Schoon Gents

2 april 2013

Het Gents zakwoordenboek van Freek Neirynck.

Het Gents zakwoordenboek van Freek Neirynck.

Freek Neirynck was ooit een boer, maar thans is hij als perfesser Gensch beter thuis in het Gents dan vele van zijn stadsgenoten. Onlangs verscheen zijn Gents zegswijzenboek, maar ook zijn Gents zakwoordenboek blijft geestig. Een overzicht van de wijste Gentse woordjes.

Een woordenboek lezen doe je meestal niet voor je plezier, maar dialectwoordenboeken vormen een serieuze uitzondering op die regel. Daarin doe je steevast geestige ontdekkingen. Ik heb me eerder al ferm vermaakt met het Woordenboek van de Vlaamse dialecten van de UGent en het Modern verdwijnwoordenboek van van Dale.

Onlangs is van Freek Neirynck (geboren te Tielt, maar tot wasdom gekomen in Gent) een Gents Zegswijzenboek verschenen. In afwachting daarvan heb ik zijn Gents zakwoordenboek uitgelezen. Veel woorden daarin lijken sterk op hun standaardtalige tegenhanger of hun Franse origineel, maar er zitten ook vele termen tussen die op zichzelf staan en zelfs niet in andere dialecten voorkomen.

Hieronder een selecte van de woordekens die mij het meest konden bekoren en die ik vaker zou moeten gebruiken, in spreek- én schrijftaal.

A

afgepetoatert heel erg moe
appeltsjoeze 1. rode suikerappel, pomme d’amour; 2. oorveeg

B

balgveulder slokop, veelvraat
beirkuipe 1. geervat; 2. zwaarlijvig mens
bekroeze(n) bedrinken
bleutsuuft onintelligent persoon
bloasuuft opschepper, blaaskaak
bloendekapper 1. beenhouwer, slager; 2. (politie)sabel; 3. politieagent
bloomzak vadsig, immobiel persoon
bremsteg bronstig, loops

D

dzjoel 1. pantoffelheld; 2. slomerd; 3. nietsdoener

E

eepateere(n) doen
eierschijter bleek persoon
ertefritter chagrijnige, criticaster

F

fanfreluusjkes wansmakelijke ornamenten
fatiegeere(n) 1. moe makend; 2. vervelen
fierlantswoander oorveeg
floosje 1. kwast; 2. lul

G

gatlekker 1. vleier; 2. kruiper
gefliekflak geflikflooi
geloest (goed) van borsten voorzien
gemamt van borsten voorzien
gerre 1. spleet; 2. vagina
getiektakt gedreven, aangezet tot
gietekeutel 1. uitwerpsel van een geit; 2. onbelangrijk, onbenullig iemand

J

joodenzwiet slappe koffie

K

kaduuk(elijk) 1. onvolmaakt, gammel; 2. ziekelijk
kerresmerte aandoening aan de bips
kiekendief 1. kippendief; 2. wouw; 3. scheldnaam voor roodharige
kleinke 1. deurknop; 2. grof woord voor vagina
klookuuft dommerik
kluite(n)kliever vrek
kluutenschuurder 1. lui iemand; 2. ongeëngageerd persoon
krijs(ch)er pleurant, (betaalde) wener op een begrafenis
kroakemandel 1. gepofte, gezouten erwten op straat en in cafés verkocht; 2. klein persoon
kwiestenbiebel grappig persoon

L

labekak(ker) beunhaas, bange man, lummel
laberachteg onverzorgd
labezoete luie, slome vrouw
lammetsjanne luie vrouw
lavertegoart lafaard in het kwadraat, lafhartige
leegvel luie vrouw
lollekestriebenoal vredegerecht

M

madaam piepie toiletdame
mankepetsjanke(n) moeilijk, sukkelachtig gaan
mo(o)stoartschijter bange, flauwe vent

N

noardretse(n) achternalopen
noastbestoansel bloedverwant
noonepisse slappe koffie

O

olekebolekekoas gezelschapspel met 9 vakjes waarbij men rijen moet maken met ‘x’ en ‘o’
oliedeuts 1. oliebol; 2. sukkel
oopgepomponeert (overdreven) geschminkt
oopscharte(n) verleiden, binnen doen

P

pampele(n) bepotelen
peekelteeve zure of kijvende vrouw
petoaterbeschuut(se) allerliefste
pieloetses opkomende borstjes
pierjankloas zwakkeling
pietoe viespeuk
plakatief plakkerig, kleverig
plamoaster 1. klap in het gezicht; 2. grote hoeveelheid
poepescheet(s)e 1. achterwerk; 2. lieveling
pregge gierige vrouw
preut(e)dekker minuscuul vrouwenslipje
puurtsjesvolk plebs

R

reufte astrant kereltje
rijs(t)papgat slap, gerimpeld achterwerk
roskameinge pak slaag

S

sakreenoendepietsjes verdomme
schamfeleerkes valse borsten
schuifele(n) fluiten
seskes stuipen, vallende ziekte
sjamfoeter schoft
Slechtemansberg Sint-Amandsberg
sparadrap pleister
steertenterter belediger

T

tangerachteg hunkerend
tantewannekes praatjes, smoesjes, tralala
teutele(n) stotteren
tootentrekker huichelaar
trak plankenkoorts
treute zagerige vrouw
tsjoepe(n) 1. (verkeers)kegels; 2. puntige uitsteeksels; 3. stelen

V

verbastadeere(n) verbasteren
verdes(t)eleweere(n) verknoeien
vermasakreere(n) vernielen, verminken
vuile taluure stripteasetent op de kermis

W

Waloenpeijie Wallonië
welgemoakt lichamelijk bevallig
wieteleire 1. verdwaalde; 2. penis
woalekop Zuid-Belg
woaterloeze ferme vrouwenborst

Z

zeemels zenuwen
ziektiele piskous, incontinente vrouw
ziepbaroen omhooggevallen iemand
zijpgat afhangende kont
zoetwoatersjienees persoon van vreemde origine

Maonomics

4 februari 2013

De Chinese communisten hebben ons verslagen in ons eigen spelletje: het kapitalisme. In ‘Maonomics’ legt de Italiaanse econome Loretta Napoleoni uit hoe de stalen vuist van Bejing de onzichtbare hand van het liberale westen tot moes knijpt. Haar boek is ontluisterend – en zeer belangrijk.

Maonomics: de Chinezen nemen de wereld over en wij staan erop te kijken.

Maonomics: de Chinezen nemen de wereld over en wij staan erop te kijken.

Wat steken ze daar toch allemaal uit achter de Chinese Muur? Terwijl onze bedrijven massaal op de fles gaan en onze fabrieken aan de lopende band de poorten sluiten, blijft de Chinese economie tegen een duizelingwekkend tempo groeien – 7,8 procent is het zwákste cijfer in dertien jaar.

Hegemonie

Ondertussen stijgt de Belgische staatsschuld iedere seconde met 500 euro en moet onze regering besparen, besparen, besparen om nog met een begrotingstekort te eindigen. De Chinezen blijven keihard investeren, zowel in eigen land en in Afrika, en hun schuld bedraagt dan nog altijd maar 19 procent van het bnp. In België is dat 100 procent.

Wat doen wij verkeerd, wat doen de Chinezen zo goed en wat betekent dat voor de toekomst? In Maonomics. Why Chinese communists make better capitalists than we do (2011) geeft Loretta Napoleoni niet alleen inzicht in de wereld van vandaag, zij blikt ook vooruit naar de wereld van morgen. Begin maar al te wennen aan een wereld waar er van westerse hegemonie geen sprake meer is.

Calamiteiten

De onzichtbare hand van de neoliberalen is verbrijzeld, wordt straks afgehakt en achteloos in de hoek geworpen. Jawel, na de val van de Berlijnse Muur was het kapitalisme de grote winnaar. Maar nu pas begint duidelijk te worden dat het communistisch kapitalisme van de Chinezen veel steviger in zijn schoenen staat dan de westerse markteconomieën, waar deregulering het ordewoord was.

Eerder stipte de Zuid-Koreaanse econoom Ha-Joon Chang in zijn boek 23 Things They Don’t Tell You About Capitalism (2010) al aan dat het kapitalisme meer gebaat is bij een goed werkende verzorgingsstaat dan bij de doorgedreven deregulering waar neoliberale denkers voor pleiten. Als niemand begrijpt hoe de markt werkt, gebeuren er calamiteiten.

Acute reanimatie

“Er zijn vele verhalen over de financiële crisis van 2008 die laten zien dat personen die geacht werden het slimst te zijn, niet werkelijk begrepen waar ze mee bezig waren. Er werden zoveel ingewikkelde financiële producten ontwikkeld dat zelfs de financiële experts zelf ze niet meer helemaal konden begrijpen, tenzij ze zich erin specialiseerden, en soms zelfs toen niet”, schreef Chang.

De schuldencrisis heeft ook de overheden zwaar in de problemen gebracht. In de VS rolden ze net niet van hun fiscal cliff, in Europa had de euro meermaals acute reanimatie nodig. De westerse metropolen zijn moe en versleten, stelt Napoleoni:

A sense of decadence permeates their institutions; the political machine is rusty with age and the effects of deregulation. We’re old, say the faces of commuters, each day boarding ever more crowded and inefficient transport systems. We’re old, say our young people destined for precarious work or unemployment.

Met haar scherpe blik tuurt Loretta Napoleoni over de Chinese Muur.

Met haar scherpe blik tuurt Loretta Napoleoni over de Chinese Muur.

“Our economy too is old, and even our democracy shows signs of dementia”, voegt ze daaraan toe. Het vrije Westen ligt op apengapen, terwijl de Chinese dictatuur de successen aaneenrijgt. Hoe is het zo ver kunnen komen? Het communisme had met de val van de Sovjet-Unie, in 1991, toch bewezen dat het gewoon níét werkt?

Uitpersen

Volgens Napoleoni hadden de Chinezen de lessen van Karl Marx veel beter begrepen dan de Russen. “The Soviets’ error was to remove profit from the economic equation, thinking such an amputation was enough to give life to the dictatorship of the proletariat”, schrijft ze. De Chinezen – met wijlen Deng Xiaoping voorop – hebben uit Marx’ analyse van het kapitalisme geleerd hoe ze datzelfde kapitalisme naar hun hand konden zetten. Deng was ervan overtuigd dat het marxisme slechts gemoderniseerd kon worden door zijn absolute tegenpool: het westers kapitalisme. Hij had gelijk, zo bewijst het Chinese succes:

China’s success confirms that Marx is not the one whom history has proven wrong. Unlike the Soviets, the Chinese have managed to create a form of communism that works economically, that evolves, one that guarantees progress and well-being more than other systems as confirmed by startling economic data: from 2009 to 2010 the average Chinese per capita income increased in real terms, and the GDP rose by 9 percent during a period of high unemployment and zero growth in Western democracies.

Voor die niet te stuiten economische groei, moesten de Chinezen een prijs betalen, namelijk het (laten) uitbuiten – vaak op barbaarse wijze – van het werkvolk. “In order to modernize China, it’s true that Deng laid the foundations of a system to exploit its labor force, but the ones to recreate the inhuman conditions of the Industrial Revolution in the country were entrepreneurs from Western democracies”, oppert Napoleoni. De Chinezen stelden hun de deur open voor westerse industriëlen en het zijn die ondernemende jongens – almaar op zoek naar goedkope werkkrachten – die de arbeiders kwamen uitpersen:

It is perhaps the greatest obstacle for us Westerners: to admit that a communist regime has done in China what capitalism did in England two centuries earlier; that two parallel worlds, those of Marx and of Deng, have in just two centuries converged; and that the “bad guys” are once again our own industrialists.

In die zin, merkt Napoleoni op, is het Chinese kapitalisme tegelijk de triomf en de schande van het marxisme. “Its shame may have been widespread injustice, lack of personal freedom, and for many years a low standard of living. Its greatest achievement is to have made wealth accessible to all, without destroying socialism”, vat ze samen.

Bloedige onderdrukking

Maar in het Westen kunnen we onszelf troosten met de gedachte dat China, ondanks het economische succes, een totalitaire staat is met een eenpartijstelsel en weinig respect voor de mensenrechten. Bejing is echter niet geïnteresseerd in vrije verkiezingen en wel omdat die niet compatibel zijn met de Chinese realiteit. In China wordt de westerse democratie in het beste geval geassocieerd met wanorde. Als we denken aan de bloedige campagnes “om de democratie in te voeren” in Irak en Afghanistan, zijn er ook nog enkele andere associaties te maken:

For the Chinese, the world that the American superpower has presided over for the past twenty years has been neither peaceful nor “civilised.” Liberal democracy is an instrument in the hands of an arrogant and reckless elite that wants to dominate the planet, the offspring of Dick Cheney, George W. Bush, and their neoconservative friends.

De Communistische Partij van China (CPC) heeft zich de vraag gesteld wat het belangrijkste is: algemeen stemrecht of respect voor de wet? Daarbij heeft ze voor dat laatste gekozen: “Whereas democracy as a “technique” can be exported, the spirit of respect for the law is a cultural acquisition, impossible to impose on a people.”

De bloedige onderdrukking, in 1989, van het protest op het Plein van de Hemelse Vrede blijft evenwel een gore smet op het Chinese blazoen. In naam van het algemeen belang vielen er honderden doden. Chinese dissidenten blijven ook vandaag gevangenisstraffen riskeren. De CPC staat stevig aan het roer en op een democratie zoals wij die kennen, hoeven de Chinese burgers vooralsnog niet te hopen. Tegelijk heeft China de terreur van de Grote Sprong Voorwaarts reeds lang achter zich gelaten. Persvrijheid blijft een probleem in China, maar – zo oppert Napoleoni – is onze pers, die zich lustig de grootste leugens laat inlepelen door machthebbers, dan zo veel beter? Zij heeft daar haar twijfels bij:

What is the difference between our press and that of the Chinese? The former feeds false information to a reader unable to tell the difference; the latter imposes a form of explicit censorship. Therefore, paradoxically, how can we know if what we are told about Chine is true? It could be a well-crafted manipulation on the part of our “free press.”

De Chinese pers neemt zelfs meer en meer haar verantwoordelijkheid als waakhond: “While in the West the press falls prey to spin, in China investigative journalism is growing, a tremendously powerfully [sic] weapon in the hands of civil society that twenty years ago didn’t exist.”

Kritische kanttekeningen

En zoals het Chinese communisme compatibel is met het kapitalisme, zo verweeft het zich ook met het aloude confucianisme, de leer van Charles Ernest Confucius:

Oddly enough the communist principles most easily assimilated by the Chinese were precisely those that Marxism shares with Confucianism: meritocracy, well-being of the population, and aversion toward the elite. Where Maoism failed was in the imposition of behaviors that went against this philosophy, like the Cultural Revolution.

In het confucianisme is de staat het symbool en de bewaker van de Chinese beschaving. “The most appropriate, and wide-spread, comparison is with the father, whose authority is limitless. Thus the state is like the father: it protects and at the same time demands respect from its children/subjects”, vat Napoleoni samen. “The role of the Chinese Communist Party as supreme arbiter is nothing other than the latest incarnation of the same values, the father-state. If we want to understand China we must account for its people’s fidelity and pride in the state – their model, not ours.”

Door het Chinese model naast het onze te leggen laat Napoleoni zich verleiden tot enkele kritische kanttekeningen bij de vrijheid die wij zogezegd genieten in het Westen:

Even if we condemn the social repression that has occurred in China in the name of progress, we cannot fail to notice that our own democracy is increasingly open to abuse by those wielding political and economic power. And we should hope that our state too looks after us rather than leaving us “freedom” that translates into slavery to the market.

Afbraakpolitiek

Zeker Ronald Reagan en Maggie Thatcher moeten het ontgelden. De kampioenen van het neoliberalisme hebben het kapitalisme grote schade toegebracht net door de staat en de sociale zekerheid – zover er al één was in de VS – zo veel mogelijk af te bouwen. Napoleoni is zeer scherp in haar oordeel over de dominerende politici van de jaren tachtig:

Unlike Deng Xiaping, who sabotaged Maoism with the aim of reforming the system and saving Chinese communism, once in power Reagan and Thatcher were limited in their destruction because they didn’t have a plan. But the ferocity with which they swept down on the nation-state, aided above all by the jackhammer that was the Wall Street Journal, managed to fool many: such ardor had to be connected to al well-defined project, a new political system.

De Italiaanse econome woont zelf in Londen en legt een rechtstreekse link tussen de afbraakpolitiek van Thatcher en de doffe ellende die thans zo veel Engelse arbeidersbuurten teistert. “It is a mistake to tear apart the social fabric of a country”, schrijft Napoleoni. “The dismantling of the state produced a defeated prolatariat class, relegated to urban ghettoes with rampant unemployment, were petty crime favored the birth of the gangs terrorizing the country today.” We hadden nooit op de onzichtbare hand mogen vertrouwen om welvaart te creëren:

Would you trust the defense of the country to the “invisible hand”? Would you trust mercenaries to defend the national borders? Then why have we put our well-being in their hands?

Monolithisch blok

Het Westen heeft zichzelf onherstelbare schade toegebracht, terwijl de Chinezen stapje voor stapje zijn beginnen te hervormen. Napoleoni suggereert dat het tijd is dat wij van de China gaan leren als we niet onder de voet gelopen willen worden:

Some still deceive themselves that our design and creativity, being superior to that of the Chinese, will save us. This is not the case, and if we don’t manage to change our current course, we risk ending up begging our subsistence form the Asian tourists visiting our city-museums.

De vraag is hoe we van het Chinese systeem kunnen leren als we niet begrijpen hoe het werkt. In het Westen zitten we nog altijd met de perceptie dat China, door het communisme, een monolithisch blok is. Die zienswijze is verkeerd: “Communism doesn’t mean that all businesses are run by the state. China’s central government has more or less the same control over private companies that Western governments have in their own countries.”

Hooghartige houding

Nu is er nog tijd voor het Westen om hervormingen door te voeren – en néén, daaronder mag niet de invoering van één eenpartijstelsel verstaan worden of een nationalisering van de productiemiddelen – maar in Afrika heeft China de westerse mogendheden definitief de loef afgestoken. Chinese investeerders en Afrikaanse potentaten hebben elkaar gevonden, met dank aan de hooghartige houding ook van onze politici en zakenmensen:

The CCP understood that African governments, often autocratic, needed a partner other than the United States, which imposed its own model by means of economic threats from organisations like the IMF or the World Bank. This is exactly what China offered: an alternative, in open competition with the West, and thus not just a source of money and infrastructure, but an entire development model, capitalist but non-Western.

Napoleoni geeft het voorbeeld van Guinea. Daar waren Amerikaanse bedrijven enkel geïnteresseerd in bauxiet, een belangrijk aluminiumerts. Het mineraal ter plaatse verwerken kon niet, want, zo argumenteerden de Amerikanen, daarvoor was er onvoldoende elektriciteit. De Chinezen daarentegen boden aan om niet alleen de bauxietmijnen te financieren, maar ook waterdammen voor elektriciteitsproductie en spoorwegen om het afgewerkte product te vervoeren:

“Give us the raw material, we’ll take care of the rest – this is the predatory approach of the rich countries; instead the Chinese construct then necessary infrastructure. And we ask why the most attractive contracts go to them.

Onwaarschijnlijke kansen

De relatie tussen de Chinezen en hun Afrikaanse partners is er één waarbij elk zijn voordeel doet, analyseert Napoleoni. “For the Africans this approach comes as a breath of fresh air, as the first time in history they find themselves treated as equals rather than subordinates”, schrijft ze. Allicht zullen we over enkele decennia kunnen vaststellen welke onwaarschijnlijke kansen het Westen laten liggen heeft in het grondstofrijke Afrika:

China may be communist, but its economy is capitalist. And Africa is, at the same time, the last frontier that this economic system has to conquer and the Promised Land where it will undergo its final transformation.

Als de economische motor aanslaat in Afrika, zal dat meer ondanks dan dankzij ons zijn. Het is maar te hopen dat onze eigen economische motor zichzelf dan weer in gang heeft kunnen trekken.

Anathem

13 juli 2012

Erasmas is een kloosterling. Op de planeet Arbre betekent dat: een ongelovige wetenschapper die afgezonderd leeft van de rest van de maatschappij en verstoken blijft van technologie. Wetenschappelijke theorie krijgt in Anathem andermaal een schitterende hoofdrol toebedeeld door Neal Stephenson.

Anathem: een spannend verhaal met een ruggengraat van adembenemende wetenschappelijke en filosofische theorieën.

Toen ik jaren geleden mijn thesis – over de problematische relatie tussen natuurlijk en artificieel leven, go figure – zat voor te bereiden ben ik op een merkwaardig grafiekje gestoten. Het rangschikte sf-auteurs volgens de ‘hardheid’ van hun verhalen: hoe wetenschappelijker, hoe hoger ze stonden. Ook fantasyschrijvers waren in het lijstje opgenomen. Helemaal bovenaan: Isaac Asimov. Helemaal onderdaan: J.R.R. Tolkien. Geen verwonderlijke uitslag, ware het niet dat die rangschikking ondertussen nogal gedateerd is. Ik durf er mijn rechterhand op te verwedden dat Neal Stephenson thans autoritair op nummer 1 zou staan als ‘hardste’ sf-schrijver.

Nogal wat sf-schrijvers – ik denk bijvoorbeeld aan Peter F. Hamilton – extrapoleren hedendaagse technologieën en theorieën zodat hun personages op fantastische wijze door het heelal flitsen of met elkaar communiceren. De science maakt de fiction mogelijk, maar doet verder niet zo heel veel ter zake. Stephenson werkt op een andere manier. Net als de hoofdpersonages van Anathem is de auteur meer geïnteresseerd in theorie dan in de toepassing ervan als technologie. De kloosterlingen zijn ‘theors’, wie bezig is met technologie is een ‘praxic’. Kort door de bocht komt het neer op het verschil tussen een fysicus en een ingenieur.

Wetenschappelijke theorieën vormen steevast de ruggengraat van Stephensons plots. Ook bij Anathem is dat het geval. Aangezien het net de ideeën over wetenschap zijn die het verhaal voortstuwen, moet ik in hier extra opletten voor spoilers.

Tegelijk wil ik niemand afschrikken: je hoeft geen licentiaat/master in de quantumfysica of de wiskunde te zijn om Anathem ten volle te smaken. Wat Stephensons oeuvre zo aantrekkelijk maakt, is dat hij theoretische probleemstellingen op bevattelijke, ja, zelfs humoristische wijze aankaart. In een kort woord vooraf neemt hij lezers die niet vertrouwd zijn met sf bij de hand:

“If you are accustomed to reading works of speculative fiction and enjoy puzzling out on your own, skip this Note. Otherwise, know that the scene in which this book is set is not Earth, but a planet called Arbre that is similar to Earth in many ways.”

Aan de ervaren lezer: sla die inleiding vooral níét over. Het is op zichzelf al een zeer geestig pareltje.

Stephenson brengt wetenschappelijke theorieën dikwijls ter sprake via de techniek van de dialoog. Samen met Erasmas krijg je een hoop kennis en hypothesen ingelepeld – geen droog gecijfer, maar ambitieuze gedachte-oefeningen over de aard van de kosmos en de functie van het menselijke brein. Zachtjes kraakt Stephenson je schedel open en gooit er een hoop verreikende ideeën in, zoals de polykosmische interpretatie van het universum:

“You’re saying that my consciousness extends across multiple cosmi,” I said. “That’s a pretty wild statement.”
“I’m saying all things do,” Orolo said. “That comes with the polycosmic interpretation. The only thing exceptional about the brain is that it has found a way to use it.”

Erasmas en Orolo zijn ‘avout’. De mensen buiten de kloosters zijn ‘Sæculars’. Avout en Sæculars hebben geen of nauwelijks contact met elkaar: “The Sæculars know that we exist. They don’t know quite what to make of us. The truth is too complicated for them to keep in their heads. Instead of the truth, they have simplified representations – caricatures – of us.” Daarbij blijken vele ‘seculieren’ de één of andere religie aan te hangen:

These people cared about eternal truths. Believed that some – but not all – such truths were written down in a book. That their book was right and the others wrong. This much they had in common with most of the other people who had ever lived. Fine – as long as they left me alone.

Eén van de krachttoeren aan Anathem is dat het quantummechanica en wiskunde netjes aan filosofie koppelt. De naam Plato komt niet voor in het boek, maar zijn Ideeënleer is zeer aanwezig. Laat ik even citeren uit Wikipedia: “Van de Ideeën zegt Plato dat ze ‘waarlijk zijn (bestaan)’. Hiermee wil hij onder andere uitdrukken dat ze eeuwig bestaan, en nooit veranderen. Dit in tegenstelling tot de voorwerpen om ons heen.” En nu terug naar Stephensons boek, naar een passage over de priemgetallen:

“Three is a prime number. It is prime today, was prime yesterday. A billion years ago, before there were brains to think about it, it was prime. And if all the brains were destroyed tomorrow, it would still be prime. Clearly its primeness has nothing to do with our brains.”

Allerlei geometrische principes blijken eeuwige Ideeën, die zelfde de grenzen der kosmi overstijgen:

“What is the simplest way of explaining the fact that theors working independently in different eras, different sub-disciplines, different cosmi even, time and time again prove the same results – results that do not contradict each other, even though reached by different proofchains – results, some of which can be turned into theories that perfectly describe the behavior of the physical universe? The simplest answer is that the cnoöns really exist, and are not of this causal domain.”

Die zogenaamde ‘cnoöns’ kun je gerust als synoniem voor Plato’s Ideeën opvatten. Een ‘casual domain’ is “a collection of things linked by mutual cause-and-effect relationships”. Dat is behoorlijk vaag, vindt ook Erasmas, waarop Orolo hem de volgende uitleg geeft:

“You are much more strongly webbed together with me by cause and effect than you are with an alien in a faraway galaxy. So, depending on what level of approximation you’re willing to put up with, you could say that you and I belong together in one causal domain, and the alien belongs in another.”

Daarmee heb ik dus helemaal niets gezegd over aliens in verafgelegen sterrenstelsels of andere casual domains. Om overdonderd te worden door de plot van Anathem zult u het boek zelf ter hand moeten nemen, om het vervolgens waarschijnlijk in één ruk uit te lezen.

Verdwijnwoorden

16 juni 2012

Sommige woorden zijn te mooi om voorgoed te laten verdwijnen. Toch is hun toestand vaak kwips.

Ooit ben ik begonnen in de Grote Van Dale. Halverwege ben ik moeten stoppen doordat ik de plot niet meer begreep. Het Modern verdwijnwoordenboek heb ik wel uitgelezen. Een puike schelmenroman.

Gewoon al het oxymoron in de titel. En dan die inhoud! Krak 750 ex-Nederlandse woorden, woorden die we uit onze taal hebben verjaagd zonder ze een waardig pensioentje te gunnen. Ze zijn in een semantisch massagraf gesmeten zonder dat iemand ooit nog naar hen omkeek.

Een eervolle bloemlezing is daarom op haar plaats. Ontdek en vooral: gebrúík die fraai klinkende dragers van betekenis.

A

Aamborstig: kortademig, astmatisch.

Aangrimmen: grimmig aankijken, in het vooruitzicht stellen.

Aanritseling: moeilijk weerstaanbare neiging. Zoals in: “grove aanritselingen van wellust”.

Achterkousigheid: onoprechtheid.

Albeschik: iemand die alles regelt en beschikt, die zich met alles bemoeit.

Allumeuse: meisje dat of vrouw die door behaagzucht mannen verliefd maakt en zich vervolgens aan hun aanzoek onttrekt.

Anerie: stommiteit.

Armenbriefje: briefje dat vroeger werd uitgereikt als bewijs van financieel onvermogen.

Armengesticht: tehuis of ziekenhuis voor arme mensen.

Asman: vuilnisman.

Aterling: slecht mens, onmens of onverlaat.

B

Baanmeid: slet, hoer.

Beguichelen: misleiden.

Besjoechelen: belazeren.

Beuzelkraam: Verzameling onbeduidende of nietige zaken.

Bijligging: geslachtelijke vereniging. Zoals in: “de lust tot bijligging en vereniging”.

Blikslagers: krachtterm: bliksems, verduiveld.

Botmuil: lompe of domme persoon, een lomperd.

D

Dauwel: traag vrouwspersoon.

Dierage: boosaardige, kwaadaardige vrouw, een helleveeg, een xantippe.

Draaigatje: koket meisje.

E

Eunjer: boze geest of spook.

F

Falievouwen: vleien, kruiperig doen.

Fanfaron: opschepper.

G

Geldgier: uiterst hebzuchtig mens.

Grammmoedig: kwaad, toornig.

Gruwbaar: afgrijselijk, afschrikwekkend.

H

Hekelteef: boosaardige, kwaadaardige vrouw, een helleveeg, een xantippe.

I

IJlebenen: haastig lopen.

J

Jammerhartig: ellendig, armzalig.

K

Karonje: boosaardige, kwaadaardige vrouw, een helleveeg, een xantippe.

Kaskenade: ophef, gedoe, drukte.

Katijf: boosaardige, kwaadaardige vrouw, een helleveeg, een xantippe.

Katijverig: ziek, zwak of kouwelijk.

Kerfdiertje: insect.

Klappei: babbelaarster, roddelaarster.

Kloekhartig: dapper, onversaagd, moedig.

Klompenvolk: plebs.

Kochelhuis: bordeel.

Kolrijdster: toverheks.

Komijnsplitser: gierige, vrekkige kerel.

Kortegaard: wachthuis, tijdelijke bewaarplaats voor ‘s nachts aangehouden personen.

Krijzeltanden: (krijzeltandde, heeft gekrijzeltand) knarsetanden, tandenknarsen.

Kuf: bordeel of kroeg.

Kwikkebil: ongedurig meisje, ongedurige vrouw.

Kwips: ziek of ziekelijk.

L

Labbeien: (labbeide, heeft gelabbeid) kletsen, roddelen.

Labberlot: nietswaardige, lamlendige persoon, nietsnut, prul.

Landzaat: inwoner van een land.

Lauwdaat: lui wijf.

Letterbaas: geleerd man. Enigszins schertsend.

Leuningbijter: lanterfant, nietsnut.

Lijfsbegeerte: seksuele lust.

Lompenvolk: arme mensen.

M

Maagdenschender: iemand die een meisje onteert.

Minauderen: (minauderde, heeft geminauderd) behaahgziek doen, preuts koketteren.

Minnesluikerij: overspel.

Moriaan: zwarte man of vrouw.

Muzelmans: islamitisch.

N

Natgierig: verlangend naar alcoholische drank.

O

Ontvrijen: door vrijen afhandig maken, afvrijen.

P

Peinzensmoe: door lang peinzen vermoeid.

Pekelhoer: oud liederlijk vrouwspersoon, een oude, afgeleefde lichtekooi.

Pesthol: bordeel.

Pokputje: litteken van een pok.

Potjerol: dikke persoon (man of vrouw).

R

Radoteren: (radoteerde, heeft geradoteerd) raaskallen, onzin praten.

Ramaaien: (ramaaide, heeft geramaaid) tekeergaan, huishouden.

Reeuws: een lijklucht hebbend.

Rinkelrooier: losbol.

Ritsig: wellustig, geil.

S

Schoonbillig: mooie billen hebbend, kallipygisch.

Schrijfjeukte: onbedwingbare zucht om te schrijven.

Schuddegat: kort, dik vrouwtje.

Spijkertjeswee: tegenslag voor fietsers wanneer zij een lekke band krijgen doordat ze over een spijker zijn gereden.

Strijkvoetje: teken van onderdanigheid.

T

Teelzucht: geslachtsdrift.

Tegensporrelig: twistziek, onverdraagzaam.

Trantel: fier. Zoals in: “een jong en trantel wijf”.

U

Uroscopist: piskijker.

V

Venusdier: ontuchtig vrouwspersoon, prostituee of slet.

Venuspriesteres: prostituee.

Voddenmoer: oude vrouw die in vodden of lompen handelt, voddenvrouw, (figuurlijk) slons, morsige vrouw.

W

Watjekouw: harde klap.

Wiskunstenaar: wiskundige.

Z

Zielkennis: psychologisch inzicht.

Zwijmeldrank: drank die de gebruiker benevelt.

Oversekst

21 april 2012

Moord in de Senaat (2009), de debuutroman van Pol Van Den Driessche, is een politieke thriller met een deerniswekkend slechte plot en een stijl die uitblinkt in onnozelheid. Dat wisten we al. Maar bij herlezing blijkt het geobsedeerde hoofdpersonage Fred Berckmans ook erg veel trekjes van de auteur te hebben.

De voormalige CD&V-senator debuteerde met Moord in de Senaat toen nog niet algemeen bekend was dat hij vrouwen graag eens in de tieten of de billen mocht knijpen. Dat de vrijpostige Berckmans voortdurend flauwe seksuele toespelingen maakte, was irritant, maar als lezer kon je nog hopen dat het personage louter een fantasietje was van een gefrustreerde auteur.

De recente onthullingen over de journalist-politicus leren dat Van Den Driessche zijn fantasietjes al te graag in de praktijk omzet. Berckmans, eveneens een christendemocratisch senator en historicus, blijkt zelfs braver dan de auteur. Veel woorden, maar geen daden. Hij is zowaar een engeltje in een op seks belust parlement, zo blijkt wanneer hij zit te roddelen met Kamerlid Maaike Dottermans:

‘En hoe weet jij dat dan allemaal zo goed?’, zette Dottermans hem op zijn nummer. ‘Zelf meegedaan aan die leuke spelletjes?’
‘Neen, al heb ik soms het gevoel iets te hebben gemist. Er lopen in dit machtscentrum zoveel mensen die samen al eens extreme emoties beleven. Nergens waar er ook meer geroddeld wordt, het is bijna zoals in de media’, plaagde Berckmans.

De vermoorde Willy Paulussen – een verwijzing naar de liberale ex-senator Paul Wille – was een veel geilere aap, zo maken we op uit een conversatie tussen Berckmans en Dottermans:

‘Doe je nu mee of niet, lief?’, slijmde Berckmans.
‘Wist je dat Paulussen van korte rokjes hield?’, vroeg Dottermans aan haar verbouwereerde tafelgenoot.

Ongelooflijk, een senator die naar kortgerokte billen kijkt (zonder erin te knijpen!):

‘…en blijkbaar stond de liberale quaestor achter mij en monsterde hij mijn billen en kont. Met de opmerking dat zwarte kant voor hem de mooiste lingerie blijft. Gevolgd door de stelling dat hij een kenner was met ervaring tot ver buiten het koninkrijk België.’
‘De geilaard! Ik wist het, met zijn geniepige oogjes.’

Van Den Driessche heeft oog voor het soort anekdotiek waarvan we alleen maar kunnen hopen dat hij ze zelf verzonnen heeft:

‘Ooit liep de dochter van een minister naakt door de parlementaire wandelgangen, terwijl er een nachtelijk debat plaatsvond. De frêle dame werd achternagezeten door een andere minister die enkel nog zijn onderbroek aan had, klaar voor de actie.’
‘Je meent het?’, zei Aysun met open mond. ‘Je moet een boek met al die saillante verhalen publiceren. Als je maar voor eeuwig zwijgt over…’

Het ergerlijke is niet dat er vleselijke lusten voorkomen in Moord in de Senaat. Christus Jezus, we zijn tegenwoordig wel wat gewoon. In het werk van Herman Brusselmans, Tom Lanoye en Kristien Hemmerechts wordt er heel wat meer gevogeld, gerukt, gesopt en geëjaculeerd. De seksscènes van Brusselmans zijn zo grotesk net omdat de auteur overtuigd is van de banaliteit van geslachtsgemeenschap. “Als je één keer seks hebt gehad, kan je vijftig goede pornoromans schrijven”, stelt de Gentse schrijver. Vele personages van Lanoye worden het slachtoffer van hun onbeheersbare lust. Bij Hemmerechts is seks vaak een donker spel tussen man en vrouw.

Wat is seks in het oeuvre van Pol Van Den Driessche? Ik neem even de vrijheid om in plaats van de auteur te antwoorden: het is iets ondeugends, voortdurend aanwezig, maar verder volstrekt onschuldig. Je zou ook kunnen zeggen: een kleffe constante die erbij hoort omdat Van Den Driessche het nu eenmaal niet kan laten zijn eigen driften op zijn personages te projecteren:

”t Is al goed, Sherlock Holmes. Kom, we keren terug, anders denkt die bode dat we hier iets onzedigs aan het doen zijn’, zei Maaike om de sfeer te ontspannen.
‘Hier zou ik het nog wel eens met jou…’, speelde Fred daarop in.
‘Stop, ik wil het niet horen!’ Ze liep haastig terug naar de ingang.
‘Hoe vond u het daarbeneden, mevrouw de deputée‘, groette de Kamerbode een tikje ondeugend.

Geen enkel mannelijk personage zal nalaten een vrouwelijke bips aandachtig te bestuderen:

Enkele joggers keken vreemd naar het trio. Zeker naar de vrouw die met een omhooggestoken kont haar neus in een rooster stak.

Mannen maken vrijuit opmerkingen tegen vrouwen en die vinden dat alleen maar plezierig. Op zich zijn de passages waarin de hormonen opborrelen braaf genoeg. Maar de flauwe toespelingen blijven maar terugkomen – tot het zielig begint te worden omdat Fred Berckmans noch de verteller lijken te beseffen hoezeer ze zich aanstellen:

‘Maar ik heb een ander plannetje, Maaike lief…’ Meestal als Berckamns het woord ‘lief’ gebruikte bij een vrouw, moest hij iets van haar hebben of had hij iets goed te maken. Maaike kneep haar ogen half dicht, afwachtend.

Eén keer is een radiopresentatrice beledigd door de neerbuigende houding van Berckmans:

‘Hola, hola, Liesbetje zoet, ik ben hier wel nog even bezig een ochtendlijk standje uit te proberen met mijn lief. Ik bel je later nog. ‘t Gaat wel lekker. Sorry!’, floepte Fred er haastig en luid uit.
[...]
‘En zei hij nu dat hij aan het vrijen was? Noemde hij me Liesbetje?’

Maar meestal reageren de hoofse dames lacherig op het dorpse machismo van de senator:

‘Á propos, ben je klaar voor deze namiddag? Sexy laarsjes en een modieuze broek in de aanslag, mag ik hopen?’
Sure. Neen, vriendje, ik kom in goede oude Agalev-stijl: gummilaarzen, slobberbroek, trui en een parkajas. Jij zorgt voor de zaklampen?’
‘Yep, samen onder de grond! Dat is eens iets anders dan onder de lakens.’
Keep on dreaming, Berckamns!’

En vrouwen zélf zijn natuurlijk ook oversekste dozen, dat kan niet missen. Vragen zij niet gewoon om een hand tussen hun gastvrije dijen?

‘Binnenkort nodig ik je uit voor een etentje!’
‘Beloven, jaja!’, spotte Laura. ‘Ga maar wat wetten maken in plaats van detective te spelen. Moet jouw productiviteitsgraad niet wat worden opgetrokken?’
Ze lijkt alleen maar streng, ik wed dat ze niets van haar hitsigheid van dertig jaar geleden heeft verloren, dacht Berckmans, maar hij was zo verstandig dat niet uit te spreken.

De auteur staat toe dat zijn alter ego zichzelf voortdurend loopt te verheerlijken en laat hem tegelijk de spot drijven met politici die – ha! de sukkelaars! – hun affaires in de pers zagen verzeilen, zoals deze verwijzing naar het liefdesleven van Patrick Dewael:

‘Ik heb de Kamervoorzitter eens diep in z’n ogen gekeken. Daar kan die charmeur niet aan weerstaan, hoewel hij braver is geworden nadat zijn jongste escapades in de boekskes uit de doeken werden gedaan.’

“Macht en aanzien, winst en verlies, geld en seks: alle ingrediënten voor lekkere story’s. Je moest eens weten”, zegt Fred Berckmans ergens in het boek. Wel, we weten het nu. Een lekkere story is het niet. Je kunt enkel hopen dat de auteur zelf wat braver zal worden.

Vandaag in De Morgen: interview met Ha-Joon Chang, een Zuid-Koreaanse econoom die doceert aan de Universiteit van Cambridge. Chang vindt het kapitalisme nog altijd het beste economische stelsel dat bestaat, maar deinst er niet voor terug om maatregelen te bepleiten waarvan vrijemarktideologen griezelen.

'23 Things They Don't Tell You About Capitalism': een aanrader voor wie zonder dogma's over economie wil nadenken.

Ha-Joon Chang schreef vorig jaar het uiterst interessante boek 23 Things They Don’t Tell You About Capitalism, ondertussen ook vertaald als 23 dingen die ze je niet vertellen over het kapitalisme. In het Nederlands klinkt die titel een pak sulliger klinkt, maar de inhoud blijft zeer de moeite.

“Vergeet even de financiële meltdown, waarvan de gevolgen zich nog tientallen jaren zullen doen voelen. Wat de meeste mensen niet weten, is dat het vrijemarktbeleid al daarvoor in de meeste landen tot lagere groei, toenemende ongelijkheid en groeiende instabiliteit had geleid”, schrijft Chang, om er meteen aan toe te voegen dat zijn boek géén antikapitalistisch manifest is. “Dit boek laat zien dat het kapitalisme beter moet en beter kan worden gemaakt.”

Volgens de auteur zijn er de laatste drie decennia meer en zwaardere economische crises doordat de westerse overheden al te zeer de raad van vrijemarkteconomen hebben opgevolgd. “Het beleidspakket van de vrije markt, vaak aangeduid als het neoliberale beleidspakket, benadrukt lage inflatie, grotere kapitaalmobiliteit en grotere baanonzekerheid (eufemistisch een flexibeler arbeidsmarkt genoemd), in essentie omdat dit beleid vooral is afgestemd op de belangen van de bezitters van financiële activa. Beheersing van de inflatie krijgt de nadruk omdat veel financiële activa een nominaal vast rendement hebben, waardoor inflatie het reële rendement aantast”, analyseert de heterodoxe econoom. “Aan onze obsessie met inflatie moet een eind komen. Inflatie is de boeman geworden die gebruikt is om beleid te rechtvaardigen waarvan vooral de bezitters van financiële activa hebben geprofiteerd, ten koste van stabiliteit op de lange termijn, economische groei en menselijk geluk.”

Chang pleit zelfs onomwonden voor meer protectionisme, tenminste in ontwikkelingslanden:

“Ondanks hun eigen geschiedenis dwingen de rijke landen de ontwikkelingslanden nu hun grenzen open te zetten en hun economieën bloot te stellen aan de volle kracht van de mondiale concurrentie, met behulp van de condities die ze verbinden aan hun bilaterale hulp en aan de leningen van de internationale financiële instellingen waar zij het voor het zeggen hebben (zoals het IMF en de Wereldbank) alsook via de ideologische invloed die zij uitoefenen dankzij hun intellectuele overwicht.”

De auteur drukt erop dat industrie, de productie van goederen, nog altijd de meest robuuste bron van welvaart is. In de dienstensector heeft hij veel minder vertrouwen. “Als je je ontwikkeling van meet af aan vooral op dienstverlening baseert, zal je productiviteitsstijging op de lange termijn veel geringer zijn dan wanneer je je ontwikkeling op industriële productie baseert”, stelt Chang. “Postindustriële fabeltjes zijn erg genoeg voor rijke landen maar uitgesproken gevaarlijk voor ontwikkelingslanden.”

Merkwaardig genoeg breekt de professor ook een lans voor de verzorgingsstaat als belangrijk onderdeel van het kapitalisme. Net zoals faillissementswetten ondernemers een tweede kans geven en hen zo aanzetten om risico’s te nemen, zo zorgt een sociaal vangnet ervoor dat werknemers risico’s durven te nemen in hun loopbaan en meer openstaan voor verandering. Zij krijgen zo immers een tweede kans als een carrière move verkeerd uitdraait. “Wanneer ze weten dat ze een tweede kans krijgen, kunnen mensen makkelijker een keuze maken voor hun eerste baan en in hun latere carrière meer openstaan voor veranderingen”, redeneert Chang.

Daarnaast richt de auteur zijn pijlen op de financiële sector, die dringend meer regelgeving nodig heeft:

“Er zijn vele verhalen over de financiële crisis van 2008 die laten zien dat personen die geacht werden het slimst te zijn, niet werkelijk begrepen waar ze mee bezig waren. Er werden zoveel ingewikkelde financiële producten ontwikkeld dat zelfs de financiële experts zelf ze niet meer helemaal konden begrijpen, tenzij ze zich erin specialiseerden, en soms zelfs toen niet. De hoogste beslissers van de financiële instellingen begrepen zeker niet veel van wat hun bedrijven aan het doen waren. Evenmin konden de regulerende instanties er precies achter komen wat er gaande was.”

Ha-Joon Chang wijst op de pijnpunten van het vrijemarktkapitalisme, zonder dat hij het kapitalisme in zijn geheel op de mestvaalt gooit.

“Financiële instrumenten moeten uitgebannen worden, tenzij we volledig begrijpen hoe ze werken en wat het effect op de rest van de financiële wereld en bovendien op de economie is”, oppert Ha-Joon Chang. “Dit betekent dat veel van de financiële derivaten waarvan is aangetoond dat de werking en de effecten zelfs het begrip van de veronderstelde experts te boven gaan, verboden worden.”

“Winststreven is nog altijd de sterkste en meest effectieve drijfveer van onze economie en die moeten we ten volle uitbuiten. Maar we moeten bedenken dat deze z’n gang laten gaan, zonder enige beteugeling, niet de manier is om er het meeste uit te halen, zoals we de afgelopen drie decennia door schade en schande hebben geleerd”, besluit de auteur.

Op de laatste pagina’s van het boek benadrukt Chang nog eens dat er verschillende manieren zijn om het kapitalisme te organiseren. “Het vrijemarktkapitalisme is daar maar één van, en niet zo’n goede ook. De afgelopen drie decennia hebben laten zien dat het, in tegenstelling tot wat de voorstanders ervan beweren, de economie afremt, de ongelijkheid en onveiligheid vergroot en tot frequentere (en soms zware) financiële crises leidt”, merkt hij op.

Met lof moet je voorzichtig zijn, omdat lovende woorden al te rap opzwellen tot lege ballonnen. Maar zonder zeveren: 23 Things They Don’t Tell You About Capitalism is een verhelderend boek dat precies en zonder dogma’s inzicht verschaft in de werking van markten. Het zet je aan het denken over het kapitalisme zonder dat je je tot het kamp moet bekennen dat ondertussen alle contact met de werkelijkheid verloren heeft en zich maar druk blijft maken over wie nu eigenlijk de productiemiddelen in handen heeft. Dankzij Ha-Joon Chang kun je ver houden van dergelijke bespottelijke vraagstukken terwijl hij wel voldoende munitie geeft om aan te tonen dat de huidige versie van het kapitalisme dringend aan een update toe is.

Hieronder de lange versie van het interview dat vandaag in De Morgen is verschenen:

‘Kapitalisme komt voor in vele soorten en maten, wat impliceert dat het sterk kan worden aangepast’, zegt de Zuid-Koreaanse econoom Ha-Joon Chang, professor aan de Universiteit van Cambridge. Enkele van die noodzakelijke aanpassingen zijn meer regulering, meer inflatie en meer protectionisme.

Interview met Ha-Joon Chang.

“Vrijemarkteconomen hebben opzettelijk de gerechtvaardigde angst voor hyperinflatie uitgebuit om een excessief anti-inflatiebeleid door te drukken dat meer kwaad dan goed doet”, schrijft Ha-Joon Chang (48) in zijn internationale bestseller 23 dingen die ze je niet vertellen over het kapitalisme (2010). “Aan onze obsessie met inflatie moet een eind komen. Inflatie is de boeman geworden die gebruikt is om beleid te rechtvaardigen waarvan vooral de bezitters van financiële activa hebben geprofiteerd, ten koste van stabiliteit op de lange termijn, economische groei en menselijk geluk.”

Daar kun je gerust een rechtstreekse kritiek op de Europese Centrale Bank in lezen. Jean-Claude Trichet, van 2003 tot vorige maand voorzitter van de ECB, stond bekend als inflatiehavik. De Europese kortetermijnrente verlagen stond averechts op het langetermijndoel van de Franse centrale bankier: de inflatie onder controle houden. Maar grote verrassing: op 1 november, de dag van zijn aantreden als ECB-voorzitter, verlaagde Mario Draghi de rente naar 1,25 procent. Ondernemer Bart Deconinck reageerde meteen op Twitter: “Bold move of Super Mario. But the only appropriate level is 0 %. Europe needs inflation as badly as a man lost in the desert needs water.”

Hebben we inderdaad méér inflatie nodig?
Ha-Joon Chang: “In de huidige omstandigheden is het moeilijk om je voor te stellen hoe Europa de schuldenput kan dempen en tegelijk de privésector weer aan het investeren kan krijgen zonder dat er sprake is van inflatie, die de echte waarde van de schulden doet dalen.”

Is Griekenland met al zijn schulden dan een slachtoffer van het anti-inflatiebleid van de ECB?
“Ik vrees het.”

Er wordt al eens beweerd dat de oplopende begrotingstekorten hebben geleid tot de Europese schuldencrisis. Klopt dat?
“De eurocrisis is niet veroorzaakt door kwistige regeringen, maar is het resultaat van een financiële crisis in de private sector. Als we het hebben over de eurozone in haar geheel, dan ligt het begrotingstekort slechts op 6 procent van het bruto binnenlands product, veel minder dan in de VS of het Verenigd Koninkrijk, die aan 12 tot 13 procent zitten. Ja, Griekenland had een onrustwekkend groot tekort, dat gedeeltelijk verborgen werd door de financiële goochelkunsten van Goldman Sachs, maar in de andere landen was dat niet het geval. Spanje en Ierland boekten voor de crisis zelfs begrotingsoverschotten, terwijl de tekorten in Portugal en Italië niet zo zwaar waren.
“Aan de basis van de huidige crisis in Europa liggen de enorme schulden die de private sector opgestapeld heeft tijdens de vette jaren vóór de crash van 2008. De problemen met de Europese begrotingstekorten zijn ontstaan doordat de privésector zijn schulden is beginnen af te betalen en minder geld ging uitgeven. De overheid moest het gat dichten, ofwel door zelf meer te spenderen of door lagere belastinginkomsten te aanvaarden.”

Konden banken weten dat de Griekse overheid haar begroting had vervalst?
“Als ze goed genoeg hadden gekeken, hadden ze het bedrog waarschijnlijk wel gevonden, ondanks de ingrepen van Goldman Sachs. Maar allicht wílden ze het niet weten – why spoil the party?”

Griekenland wordt nu tot een derdewereldland herschapen om de banken te redden, las ik her en der.
“Ja, dat is exact wat er gebeurt. Dat de Griekse regering onlangs werd vervangen – op vraag van de schuldeisers en zonder verkiezingen –toont dat zeer duidelijk aan. Tot voor kort heeft men er alles aan gedaan opdat de kredietverleners hun geld terugkregen, terwijl de Griekse bevolking opdraaide voor de besparingen. Uiteindelijk hebben ook de banken een gedeeltelijke schuldkwijtschelding moeten aanvaarden. Dat was op den duur onvermijdelijk omdat de opgelegde besparingen ervoor hadden gezorgd dat de Griekse economie in een recessie belandde, er daardoor minder belastinginkomsten waren en de Griekse schuld dus niet echt kleiner werd.
“Net als vele Afrikaanse landen heeft Griekenland zich moeten blootstellen aan de volle kracht van buitenlandse competitie zonder dat de eigen producenten daar klaar voor waren. De Grieken zitten echter in een betere situatie omdat hun economie niet zo hopeloos achterop hinkt als die van de Afrikaanse landen. Ook is er voor de Grieken geen barrière om te emigreren naar andere Europese landen. Afrikanen hebben die optie niet.”

Was het te vroeg voor Griekenland om lid te worden van de eurozone?
“Griekenland had beter niet meegedaan met de euro. Ideaal was geweest dat het land pas zou toetreden tot de eurozone als zijn economie zich op een gelijkaardig niveau bevond als die van de andere lidstaten. Het grote probleem van Griekenland is dat het geen elite lijkt te hebben die de industriële ontwikkeling in gang wil zitten, wat een lang en moeizaam proces is. Maar zelfs al ontbreekt een langetermijnstrategie, dan nog had de Griekse regering zonder de euro de optie om de drachme te devalueren om de economie competitiever te maken.

Moet Griekenland de eurozone verlaten zodat het zijn industriële sector beter kan beschermen?
“Het zou zeer kostelijk zijn voor Griekenland om de Europese muntunie nu te verlaten, maar er kan een moment komen waarop dat de beste optie is, ja. Een niet zo geweldig lot zonder de euro zal misschien te verkiezen zijn boven een ellendige situatie binnen de eurozone.”

Via werkloosheidsuitkeringen geeft de welvaartsstaat werknemers een tweede kans als ze hun job verliezen. Ondernemers krijgen een tweede kans na een faillissement. Is er ook een systeem nodig om hele landen een tweede kans te gunnen?
“Jazeker, we hebben zeer dringend wetten nodig die failliete landen een tweede kans geven. Dat voorstel doet al decennia de ronde, maar is nooit serieus genomen omdat het tegen de belangen van machtige landen ingaat.
“It takes to two tango, zeggen ze in Argentinië. Als je een onvoorzichtige lener hebt, moet er ook een onvoorzichtige instelling zijn die het geld uitleent. Dat betekent dat ze allebei de lasten zouden moeten dragen als het foutloopt. Dat is de redenering wanneer bedrijven failliet gaan. Waarom zou dat anders moeten zijn voor landen?”

Overal in Europa protesteren er nu indignados tegen het kapitalisme, terwijl u stelt dat het nog altijd het beste systeem is dat de mens heeft uitgevonden. Verwarren de betogers vrijemarktkapitalisme met alle andere vormen van kapitalisme?
“Ja. Dat is wijdverspreide, maar ongelukkige verwarring. Het stelt de verdedigers van de vrijemarktideologie in staat stelt om hun critici af te schilderen als mensen die terugwillen naar het gefaalde experiment van de communistische planeconomie. Of om ze voor te stellen als hopeloze romantici die denken dat de wereld kan draaien als iedereen weer in kleine gemeenschappen gaat leven.”

We moeten het kapitalisme veranderen in plaats van het te vervangen?
“Ja. Kapitalisme komt voor in vele soorten en maten, wat impliceert dat het sterk kan worden aangepast. Vaak kun je experimenten met alternatieven in het kapitalisme incorporeren – coöperatieven en shareware op het internet zijn daar twee opvallende voorbeelden van. ”

De meeste Europese landen zijn welvaartsstaten. Maar de Europese Unie zelf wordt te neoliberaal genoemd, een bedreiging voor de sociale zekerheid van de lidstaten. Moet de verzorgingsstaat dan op Europees niveau georganiseerd worden?
“Uiteindelijk zou dat toch het doel moeten zijn als je gelooft in volledige Europese integratie. Ik betwijfel echter of daar een politieke basis voor is. Honderdvijftig jaar na de Italiaanse hereniging zijn er heel wat Italianen die vinden dat het noorden zich moet afscheiden van het zuiden…”

‘Financiële instrumenten moeten uitgebannen worden, tenzij we volledig begrijpen hoe ze werken en wat het effect op de rest van de financiële wereld en bovendien op de economie is’, schrijft u in uw boek. Is er nood aan pan-Europese regels voor de financiële instellingen?
“Pan-Europese of zelfs wereldwijde regels zouden het meest effectief zijn. De tegenstanders van financiële regulering kunnen die redenering echter als excuus gebruiken om te verhinderen dat individuele landen regels invoeren. Als een land unilateraal regels oplegt voor bepaalde financiële activiteiten, zouden bedrijven verkassen naar landen zonder regelgeving. Daar is maar één antwoord op: landen die zulke sociaal onproductieve of zelfs destructieve activiteiten willen, mogen ze hebben!”

Europese regeringen pompen miljoenen euro’s in de bankensector en moeten zelfs banken nationaliseren, zoals Dexia in België. Belastingbetalers klagen dat hun geld wordt gebruikt om de aanstokers van de crisis te redden. Maar hebben regeringen dan een andere optie?
“Een bail-out is vaak het minste van twee kwaden. De regeringen stellen echter te weinig serieuze voorwaarden als ze met geld over de brug komen, zoals bijvoorbeeld meer geld lenen aan kleine en middelgrote ondernemingen, buitensporige lonen en bonussen voor managers aftoppen en meer belastingen betalen. Als de overheden ervoor zouden zorgen dat financiële instellingen meer in het belang van belastingbetalers handelden, zou er een pak minder onvrede zijn.”

Gelooft u nog in de euro?
“Ik heb nooit geloofd in de euro zoals hij nu bestaat. Een muntunie die alle landen omvat van Estland tot Duitsland is simpelweg een slecht idee.”

Waarom? Beschermt de euro de Europese burgers niet voor een stuk tegen de ergste effecten van de crisis? Of verspreidt de eenheidsmunt de rampzalige effecten juist over een groter gebied?
“Grote schepen zijn veiliger dan kleine, maar als ze kapseizen, vallen er veel meer slachtoffers. Dat zagen we al bij de Titanic. Met de euro is het net hetzelfde.”

Onder de deur

11 oktober 2011

Elf keer trok auteur Marc Vermeulen met een andere kennis naar een andere abdij. Daar converseerden de mannen door beurtelings brieven onder elkaars deur te schuiven. Die conversaties zijn nu verzameld in het boek Onder de deur. Een interessant experiment, al is het resultaat niet altijd even boeiend.

Auteur Marc Vermeulen bedacht een interessante formule, maar mag hogere eisen stellen van zijn handlangers.

De formule die Marc Vermeulen bedacht voor Onder de deur, prikkelt de nieuwsgierigheid. Telkens nam de auteur iemand uit zijn dichte of verre kennissenkring mee naar een abdij ergens in België. Een weekend lang namen ze deel aan het kloosterleven, weg van de profane buitenwereld. Vermeulen vraagt zich af wat er gebeurt als twee mensen twee dagen lang elk een abdijkamer betrekken en enkel het volgende doen:

1. Niets. Althans niets werkgerelateerds of productiefs. Toegelaten zouden zijn: een boek lezen, slapen, staren door het raam, nadenken, wachten, één of andere contemplatieve bezigheid uitvoeren.

2. Het ritme van de abdijbewoners overnemen. De paters, broeders, zusters als een schaduw volgen en doen wat zij doen.

3. Een blad vullen met tekst en in een bruine envelop onder de deur van de abdijpartner schuiven. Deze vult aan of spreekt tegen, of schrijft over iets helemaal anders. En schuift zijn tekst in de envelop terug onder de deur van de afzender.

Dat is meteen het eerste van de vele lijstjes die de auteur opneemt in zijn boek. Een ander lijstje somt de voorwaarden op waaraan de ‘abdijpartners’ moeten voldoen. De belangrijkste: man zijn, twee dagen stilte kunnen verdragen, een schrijfneiging hebben en aan introspectie kunnen doen.

‘Ik ben buitenmate verrast door de capaciteit van deze mensen om gedachten op papier te zetten. Handgeschreven! Het ambachtelijke! Terug naar ons ‘Dag liefste dagboek van mij’. En dat in een tijd waarin twitter-beperktheid en ‘mss ok nogdees:lol man oegoediedadeje’ ons taalgebruik infiltreren!’, schrijft Vermeulen enthousiast in het postscriptum achteraan in zijn boek. ‘Ikzelf kan me wentelen in jolige zinnen en zoeken naar een woord dat op de juiste plaats staat. Ik wist niet dat anderen zo gemakkelijk pagina’s, vele pagina’s kunnen vullen met hun gedachten. Dat had te maken met enerzijds hun eigen schrijfcapaciteiten en anderzijds met ons typische heen-en-weer-schrijfsysteem.

Toch ontstaat al na enkele hoofdstukken de indruk dat de auteur de schrijfcapaciteiten van zijn abdijpartners overschat. Hij had ‘een schrijfneiging’ gerust wat scherper mogen definiëren. De deelnemers aan het project zijn stuk voor stuk amateurs als het op schrijven aankomt en dat merk je. De enige uitzondering op die regel is theaterman Geert Vermeulen, die meteen ook de beste stukjes weet te plegen. De auteur zelf is evenmin professioneel in de weer met pen en papier. Marc Vermeulen is werkzaam als coach voor leidinggevenden, maar blijft als licentiaat Germaanse talen een grote liefde koesteren voor het geschreven woord. Zijn professionele bezigheden komen wel voortdurend om de hoek loeren – onder meer via de talloze lijstjes.

Vooral de pseudoliteraire bedenkingen van Jos Borremans slagen erin de lezer te enerveren. Op het eerste gezicht lijken sommige passages aardig in elkaar geknutseld, maar bovenal zijn ze uiterst gekunsteld:

Ramen en muren. Scheiding of verbinding? Geluid en licht doorbreken en breken door. Wanneer je binnen zit tussen de monniken dan zit je aan de ene kant, en toch herken je de andere: allen dezelfde jij, maar zo verschillend met hun eigenaardigheden. Wie komt gemakkelijkst het laatst naar de kapel? Wie zingt het valst? Wie is het snelst gestoord?

Nu hoeven de abdijgangers geen literaire meesters te zijn om af en toe een rake observatie neer te pennen. Zo beschrijft ene Luc de vervreemding als hij zich aan het gebed waagt: ‘Luidop bidden en aan niets anders denken; het is een vreemde ervaring. Je moet er wat naïef voor zijn. En dan moet je er durven voor gaan. Er in tuimelen. Vooroordelen loslaten.’

Als je ervan uitgaat dat het hier gaat over meer dan een weesgegroetje opdreunen, versta je de vervreemding. Inderdaad: wie nu nog durft toe te geven dat hij bidt, is een oubollige christenmens of een moslim. De moderne West-Europese burger houdt zich daar toch niet meer mee bezig?

Ook Vermeulen is geen specialist in de rechtstreekse dialoog met het Opperwezen:

Bidden is niet aan mij besteed. Behalve wanneer ik me bevind in een hoge noodcrisissituatie en ik me tot iemand richt die daarboven is (waarom zeggen we altijd dat het daarboven te doen is?). Ik chanteer het bevoegde opperwezen ermee dat als ik geholpen word, ik iets terug zal doen. Mijn leven bekeren of de wandaad in kwestie niet meer overwegen te doen.

De auteur staat dubbelzinnig tegenover het stille, religieuze leven in de abdij. Bij zijn eerste bezoek gaat hij gebukt onder een druk, net door het wegvallen van de dagdagelijkse druk van zijn professionele en familiale bestaan. Hij is ongelovig, maar heeft begrip voor de broeders en zusters die voor het kloosterleven gekozen hebben:

Wie God is? Ik denk niet dat ik erin geloof. Ik geloof wel in mensen die in een God geloven en daar zoals de paters hier ferm veel onbevangen, zuivere energie insteken. Full-time activiteit.

Abdijpartner André Van Weddingen kan zich minder gemakkelijk verzoenen met een bestaan gewijd aan God, zo merkt de auteur:

‘Ik kan die stilte niet goed verdragen’, zal hij me zeggen en ik zag zijn hunkering naar buiten. ‘Haal me hieruit, want dit is mijn wereld niet. Ik snap echt niet wat de toegevoegde waarde van deze dames voor onze maatschappij is.’ Dat was een moeilijke situatie en eigenlijk stond ik op het punt om het experiment af te blazen.

‘Ik zou willen begrijpen, waarom ze voor dit leven hebben gekozen. Wat ging er vooraf aan de keuze, wat heeft hen overtuigd? Wat is dat eigenlijk, een roeping? Wat missen ze?’, vraagt André zich af. ‘Het Jambers-syndroom in mij komt weer naar boven. Hoop toch de kans te krijgen de antwoorden te vinden.’

Acteur en scenarist Geert Vermeulen heeft eveneens kritische bedenkingen bij het vrome bestaan van de paterkes en de nonnekes. Dat heeft veel te maken met de stortvloed aan onheilstijdingen over de katholieke kerk die de jongste jaren vlot de krantenpagina’s haalden. Zoals auteur Marc Vermeulen zelf opmerkt:

De timing van het ‘Onder de deur’-experiment kon niet slechter zijn. We begonnen met een driedaags bezoek aan de Abdij van Westmalle, in augustus 2010 en stopten eind maart 2011 in de abdij van Chimay. Wat voor en tijdens dit experiment allemaal binnen de kerk gebeurde, was ongelooflijk.

Met enige schroom moet abdijpartner Geert erkennen dat hij de harde actualiteit niet los kan koppelen van het schijnbaar vredige samenleven in de abdij:

Hoor die klokken maar luiden! Voor de Vespers ditmaal, bij deze besluit ik dat ik niet meega naar de Vespers. Om weer tussen de oude knarren te zitten waarvan je je onwillekeurig afvraagt: wat hebben zij met hun seksualiteit gedaan? Met excuses voor de gastvrijheid die ik hier op stoute wijze schandaliseer door de gastheren en hun geloof te beschimpen.

Maar ook zonder het kindermisbruik waarover sinds het uitbarsten van de affaire-Vangheluwe zoveel te doen is, plaatst Geert Vermeulen kritische vraagtekens bij het afgezonderde bestaan van de kloosterlingen:

Verdoving, daar doet het mij aan denken. Steeds opnieuw dezelfde teksten, dezelfde rituelen, monotoon uitgesproken en uitgevoerd, zwevend boven de dieptes van hun zijn. Verdoving wordt gebruikt om pijn te neutraliseren bij een operatie. Ik herinner mij het ontwaken na een meniscusoperatie: een heerlijk zwevende toestand tussen zijn en niet-zijn, weg van de wereld en toch al terug een beetje deel ervan uitmakend. Is dat de permanente staat van genade waarin paters verkeren?

Gelukkig spaart de scenarist ook zichzelf niet. ‘Ik word stilaan suf van mijn eigen halfslachtig gezwets. Alsof zo’n ‘retraite’ ook tot bezinning ‘moet’ leiden. Kwart over tien inmiddels; tijd om de nacht te omhelzen’, schrijft hij met gezonde zelfspot.

Marc Vermeulen schuwt de zelfspot evenmin – zo wordt hij er zich van bewust dat hij te veel lijstjes samenstelt, waardoor hij er de lezer in de tweede helft van het boek minder mee lastigvalt. Toch duikt het meest ergerlijke lijstje helemaal achteraan op: een overzicht van het soort mensen voor wie een abdij een geschikte plaats is om een weekend door te brengen. Gedurende drie pagina’s passeren zeventien groepen de revue. Dan gaat een mens al eens ongegêneerd geeuwen.

In andere lijstjes probeert de auteur samen te vatten hoe hij de rooms-katholieke kerk wil hervormen. Nadrukkelijk komt dan Vermeulens achtergrond in human resources op de voorgrond:

1. Per direct zijn het huwelijk, samenwonen en intergeslachtelijk verkeer een vrije optie.
2. Gezagsdragers moeten voor hun 60 op een belangrijke post zitten.
3. Er wordt voortaan in priesteropleidingen veel aandacht besteed aan palliatieve vaardigheden, omgaan met gevangenen, rouwprocessen en veranderingsprocessen. Bijbelexegese en oudtestamentaire teksten kunnen uitleggen worden keuzevak.
4. Introductie van religieuze binnenhuisdecoratietechnieken.
5. Het vak ‘preken’ wordt een hoofdvak, met camera-opnames enz…

Zonder enige twijfel waren dat waardevolle aanbevelingen als de kerk een multinational was die zo performant mogelijk zijn producten aan de man moest brengen, maar tot nader order is de paus geen chief executive officer (krijg de paus eigenlijk een bonus per bekeerling?) en is de kerk geen bedrijf, maar een instituut dat een ontastbaar product probeert te distribueren: het geloof in Jezus Christus, de Verlosser.

Veel sterker is Vermeulen als hij zijn diepste zielenroerselen blootlegt. Zo is hij ongemeen hard over de band met zijn vader:

Je bent nu ouder dan de oudste pater hier, en met sommigen, neen allemaal, heb ik leukere gesprekken gehad op tien minuten dan met jou op gans mijn leven. Ik herinner me geen gesprek, geen aanmoediging, geen emotie, geen commentaar op mijn rapport. Ik wacht op je doodsprentje.

Misschien komt de scherpste observatie wel van Vermeulens volwassen zoon David:

In het beste geval zijn we volgens mij bezig geweest met onszelf, met een innerlijke zoektocht, door middel van de dialoog, in het slechtste geval met het eenvoudig aanwezig zijn en opdoen van indrukken. Hoe dan ook waardevol, ‘t is maar hoe je ‘t bekijkt.

Ik bekijk het als volgt: indrukken opdoen en innerlijke zoektochten kunnen best aangenaam zijn. Maar als je er ook voor de lezer een aangename ervaring van wilt maken, moet je erop toezien dat het merendeel van de abdijgangers kundig met een pen kan omspringen. Dat is en blijft nu eenmaal monnikenwerk en niet iedereen is daarvoor geroepen.

Onder de deur, Marc Vermeulen, 19,90 euro, Uitgeverij Charlotte.

Imago

6 oktober 2011

Awel, awel, wat is mij dat hier? Een boek over imago’s? Yep, inderdaad. Na Onder de Wapper heb ik het over een andere boeg gegooid: dertien bekende koppen oog in oog met hun imago. Op 20 oktober is er een presentatie met receptie.

Plaats van afspraak is lunchcafé Walry, in de Zwijnaardsesteenweg te Gent. Om 20 uur begint het. Kristien Hemmerechts, één van de interviewees met een imago, verzorgt de inleiding. De foto’s in het boek – ik vind ze zelf tamelijk fantastisch – zijn van Joram Van Holen. De lay-out – ook daar ben ik fan van – is van Pjotr.

Mijn uitgever is nog altijd Luster.

Als ge wilt afkomen, moogt ge. Ik vraag geen toegangsgeld.

Mijn tweede boek is een feit. Het heet 'Imago' en het wordt plechtig gepresenteerd op 20 oktober 2011. Weest welkom.

Met Contagion is er een nieuwe zombiefilm in aantocht. Horrorfans verlekkeren zich reeds. Maar de zombies weten ook de aandacht van professoren internationale politiek te trekken. Zoals Daniel W. Drezner.

Theories of International Politics and Zombies: nog nooit was internationale politiek zo interessant en zo sarcastisch.

Op zijn blog wijdde Drezner alvast een post aan de jongste prent van regisseur Steven Soderbergh: How well does Contagion “get” the global governance of catastrophe? Dat de professor internationale politiek zich daarmee bezighoudt, hoeft niet te verbazen: Drezner is lid van de Zombie Research Society, ‘dedicated to raising the level of zombie scholarship in the Arts and Sciences’.

Begin dit jaar publiceerde Drezner, professor aan The Fletcher School van de Tufts University, zijn boekje Theories of International Politics and Zombies. Wie het boek wil lezen als satire, kan dat. Drezner schrijft scherp en geestig. Maar evengoed steek je iets op van de verschillende paradigma’s uit de internationale politiek, want daar gaat het wel degelijk over. Dit is het werk van een academicus – het boek bevat niet minder dan twintig pagina’s bronvermeldingen. In een heldere taal en met zombies als gimmick doet Drezner zijn uitleg.

Neemt Drezner de dreiging van een zombie-aanval serieus? Hij laat zijn positie in het midden. Uiteraard zijn zombies een allegorie voor eender welke onbekende dreiging, maar met sardonisch genoegen stipt de professor aan dat overheden voorbereid zijn als de doden uit hun graf zouden kruipen:

Some international relations scholars would posit that interest in zombies in an indirect attempt to get a cognitive grip on what former U.S. secretary of defense Donald Rumsfeld famously referred to as the “unknown unknowns” in international security. Perhaps, however, there also exists a genuine but publicly unacknowledged fear of the dead rising from the grave and feasting upon the entrails of the living. Major universities and police departments have developed “mock” contingency plans for a zombie outbreak.

Wat volgens Drezner zo interessant is aan een ‘zombie outbreak’ is dat die zich duidelijk onderscheid van andere paranormale bedreigingen:

Zombie stories end in one of two ways – the elimination/subjugation of all zombies, or the eradication of humanity from the face of the earth. If popular culture is to believed, the peaceful coexistence of ghouls and humans is a remote possibility. Such extreme all-or-nothing outcomes are less common in the vampire or wizard literatures.

Dat ligt niet zozeer aan de aarde van de zombies. ‘The undead menace usually goes global in the zombie canon. These stories lack a basic grounding in world politics, however’, merkt de professor op. Er is ook nog niet voldoende wetenschappelijk onderzoek gebeurd naar de bedreiging die zombies vormen:

Despite their mob tendencies, sociologists have not analyzed the asocial sociability of zombies. Political science has abjectly failed to address the policy responses and governance issues associated with the living dead. When compared to work in cognate disciplines, the social sciences in general – and international relations in particular – suffer from a zombie gap.

‘I have therefore decided to flesh out how existing international relations theories would predict what would happen in response to an outbreak of zombies’, merkt de auteur droog op. ‘What would these theories predict would happen? What policy recommendations follow from these theories? When will hiding and hoarding be the right idea?’

Maar voor je een antwoord op die vragen kunt gaan formuleren, moet je eerst definiëren wat een zombie is. ‘Consistent with the Zombie Research Society, I choose to treat the zombie as a biologically definable, animated being occupying a human host, with a desire to eat human flesh’, schrijft Drezner. Er zijn drie wederkerende kenmerken van zombies:

  1. Zombies desire human flesh; they will not eat other zombies.
  2. Zombies cannot be killed unless their brain is destroyed.
  3. Any human being bitten by a zombie will inevitably become a zombie.

Bon, een zombie in je huis kan best een onaangenaam levenseinde betekenen, maar heeft de mensheid als geheel eigenlijk wel iets te vrezen? Met een heel arsenaal hoogtechnologische wapens kunnen we die zombies toch gewoon van het aardoppervlak knallen? Een atoombom op hun rottende kop droppen en we zijn ervan af. Maar zo simpel is het niet, stipt Drezner aan.

If any government was so foolhardy as to launch a first strike, it would create the only thing worse than an army of the living dead: a mutant, radioactive army of the living dead.

Volgens de professor liggen zombies helemaal niet wakker van de nucleaire dreiging, wat de slagkracht van de diplomatie meteen een pak minder maakt:

Traditional tools of statecraft like nuclear deterrence, economic sanctions, or diplomatic démarches would be of little use against the living dead. Zombies crave human flesh, not carrots or sticks.

Ook leert de ervaring dat we de maatschappij nooit volledig kunnen afsluiten van zombies:

From a foreign policy/national security perspective, the primary reason to be concerned about the cause of zombies is to adopt preventive measures and policies with which to handle zombie-infested jurisdictions. As antiterrorism and homeland security policies suggest, however, massive investments in prevention cannot be 100 procent foolproof. It only takes one zombie to create an army of the undead.

Daarbij kan een zombie meesurfen op de wijdvertakte transportlijnen van de geglobaliseerde wereld. ‘With a modern transport infrastructure, an infected individual can get from one major population center to another within twenty-four hours. Even a single outbreak of corpse reanimation can go global’, waarschuwt Drezner.

Het zijn niet zozeer de individuele zombies die angst aanjagen – tenzij je er één tegenkomt onder je bed misschien. Het schrikwekkende zit hem erin dat de ondode troepen hun aantallen maar blijven uitbreiden en uitbreiden:

As cultural critics have observed, the horror in zombie films comes not from a single ghoul but from an ever expanding community of them. In other words, the terror increases when a large swath of individuals are socialized into the ways of the undead. Similarly, zombie films persistently raise questions about the identity distinctions between ghouls and humans.

Drezner laat er geen twijfel over bestaan dat hij de kaart van de mensen trekt. ‘To be blunt, this project is explicitly prohuman, whereas Marxists and feminists would likely sympathize more with the zombies’, schrijft hij heerlijk vilein. ‘To Marxists, the undead symbolize the oppressed proletariat. Unless the zombies were all undead white males, feminists would likely more welcome the posthuman smashing of existing patriarchal structures.’

Los van het marxisme en het feminisme onderscheidt Drezner nog drie andere paradigma’s: de Realpolitik, het liberalisme en het neoconservatisme. Laten we die even overlopen.

‘The failure of humans to cooperate in the presence of reanimated corpses is a common theme that permeates the zombie canon – just as the futility of international cooperation recurs throughout the realist interpretation of history’, zegt de professor. Een beetje Realpolitiker schakelt over op ‘bait and bleed‘- en ‘bloodletting‘-strategieën. Dat komt hier op neer:

In these instances, realist states would try to forment conflict between anti-zombie states and the ghouls themselves, profiting at the relative losses incurred by both sides.

In het realistische perspectief is de dreiging die uitgaat van zombies niet bepaald groter dan die van andere tegenstrevers. ‘In the end, realists would conclude that there would be little intrinsic difference between human states and zombie states’, analyseert Drezner. ‘Human beings have an innate lust for power in the realist paradigma; zombies have an innate lust for human flesh. Both are scarce resources.’

Ook in het liberale paradigma gaat men er niet van uit dat je het zombieprobleem zomaar te vuur en te zwaard moet gaan oplossen. ‘Unless every single ghoul is hunted down and destroyed beyond recognition, a recurrent spread of the undead remains a possibility. The international regimes designed to eliminate disease demonstrate the difficulties inherent in this task’, schrijft Drezner droogjes.

Daarom zal de liberale wereldorde naar een manier zoeken om de ondoden te reguleren. ‘The undead would fall into the category of systematic threats – such as terrorism and global pandemics – where states have engaged in meaningful cross-border cooperation’, beseft de auteur. Zo ontstaat er een nieuw evenwicht:

The liberal paradigm would predict an outcome that would be imperfect and vulnerable to political criticism over time – much like the European Union in its current form. That said, the system would also be expected to function well enough to ward off the specter of a total zombie apocalypse.

De reactie van de neoconservatieven op de ‘Axis of Evil Dead’ zal niet zo subtiel zijn. ‘The neoconservative policy response to an uprising of undead flesh-eaters would be simple and direct. Zombies are an existential threat more serious than any clash of civilizations’, verklaart Drezner. ‘Rather than wait for the ghouls to come to them, neoconservatives would recommend proactive policy options that take the fight to the undead. Their policy preference would be for an armed invasion of the central region in the zombie-affected area.’

Dat klinkt zeker sinds 9/11 niet onbekend in de oren. De auteur gooit er nog een vette knippoog naar meer gematigde neoconservatieven bovenop:

They would posit that, after creating a human outpost in the center of zombie-infested territory, humans in neighboring zombie-afflicted nations would be inspired to rise up and liberate themselves from their undead oppressors.

‘If zombies threw off their cognitive shackles and recognized that they did not need to eat human beings, then the crisis of the undead would be much less severe’, besluit Drezner. Heerlijk sarcastisch boekje.

Guardians of the Phoenix

9 september 2011

Het is gedaan met de mensheid. Samen met het water droogt de hoop van de laatste overlevers op. Van beschaving is er nauwelijks nog sprake. Psychopaten krijgen vrij spel. Dat is de setting van The Guardians of the Phoenix van Eric Brown. Er is één grote schuldige voor de apocalyps: de menselijke natuur. Met de wetenschap als medeplichtige.

'Guardians of the Phoenix' van Eric Brown: een aangename leeservaring met veel onaangename gruwel.

Waarover gaat sciencefiction? Het antwoord durft al eens te luiden: de toekomst. Of: robots, slimme computers en ruimtereizen. Natuurlijk niet. Sciencefiction gaat in de eerste plaats nog altijd over wetenschap, zowel de goede als de slechte kanten ervan.

In Guardians of the Phoenix (2010) van de Britse auteur Eric Brown komt de slechte kant aan bod. De wereld is één uitgestrekte woestijn, voor een groot stuk onleefbaar. Ook Europa is een kale, bloedhete zandvlakte. Hier en daar tracht een kolonie te overleven, maar water en voedsel worden met de dag schaarser. Het aantal Europese overlevers wordt nauwelijks hoger dan duizend geschat. De dagen van het Avondland zijn geteld.

In de uitgedroogde ruïnes van Parijs blijft de jonge Paul in leven op een dieet van hagedissen. Toen hij klein was, nam de veel oudere Elise hem onder haar hoede, nu zijn de rollen omgekeerd. Elise waarschuwt de jongeman dat hij niet te veel moet speculeren over de toekomst. Het is het heden dat telt:

Efficiency gained results. An ordered day not only meant survival, but imposed purpose on the long hours of the long days that stretched into the future. Elise had seen many people go mad from lack of purpose. Without routine, she’d told him, without strict adherence to small, daily duties, a mind could dwell on the future, on what might be – and that way led to despair and finally madness.

Het lijkt wel alsof Elise een vermanende vinger opsteekt naar sf-schrijvers: houd u bezig met het heden en droom niet zo over wat de toekomst brengen zal. Maar het heden is net één van de belangrijkste thema’s van (goede) sf. Die extrapoleert het heden. Toont ons vanuit een ander perspectief hoe de maatschappij er nu uitziet. Plaatst er kanttekeningen bij.

Dat doet ook Guardians of the Phoenix. De ongebreidelde technologische vooruitgang is in volle vaart tegen een muur geknald. Bij wat er zoveel jaren later overblijft van de mensheid heerst er een groot wantrouwen tegenover wetenschap en technologie. De vader van Samara, de leidster van een kolonie overlevenden, heeft haar altijd ingeprent dat wetenschappers de wereld naar de vaantjes geholpen hebben:

Scientists, he had told her, had brought about the destruction of the world. In a greedy bid to use all the world’s resources, to create countless machines and so make easier the lot of the rich, scientists had unleashed pollutants into the air, noxious chemicals which had killed the atmosphere and allowed increased heat and sunlight to burn away the world’s water. That was why they were living as they were now, scrabbling like animals in the ruins of civilisation in a bid to scrape a living.

De ouderling Ed heeft de implosie van het mensdom zelf meegemaakt. Hij legt de schuld niet zozeer bij de wetenschap an sich, maar bij de menselijke natuur:

“Do you know something,” Ed said. “I don’t think the human race was ever happy. It’s not built into the psyche for us to be content. In evolutionary terms, contentment is a dead end. We always strived, wanting more – even back then, when we had everything, when you’d think the race would be satisfied with its lot. But we were dissatisfied and strove for more…” He smiled. “I suppose that was our downfall.”

Weinig hoop dat de mensheid ondertussen zijn lesje heeft geleerd, koestert Ed niet:

Ed smiled, an almost ghoulish expression on a face so skeletal. “Stupidity happened, Paul. Greed happened. Humans happened. The same thing happened as is happening now. You saw it yourself just yesterday. One group of humans wanted more, and thought they knew the best way to go about getting more, and did so, and people suffered.” He gestured a big hand across the expanse of darkness before him. “It’s both very simple and very complex, so easy to understand and yet at the same time so difficult to comprehend. And, of course, it is impossible to ensure that it won’t happen again.”

In Guardians of the Phoenix zit er geen escapisme. Daarvoor is de menselijke wreedheid te hard en te onverbloemd. Niet alleen zijn de overlevenden tot in het oneindige gekloot door de vorige generaties, ze doen elkaar ook ontzettend de duvel aan. Deze roman hakt erin.

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 71 andere volgers