zijn, niet werkelijk begrepen waar ze mee bezig waren. Er werden zoveel ingewikkelde financiële producten ontwikkeld dat zelfs de financiële experts zelf ze niet meer helemaal konden begrijpen, tenzij ze zich erin specialiseerden, en soms zelfs toen niet. De hoogste beslissers van de financiële instellingen begrepen zeker niet veel van wat hun bedrijven aan het doen waren. Evenmin konden de regulerende instanties er precies achter komen wat er gaande was.”

Ha-Joon Chang wijst op de pijnpunten van het vrijemarktkapitalisme, zonder dat hij het kapitalisme in zijn geheel op de mestvaalt gooit.

“Financiële instrumenten moeten uitgebannen worden, tenzij we volledig begrijpen hoe ze werken en wat het effect op de rest van de financiële wereld en bovendien op de economie is”, oppert Ha-Joon Chang. “Dit betekent dat veel van de financiële derivaten waarvan is aangetoond dat de werking en de effecten zelfs het begrip van de veronderstelde experts te boven gaan, verboden worden.”

“Winststreven is nog altijd de sterkste en meest effectieve drijfveer van onze economie en die moeten we ten volle uitbuiten. Maar we moeten bedenken dat deze z’n gang laten gaan, zonder enige beteugeling, niet de manier is om er het meeste uit te halen, zoals we de afgelopen drie decennia door schade en schande hebben geleerd”, besluit de auteur.

Op de laatste pagina’s van het boek benadrukt Chang nog eens dat er verschillende manieren zijn om het kapitalisme te organiseren. “Het vrijemarktkapitalisme is daar maar één van, en niet zo’n goede ook. De afgelopen drie decennia hebben laten zien dat het, in tegenstelling tot wat de voorstanders ervan beweren, de economie afremt, de ongelijkheid en onveiligheid vergroot en tot frequentere (en soms zware) financiële crises leidt”, merkt hij op.

Met lof moet je voorzichtig zijn, omdat lovende woorden al te rap opzwellen tot lege ballonnen. Maar zonder zeveren: 23 Things They Don’t Tell You About Capitalism is een verhelderend boek dat precies en zonder dogma’s inzicht verschaft in de werking van markten. Het zet je aan het denken over het kapitalisme zonder dat je je tot het kamp moet bekennen dat ondertussen alle contact met de werkelijkheid verloren heeft en zich maar druk blijft maken over wie nu eigenlijk de productiemiddelen in handen heeft. Dankzij Ha-Joon Chang kun je ver houden van dergelijke bespottelijke vraagstukken terwijl hij wel voldoende munitie geeft om aan te tonen dat de huidige versie van het kapitalisme dringend aan een update toe is.

Hieronder de lange versie van het interview dat vandaag in De Morgen is verschenen:

‘Kapitalisme komt voor in vele soorten en maten, wat impliceert dat het sterk kan worden aangepast’, zegt de Zuid-Koreaanse econoom Ha-Joon Chang, professor aan de Universiteit van Cambridge. Enkele van die noodzakelijke aanpassingen zijn meer regulering, meer inflatie en meer protectionisme.

Interview met Ha-Joon Chang.

“Vrijemarkteconomen hebben opzettelijk de gerechtvaardigde angst voor hyperinflatie uitgebuit om een excessief anti-inflatiebeleid door te drukken dat meer kwaad dan goed doet”, schrijft Ha-Joon Chang (48) in zijn internationale bestseller 23 dingen die ze je niet vertellen over het kapitalisme (2010). “Aan onze obsessie met inflatie moet een eind komen. Inflatie is de boeman geworden die gebruikt is om beleid te rechtvaardigen waarvan vooral de bezitters van financiële activa hebben geprofiteerd, ten koste van stabiliteit op de lange termijn, economische groei en menselijk geluk.”

Daar kun je gerust een rechtstreekse kritiek op de Europese Centrale Bank in lezen. Jean-Claude Trichet, van 2003 tot vorige maand voorzitter van de ECB, stond bekend als inflatiehavik. De Europese kortetermijnrente verlagen stond averechts op het langetermijndoel van de Franse centrale bankier: de inflatie onder controle houden. Maar grote verrassing: op 1 november, de dag van zijn aantreden als ECB-voorzitter, verlaagde Mario Draghi de rente naar 1,25 procent. Ondernemer Bart Deconinck reageerde meteen op Twitter: “Bold move of Super Mario. But the only appropriate level is 0 %. Europe needs inflation as badly as a man lost in the desert needs water.”

Hebben we inderdaad méér inflatie nodig?
Ha-Joon Chang: “In de huidige omstandigheden is het moeilijk om je voor te stellen hoe Europa de schuldenput kan dempen en tegelijk de privésector weer aan het investeren kan krijgen zonder dat er sprake is van inflatie, die de echte waarde van de schulden doet dalen.”

Is Griekenland met al zijn schulden dan een slachtoffer van het anti-inflatiebleid van de ECB?
“Ik vrees het.”

Er wordt al eens beweerd dat de oplopende begrotingstekorten hebben geleid tot de Europese schuldencrisis. Klopt dat?
“De eurocrisis is niet veroorzaakt door kwistige regeringen, maar is het resultaat van een financiële crisis in de private sector. Als we het hebben over de eurozone in haar geheel, dan ligt het begrotingstekort slechts op 6 procent van het bruto binnenlands product, veel minder dan in de VS of het Verenigd Koninkrijk, die aan 12 tot 13 procent zitten. Ja, Griekenland had een onrustwekkend groot tekort, dat gedeeltelijk verborgen werd door de financiële goochelkunsten van Goldman Sachs, maar in de andere landen was dat niet het geval. Spanje en Ierland boekten voor de crisis zelfs begrotingsoverschotten, terwijl de tekorten in Portugal en Italië niet zo zwaar waren.
“Aan de basis van de huidige crisis in Europa liggen de enorme schulden die de private sector opgestapeld heeft tijdens de vette jaren vóór de crash van 2008. De problemen met de Europese begrotingstekorten zijn ontstaan doordat de privésector zijn schulden is beginnen af te betalen en minder geld ging uitgeven. De overheid moest het gat dichten, ofwel door zelf meer te spenderen of door lagere belastinginkomsten te aanvaarden.”

Konden banken weten dat de Griekse overheid haar begroting had vervalst?
“Als ze goed genoeg hadden gekeken, hadden ze het bedrog waarschijnlijk wel gevonden, ondanks de ingrepen van Goldman Sachs. Maar allicht wílden ze het niet weten – why spoil the party?”

Griekenland wordt nu tot een derdewereldland herschapen om de banken te redden, las ik her en der.
“Ja, dat is exact wat er gebeurt. Dat de Griekse regering onlangs werd vervangen – op vraag van de schuldeisers en zonder verkiezingen –toont dat zeer duidelijk aan. Tot voor kort heeft men er alles aan gedaan opdat de kredietverleners hun geld terugkregen, terwijl de Griekse bevolking opdraaide voor de besparingen. Uiteindelijk hebben ook de banken een gedeeltelijke schuldkwijtschelding moeten aanvaarden. Dat was op den duur onvermijdelijk omdat de opgelegde besparingen ervoor hadden gezorgd dat de Griekse economie in een recessie belandde, er daardoor minder belastinginkomsten waren en de Griekse schuld dus niet echt kleiner werd.
“Net als vele Afrikaanse landen heeft Griekenland zich moeten blootstellen aan de volle kracht van buitenlandse competitie zonder dat de eigen producenten daar klaar voor waren. De Grieken zitten echter in een betere situatie omdat hun economie niet zo hopeloos achterop hinkt als die van de Afrikaanse landen. Ook is er voor de Grieken geen barrière om te emigreren naar andere Europese landen. Afrikanen hebben die optie niet.”

Was het te vroeg voor Griekenland om lid te worden van de eurozone?
“Griekenland had beter niet meegedaan met de euro. Ideaal was geweest dat het land pas zou toetreden tot de eurozone als zijn economie zich op een gelijkaardig niveau bevond als die van de andere lidstaten. Het grote probleem van Griekenland is dat het geen elite lijkt te hebben die de industriële ontwikkeling in gang wil zitten, wat een lang en moeizaam proces is. Maar zelfs al ontbreekt een langetermijnstrategie, dan nog had de Griekse regering zonder de euro de optie om de drachme te devalueren om de economie competitiever te maken.

Moet Griekenland de eurozone verlaten zodat het zijn industriële sector beter kan beschermen?
“Het zou zeer kostelijk zijn voor Griekenland om de Europese muntunie nu te verlaten, maar er kan een moment komen waarop dat de beste optie is, ja. Een niet zo geweldig lot zonder de euro zal misschien te verkiezen zijn boven een ellendige situatie binnen de eurozone.”

Via werkloosheidsuitkeringen geeft de welvaartsstaat werknemers een tweede kans als ze hun job verliezen. Ondernemers krijgen een tweede kans na een faillissement. Is er ook een systeem nodig om hele landen een tweede kans te gunnen?
“Jazeker, we hebben zeer dringend wetten nodig die failliete landen een tweede kans geven. Dat voorstel doet al decennia de ronde, maar is nooit serieus genomen omdat het tegen de belangen van machtige landen ingaat.
“It takes to two tango, zeggen ze in Argentinië. Als je een onvoorzichtige lener hebt, moet er ook een onvoorzichtige instelling zijn die het geld uitleent. Dat betekent dat ze allebei de lasten zouden moeten dragen als het foutloopt. Dat is de redenering wanneer bedrijven failliet gaan. Waarom zou dat anders moeten zijn voor landen?”

Overal in Europa protesteren er nu indignados tegen het kapitalisme, terwijl u stelt dat het nog altijd het beste systeem is dat de mens heeft uitgevonden. Verwarren de betogers vrijemarktkapitalisme met alle andere vormen van kapitalisme?
“Ja. Dat is wijdverspreide, maar ongelukkige verwarring. Het stelt de verdedigers van de vrijemarktideologie in staat stelt om hun critici af te schilderen als mensen die terugwillen naar het gefaalde experiment van de communistische planeconomie. Of om ze voor te stellen als hopeloze romantici die denken dat de wereld kan draaien als iedereen weer in kleine gemeenschappen gaat leven.”

We moeten het kapitalisme veranderen in plaats van het te vervangen?
“Ja. Kapitalisme komt voor in vele soorten en maten, wat impliceert dat het sterk kan worden aangepast. Vaak kun je experimenten met alternatieven in het kapitalisme incorporeren – coöperatieven en shareware op het internet zijn daar twee opvallende voorbeelden van. ”

De meeste Europese landen zijn welvaartsstaten. Maar de Europese Unie zelf wordt te neoliberaal genoemd, een bedreiging voor de sociale zekerheid van de lidstaten. Moet de verzorgingsstaat dan op Europees niveau georganiseerd worden?
“Uiteindelijk zou dat toch het doel moeten zijn als je gelooft in volledige Europese integratie. Ik betwijfel echter of daar een politieke basis voor is. Honderdvijftig jaar na de Italiaanse hereniging zijn er heel wat Italianen die vinden dat het noorden zich moet afscheiden van het zuiden…”

‘Financiële instrumenten moeten uitgebannen worden, tenzij we volledig begrijpen hoe ze werken en wat het effect op de rest van de financiële wereld en bovendien op de economie is’, schrijft u in uw boek. Is er nood aan pan-Europese regels voor de financiële instellingen?
“Pan-Europese of zelfs wereldwijde regels zouden het meest effectief zijn. De tegenstanders van financiële regulering kunnen die redenering echter als excuus gebruiken om te verhinderen dat individuele landen regels invoeren. Als een land unilateraal regels oplegt voor bepaalde financiële activiteiten, zouden bedrijven verkassen naar landen zonder regelgeving. Daar is maar één antwoord op: landen die zulke sociaal onproductieve of zelfs destructieve activiteiten willen, mogen ze hebben!”

Europese regeringen pompen miljoenen euro’s in de bankensector en moeten zelfs banken nationaliseren, zoals Dexia in België. Belastingbetalers klagen dat hun geld wordt gebruikt om de aanstokers van de crisis te redden. Maar hebben regeringen dan een andere optie?
“Een bail-out is vaak het minste van twee kwaden. De regeringen stellen echter te weinig serieuze voorwaarden als ze met geld over de brug komen, zoals bijvoorbeeld meer geld lenen aan kleine en middelgrote ondernemingen, buitensporige lonen en bonussen voor managers aftoppen en meer belastingen betalen. Als de overheden ervoor zouden zorgen dat financiële instellingen meer in het belang van belastingbetalers handelden, zou er een pak minder onvrede zijn.”

Gelooft u nog in de euro?
“Ik heb nooit geloofd in de euro zoals hij nu bestaat. Een muntunie die alle landen omvat van Estland tot Duitsland is simpelweg een slecht idee.”

Waarom? Beschermt de euro de Europese burgers niet voor een stuk tegen de ergste effecten van de crisis? Of verspreidt de eenheidsmunt de rampzalige effecten juist over een groter gebied?
“Grote schepen zijn veiliger dan kleine, maar als ze kapseizen, vallen er veel meer slachtoffers. Dat zagen we al bij de Titanic. Met de euro is het net hetzelfde.”

Onder de deur

11 oktober 2011

Elf keer trok auteur Marc Vermeulen met een andere kennis naar een andere abdij. Daar converseerden de mannen door beurtelings brieven onder elkaars deur te schuiven. Die conversaties zijn nu verzameld in het boek Onder de deur. Een interessant experiment, al is het resultaat niet altijd even boeiend.

Auteur Marc Vermeulen bedacht een interessante formule, maar mag hogere eisen stellen van zijn handlangers.

De formule die Marc Vermeulen bedacht voor Onder de deur, prikkelt de nieuwsgierigheid. Telkens nam de auteur iemand uit zijn dichte of verre kennissenkring mee naar een abdij ergens in België. Een weekend lang namen ze deel aan het kloosterleven, weg van de profane buitenwereld. Vermeulen vraagt zich af wat er gebeurt als twee mensen twee dagen lang elk een abdijkamer betrekken en enkel het volgende doen:

1. Niets. Althans niets werkgerelateerds of productiefs. Toegelaten zouden zijn: een boek lezen, slapen, staren door het raam, nadenken, wachten, één of andere contemplatieve bezigheid uitvoeren.

2. Het ritme van de abdijbewoners overnemen. De paters, broeders, zusters als een schaduw volgen en doen wat zij doen.

3. Een blad vullen met tekst en in een bruine envelop onder de deur van de abdijpartner schuiven. Deze vult aan of spreekt tegen, of schrijft over iets helemaal anders. En schuift zijn tekst in de envelop terug onder de deur van de afzender.

Dat is meteen het eerste van de vele lijstjes die de auteur opneemt in zijn boek. Een ander lijstje somt de voorwaarden op waaraan de ‘abdijpartners’ moeten voldoen. De belangrijkste: man zijn, twee dagen stilte kunnen verdragen, een schrijfneiging hebben en aan introspectie kunnen doen.

‘Ik ben buitenmate verrast door de capaciteit van deze mensen om gedachten op papier te zetten. Handgeschreven! Het ambachtelijke! Terug naar ons ‘Dag liefste dagboek van mij’. En dat in een tijd waarin twitter-beperktheid en ‘mss ok nogdees:lol man oegoediedadeje’ ons taalgebruik infiltreren!’, schrijft Vermeulen enthousiast in het postscriptum achteraan in zijn boek. ‘Ikzelf kan me wentelen in jolige zinnen en zoeken naar een woord dat op de juiste plaats staat. Ik wist niet dat anderen zo gemakkelijk pagina’s, vele pagina’s kunnen vullen met hun gedachten. Dat had te maken met enerzijds hun eigen schrijfcapaciteiten en anderzijds met ons typische heen-en-weer-schrijfsysteem.

Toch ontstaat al na enkele hoofdstukken de indruk dat de auteur de schrijfcapaciteiten van zijn abdijpartners overschat. Hij had ‘een schrijfneiging’ gerust wat scherper mogen definiëren. De deelnemers aan het project zijn stuk voor stuk amateurs als het op schrijven aankomt en dat merk je. De enige uitzondering op die regel is theaterman Geert Vermeulen, die meteen ook de beste stukjes weet te plegen. De auteur zelf is evenmin professioneel in de weer met pen en papier. Marc Vermeulen is werkzaam als coach voor leidinggevenden, maar blijft als licentiaat Germaanse talen een grote liefde koesteren voor het geschreven woord. Zijn professionele bezigheden komen wel voortdurend om de hoek loeren – onder meer via de talloze lijstjes.

Vooral de pseudoliteraire bedenkingen van Jos Borremans slagen erin de lezer te enerveren. Op het eerste gezicht lijken sommige passages aardig in elkaar geknutseld, maar bovenal zijn ze uiterst gekunsteld:

Ramen en muren. Scheiding of verbinding? Geluid en licht doorbreken en breken door. Wanneer je binnen zit tussen de monniken dan zit je aan de ene kant, en toch herken je de andere: allen dezelfde jij, maar zo verschillend met hun eigenaardigheden. Wie komt gemakkelijkst het laatst naar de kapel? Wie zingt het valst? Wie is het snelst gestoord?

Nu hoeven de abdijgangers geen literaire meesters te zijn om af en toe een rake observatie neer te pennen. Zo beschrijft ene Luc de vervreemding als hij zich aan het gebed waagt: ‘Luidop bidden en aan niets anders denken; het is een vreemde ervaring. Je moet er wat naïef voor zijn. En dan moet je er durven voor gaan. Er in tuimelen. Vooroordelen loslaten.’

Als je ervan uitgaat dat het hier gaat over meer dan een weesgegroetje opdreunen, versta je de vervreemding. Inderdaad: wie nu nog durft toe te geven dat hij bidt, is een oubollige christenmens of een moslim. De moderne West-Europese burger houdt zich daar toch niet meer mee bezig?

Ook Vermeulen is geen specialist in de rechtstreekse dialoog met het Opperwezen:

Bidden is niet aan mij besteed. Behalve wanneer ik me bevind in een hoge noodcrisissituatie en ik me tot iemand richt die daarboven is (waarom zeggen we altijd dat het daarboven te doen is?). Ik chanteer het bevoegde opperwezen ermee dat als ik geholpen word, ik iets terug zal doen. Mijn leven bekeren of de wandaad in kwestie niet meer overwegen te doen.

De auteur staat dubbelzinnig tegenover het stille, religieuze leven in de abdij. Bij zijn eerste bezoek gaat hij gebukt onder een druk, net door het wegvallen van de dagdagelijkse druk van zijn professionele en familiale bestaan. Hij is ongelovig, maar heeft begrip voor de broeders en zusters die voor het kloosterleven gekozen hebben:

Wie God is? Ik denk niet dat ik erin geloof. Ik geloof wel in mensen die in een God geloven en daar zoals de paters hier ferm veel onbevangen, zuivere energie insteken. Full-time activiteit.

Abdijpartner André Van Weddingen kan zich minder gemakkelijk verzoenen met een bestaan gewijd aan God, zo merkt de auteur:

‘Ik kan die stilte niet goed verdragen’, zal hij me zeggen en ik zag zijn hunkering naar buiten. ‘Haal me hieruit, want dit is mijn wereld niet. Ik snap echt niet wat de toegevoegde waarde van deze dames voor onze maatschappij is.’ Dat was een moeilijke situatie en eigenlijk stond ik op het punt om het experiment af te blazen.

‘Ik zou willen begrijpen, waarom ze voor dit leven hebben gekozen. Wat ging er vooraf aan de keuze, wat heeft hen overtuigd? Wat is dat eigenlijk, een roeping? Wat missen ze?’, vraagt André zich af. ‘Het Jambers-syndroom in mij komt weer naar boven. Hoop toch de kans te krijgen de antwoorden te vinden.’

Acteur en scenarist Geert Vermeulen heeft eveneens kritische bedenkingen bij het vrome bestaan van de paterkes en de nonnekes. Dat heeft veel te maken met de stortvloed aan onheilstijdingen over de katholieke kerk die de jongste jaren vlot de krantenpagina’s haalden. Zoals auteur Marc Vermeulen zelf opmerkt:

De timing van het ‘Onder de deur’-experiment kon niet slechter zijn. We begonnen met een driedaags bezoek aan de Abdij van Westmalle, in augustus 2010 en stopten eind maart 2011 in de abdij van Chimay. Wat voor en tijdens dit experiment allemaal binnen de kerk gebeurde, was ongelooflijk.

Met enige schroom moet abdijpartner Geert erkennen dat hij de harde actualiteit niet los kan koppelen van het schijnbaar vredige samenleven in de abdij:

Hoor die klokken maar luiden! Voor de Vespers ditmaal, bij deze besluit ik dat ik niet meega naar de Vespers. Om weer tussen de oude knarren te zitten waarvan je je onwillekeurig afvraagt: wat hebben zij met hun seksualiteit gedaan? Met excuses voor de gastvrijheid die ik hier op stoute wijze schandaliseer door de gastheren en hun geloof te beschimpen.

Maar ook zonder het kindermisbruik waarover sinds het uitbarsten van de affaire-Vangheluwe zoveel te doen is, plaatst Geert Vermeulen kritische vraagtekens bij het afgezonderde bestaan van de kloosterlingen:

Verdoving, daar doet het mij aan denken. Steeds opnieuw dezelfde teksten, dezelfde rituelen, monotoon uitgesproken en uitgevoerd, zwevend boven de dieptes van hun zijn. Verdoving wordt gebruikt om pijn te neutraliseren bij een operatie. Ik herinner mij het ontwaken na een meniscusoperatie: een heerlijk zwevende toestand tussen zijn en niet-zijn, weg van de wereld en toch al terug een beetje deel ervan uitmakend. Is dat de permanente staat van genade waarin paters verkeren?

Gelukkig spaart de scenarist ook zichzelf niet. ‘Ik word stilaan suf van mijn eigen halfslachtig gezwets. Alsof zo’n ‘retraite’ ook tot bezinning ‘moet’ leiden. Kwart over tien inmiddels; tijd om de nacht te omhelzen’, schrijft hij met gezonde zelfspot.

Marc Vermeulen schuwt de zelfspot evenmin – zo wordt hij er zich van bewust dat hij te veel lijstjes samenstelt, waardoor hij er de lezer in de tweede helft van het boek minder mee lastigvalt. Toch duikt het meest ergerlijke lijstje helemaal achteraan op: een overzicht van het soort mensen voor wie een abdij een geschikte plaats is om een weekend door te brengen. Gedurende drie pagina’s passeren zeventien groepen de revue. Dan gaat een mens al eens ongegêneerd geeuwen.

In andere lijstjes probeert de auteur samen te vatten hoe hij de rooms-katholieke kerk wil hervormen. Nadrukkelijk komt dan Vermeulens achtergrond in human resources op de voorgrond:

1. Per direct zijn het huwelijk, samenwonen en intergeslachtelijk verkeer een vrije optie.
2. Gezagsdragers moeten voor hun 60 op een belangrijke post zitten.
3. Er wordt voortaan in priesteropleidingen veel aandacht besteed aan palliatieve vaardigheden, omgaan met gevangenen, rouwprocessen en veranderingsprocessen. Bijbelexegese en oudtestamentaire teksten kunnen uitleggen worden keuzevak.
4. Introductie van religieuze binnenhuisdecoratietechnieken.
5. Het vak ‘preken’ wordt een hoofdvak, met camera-opnames enz…

Zonder enige twijfel waren dat waardevolle aanbevelingen als de kerk een multinational was die zo performant mogelijk zijn producten aan de man moest brengen, maar tot nader order is de paus geen chief executive officer (krijg de paus eigenlijk een bonus per bekeerling?) en is de kerk geen bedrijf, maar een instituut dat een ontastbaar product probeert te distribueren: het geloof in Jezus Christus, de Verlosser.

Veel sterker is Vermeulen als hij zijn diepste zielenroerselen blootlegt. Zo is hij ongemeen hard over de band met zijn vader:

Je bent nu ouder dan de oudste pater hier, en met sommigen, neen allemaal, heb ik leukere gesprekken gehad op tien minuten dan met jou op gans mijn leven. Ik herinner me geen gesprek, geen aanmoediging, geen emotie, geen commentaar op mijn rapport. Ik wacht op je doodsprentje.

Misschien komt de scherpste observatie wel van Vermeulens volwassen zoon David:

In het beste geval zijn we volgens mij bezig geweest met onszelf, met een innerlijke zoektocht, door middel van de dialoog, in het slechtste geval met het eenvoudig aanwezig zijn en opdoen van indrukken. Hoe dan ook waardevol, ‘t is maar hoe je ‘t bekijkt.

Ik bekijk het als volgt: indrukken opdoen en innerlijke zoektochten kunnen best aangenaam zijn. Maar als je er ook voor de lezer een aangename ervaring van wilt maken, moet je erop toezien dat het merendeel van de abdijgangers kundig met een pen kan omspringen. Dat is en blijft nu eenmaal monnikenwerk en niet iedereen is daarvoor geroepen.

Onder de deur, Marc Vermeulen, 19,90 euro, Uitgeverij Charlotte.

Imago

6 oktober 2011

Awel, awel, wat is mij dat hier? Een boek over imago’s? Yep, inderdaad. Na Onder de Wapper heb ik het over een andere boeg gegooid: dertien bekende koppen oog in oog met hun imago. Op 20 oktober is er een presentatie met receptie.

Plaats van afspraak is lunchcafé Walry, in de Zwijnaardsesteenweg te Gent. Om 20 uur begint het. Kristien Hemmerechts, één van de interviewees met een imago, verzorgt de inleiding. De foto’s in het boek – ik vind ze zelf tamelijk fantastisch – zijn van Joram Van Holen. De lay-out – ook daar ben ik fan van – is van Pjotr.

Mijn uitgever is nog altijd Luster.

Als ge wilt afkomen, moogt ge. Ik vraag geen toegangsgeld.

Mijn tweede boek is een feit. Het heet 'Imago' en het wordt plechtig gepresenteerd op 20 oktober 2011. Weest welkom.

Met Contagion is er een nieuwe zombiefilm in aantocht. Horrorfans verlekkeren zich reeds. Maar de zombies weten ook de aandacht van professoren internationale politiek te trekken. Zoals Daniel W. Drezner.

Theories of International Politics and Zombies: nog nooit was internationale politiek zo interessant en zo sarcastisch.

Op zijn blog wijdde Drezner alvast een post aan de jongste prent van regisseur Steven Soderbergh: How well does Contagion “get” the global governance of catastrophe? Dat de professor internationale politiek zich daarmee bezighoudt, hoeft niet te verbazen: Drezner is lid van de Zombie Research Society, ‘dedicated to raising the level of zombie scholarship in the Arts and Sciences’.

Begin dit jaar publiceerde Drezner, professor aan The Fletcher School van de Tufts University, zijn boekje Theories of International Politics and Zombies. Wie het boek wil lezen als satire, kan dat. Drezner schrijft scherp en geestig. Maar evengoed steek je iets op van de verschillende paradigma’s uit de internationale politiek, want daar gaat het wel degelijk over. Dit is het werk van een academicus – het boek bevat niet minder dan twintig pagina’s bronvermeldingen. In een heldere taal en met zombies als gimmick doet Drezner zijn uitleg.

Neemt Drezner de dreiging van een zombie-aanval serieus? Hij laat zijn positie in het midden. Uiteraard zijn zombies een allegorie voor eender welke onbekende dreiging, maar met sardonisch genoegen stipt de professor aan dat overheden voorbereid zijn als de doden uit hun graf zouden kruipen:

Some international relations scholars would posit that interest in zombies in an indirect attempt to get a cognitive grip on what former U.S. secretary of defense Donald Rumsfeld famously referred to as the “unknown unknowns” in international security. Perhaps, however, there also exists a genuine but publicly unacknowledged fear of the dead rising from the grave and feasting upon the entrails of the living. Major universities and police departments have developed “mock” contingency plans for a zombie outbreak.

Wat volgens Drezner zo interessant is aan een ‘zombie outbreak’ is dat die zich duidelijk onderscheid van andere paranormale bedreigingen:

Zombie stories end in one of two ways – the elimination/subjugation of all zombies, or the eradication of humanity from the face of the earth. If popular culture is to believed, the peaceful coexistence of ghouls and humans is a remote possibility. Such extreme all-or-nothing outcomes are less common in the vampire or wizard literatures.

Dat ligt niet zozeer aan de aarde van de zombies. ‘The undead menace usually goes global in the zombie canon. These stories lack a basic grounding in world politics, however’, merkt de professor op. Er is ook nog niet voldoende wetenschappelijk onderzoek gebeurd naar de bedreiging die zombies vormen:

Despite their mob tendencies, sociologists have not analyzed the asocial sociability of zombies. Political science has abjectly failed to address the policy responses and governance issues associated with the living dead. When compared to work in cognate disciplines, the social sciences in general – and international relations in particular – suffer from a zombie gap.

‘I have therefore decided to flesh out how existing international relations theories would predict what would happen in response to an outbreak of zombies’, merkt de auteur droog op. ‘What would these theories predict would happen? What policy recommendations follow from these theories? When will hiding and hoarding be the right idea?’

Maar voor je een antwoord op die vragen kunt gaan formuleren, moet je eerst definiëren wat een zombie is. ‘Consistent with the Zombie Research Society, I choose to treat the zombie as a biologically definable, animated being occupying a human host, with a desire to eat human flesh’, schrijft Drezner. Er zijn drie wederkerende kenmerken van zombies:

  1. Zombies desire human flesh; they will not eat other zombies.
  2. Zombies cannot be killed unless their brain is destroyed.
  3. Any human being bitten by a zombie will inevitably become a zombie.

Bon, een zombie in je huis kan best een onaangenaam levenseinde betekenen, maar heeft de mensheid als geheel eigenlijk wel iets te vrezen? Met een heel arsenaal hoogtechnologische wapens kunnen we die zombies toch gewoon van het aardoppervlak knallen? Een atoombom op hun rottende kop droppen en we zijn ervan af. Maar zo simpel is het niet, stipt Drezner aan.

If any government was so foolhardy as to launch a first strike, it would create the only thing worse than an army of the living dead: a mutant, radioactive army of the living dead.

Volgens de professor liggen zombies helemaal niet wakker van de nucleaire dreiging, wat de slagkracht van de diplomatie meteen een pak minder maakt:

Traditional tools of statecraft like nuclear deterrence, economic sanctions, or diplomatic démarches would be of little use against the living dead. Zombies crave human flesh, not carrots or sticks.

Ook leert de ervaring dat we de maatschappij nooit volledig kunnen afsluiten van zombies:

From a foreign policy/national security perspective, the primary reason to be concerned about the cause of zombies is to adopt preventive measures and policies with which to handle zombie-infested jurisdictions. As antiterrorism and homeland security policies suggest, however, massive investments in prevention cannot be 100 procent foolproof. It only takes one zombie to create an army of the undead.

Daarbij kan een zombie meesurfen op de wijdvertakte transportlijnen van de geglobaliseerde wereld. ‘With a modern transport infrastructure, an infected individual can get from one major population center to another within twenty-four hours. Even a single outbreak of corpse reanimation can go global’, waarschuwt Drezner.

Het zijn niet zozeer de individuele zombies die angst aanjagen – tenzij je er één tegenkomt onder je bed misschien. Het schrikwekkende zit hem erin dat de ondode troepen hun aantallen maar blijven uitbreiden en uitbreiden:

As cultural critics have observed, the horror in zombie films comes not from a single ghoul but from an ever expanding community of them. In other words, the terror increases when a large swath of individuals are socialized into the ways of the undead. Similarly, zombie films persistently raise questions about the identity distinctions between ghouls and humans.

Drezner laat er geen twijfel over bestaan dat hij de kaart van de mensen trekt. ‘To be blunt, this project is explicitly prohuman, whereas Marxists and feminists would likely sympathize more with the zombies’, schrijft hij heerlijk vilein. ‘To Marxists, the undead symbolize the oppressed proletariat. Unless the zombies were all undead white males, feminists would likely more welcome the posthuman smashing of existing patriarchal structures.’

Los van het marxisme en het feminisme onderscheidt Drezner nog drie andere paradigma’s: de Realpolitik, het liberalisme en het neoconservatisme. Laten we die even overlopen.

‘The failure of humans to cooperate in the presence of reanimated corpses is a common theme that permeates the zombie canon – just as the futility of international cooperation recurs throughout the realist interpretation of history’, zegt de professor. Een beetje Realpolitiker schakelt over op ‘bait and bleed‘- en ‘bloodletting‘-strategieën. Dat komt hier op neer:

In these instances, realist states would try to forment conflict between anti-zombie states and the ghouls themselves, profiting at the relative losses incurred by both sides.

In het realistische perspectief is de dreiging die uitgaat van zombies niet bepaald groter dan die van andere tegenstrevers. ‘In the end, realists would conclude that there would be little intrinsic difference between human states and zombie states’, analyseert Drezner. ‘Human beings have an innate lust for power in the realist paradigma; zombies have an innate lust for human flesh. Both are scarce resources.’

Ook in het liberale paradigma gaat men er niet van uit dat je het zombieprobleem zomaar te vuur en te zwaard moet gaan oplossen. ‘Unless every single ghoul is hunted down and destroyed beyond recognition, a recurrent spread of the undead remains a possibility. The international regimes designed to eliminate disease demonstrate the difficulties inherent in this task’, schrijft Drezner droogjes.

Daarom zal de liberale wereldorde naar een manier zoeken om de ondoden te reguleren. ‘The undead would fall into the category of systematic threats – such as terrorism and global pandemics – where states have engaged in meaningful cross-border cooperation’, beseft de auteur. Zo ontstaat er een nieuw evenwicht:

The liberal paradigm would predict an outcome that would be imperfect and vulnerable to political criticism over time – much like the European Union in its current form. That said, the system would also be expected to function well enough to ward off the specter of a total zombie apocalypse.

De reactie van de neoconservatieven op de ‘Axis of Evil Dead’ zal niet zo subtiel zijn. ‘The neoconservative policy response to an uprising of undead flesh-eaters would be simple and direct. Zombies are an existential threat more serious than any clash of civilizations’, verklaart Drezner. ‘Rather than wait for the ghouls to come to them, neoconservatives would recommend proactive policy options that take the fight to the undead. Their policy preference would be for an armed invasion of the central region in the zombie-affected area.’

Dat klinkt zeker sinds 9/11 niet onbekend in de oren. De auteur gooit er nog een vette knippoog naar meer gematigde neoconservatieven bovenop:

They would posit that, after creating a human outpost in the center of zombie-infested territory, humans in neighboring zombie-afflicted nations would be inspired to rise up and liberate themselves from their undead oppressors.

‘If zombies threw off their cognitive shackles and recognized that they did not need to eat human beings, then the crisis of the undead would be much less severe’, besluit Drezner. Heerlijk sarcastisch boekje.

Guardians of the Phoenix

9 september 2011

Het is gedaan met de mensheid. Samen met het water droogt de hoop van de laatste overlevers op. Van beschaving is er nauwelijks nog sprake. Psychopaten krijgen vrij spel. Dat is de setting van The Guardians of the Phoenix van Eric Brown. Er is één grote schuldige voor de apocalyps: de menselijke natuur. Met de wetenschap als medeplichtige.

'Guardians of the Phoenix' van Eric Brown: een aangename leeservaring met veel onaangename gruwel.

Waarover gaat sciencefiction? Het antwoord durft al eens te luiden: de toekomst. Of: robots, slimme computers en ruimtereizen. Natuurlijk niet. Sciencefiction gaat in de eerste plaats nog altijd over wetenschap, zowel de goede als de slechte kanten ervan.

In Guardians of the Phoenix (2010) van de Britse auteur Eric Brown komt de slechte kant aan bod. De wereld is één uitgestrekte woestijn, voor een groot stuk onleefbaar. Ook Europa is een kale, bloedhete zandvlakte. Hier en daar tracht een kolonie te overleven, maar water en voedsel worden met de dag schaarser. Het aantal Europese overlevers wordt nauwelijks hoger dan duizend geschat. De dagen van het Avondland zijn geteld.

In de uitgedroogde ruïnes van Parijs blijft de jonge Paul in leven op een dieet van hagedissen. Toen hij klein was, nam de veel oudere Elise hem onder haar hoede, nu zijn de rollen omgekeerd. Elise waarschuwt de jongeman dat hij niet te veel moet speculeren over de toekomst. Het is het heden dat telt:

Efficiency gained results. An ordered day not only meant survival, but imposed purpose on the long hours of the long days that stretched into the future. Elise had seen many people go mad from lack of purpose. Without routine, she’d told him, without strict adherence to small, daily duties, a mind could dwell on the future, on what might be – and that way led to despair and finally madness.

Het lijkt wel alsof Elise een vermanende vinger opsteekt naar sf-schrijvers: houd u bezig met het heden en droom niet zo over wat de toekomst brengen zal. Maar het heden is net één van de belangrijkste thema’s van (goede) sf. Die extrapoleert het heden. Toont ons vanuit een ander perspectief hoe de maatschappij er nu uitziet. Plaatst er kanttekeningen bij.

Dat doet ook Guardians of the Phoenix. De ongebreidelde technologische vooruitgang is in volle vaart tegen een muur geknald. Bij wat er zoveel jaren later overblijft van de mensheid heerst er een groot wantrouwen tegenover wetenschap en technologie. De vader van Samara, de leidster van een kolonie overlevenden, heeft haar altijd ingeprent dat wetenschappers de wereld naar de vaantjes geholpen hebben:

Scientists, he had told her, had brought about the destruction of the world. In a greedy bid to use all the world’s resources, to create countless machines and so make easier the lot of the rich, scientists had unleashed pollutants into the air, noxious chemicals which had killed the atmosphere and allowed increased heat and sunlight to burn away the world’s water. That was why they were living as they were now, scrabbling like animals in the ruins of civilisation in a bid to scrape a living.

De ouderling Ed heeft de implosie van het mensdom zelf meegemaakt. Hij legt de schuld niet zozeer bij de wetenschap an sich, maar bij de menselijke natuur:

“Do you know something,” Ed said. “I don’t think the human race was ever happy. It’s not built into the psyche for us to be content. In evolutionary terms, contentment is a dead end. We always strived, wanting more – even back then, when we had everything, when you’d think the race would be satisfied with its lot. But we were dissatisfied and strove for more…” He smiled. “I suppose that was our downfall.”

Weinig hoop dat de mensheid ondertussen zijn lesje heeft geleerd, koestert Ed niet:

Ed smiled, an almost ghoulish expression on a face so skeletal. “Stupidity happened, Paul. Greed happened. Humans happened. The same thing happened as is happening now. You saw it yourself just yesterday. One group of humans wanted more, and thought they knew the best way to go about getting more, and did so, and people suffered.” He gestured a big hand across the expanse of darkness before him. “It’s both very simple and very complex, so easy to understand and yet at the same time so difficult to comprehend. And, of course, it is impossible to ensure that it won’t happen again.”

In Guardians of the Phoenix zit er geen escapisme. Daarvoor is de menselijke wreedheid te hard en te onverbloemd. Niet alleen zijn de overlevenden tot in het oneindige gekloot door de vorige generaties, ze doen elkaar ook ontzettend de duvel aan. Deze roman hakt erin.

Vrije wil

15 juni 2011

'Ons brein' van Chris Frith.

We hebben geen vrije wil. Onze hersenen hebben ons eigenlijk zelfs niet nodig. Daarbij houden ze ons ook nog eens voor de gek. Niet af en toe, maar de hele tijd. Toch is het goed om in de illusie van de vrije wil te blijven geloven. Dat zegt de Britse neuropsycholoog Chris Frith.

Onlangs verscheen het boek Making Up The Mind (2007) van Chris Frith (69) in Nederlandse vertaling als Ons brein. Ik heb het boek uitgelezen, vond het interessant en mocht de auteur enkele vragen stellen. De weergave van ons gesprek staat vandaag in De Morgen.

Zoals gewoonlijk raad ik u aan om de gazet te kopen en dat interview te lezen. Wie meer wil weten, vindt hieronder de lange versie. En daaronder nog eens een artikel op basis van de meest sprekende citaten uit het boek.

Als de vrije wil een illusie is, betekent dat niet dat we geen verantwoordelijkheid dragen voor onze daden. Dat stelt de Britse neuropsycholoog Chris Frith. In zijn onlangs vertaalde boek Ons brein legt hij uit hoe onze hersenen ons voortdurend voor de gek houden.

Tot op vandaag zijn de menselijke hersenen het meest complexe studieobject in het ons bekende universum. Achterhalen hoe het brein werkt, is geen sinecure. Door de combinatie van experimenten en hersenscans leren we beetje bij beetje bij over de werking van onze hersenen. Wat blijkt? Het brein is zowaar een wetenschappelijk apparaat. “De wetenschap boekt vooruitgang door modellen van de wereld te maken, door op basis van die modellen voorspellingen te doen, en door de fouten in die voorspellingen te gebruiken om betere modellen te construeren. Vandaag onthult de wetenschap dat ons brein dezelfde principes gebruikt om kennis over de wereld te vergaren”, schrijf neuropsycholoog Chris Frith in zijn boek Ons brein.

Alleen zijn we als bewuste wezens helemaal niet betrokken bij dat proces. In zijn boek beschrijft Frith talloze voorbeelden waarbij het brein informatie achterhoudt voor ons. “Mijn brein kan perfect zonder mij”, laat hij zich zelfs ontvallen. Is dat werkelijk zo?

“Dat is voor een groot stuk waar”, nuanceert Frith. “Voor 90 procent doet ons brein wat het doet zonder dat wij daar bewust over moeten nadenken. Maar voor sociale interactie hebben onze hersenen ons nog altijd nodig. Het brein kan op zijn eentje geen conversatie voeren. (lacht)

Is dat dan het enige voordeel van ons zelfbewustzijn, dat we gesprekken kunnen aangaan?
Chris Frith: “Dat lijkt me een heel belangrijk voordeel is. Dankzij ons zelfbewustzijn is het gemakkelijker om te communiceren en samen te werken binnen een groep. Daardoor bouwen we een betere kennis op van de fysieke wereld dan we op ons eentje zouden kunnen.”

“Daarnaast geloof ik dat de vrije wil in zekere mate een sociale constructie is. We ervaren het gevoel van vrije wil doordat we met andere mensen interageren. Zij keuren onze daden goed of af.”

In uw boek gaat u ervan uit dat de vrije wil een illusie is, onder andere omdat de hersenen bepaalde beslissingen nemen zonder ons te consulteren.
“Als ik naar een object reik en het vastpak, doe ik dat eigenlijk vóór ik het goed en wel besef. Voor een muzikant die viool speelt, is het extreem handig dat hij niet bewust hoeft na te denken over de positie van zijn linkerhand om noten te vormen. Zo kan hij zich beter focussen op de grotere structuur van het muziekstuk. We voeren een hoop triviale handelingen uit zonder dat we daarover nadenken. Zo kunnen we ons concentreren op belangrijker zaken.

'Blijf geloven in de vrije wil, zelfs al is het een illusie', raadt Chris Frith aan.

Zoals bewuste, weloverwogen beslissingen nemen. Of doen onze hersenen ook dat voor ons?
“We zijn er ons als mens niet van bewust hoe we keuzes maken. Uit experimenten blijkt dat mensen beter in staat zijn om een geschikte wagen te kiezen als ze er níét over nadenken. Laat het brein rustig de cijfertjes verwerken.

“Tijdens de Verlichting maakte de idee opgang dat instinct en emoties in de weg stonden van goede beslissingen en rationeel gedraag. Tegenwoordig geloven we dat niet meer. Rationeel gedrag is meestal niet rationeel maar gerationaliseerd. Je doet iets en pas achteraf leg je uit waarom het goed was om dat te doen. Op die manier probeer je je gedrag goed te praten. Onze emoties zijn echter belangrijk bij het maken van goede beslissingen.”

Kunnen we slechte beslissingen dan ook afschuiven op ons brein?
“Dat is een delicaat onderwerp, want daarmee kom je op het terrein van de rechtsgang. Kunnen mensen door de rechtbank vrijgesproken worden als ze zeggen: ‘My brain made me do it’? Persoonlijk vind ik van niet. Het gevoel dat mensen verantwoordelijk zijn voor hun daden blijft overheersen. Vergeet niet dat we kunnen oefenen om het goede te doen. Hoewel je er op het moment zelf niet over nadenkt, ben je door je verleden en opvoeding meer geneigd om het goede te doen dan het slechte.”

Sommigen beweren dat de vrije wil móét bestaan omdat we anders geen verantwoordelijkheid zouden dragen voor onze misdaden. We moeten gestraft kunnen worden en dat kan alleen maar als de vrije wil bestaat.
“Straffen kunnen het gedrag van mensen veranderen, of er nu een vrije wil bestaat of niet. Zelfs als vrije wil een illusie is, moeten we er daarom toch in blijven geloven.”

Gaan we ons dan anders, minder verantwoordelijk gedragen als we niet meer geloven in die vrije wil?
“De idee dat je niet over een vrije wil beschikt, kan je gedrag veranderen zodat je je egoïstischer gaat gedragen. In een zeer recent experiment kreeg een groep studenten uitgelegd dat vrije wil niet bestond. Een andere groep kreeg een andere uitleg te horen. Toen men nadien een examen afnam van de studenten, bleek de eerste groep beduidend vaker te spieken. Gelukkig hebben de sociale netwerken waarin we ons begeven een corrigerende invloed op dat gedrag.”

Tegelijk beschrijft u dat u zich nooit kunt ontdoen van die illusie, zelfs al wéét u dat de vrije wil niets meer dan dat is.
“Er zijn verschillende illusies die we niet kunnen doorprikken, zelfs al weten we hoe ze werken. Kijk maar naar geometrische illusies: zelfs al wéét je dat een lijn recht is, toch blijf je ze krom zien. Onze kennis functioneert op een ander niveau dan onze ervaringen. Daardoor kunnen we niet voorbij gezichtsbedrog kijken. Voor de vrije wil geldt hetzelfde: hoe vaak je wetenschappers ook hoort zeggen dat de vrije wil een illusie is en dat ons handelen gedetermineerd is, dan nog blijft de stellige indruk dat jij volledige controle hebt over wat je doet.”

Is het ook mogelijk om een gebrek aan vrije wil te ervaren?
“O ja. Zo hebben sommige patiënten met hersenschade last van een anarchistische hand, die buiten hun controle om beweegt. Zo’n hand neemt een potlood en begint ermee te krabbelen of grijpt deurknoppen vast zonder dat de patiënt daar iets aan kan doen. Sommigen gaan daarom zelfs zo ver om hun hand vast te binden. Bij mensen die lijden aan schizofrenie is één van de symptomen dat ze in de waan verkeren dat hun handelingen niet de hunne zijn, dat een externe kracht hen controleert. Het mechanisme daarachter verstaan we nog niet helemaal.”
Schizofrene mensen lijken er ook een nogal eigen wereldbeeld op na te houden.

“Mogelijk is één van de kenmerken van schizofrenie dat de patiënt geen rekening meer houdt met het wereldbeeld van anderen. Ze passen hun model van de fysieke wereld niet meer aan. Bij koppels kan het zelfs gebeuren dat de normale persoon het wereldbeeld van de psychoot overneemt. In extreme gevallen kan dat leiden tot sektes die collectief zelfmoord plegen. Ik veronderstel dat de leider dan psychotisch is en zijn volgelingen overtuigd heeft van zijn visie. Hetzelfde zien we ook bij de mensen die geloofden dat de wereld op 21 mei zou vergaan. (geamuseerd) Soms verspreiden massale zinsbegoochelingen zich iets te gemakkelijk.”

Terwijl onze hersenen constant hun beeld van de wereld bijschaven, blijven we zelf soms zeer hardnekkig aan bepaalde overtuigingen vasthangen.
“Dat is waar. (lacht) Soms verdraaien we de feiten om ons wereldbeeld toch in stand te houden. Ondanks alle bewijs van het tegendeel is het vaak moeilijk om zo’n idee los te laten. Tegelijk is er een vorm continuïteit nodig. Je kunt niet om de drie weken van wereldbeeld veranderen.”

In zijn boek – overigens geestig geschreven, zelfs al gaat het over een serieus onderwerp – bewandelt Frith een tussenweg, enerzijds tussen de ‘echte’ wetenschappers die stellen dat psychologie geen wetenschap kan zijn en anderzijds tussen de psychoanalytici die beweren dat de menselijke geest zich nooit zal laat vatten door eender welke wetenschappelijke onderzoeksmethode. Met een flinke dosis zelfspot claimt hij dat psychologie wel degelijk wetenschappelijk kan zijn:

Het probleem van de psychologie is dus opgelost. We moeten ons geen zorgen meer maken over die zachte, subjectieve verslagen van onze innerlijke wereld. In plaats daarvan kunnen we de hersenactiviteit op een harde, objectieve manier meten. Misschien dat ik nu wel kan toegeven ik psycholoog ben.

De auteur toont aan dat het onderscheid tussen het geestelijke en het fysieke vals is. Het is een door ons brein gecreëerde illusie:

Alles wat we weten, of het nu over de fysieke of over de geestelijke wereld gaat, weten we dankzij ons brein. Maar de verbinding tussen onze hersenen en de fysieke objectenwereld is niet rechtstreekser dan de verbinding tussen onze hersenen en de geestelijke ideeënwereld. Door alle onbewuste beslissingen die het brein neemt voor ons te verbergen, geeft het ons de illusie dat we rechtstreeks in contact staan met fysieke voorwerpen. Ondertussen geeft het ons ook de illusie dat onze eigen innerlijke wereld op zichzelf staat en privé is.

Omdat we geen directe verbinding hebben met de fysieke wereld rondom ons, zo argumenteert Frith, moeten onze hersenen conclusies trekken op basis van de globale, onnauwkeurige gegevens die ze van onze zintuigen krijgen. “Die conclusies kunnen verkeerd zijn. Verder weet ons brein allerlei zaken die nooit onze bewuste geest bereiken”, schrijft hij. Niet alleen weten onze hersenen dingen die wij niet weten, ook nemen zij allerlei beslissingen buiten ons medeweten om, zelfs al hebben we de indruk dat wij die beslissing hebben genomen. “Onze ervaring dat we toch op dat moment een keuze maken, is een illusie. En als we onszelf alleen maar wijsmaken een keuze te hebben, maken we onszelf ook alleen maar wijs dat we over een vrije wil beschikken”, noteert Frith.

Ons brein functioneert als een soort cognitieve filter. “We zijn ons gewoonweg niet bewust van alle conclusies en keuzes die onze hersenen voortdurend moeten maken. Als er wat verkeerd loopt, kunnen onze ervaringen van de wereld zelfs compleet fout zijn”, schrijft de auteur. Dat roept een interessante vraag op: hoe kunnen we ooit zéker zijn van wat we beleven?

Een correct beeld van de fysieke wereld is echter niet onmogelijk. Ons brein leert de buitenwereld immers kennen door modellen van die wereld te creëren. “Dat zijn niet zomaar willekeurige modellen. Ze worden aangepast om de zintuiglijke gewaarwordingen die we ervaren als we met de wereld interageren op de best mogelijke manier te voorspellen”, legt Frith uit. Dat klinkt ingewikkeld. Eenvoudig gezegd komt het hier op neer: het brein leert constant uit zijn eigen fouten:

Fouten vertellen ons brein dat zijn model van de wereld niet goed genoeg is. Aan de hand van de aard ervan weet ons brein hoe het zijn model van wereld kan verbeteren. De kring is rond en het brein kan herbeginnen, steeds opnieuw tot de fouten te onbeduidend geworden zijn om zich nog zorgen over te maken. Gewoonlijk volstaat een paar van dergelijke cycli en doet ons brein daar slechts 100 milliseconden over.

Van dat complexe mechanisme zijn we ons – gelukkig maar – niet bewust. “Als we ons bewegen, beseffen we nauwelijks dat we iets voelen en we zijn er ons zelden van bewust dat we onze bewegingen corrigeren, ook al doen we dat vrijwel voortdurend. Maar op de achtergrond werkt ons brein hard door om dat comfortabele gevoel teweeg te brengen”, verklaart Frith. Doordat het brein voortdurend zijn modellen van de wereld aanpast zonder dat wij dat beseffen, lijken we de wereld moeiteloos en rechtstreeks te blijven ervaren.

“Je zou kunnen zeggen dat onze waarnemingen fantasieën zijn die samenvallen met de werkelijkheid”, schrijft Frith. “Door gebruik te maken van gecontroleerde fantasie, ontsnapt ons brein aan de tirannie van onze omgeving.” Bij mensen die lijden aan schizofrenie komt het model echter niet overeen met de fysieke wereld, de gouden standaard voor onze modellen. De fantasie vormt een eigen werkelijkheid waaruit het zeer moeilijk te ontsnappen is:

Als hun beleving onwaarschijnlijk of onmogelijk lijkt, zullen ze eerder hun ideeën over hoe de wereld in elkaar zit veranderen, dan de echtheid van hun ervaringen ontkennen. Hoe dan ook, hallucinaties verbonden aan schizofrenie hebben een zeer interessante eigenschap: het zijn geen ervaringen over de fysieke wereld. Het is niet enkel een kwestie van kleuren zien en geluid horen. Neen. De schizofrenen horen stemmen commentaar geven op hun acties, suggesties doen en bevelen geven. Met andere woorden: ons brein kan ook een valse geestelijke wereld creëren.

Ook bij ‘normale’ mensen kunnen de verwachtingen zo sterk zijn dat ze zien wat ze verwachten, in plaats van wat er werkelijk is, merkt Frith op. Toch blijven de meeste mensen het gevoel hebben dat ze over een vrije wil beschikken, zelfs al zijn heel wat handelingen voorspelbaar, zelfs bij gamers, zoals ik gisteren las. Frith wil de mensen er zeker niet van overtuigen hun illusie van vrije wil te doorprikken. “Zelfs een illusie heeft verantwoordelijkheden”, stipt hij immers aan.

Lees dat boek, maar doe het uit vrije wil, niet omdat ik het u bevolen heb.

Ons brein. Hoe de hersenen het verstand te boven gaan. Chris Frith. Uitgeverij Epo. 263 pagina’s, 22,50 euro.

Van drie tot zes

3 mei 2011

Z’n beste boek. In ieder geval sinds Vergeef mij de liefde (2000). Met Van drie tot zes (2011) heeft Herman Brusselmans niet zijn zoveelste roman over de banaliteit van het leven geschreven, maar een grimmig boek over zijn eigen wanhoop.

Het jongste boek van Herman Brusselmans is bijzonder grimmig. En daarom net ook zo goed.

Eind februari stond er een opmerkelijk bericht in de krant: auteur Herman Brusselmans en zijn echtgenote Tania de Metsenaere hebben een latrelatie. “‘Wij houden nog van elkaar, er is géén derde in het spel en we hebben geen slaande ruzie gehad”, zei Brusselmans in Het Nieuwsblad. “Tania en ik brengen nog heel wat tijd samen door en ze blijft allerlei dingen voor me regelen.” Wel huurt De Metsenaere nu een eigen appartement waar ze enkele dagen per week tot rust kan komen, weg van het sombere geraas van haar echtgenoot.

De breuk die geen breuk is, komt er twee jaar nadat Brusselmans in Mijn haar is lang (2009) nog een paginalange, ontroerende ode schreef aan zijn Tania. Die deed vermoeden dat de zwartgallige auteur zowaar gelukkig was en dat zijn relatie niet meer stuk kon:

De huwelijksnacht was hemels, en de dagen die daarna kwamen en die nu nog steeds aan elkaar worden geregen, wat kan ik erover zeggen, schat, dat ik niet al duizend keer onder woorden heb willen brengen, woorden die zeer moeilijk te vinden zijn, en die ik misschien wel simpelweg kan vervangen door de woorden: “Tania de Metsenaere, ik hou van jou.”

Van dat onverwoestbare geluk is in Van drie tot zes geen sprake meer. Nochtans lijkt de roman gedurende de eerste 56 pagina’s nauwelijks autobiografische elementen te bevatten. Brusselmans heeft andermaal een nihilistisch, wreed personage uit zijn mouw geschud: radiopresentator Willem Zundap. Een verrijzenis van de vervelende Danny Muggepuut (uit Muggpuut, De perfecte koppijn en Toos) blijft de lezer gelukkig bespaard. Zundaps levensloop is een aaneenschakeling van groteske onwaarschijnlijkheden. Ook deze roman schijnt vooral gebouwd te zijn op oneliners en absurde dialogen. Tot je opeens bij de volgende passage belandt:

‘Stel je voor’, zei hij tegen Lili, ‘dat je een zeer goede relatie hebt, die van beide partijen komt, en je denkt: dit kan nooit meer stuk, dit is gelukkig voor eeuwig, wat ben ik blij dat een liefde als deze kan bestaan. Dan komt je partner op een dag thuis en zegt: “Ik ben verliefd op iemand anders.” Wat zou je doen?’

Zundap stipt aan dat het niet over hemzelf gaat, maar over “een goede vriend”:

Het was een schrijver die in de jaren tachtig veel succes had, later ging het minder, maar hij kon toch het hoofd boven water houden met z’n literatuur. Hij was al vele jaren samen met de vrouw die hij verafgoodde. Op een dag kwam ze thuis en ze zei, ten eerste, dat het leven met de schrijver haar beklemde, ten tweede dat ze te weinig vrijheid had, en ten derde dat ze dolverliefd was geworden op een ander, overigens iemand die ze al had gekend vóór ze de schrijver had ontmoet, en met dat type had ze toen een korte relatie gehad, en nu, na jaren, was ze hem opnieuw tegen het lijf gelopen, en, zoals ze zei: ze was als een blok voor hem gevallen.

Is die schrijver Herman Brusselmans? We mogen aannemen van wel. “Die hele situatie is behoorlijk vers in deze roman terechtgekomen”, geeft de auteur toe in een interview met Het Nieuwsblad (4/3/2011). Maar, zo voegt hij er meteen aan toe: “Dit is géén letterlijke biografie, maar de scherpte waarmee ik mijn hoofdpersonage Willem Zundap over zijn droommeisje als een trouweloze slet en hoer laat praten, heeft natuurlijk met mijn frustratie van het moment te maken.”

Het droommeisje uit de roman heet Blue – de naam Tania de Metsenaere komt nergens voor in het boek. Terwijl de echtgenote van de echte schrijver slechts op zoek is gegaan naar meer vrijheid, doet Blue er een schep bovenop door het schrijverspersonage te bedriegen met een stompzinnige motorrijder. Zundap haalt er inderdaad beenhard naar uit:

Je hebt vrouwen die een niet-oppervlakkige, in de diepte duikende, van de diverse vormen van humor aan elkaar hangende man een aantal jaren kunnen gedogen, tot ze de limiet bereikt hebben en vertier zoeken bij een andere man, bij voorkeur een die z’n geest nooit op de proef stelt, die liever in zwijm valt dan ooit een boek te lezen, die handen heeft als kolenschoppen, zodat het strelen een oorlogsdaad wordt, die een lul heeft als een lookworst grand cru, en die graag mag opscheppen over z’n lijf, z’n Amerikaanse memorabilia en z’n onbeperkte mogelijkheden om een vrouw niet te laten nadenken.

In zijn hoofd voert Zundap conversaties met het droommeisje:

Waarom ben je beklemd? Ik weet het niet. Sinds wanneer ben je niet meer verliefd op mij? Ik weet het niet. Is het echt nodig om een eigen flat te hebben? Ik weet het niet. Wat is er eigenlijk met jou aan de hand, kutwijf? Ik weet het niet.

Ook tijdens het radioprogramma waarnaar de titel van de roman verwijst, dist Zundap een hoop verhalen op over zijn droommeisje. Langzaam groeit Blue uit tot een verschrikkelijke wraakgodin die koudweg harten uitrukt:

Ik geloof in God, maar niet in Z’n daden. Daar slaat Hij de bal telkenmale mis. God is een mindere god. De enige god die geen mindere is kan niet anders dan een godin zijn. We noemen haar Blue. Het blauwe godinnetje, de bedrieglijke schoonheid, de valse verslindster, de enige vrouw die ertoe doet, minus haar gebrek aan scrupules, haar haat en haar wil om alles kapot te maken.

Zoals wel vaker speelt Brusselmans ook nu weer veelvuldig met de grens tussen feit en fantasie. Hij lijkt de lezer duidelijk te willen maken dat Blue niet zomaar gelijkgesteld kan worden met Tania. Zelfs voor Zundap is Blue imaginair en hij vraagt zich af of zijn publiek dat wel beseft:

Zouden de luisteraars weten dat Blue niet bestaat? dacht Zundap. Of zouden ze weten dat Blue een fictieve realiteit is, en niets anders dan een icoon, dat eerst van goud was, toen van zilver, toen van brons, en nu van lucht.

Die bedenking kan evengoed slaan op de lezers van Van drie tot zes. Tegelijk vermeldt de radiopresentator expliciet dat hij de mijmeringen van de schrijver overneemt. Zo klinkt, via Zundap, de verbitterde en gefrustreerde stem van de auteur regelmatig door in de tekst:

Alles wat goed had kunnen zijn werd verdrongen door verraad. Dit zal het laatste woord zijn dat ik ooit uitspreek. Verraad. Dat ze op m’n grafsteen zetten: hier ligt een verraden man. De man die ‘s nachts eenzaam is. De man die de zachte ademhaling van het hondje mist.

Op de allerlaatste pagina’s ontmoeten Zundap en Blue elkaar dan toch. Nog een laatste keer spuwt de radiopresentator zijn gal en verwoordt hij hoe ongelukkig het droommeisje hem maakt, maar uiteindelijk lossen zij samen, als twee schimmen, op in de mist. Eind goed, al goed? Neen. Het besluit van de auteur valt als een ijsblok op een nuchtere maag:

en dit was het enige mogelijke einde van het verhaal van Willem Zundap, en de schrijver van dat verhaal, in de jaren tachtig heel beroemd maar nu een nietige sukkel, staart in wanhoop voor zich uit.

In een interview met het weekblad Dag Allemaal (24/2/2011) gaf de Gentse schrijver te kennen dat hij in een diepe dip zat. Hij wenste echter niet om die moeilijke periode uit de roman te houden – en evenmin om zijn echtgenote te sparen: “Tania ís nu eenmaal een bekend personage in mijn literair werk. Doorgaans in een uiterst positieve context, maar nu eens niet. Het goede in mijn leven uitvoerig beschrijven en het slechte angstvallig verborgen houden, dat kan ik niet maken tegenover mijn lezers.”

In datzelfde gesprek laat Brusselmans vallen dat hij als een bezetene aan de roman begonnen is toen zijn vrouw voor het eerst naar haar nieuwe appartementje trok. Die bezetenheid komt tot uiting in de structuur van het boek: er is geen sprake van hoofdstukken, zelfs niet van paragrafen. Van drie tot zes is één lange column waar werkelijkheid, fantasie en metarealisme elkaar ontmoeten.

“Weet je, dit boek zou ik nu een stuk milder schrijven omdat ik erover heb kunnen nadenken. Meer zelfs: ik zou dit boek nu niet eens meer schrijven”, zei Brusselmans in Het Nieuwsblad (4/3/2011).

De lezer mag opgelucht ademhalen dat de schrijver éérst gevlucht is in de literatuur en dan pas beginnen na te denken is.

Context

24 maart 2011

Tom Heremans is er in zijn artikel over vrouwenblogs volgens sommigen in geslaagd om een hoop citaten uit hun context te rukken. Die mensen moet meer boeken van William Gibson lezen. Dan zouden ze weten dat Heremans alleen maar context toegevoegd heeft aan hun teksten.

Zero History van William Gibson. Een boek dat zeer contextueel toont hoe moderne technologie voor context in ons leven zorgt.

Laat er geen twijfel over bestaan. Schrijver William Gibson is de koning van de context. Officieel vallen zijn boeken in het sf-subgenre cyberpunk, waarvan Gibson (mee) de grondlegger was. Hoewel zijn drie laatste romans zich in ons heden afspelen, vertonen ook zij grote gelijkenissen met de hardcore cyberpunk van Neuromancer, en al wat daarop volgt.

Eenduidige werkelijkheid

Literatuurkenners associëren cyberpunk voor hun eigen gemak met futuristische digitale technologie. Die associatie is niet geheel foutief. Zeggen dat cyberpunk gáát over futuristische digitale technologie is dat wel. Nog meer dan over technologie gaat cyberpunk over de context die digitale apparaten creëren in ons dagelijkse leven.

Simpel voorbeeld: de iPhone is veel meer dan het tastbare toestel. Het is een poort naar een digitaal universum – online games, klassiek internet, mail, social media, augmented reality, cloud computing, whatever. De tastbare, eenduidige werkelijkheid van weleer is thans ingebed in een context van digitale communicatietechnologie.

Teleurgesteld

In z’n boeken weigert Gibson de werking en functie van allerlei apparaten uit de doeken te doen. Liefhebbers van ‘hard sf’ krijgen het daarvan op hun kloten. Die willen de technische specificaties weten van elk gadget dat opduikt in het verhaal. Dat doet me denken aan nerds die spotten met de kloksnelheid van de iPad, maar niet beseffen dat zo’n tablet de manier waarop we informatie ervaren voorgoed aan ‘t veranderen is. (For the record: ik heb zelf geen iPad en tik dit artikel op een iBook G4 uit 2007.)

Die fout maakt ook James Bloomer, een blogger die schrijft over sciencefiction. In zijn recensie van Zero History, het jongste boek van William Gibson, stelt hij teleurgesteld vast dat het boek géén sciencefiction is. Het is niet futuristisch, treurt Bloomer. De gizmo’s die besproken worden, kende hij al allemaal via het internet. Tja.

Dommerik!

In al zijn boeken creëert Gibson in de eerste plaats een contextueel weefsel. Technologie, plot en actie zijn daaraan ondergeschikt. De hoofdpersonages zijn geen rechtlijnige actiehelden die simpelweg de stoerste technologie gebruiken om op de laatste pagina te kunnen zegevieren. Het zijn stuk voor stuk mensen die gevoelig zijn voor terugkerende details en patronen in dat weefsel.

Textuur

De titel van de eerste roman uit de Hubertus Bigend-trilogie verwijst daarnaar: Pattern Recognition. Die patronen zijn niet zomaar wederkerende gebeurtenissen, het zijn veelal memen of informatiepatronen. Net zoals Neal Stephenson is ook Gibson uitermate gefascineerd door memetica, al verwoordt hij zijn fascinatie veel implicieter:

“It’s the order flow, isn’t it?” Milgrim had had no intent to ask this at all. Hadn’t been thinking of it. Yet it had emerged. His therapist had told him that ideas, in human relations, had lives of their own. Were in a sense autonomous.

Ik heb zopas het laatste deel uitgelezen van de informele Bigend-trilogie – ondanks het typische open einde zou het me verbazen als Gibson nog een vierde deel schrijft. De schrijver werkt immers altíjd in trilogieën. Die vormen niet per se één afgerond verhaal, maar de drie boeken delen wel hun tijd, setting en personages. En bovenal delen ze hetzelfde contextuele weefsel. Vergelijk het met drie bepleisterde muren met dezelfde textuur waartegen andere kaders gehangen zijn.

Augmented reality

Zero History is chronologisch de rechtstreekse opvolger van Spook Country, maar beide verhalen hebben nauwelijks iets met elkaar te maken. Ook de technologie is ondertussen veranderd. In Spook Country gaat Hollis Henry op zoek naar locative art: kunstwerken met welbepaalde gps-coördinaten die slechts zichtbaar zijn via een VR-bril.

Het principe is dat twee realiteiten op één plaats samenkomen. De ene is virtueel, de andere fysiek, direct zichtbaar en tastbaar met onze menselijke zintuigen.

Tegenwoordig noemen we dat augmented reality. Een VR-bril is niet meer nodig, een iPhone volstaat. In Zero History blijkt dat Hollis Henry een boek geschreven heeft over die locative art, Presences. Haar uitleg is evengoed een commentaar van William Gibson op zijn Spook Country:

“When I wrote the book, there was no commercial hardware. People were building their own. Now it’s all iPhone apps. Lots of work, back then, trying to render the pieces effectively.”

Realiteiten combineren

In het sublieme maar desoriënterende debuut van Gibson, het reeds vermelde Neuromancer, bevindt hoofdpersonage Case zich ook dikwijls op twee plaatsen tegelijk: zijn bewustzijn beweegt zich door een virtuele wereld, de matrix of cyberspace, terwijl zijn lichaam achterblijft in de fysieke wereld.

Inderdaad: dáár hebben de Wachowski Brothers de mostaard gehaald voor hun Matrix-triologie. Net zoals de personages in Gibsons vroegere werk moet ook Neo fysiek inpluggen om in de virtuele realiteit te geraken. In Zero History merkt de auteur op dat zo’n ‘jack’ niet meer nodig is. Onze eigen ogen en een computerscherm volstaan om twee realiteiten te combineren:

She watched as he sank instantly into whatever it was that he did on the Net, like a stone into water. He was elsewhere, the way people were before their screens, his expression that of someone piloting something, looking into a middle distance that had nothing to do with geography.

Minder saai

Hoewel de vergelijking tussen Gibsons driedimensionale cyberspace en ons huidige internet altijd al grotesk is geweest, blijkt surfen op het web evengoed onze realiteitsbeleving te doorbreken. Ondertussen suggereert de schrijver dat het internet weleens heel wat minder saai zou kunnen zijn dan we vermoeden:

He wore a headset, cabled to his no-name black laptop, on the embroidered velour beside him, their conversation being conducted, she assumed, through one or another of the darknets they frequented. These were, she gathered, vast internets, unlicensed and unpoliced, and Garreth had once remarked that, as with dark matter and the universe, the darknets were probably the bulk of the thing, were there any way to accurately measure them.

Guerrilla marketing

Die darknets bestaan wel degelijk – al ben ik als gewone leek geen specialist. Die frictie tussen wat openbaar is en wat geheim is, is wel een heel actuele discussie, zeker nu praktisch iedereen met een internetaansluiting op Facebook zit. Hebben we nog geheimen? Nauwelijks. Daardoor stijgt de waarde van de geheimen die we nog overhouden.

In Zero History is het geheim daarom een vorm van marketing. Het kledingmerk Gabriel Hounds doet geen beroep op adverenties, maar wel op het gebrék eraan. Dat past in het kraam van ‘guerrilla marketing strategies’:

Weird inversions of customary logic. That Japanese idea of secret brands. The deliberate construction of parallel microeconomics, where knowledge is more congruent than wealth. I’d have a brand, I decided, but it would be a secret. The branding would be that it was a secret.

Gelaagdheid

Maar hoe kan datgene wat geheim is dan toch gevonden worden? Door de context. Context vinden we tegenwoordig in overvloed op het internet. Op mijn about-pagina staat mijn fysieke adres niet vermeld. Mijn persoonlijke leven komt er niet in aan bod. Maar is het daarom geheim? Vergeet het, niet voor wie met Google kan werken:

“Why should he believe you?”
“Context. If he’s any good, he’ll be able to find out who I am, and see where I’m coming from.

Context bepaalt niet alleen hoe wij teruggevonden of gepercipieerd worden, maar evengoed hoe we zelf onze wereld ervaren:

In some sense, she decided, she literally no longer knew where she was. In Number Four, in Cabinet, certainly, but if she’d just been one of the subjects of an abduction attempt, as Fiona seemed to believe she had, was Number Four still the same place? A matter of context. The same place, but meaning differently.

Smartphones als de iPhone bieden context aan onze werkelijkheid. Zelfs een simpele mp3-speler levert ons een andere beleving van de werkelijkheid op. Gelaagdheid. Een ander muziekje dat door je koptelefoon schalt, dompelt je meteen onder in een heel andere atmosfeer wanneer je ‘s nachts door donkere straten strompelt.

High-pressure zone of weird

We hoeven de werking van al die hi-tech apparaten niet eens te begrijpen om open te staan voor de invloed die ze hebben. Ze zijn er om nooit meer weg te gaan en ze bepalen onze wereld op een manier die de jonge William Gibson niet heeft zien aankomen.

De oudere auteur beseft nu meer dan ooit dat zijn romans geen futurologie meer nodig hebben. Thans alreeds bevinden wij ons in de bevreemdende toekomst die sf-auteurs zo lang trachtten te vatten. Niemand lijkt rekening te hebben gehouden met het potentieel van de gsm en de smartphone. Maar de vreemde shit zal nú beginnen op te duiken.

She covered the phone, realizing she had no idea where its microphone might be, or if covering it would help. “He wants you to talk to a U.S. agent.”
“Ah”, he said, “the odd bits emerge now. The localized high-pressure zone of weird begins to manifest. Always does. Give me the phone.”

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.