Esthetische ervaring

25 juli 2012

Al wat de zomer nu nog brengt, krijgen we voor niets. Na de Gentse Feesten leven we op geleende tijd. De hoofdpersonages mogen herbronnen terwijl de omgeploegde Vlasmarkt aan zijn winterslaap begint.

Ook de sterren tekenen eindelijk present op de laatste nacht van de Gentse Feesten. De Ochtendster neemt zelfs de zon op sleeptouw.

Voor de elfde keer wandel ik richting Vlasmarkt. Het laatste lood in mijn schoenen is opvallend licht van tred. De Vlasmarkt roept luider dan anders, want afscheidsfeestjes zijn de mooiste. Wanneer het laatste feestvreugde uitgestorven is, wachten ongetwijfeld angst en pijn, maar die emotionele kater is een zorg voor later.

Heel wat feestvierders wachten niet op de laatste zonsopkomst en kuisen nu al hun schop af. “Hé, wacht op mij!”, roept een zatte aap naar zijn vrienden, die minder last hebben van een waggelende gang.

“Stapt gewoon mee!”, schreeuwt een meisje terug naar hem. Ze is moe en heeft geen zin meer in zijn dronken gewortel.

“Hey, ik ben wel goed bezig!”, gilt hij verontwaardigd. Waarop hij even zwijgt en met luide stem een andere boodschap de wereld instuurt: “Ik heb honger! Ik heb honger! Ik heb honger!” Sommige mensen doen echt geen moeite om te verborgen dat zij hopeloze aanstellers zijn.

De broers Kobe en Klaas weten dat zij dankzij hun genetische materiaal de heetste kerels van de Vlasmarkt zijn. ‘Ondanks het vele vrouwelijke schoon kunnen wij onszelf niet bedwingen elkaar een broederlijke tong te draaien.’

Op de Vlasmarkt staat mijn trouwe hoofdpersonage Vos een sms te tikken. “In volzinnen!”, benadrukt hij. “Mijn moeder is beter in turbotaal dan ik. Ze is zestig jaar oud en stuurt me mails waar ik niets van versta.”

Er staat veel volk op het plein. Veel bekende gezichten en vriendelijke onbekenden, dat wel, maar ook goedgezinde Feestenganger kunnen al eens lelijk in de weg staan, vooral als je een pintje wilt halen wegens een dorstig gevoel. “Het peloton is nog veel te groot”, vindt ook Vos. “Ze denken allemaal dat het hier al de Champs Elysées is, maar we zitten nog maar aan de Alpe d’Huez.”

Ik begin me ernstig vragen te stellen over zijn functioneren als hoofdpersonage als ook hij al met wielerterminologie komt aanzetten. Dat neigt naar volksmennerij. Vos drukt me echter op het hart dat hij niet van plan is om de populistische toer op te gaan. “Weet ge wat het probleem is met de volksmond? Dat hij stinkt uit zijn bek”, stelt hij.

Met of zonder worst in je mond, zolang je vreugde uitstraalt, ben je welkom op de Vlasmarkt.

Inderdaad, en daarom is het tijdje voor een streepje poëzie. “Gij moet een gedichtje schrijven over dat vliegtuig”, wijst Alice naar een zilveren stip aan de steeds blauwere hemel.

“Waarom?”, vraag ik. “Ik houd niet van poëzie.”

“Omdat niemand anders het ziet. Gij kunt iets schrijven over de mensen die erin zitten.”

“Neen, want ik ken die mensen niet.”

“Oké, dan kunt ge daar geen poëzie over schrijven.”

“Momenteel ken ik alleen de mensen die hier op de Vlasmarkt staan.”

Na tien dagen Gentse Feesten is Vos nog niets van zijn hoffelijkheid verloren. Breed grijnzend heet hij feestvierders welkom op de Vlasmarkt.

“De Vlasmarkt is niets”, stelt Alice. “Het is gewoon een plaats. Er zijn pintjes en mottige Irish coffees. Iedereen drinkt dat omdat ze denken dat dat traditie is, maar die Irish coffees zijn hier gewoon en dáárom drinken mensen er zoveel.”

“Ik heb een probleem met mijn causaliteit”, deelt Femke mede. “Ik weet wat eraan zal voorafgaan.”

Mijn goede maat en collega Wouter trekt één groot oog naar Femke en een ander groot oog naar een oudere dame die afkeurend passeert. “Ja, zeg, oud wijf”, foetert hij. “Wij zijn jong, wij leven nog. Gij niet.”

Een iets te enthousiaste feestvierder heeft zijn boule de Berlin op ongepaste wijze proberen te negotiëren. Nu maar hopen dat mooie maagden hem komen schoonlikken.

Toch beginnen de jaren ook aan ons, dertigers, te knagen. “Ik laat de Vlasmarkt over aan de jongeren”, verklaart Karel plechtig. “De oude goden deemsteren weg en breken de toekomst open voor de jongere goden.”

“Op de laatste avond laat iedereen zich gaan. Op niemand zit er nog een rem”, constateert Jan, die daarbij de al te gehaaide cultuurondernemer Bram even uit het oog verliest. “Dit is een schilderij van Jeroen Bosch. Je kunt ernaar blijven kijken. Het is een esthetische ervaring, alsof je rondloopt in een levend openluchtmuseum vol personages. Er heerst een samenhorigheidsgevoel en tegelijk is er potentiële agressie, maar toch loopt het hier niet uit de hand. Deze massa is het laatste wat er overblijft van de Gentse Feesten, deze ochtend is de schoonste avond van het jaar.”

Vos pinkt zowaar een traantje weg, ikzelf ga pissen, want anders verzuip ik mijn blaas en die moet nog een heel leven mee. Terwijl ik de lul sta uit te hangen, zie ik hoe een man zich meermaals in het gezicht slaat. Hij stapt weg, een vrouwmens huilend achterlatend op een smerige dorpel. Tien meter verder draait hij zich om. “Alstublieft, voor de allerlaatste keer, kom mee.”

Wanneer de alcohol ons ontdoet van de vertrouwde omgangsvormen, is het bijzonder lastig met elkander communiceren. Op de Vlasmarkt speelt ‘Total Eclipse of the Heart’ van Bonnie Tyler. Wat een wreed feest.

Gent Jazz-programmator Vos is in een vrijgevige bui wanneer hij Boomtown-organisator Maarten tegenkomt. ‘Hier zie, 20 euro subsidie voor je festivalletje.’

“Ik ben weg”, zegt David plotsklaps. “Ik moet mijn gras afrijden.” Sinds hij in het landelijke Vinderhoute woont, heeft David heel andere plichten dan die van hoofdpersonage spelen op dit plein.

We wuiven David uit en drinken zelf nog een pintje. “Nog nooit heb ik zoveel zattigheid bij elkaar gezien”, grijnst Vos. “Iedereen is kapot. Straks slapen ze een hele dag en daarna volgt weer de rest van de werkweek.”

Ook hijzelf staat op het punt om de Feesten achter zich te laten. “Ik denk dat ik ga stoppen als hoofdpersonage”, zegt hij boudweg. “Het is afgelopen, ik doe niet meer mee. Ik neem nu afscheid en geef de fakkel door. Volgend jaar kom ik nog weleens terug in een leuke cameo.”

“Ik denk dat ik u dan maar beter volledig dump als personage”, antwoord ik koeltjes.

‘Kom, paps, naar huis, ik heb genoeg gezopen’, beveelt een jong ventje zijn vader. Ook voor jonge ventjes zijn de Feesten een ware beproeving.

Bram mengt zich in het gesprek. “Als gehaaide manager neem ik Vos over”, kondigt hij aan. “Voortaan bezit ik de copyrights op al zijn uitspraken. Noem me gerust de Wouter Vandenhaute van de Vlasmarkt.”

Verdraaid, ik moet dus op zoek naar een nieuw hoofdpersonage dat nog niet onder de vleugels van Bostyns mediaconglomeraat zit. Wanneer ik na vele afscheidsgebaren en -kussen de Vlasmarkt verlaat, staat een zatte Hollander wel druk te solliciteren om een rolletje. Hij brult een hele monoloog bij elkaar over van alles en nog wat. Eén flik raakt zijn getier zo beu dat hij op de Nederlandse man afstapt en hem toesnauwt: “En nu stoppen of ik steek u binnen!”

Met weidse gebaren verwijdert de Hollander zich van het plein, maar zijn volle hart blijft maar overlopen via zijn mond: “Eén dag! Eén dag! Mijn oma is dood, ze had 102 kunnen worden!”, tiert hij. “Eén dag! Wist je dat er witte haaien zitten in de Noordzee?! Eén dag! Er zitten fucking witte haaien in de Noordzee! Eén dag!”

In het belang van de esthetische ervaring van mijn lezers zal ik Vos toch nog eens vragen of hij zich werkelijk geen comeback kan inbeelden. Al was het maar voor één dag.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Verzet

23 juli 2012

De Gentse Feesten zijn nog niet helemaal voorbij, maar toch begin ik ze al te missen. Zeker na de prachtige nacht die vanochtend verdampte onder een felle zon. Preventieve nostalgie is een geliefd luxeproduct.

Als geen ander weet Renzo uiting te geven aan het boomstammetjesgevoel op de Vlasmarkt. Een uitgebalanceerd gebaar kanaliseert zijn vreugde.

Ik heb me overslapen! Het grootste deel van een liter witte wijn, ettelijke glazen shiraz en een aantal cocktailshots hebben me genekt. Schande: voor het eerst tijdens deze Gentse Feesten ben ik dronken. Mijn schaamte is groot. De wekker die me anders getrouw doet opstaan, heeft deze keer niet op mijn aandacht kunnen rekenen. Twee uur slaap werden er ongewild drie.

Het is te danken aan Matthias dat ik alsnog op de Vlasmarkt zal geraken. Matthias was drie jaar geleden mijn allereerste hoofdpersonage. Gevatte inzichten wisselde hij af met epische fotomomenten. Helaas is zijn wilskracht sterker dan zijn drang naar alcohol en verkiest hij de focus van de meditatie boven de roes van de drank. Hem naar de Vlasmarkt lokken is de jongste tijd veel moeilijker. Dit jaar had ik hem zelfs nog niet gezien op de Feesten. Niet getreurd, met een simpel telefoontje om vijf uur ‘s ochtend maakt hij zijn afwezigheid helemaal goed.

Een dame heeft een ‘ik vind je løk’-sticker op Matthias’ voorhoofd gekleefd. Vanuit zijn bevoorrechte positie kan hij niet lezen wat er staat, maar getuige zijn glimlach is de boodschap aangekomen.

Met een schok schiet ik uit mijn slaap en spring ik in mijn kleren. Een spurt naar de dichtstbijzijnde tramhalte is noodzakelijk. Vóór de zon wil ik arriveren op de Vlasmarkt en dankzij het vaak verwenste openbaar vervoer slaag ik daar nog in ook. Zes uur, slechts een uur later dan normaal, maar nog zat van de avond tevoren: chance dat mijn ouders het niet weten. Als straf steekt de onverbiddelijke Vos een Irish coffee in mijn poten en omringd door het beste volk dat de Feesten te bieden hebben, wacht ik tot de zon opkomt boven mijn geliefde plein.

Al snel besef ik dat mijn reportagewerk lijdt onder mijn toestand. Mijn zo al onleesbare geschrift maakt zich helemaal los van het Latijnse alfabet en mijn geheugen speelt verstoppertje waar ik erbij sta. Toch blijf ik ijverig noteren, want observaties zijn pas iets waard als je ze neerschrijft. Alle hoofdpersonages die me nu iets toevertrouwen, doen dat op eigen risico en moeten morgen niet komen klagen dat ik ze onzin in de mond heb gelegd.

“Ook op zondag is de werkweek een illusie”, merkt Vos op over het geringe aantal mensen. “De Vlasmarkt, dát is de realiteit.”

Nog vóór zijn warrige woorden mijn onsamenhangende kop tot overeenstemming hebben gebracht, bombardeert hij me al met nieuw cognitief geschut. “Zorg impliceert dat we vroedvrouwen zijn, maar wat ben je met een preekmodus als er zout bij de suiker zit?”, denk ik dat Vos vraagt, maar het kan evengoed iets anders geweest zijn. “Wat rest je dan nog? Het boeddhisme. Ondanks alles ben ik weer op de Vlasmarkt beland en sta ik hier nog.”

David is in gesprek met een man die er liever niet mee geconfronteerd wordt dat zijn broek zowat tot op zijn enkels is afgezakt.

“Je moet hier staan tot je er genoeg van hebt”, benadrukt Matthias in een poging zijn veelvuldige afwezigheid te kaderen. “Op een bepaald moment besef je dat het genoeg is geweest en dan heb je je doel bereikt: het was superwijs en de max, nu moet je stoppen. Wanneer je een zekere afstand neemt, kun je dit alles des te beter appreciëren. Belangrijk is wat je ermee doet in je leven. Je kunt in de stront gaan liggen, maar je kunt ook andere mensen zat zien worden zoals je zelf zat bent. Het is geen kwestie van zo zat mogelijk te zijn, maar van jezelf te vinden.”

Gewapend met lange baard en dito haar bekijkt Fonne het hele gebeuren van op een kritische afstand. Zijn blik valt op het handje van het Sfeerbeheer. “Dat is het symbool van de repressie”, stelt de man. “Je bent hier om jezelf te vervoegen en volwassen te worden, edoch, de repressie probeert jouw leven te leiden en is nu zelfs al op de Vlasmarkt gearriveerd. Je moet daarom voldoende afstand nemen, zodat je een dam opwerpt tegen de repressie.”

Een beetje onwennig en nimmer zijn imago uit het oog verliezend helpt Edmond de Vlasmarkt op te kuisen. Hij let er goed op zijn witte jasje niet te bevuilen.

“Is er dan werkelijk zoveel repressie?”, vraag ik verbaasd.

“Als je al van de Vlasmarkt wordt gestuurd omdat je dorst hebt naar een fles champagne, dan is dat repressie”, beklemtoont Fonne. “De clue is dat we ons verzet niet mogen laten slabakken.”

Het zijn meteen de laatste woorden die ik opschrijf. De alcohol heeft me zo fel te grazen dat ik mijn notitieboekje maar beter opberg. Terwijl ik sta te genieten van de vreugdevolle ambiance besef ik: en morgen is er nóg een dag. Daar kan de repressie niets meer aan veranderen.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Kinderboerderij

22 juli 2012

Vroeger eindigde iedere ochtend van de Gentse Feesten zonovergoten. Elke morgenstond was er één van warme euforie. Vanochtend konden we eindelijk weer van dat roemrijke verleden proeven. Dat deden we met ongeziene gulzigheid.

Terwijl Karel reflecteert over het triestige lot van de mensheid heet de charmante Vos de lezer welkom op de Vlasmarkt.

“I can’t wait to sleep!”, kirt een Amerikaanse fietster tegen haar vriendinnen wanneer ik voor de negende keer mijn huis verlaat. Slapen? Stom kind, de nacht moet nog beginnen.

Het is amper twee uur. Wat opvalt als je al zo vroeg op pad bent, is het aantal heteroseksuele koppels dat voorbeeldig huiswaarts keert. Drie uur later en je ziet praktisch alleen groepjes jonge mannen de straten afschuimen als wellustige hiveminds, gedistribueerde organismes gedreven door de meest primaire en basale impulsen, zonder de redelijkheid van het nuchtere individu. Ja, vrouwen zíjn een probaat middel tegen mannelijke idiotie, zelfs als ze te bezopen zijn om nog op hun benen te staan, want dan moeten wij zorg dragen voor het hulpeloze, maar verderfelijke schepsel dat schuilgaat in ieder vrouwmens.

“Hi, wodka?”, vraagt een dame zwaaiend met een fles groenachtig spul. Ik sla het aanbod vriendelijk af, want ik moet gefocust blijven. Er rust een belangrijke taak op mijn schouders. Vanavond zal ik in mijn hoedanigheid van kortharige hippie enkele honderden vlaspoppen uitkieperen over de massa. Nationale feestdag betekent nog altijd Vlaspoppenworp, een oude traditie die nieuw leven werd ingeblazen door Edmond Cocquyt jr.

David, Tony en een andere man met een naam beelden uit wat het woord ‘Pantera’ met hen doet.

Wanneer je helemaal bovenaan op de dj-toren van de Vlasmarkt staat, hoor je pas hoe verschrikkelijk luid de massa is. Haar kabaal overstemt welhaast de muziek en dan zijn we nog niet eens begonnen te gooien.

De dj zet zijn set stop, Edmond geeft zijn jaarlijkse speech over hippies en alternatievelingen, en het plein verandert in een golvende mensenzee. Je voelt de spanning in je lijf. In twee minuten tijd is de Vlaspoppenworp afgelopen, maar achteraf blijft de adrenaline nazinderen. Dat is verdorie nog eens iets anders dan eenzaam en alleen op een klavier zitten tokkelen.

Ik verdrink de kick op de koer van de Charlatan. Buiten is er té veel volk. Dat is de reden waarom ik normaal gezien pas om vijf uur op de Vlasmarkt arriveer: laat de massa zichzelf schiften, zodat ik de dageraad in alle rust kan zien aanbreken. Pas wanneer het ochtendschemer voorzichtig begint op te rukken, zoek ik het feestende plein weer op. Het is er nog altijd onwezenlijk druk.

Renzo Van Rijckegem staat ‘s ochtends zijn sexappeal op te schroeven. Vrouwen kunnen nauwelijks nog hun kleren aan houden.

Hoofdpersonage Karel kan zich niet herinneren dat hij de nacht tevoren fantastische oneliners heeft gelanceerd als “Het leven is de voorstudie van de dood” en “Get used to the nothingness”. “Heb ik dat werkelijk gezegd?”, vraagt hij met een diepe frons. “Soms spreek ik in tongen. I’m just a vessel, you know.

“Gaan we onder de bol staan?”, vraagt een passerende toerist aan zijn vrienden. Ja, doe dat, daar heb je een fantastisch zicht en iedere toeristische gids geeft de paar vierkante meters onder de discobol van de Vlasmarkt drie sterren. Een toplocatie met gepaste accommodatie.

“Het staat hier vol wannabes”, zucht Bart, een personage dat dit jaar pas voor het eerst op de voorgrond treedt.

“Hoe herken je die?”, vraag ik beleefd.

“Mensen met te veel praatjes, met een mening over alles”, rolt Bart een beetje geërgerd met de ogen.

Ook de vast terugkerende personages Bram en Fauve voelen zich niet op hun gemak. “Er zijn te veel toeristen. Fakers”, stelt Bram. “We hebben de nacht uitgezeten, maar nu zijn we door.”

Steve, de ontwerper van mijn logo, blijft voor zijn doen relatief rustig. “Ik heb socialisten nodig om agressief te worden”, vertrouwt hij me toe.

Onversaagd is een man te diep in het glas gedoken. Zijn gelaat draagt de sporen van zijn grenzeloze overgave.

Hoofdrolspeler Vos komt lichtjes verdwaasd uit de massa opdoemen. “Ongelooflijk”, schudt hij het hoofd. “Hier aan de Kinky Star staan we echt wel aan de juiste kant van de Vlasmarkt. Aan de andere kant zijn ze zot. Ze graaien in uw zakken en ze springen op u. Het zijn beesten.”

“Dit het einde van de kinderboerderij,” komt ene Ben me vertellen, “nu begint de zoo. De gedomesticeerde varkens worden wilde beesten.”

“Zijt ge zelf een wild beest of veeleer een varken?”

“Euh.”

“Ge doet maar wat?”

“Ja”, knikt Ben, opgelucht dat ik hem niet langer op de rooster leg met te moeilijke vragen voor dit moment van de dag.

Ook Thomas, die zijn eerste stappen zet als personage en nog een beetje zoekt naar de juiste toon, levert graag een bijdrage. “Typisch aan de Gentse Feesten”, zegt hij, “is dat koppels boel maken. Vaak wil de ene al naar huis terwijl de andere nog wil blijven. Voor hen zijn de Feesten quite a stretch. De Gentse Feesten doen… – oei, ik heb telefoon, het is toch niet mijn vrouw, ah, neen, gelukkig, een maat – …komt neer op de flexibiliteit van uw relatie checken.”

Ruben en Nima verlaten onder luid gejoel en geproest de Vlasmarkt. Waar zij zullen aanspoelen, weten ze nog niet, maar de goot is beslist een veilige gok.

Vos is nog altijd niet goed van zijn confrontatie met de ander kant van de Vlasmarkt. “In een straal van 20 meter ronde de Bar des Amis loopt het vol crapuul. Het zijn conservatieve lui met een mottige zonnebril van J&B. Ik verzet me tegen hun aanwezigheid op de Vlasmarkt. Mijn wantrouwen tegenover hen is zeer groot.”

“Ge voelt u geen deel van hun wereld?”

“Elk groepsgevoel is mij vreemd. Ik ben hier als individu.”

Nima, een hoofdpersonage dat geliefd is bij vele lezers, doet zijn beklag over raciale vooroordelen op de Vlasmarkt. “Vanavond ben ik getuige én slachtoffer geweest van racisme”, zegt hij ontdaan. “Op een bepaald moment passeerden er mij twee meisjes. ‘Pas op, er lopen hier veel Marokkanen rond’, zei de ene terwijl ze naar mij keek. Het valt mij op als ik zelf niet drink. Nu kan ik me voorstellen hoe het voelt om vrouw te zijn op de Gentse Feesten. Autochtone mannen weten niet hoe lastig het hier is voor ons. Zoals ze vrouwen in hun poep nijpen, zo voelen ze aan mijn besneden eiken.”

‘Gaan we lekken?!’, probeert Nima andermaal. Dit keer is het enthousiasme bijzonder groot, maar ongelukkiger wijze staat Bart in de weg.

Toch hebben ook autochtonen mannen het niet altijd onder de markt. “Ik ben daarnet nogal hard afgewezen”, vertrouwt Bert, een vriendelijk personage dat dit jaar wegens agendaproblemen geen grotere rol kon opnemen, me toe. “Ik stond met een meisje te praten en na een kwartier zei ze: ‘Ik ga naar huis, maar niet met u.’ Dat komt aan.”

“A uterus to say ‘you’ to”, citeert Nima uit zijn eigen absurde oeuvre. Wegens de combinatie van de klanken ‘you’ en ‘to’ wordt Bert er niet echt vrolijk van, maar hij kan zich tenminste troosten met de gedachte dat hij zich ook zonder vrouw niet heeft overgegeven aan idiotie en crapuleus conservatisme. Plus daarbij: de zon schijnt.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

De massa

21 juli 2012

Wauw. Wat een massa. Wat een ongelooflijk drukke bende. De Vlasmarkt heeft gekreund onder het volk. Toch was er minder waanzin dan ooit. Maar ach, niet getreurd, waanzin creëer je zelf.

Luttele minuten voor Nima huiswaarts plooit, laat hij zich nog betrappen op het verorberen van een pot Vlasmarktpasta. Alsof het allemaal niet besant.

Het is ver gekomen wanneer provincialen al tot in mijn straat verdwalen. Daar lopen ze dan te hoop, drie meisjes en één jongen, zoekend naar de juiste richting, zich afvragend met welk doel. Ach, het zijn brave kinderen, geen tuig van de richel dat uit is op vernieling.

Anders zit dat met het gemotoriseerd verkeer. Ik zie opvallend veel wagens passeren en ze scheuren opvallend agressief voorbij. Gierende banden, ronkende motoren, pk’s die IQ’s overstijgen: het lawaaierige repertoire van stuurloos testosteron.

De feiten bevestigen de voortekenen: de Vlasmarkt staat afgeladen vol, voor het eerst sinds het begin van de Feesten. Geen goed getimede regenbui vannacht, de weergoden hebben nagelaten om alle eendagscrapuul terug naar huis te spoelen opdat de klassementsdrinkers zich ongestoord van hun taak kunnen kwijten.

Dat het volk zo wild rond hem kolkt, stoort getrouw hoofdpersonage David allerminst. “Ik wil me laten uitschrijven als hoofdpersonage, zodat ik kan opgaan in de massa”, stelt David.

Let niet op de bril, het gaat om de moustache. Ollie loopt thans rond met een pornorsnor, maar zal morgen alweer modificaties aanbrengen.

“De anonieme massa?”

“Neen, zo ver wil ik niet gaan. Doe maar de nonieme massa van bekend volk”, nuanceert hij.

Elke, een collega met een fijne pen en dito principes, komt me melden dat een vriendin zopas haar punani heeft getoond.

“Tsunami?”

“Punani. Dat is een eufemisme voor foef.”

“O. Leuk.”

“Leuk? Ik vind dat een beetje vuil, hoor. Dat is een gebrek aan zelfrespect.”

“Ik vind van niet. We moeten de samenleving koesteren waarin vrouwen hun foef kunnen tonen zonder dat ze gestenigd of verketterd worden als hoeren.”

“Ik kan niet akkoord gaan met je. Zelf zou ik nooit mijn foef tonen aan wildvreemde mannen. Private delen zijn privaat om een reden.”

“Dat is hoe jij ernaar kijkt, maar als andere vrouwen wél vinden dat ze hun foef mogen flashen, is dat hun individuele keuze.”

Vos en David maken van de vergadering op de Vlasmarkt een societygebeuren waar vele lieden zich te minderwaardig voor voelen.

“Denk jij dat liberalisme zo ver mag gaan?”

“Ik zou niet weten waarom het níét zo ver mag gaan”, antwoord ik. Daarmee zijn we nog niet tot overeenstemming gekomen, maar dat hoeft ook niet. Volwassen mensen hebben respect voor meningen die de hunne niet zijn.

David wijst op een man met een vreemd gezicht. “Het voordeel van een baard is dat ge ermee kunt wegsteken dat ge een kin hebt”, merkt hij op.

Die opmerking geldt als een ludieke terzijde, want Elke neemt thans weer het woord. “Iedereen op de Vlasmarkt is op zoek naar iets wat ze nooit zullen vinden”, zegt ze erudiet. “Ik heb het ook gedaan, vroeger.”

“En, ooit iets gevonden.”

“Mja. Vluchtig. Je moet er jong voor zijn en geloven in de rock-’n-rollprins. Ondertussen weet ik dat het losers zijn met veel issues.”

Andermaal acht David het tijd voor een terzijde. Ik dacht dat hij zichzelf uitgeschreven had als hoofdpersonage, maar hij blijft maar een bepalende rol opeisen. “Gaat gij hier soms cruisen?”

Een blonde vrouw met een hoedje verdient het dat twee gesofisticeerde mannen haar op de foto komen vergezellen.

“Cruisen? Wat is dat?”

“Tussen de mensen door wandelen, van de ene open plek in de massa naar de andere. Cruisen is onontbeerlijk op de Gentse Feesten. Neem een paar mensen mee en maak er een fijne kruistocht van”, raadt hij me aan.

Ik bedank hem voor de suggestie, maar besluit dat het veel gemakkelijker is om gewoon te blijven staan. Laat de mensen maar tot mij cruisen, dat kost minder moeite. Kijk, daar komt Adrien Cocquyt al aangespoeld. Ook hij ergert zich een beetje aan de drukte.

“Mensen van buiten Gent hebben veel minder respect voor de stad”, stelt hij. “Op tien meter van het urinoir staan ze tegen een gevel te pissen. Dat kan toch niet?”

Ik geef hem gelijk. Zoiets kan niet en moet ernstig beboet worden.

Terwijl op de achtergrond het feest losbarst, kiest Karel voor ingetogen rust.

“Hoe later op de avond, hoe ouder de mensen”, constateert Karel, de opkomende kunstenaar die samen met mij gewaarwordt dat we steeds meer ademruimte krijgen naargelang de zon hoger aan de hemel klimt.

“Die jonge gasten kunnen niet zuipen”, vermoed ik. “Plus daarbij: no commitment. Engagement en volharding zijn hen vreemd.”

Karel is wel een toegewijde feestvierder. “Brengt het vloeibare goud uit de Kinky Star en laaft u aan de hoorn des overvloeds!”, beveelt hij in het wilde weg.

Elke blijft er kalm bij. “Ik ben en leef een beetje saai. Ik heb al mijn zotte emoties al achter mij gelaten”, zegt ze onthecht.

“Het leven is de voorstudie van de dood”, merkt Karel op. “De dood is niets en het leven is uiteindelijk ook maar een kwestie van doelloos rondhangen. Get used to the nothingness!

Een Antwerpse jongeman breekt zich het motörhoofd met de vraag hoe hij in ‘s hemelsnaam op een Gentse vensterbank verzeild is geraakt.

Alweer is de muziek opgehouden en krijgen we een dagelijkse regenbui in onze nek. Het meeste volk is nu definitief naar huis. Doch, zoals altijd wenkt aan L’Enfant Terrible de afterparty. Ik ontmoet er Michiel, een journalist die uitgeweken is naar Nederland.

“Kijk eens aan, dat volk staat hier maar te zuipen as if there’s no tomorrow“, sla ik gade.

“Erger nog, ze staan hier alsof ze geen lief hebben, geen werk, geen vrienden, geen familie, geen oma’s die dood kunnen gaan”, vult Michiel aan. “Maar het erge feit is: oma’s gaan dood, altijd en overal.”

Dat de massa het maar goed in haar oren knoopt, wanneer zij zich vanavond wegens de nationale feestdag voor het vaderland staat te intoxiceren.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Losbandigheid

20 juli 2012

Verschillende onafhankelijke bronnen hebben mij bevestigd: vannacht werd op de Vlasmarkt het wildste feestje tot nu toe gebouwd. Eindelijk kreeg de waanzin een kans, zonder dat het Sfeerbeheer agressieve zuipkeutels van het plein hoefde te gooien.

Fluitend geeft Vos het marsritme aan. De rattenvanger van de Vlasmarkt bezweert de massa.

Mijn nacht begint met de geur van versgebakken brood. Ergens in de buurt is een bakker serieus sjette aan ‘t geven. Maar hoe bekoorlijk ook, mijn verlangen gaat niet naar een nog warme boterham, wel naar een bekertje bier. Tijdens de Gentse Feesten moet het klassieke ontbijt zijn plaats kennen.

Zoals elke ochtend loop ik langs de oevers van de Leie. Aan de Recollettenlei staan drie jongelingen in het water te pissen. Er passeren twee jongedames. “O, meiske, als ik u nog eens tegenkom, ge zult wat meemaken”, fleemt één van de zeikmossels in een of ander provinciaal dialect. De twee juffertjes reageren niet en lopen gestaag voort, tot ontzetting van de geile dronkelap, die hun helaas niet achterna kan lopen omdat zijn pisseloen nog volop urine aan ‘t lozen is.

“Kijk eens aan zo’n kort rokske. Laat uw mama u zo buitenkomen?! Hoer!”, schreeuwt hij. Zijn vrienden mompelen dat hij zijn kop moet houden, maar daar heeft de ongemanierde vlegel geen oren naar. “Het is toch waar dat het een hóér is!”, brult hij nogmaals voor de hele buurt.

Eline en Sara, twee talentrijke dames met een pen, kunnen ook overweg met een vette discobeat.

Ja, inderdaad, dat zal wel zijn dat het een hoer is. Zoals het altijd de schuld is van vrouwen dat sommige mannen zich niet meer kunnen gedragen zodra ze hun vlees willen afkuisen aan een bevallig grietje.

Ook op de Vlasmarkt loopt het vol bevallige grietjes, onder wie voor het eerst tijdens deze Feesten mijn eigen vrouw. Dat werd tijd. Wij moeten elkaar niet beloven ons te gedragen, want wij zijn volwassen mensen die zichzelf slechts zeer uitzonderlijk te schande maken.

Daar is ook Jan weer. Hoewel hij al enkele keren een cameo heeft gemaakt, is hij nog niet definitief doorgebroken als personage. Dat heeft te maken met zijn onregelmatige aanwezigheid. “Onregelmatig? Neen, ik kom enkel op de even dagen naar de Vlasmarkt. Hoe dat komt? De regen of de ouderdom, ik weet het niet”, zegt Jan. In de dansende massa speurt zijn oog naar schoonheid. “Hoe later, hoe minder echte liefde. Er staan ondertussen maar enkele hoge bomen meer tussen het struikgewas. Hoe later, hoe meer struikgewas.”

Volgens Jan zou er meer volk naar de Feesten gekomen zijn als iedereen een hoodie had. ‘Zo’n kap biedt elegante bescherming tegen de regen.’

“Waar staat mijn vrouw?”, vraagt een bezorgde Hans me. Hans is een aanhankelijke Oostendenaar die zoveel van zijn geboortestad houdt dat hij al vele jaren woonachtig is te Gent.

“Ik heb haar gezien bij een neger”, lieg ik.

“Een neger?!”, vraagt Hans bezorgd.

Ik kijk wat om me heen en ben geschokt als ik enkele meters verder Teun opmerk: ze voert effectief een gesprek met een vlotte jongen van Sub-Saharaanse afkomst! “Euh, Hans, daar staat ze”, wijs ik.

Karel, een opkomend kunstenaar uit Oudenaarde, heeft het gesprek gevolgd en schudt het hoofd. “Tja, wanneer je je blanke middenklasser kunt inruilen voor een neger, grijp je je kans”, observeert hij.

“Zeg, wanneer hebben wij elkaar nog al gezien?”, vraagt mij opeens een bruinharige krullenbol met een snorretje op zijn bovenlip.

“Enkele dagen geleden op de Vlasmarkt? Vorig jaar op de Vlasmarkt? Twee jaar geleden op de Vlasmarkt?”, suggereer ik.

“Waart gij niet onlangs ook op het feest van Vos?”

“Vos zoals in ‘Luc De Vos’, de zanger?”, vraag ik, want er zijn vele Vossen, zoals bijvoorbeeld ook mijn hoofdpersonage Kevin. “Met zijn gigantische zeug aan het spit voor zijn vijftigste verjaardag?”

Raf is een gehaaide technocraat die op het kabinet van een socialistisch minister werkt. Desondanks is medemenselijkheid hem niet vreemd.

“Ja, dat feest.”

“Daar was ik inderdaad ook.”

Thomas – zo blijkt hij te heten en het internet ontkent dat niet – verontschuldigt zich en zegt dat hij lijdt aan prosopagnosie. Ik vraag hem het woord op te schrijven in mijn notitieboekje, want ik ken het niet. “Het betekent dat ge geen gezichten kunt herkennen”, legt Thomas uit. “Mensen komen u dan soms groeten en dan kunt ge enkel beleefd knikken terwijl ge u afvraagt: wie is dat nu weer? Enfin, de diagnose is natuurlijk niet wetenschappelijk vastgesteld, maar ik heb er toch maar last van. Nu moet ik helaas naar het toilet.”

“Tot de volgende keer dat ge mij niet herkent”, groet ik beleefd.

Tijd om op adem te komen is er niet, want daar is Vos – niet de zanger, maar de programmator van Gent Jazz – weer. “De mensen zijn veel grappiger dan gisteren”, deelt hij mee.

De galante Jan laat Annelies schuilen onder zijn hoodie. Samen vormen zij een dam tegen de regen.

“Hoezo?”

“Ze zijn veel emotioneler en losbandiger. De losbandigheid komt voort uit het defaitisme wegens de nakende ondergang. Als ik val, zal ik huilen van geluk. Het is de val die alles gelijkmaakt”, verklaart Vos. “Mensen denken altijd dat nihilisme dingen kapotmaakt, maar het kan ook een positieve kracht zijn. Als ge beseft dat het allemaal zeer weinig voorstelt, kunt ge enkel fluiten van vreugde. Pas op, ik pleit niet voor oeverloos relativisme. Sommige dingen zijn gewoon te erg.”

Jan sluit zich min of meer aan bij Vos. “Het is de eerste avond dat de waanzin zich openbaart”, weet de schrandere journalist. “Het weer valt mee, de Irish coffee doet zijn werk, dus iedereen gaat ervoor. Mooi! Helaas is er ook meer potentieel geweld, maar het Sfeerbeheer waakt. De algemene flow zit wreed goed.”

Hoewel hij een pleidooi houdt voor waanzin, ziet hij er zelf nog behoorlijk scherp van geest uit. “Als ge minder dronken zijt dan de mediaan, voelt ge u meer toeschouwer dan deelnemer. Dat maakt het geestig genoeg om hier te blijven”, vertelt Jan.

Druilerige ochtendregen is het enige geldige excuus voor vrouwen om hun sjaal te transformeren tot een hoofddoek.

Niet dat je het plein zomaar kunt verlaten wanneer Vos de crowd managet. “Niemand gaat naar huis zonder mijn toestemming”, klopt hij zich op de borst. “Als er gedanst moet worden, zal er gedanst worden. Mensen die naar huis gaan, dat kunnen wij niet aanvaarden.”

Toch krijgen sommigen wel degelijk het bevel naar huis te gaan. Zo is er Steve, de ontwerper van mijn logo, die de socialistische apparatsjik Raf een goede raad heeft: “Raf! Het is geen uur meer voor een socialist! Ga naar huis!”

Op de Vlasmarkt heeft de regen het ondertussen weer overgenomen van de muziek. Desondanks blijven sommigen dansen, al is dat soms met een open rits, zoals bij Joël. Die gebaart dat dat allemaal niet erg is. “Er moet een overdracht van gemengde gevoelens blijven bestaan”, verkondigt hij.

Hopelijk kan de Heer hartelijk lachen met zoveel losbandigheid.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Troosteloos

19 juli 2012

Elke dag Gentse Feesten, je vraagt je af waarom dat niet gewoon het hele jaar door kan. Maar dan komt de zon (een beetje) op en ruik je hoezeer de Vlasmarkt stinkt. Vreemd dat bacteriologen het gistende plein nog niet hebben ontdekt.

Een feestvierder beseft nog niet goed dat hij voor even verlost is van loonslavernij en beeldt ijverig een kantoor uit.

Zolang ik mijn benen blijf bewegen, dat kan niet missen, komt de Vlasmarkt vanzelf dichterbij. Een stevig marsritme is niet goed voor mijn boots, wel voor mijn fysieke integriteit. De motorboot die om twintig na vier ‘s ochtends over de Leie komt gesjeesd: ze mogen hem hebben. Waar zijn die pipo’s mee bezig? Even lekker naar de Feesten met de speedboot? Stel je niet aan en blijf in Sint-Martens-Latem.

Aan de Kouter ben ik getuige van een intriest tafereel. Een opgefokte twintiger probeert zijn bewusteloze vriendin voort te slepen aan haar arm. Hij tilt haar half op en laat haar lichaam dan toch maar weer op de grond vallen. Zij geeft geen kik. “Kom, wij zijn naar huis!”, schreeuwt hij wanhopig. Het meisje blijft liggen.

De man neemt haar handtas en verwijdert zich enkele meters. “Kom mee, ik heb je bankkaart!”, dreigt hij. In vele omstandigheden een doorslaggevend argument om wakker te schieten, maar nog altijd geeft het meisje geen teken van leven.

“Niet dat ik mij wil moeien, maar misschien moet ge toch eens een ambulance bellen”, adviseer ik hem terwijl hij helemaal op van de zenuwen een sigaret opsteekt.

“Maar neen, ze doet maar alsof. Dat ziet ge toch?!”

De liefde voor Irish coffee is soms zo groot dat mensen er hals over kop in duiken.

“Bijvoorbeeld omdat ze haar ogen niet opendoet, nergens op reageert en zich over het voetpad laat voortslepen als een zielloze voddenpop?”, vraag ik.

Met lichte paniek in de ogen schiet de jongeman weer naar zijn vriendin. “Kom, Tina, stelt u recht! Of ik moet de ambulance bellen!”, roept hij. Eindelijk komt er weer wat leven in de comateuze vrouw.

Jonge mensen hebben het niet gemakkelijk wanneer de werkelijkheid zich van haar slechtste kant toont.

Gelukkig toont de Vlasmarkt zich even later van zijn beste kant. Net zoals gisteren is er weer aardig wat volk en de ambiance zit erin. Het duurt niet lang voor ik Barbara tegen het lijf loop. Haar elegante, maar soms onvoorspelbare verschijning manifesteert zich voor het eerst tijdens deze editie van de Feesten.

Uit het blikje bier in haar handen concludeer ik dat ze er vurig voor pleit om de Gentse Feesten betalend te maken. Zulke aantijgingen ontkent ze echter. “Ik ben een dame, ik laat me trakteren”, zegt ze corrigerend.

Alweer van de partij zijn Fauve en Bram, die dankzij hun volharding en wilskracht dagelijks terugkerende personages zijn. Bram is de al te gehaaide manager van al te gehypete artiesten en pleit er in die hoedanigheid voor om
de constructie ‘al te’ vaker te gebruiken. Wanneer ik die suggestie al te bot van de hand doe, is Bram niet onder de indruk. “Het taalgevoel zit bij Fauve”, beseft hij.

Nog maar zeer zelden heeft een vrouw zo zedig haar benen opengesperd tijdens de Gentse Feesten. Dit huzarenstuk vereist een indrukwekkend atletisch vermogen.

De relatieve rust op de Vlasmarkt wordt bruut verstoord door ene Pikachu. Barbara kan dat niet laten gebeuren. “Hé, Pikachu, hebt gij veiligheidsschoenen aan?”, vraagt ze ferm.

“Neen, maar ik heb wel condooms bij”, repliceert de ontketende Pokémon. Hoewel Barbara daar even niet van terug heeft, gaat zijn impliciete boodschap verloren en druipt het gele beest eenzaam en alleen af.

Kijk eens daar, ook Vos is opnieuw aanwezig. Ik had ‘m wegens veelvuldig absenteïsme al bijna opgegeven als hoofdpersonage, maar zijn comeback lijkt op een succes uit te draaien. Als programmator van Gent Jazz heeft Vos enkele wijsheden over het muzieklandschap uit te strooien.

“Weet ge waarom België zo’n ongelooflijke undergroundcultuur heeft? Omdat er om de vijf minuten een station is. Alles is werkelijk dichtbij. Ge moet nooit ver reizen om nieuwe muziek te ontdekken”, legt Vos uit. “Als ge opgroeit in een middelgrote stad in Frankrijk of Engeland komt ge alleen maar kutmuziek tegen.”

Walgend probeert een gehandschoende sfeerbeheerder Edmond Cocquyt jr. van het plein te verwijderen.

Toch heeft het dichte (spoor)wegennet in België ook onverhoedse schaduwkanten. “De reden waarom Belgen niets van country begrijpen, is net dat het hier vol rode lichten en lintbebouwing staat”, grijnst Vos.

We kijken wat rondom ons en ik voel me zo vrij om het officieel de leukste avond – zelfs al is het al ochtend – te verklaren. Vos kijkt verbaasd. “Hoezo? Ik heb nog niets grappigs verteld”, merkt hij achterdochtig op.

“Vos, het draait niet allemaal rondom u!”, berisp ik hem. “De mensen amuseren zich, ze lachen en ze dansen en ze doen alsof, maar daar hebben ze u niet voor nodig.”

“Het beeld is troosteloos, maar dat wil niet zeggen dat troosteloos niet plezant is”, beaamt Vos, vanuit zijn bevoorrechte positie uitkijkend over de dansende massa. “Deze mensen maken van hun verlies een overwinning.”

Toms ene oog kan de Feesten beter verteren dan het andere. Hij zal z’n oogarts toch eens onder drie ogen moeten spreken.

“Wat verliezen ze juist?”, wil ik weten.

“Vraag het hen zelf. Al zie ik vooral veel ontgoocheling. Als volksvriend probeer ik hen te steunen en waardig te begeleiden. Al weet ik niet of ik een goed voorbeeld ben.”

De zon is zich weer boven de horizon aan het wroeten. Je kunt de kasseien van vettigheid zien blinken. Daarstraks ben ik er al bijna over uitgegleden. Gevaarlijke smurrie, als je ‘t mij vraagt. Vos vermoedt een businessplan achter de gladde kasseien. “Hoe meer mensen uitglijden, hoe meer Irish coffees er verloren gaan en hoe meer drank de cafés verkopen. Het effect versterkt zichzelf voortdurend. Ik hou wel van dat soort ondernemerschap”, glimlacht hij met matige bewondering.

De muziek houdt op, de mensen feesten nog even voort. Vantussen de glibberige kasseien stijgt een forse walm op – voedzame specie, want een hond likt gulzig de voegen uit, tot ontzetting van zijn baasje. Na een laatste pilsje op het terras van L’Enfant Terrible marcheer ik terug naar huis. De hele stad stinkt. Er is goed gefeest vannacht.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Superioriteitsgevoel

18 juli 2012

Oef. Eindelijk nog eens volk op de Vlasmarkt. Mensen laten zich beïnvloeden door het weer, dat is ongelooflijk. Ze zouden zich beter laten beïnvloeden door een niet aflatende hang naar drank en vreugdevol gezelschap.

Dames die witte kousen dragen, vermijden met een flink gat dat hen een truttig imago opgeplakt wordt. Stoerheid heerst.

De gruwelijk vroege ochtend begint voor de vijfde keer op rij om vier uur. Vóór ik mijn huis verlaat, controleer ik nog even mijn gelaat op sporen van erosie. Eerlijk is eerlijk: buiten het eerste grijze haar in mijn baard heeft mijn queeste nog maar weinig afdrukken nagelaten. Vreemd genoeg heb ik zelfs nog geen bloeddoorlopen ogen. De vermoeidheid zal vroeger moeten opstaan om mij te grazen te nemen.

Buiten is het een lekker weertje. Het regent niet en er fonkelen sterren aan het balsturige, eigenwijze firmament. Met stip het meeste heldere punt aan de hemel is Venus, de zwavelzure ochtendster die mij recht naar de Vlasmarkt leidt.

Eigenlijk is het zelfs gewoon te warm. Wat is er mis met enkele regendruppeltjes om tijdens het marcheren verkoeling te bieden. Maar goed, als het prettige weer betekent dat mijn hoofdpersonages eindelijk weer present zijn, klaag ik niet.

Present zijn ze. Na twee dagen afwezigheid maakt zelfs Vos een comeback. Ik had ‘m al opgeven en zat te tobben over de een of andere afscheidsrede. Die kan dus ook weer de papiermand in. Of er veel leuke quotes uit Vos te halen zijn, valt te betwijfelen, want klaarblijkelijk drinkt hij met de rem op wegens een vergadering in de nakende voormiddag.

Jonas houdt zoveel van zijn stad dat hij de postcode onder zijn sleutelbeen heeft laten tatoeëren. Zo bezweert hij het oprukkende provincialisme.

Ik ontwaar zelfs verschillende mensen met een flesje water, terwijl ikzelf rustig ontbijt met een Ricard. Hoe zit dat hier met die niet-alcoholische troep? “O, een investering in morgen”, verklaart Stijn, een ingeweken Gentenaar die als geen ander van de Feesten houdt en zodoende probeert te doseren.

De Feesten zijn echter niet voor iedereen een pretje. Zo is er Marta, een vriendelijke dame die al aan haar tweede sessie Vlasmarkt zit. “Ik heb een bubbel”, zegt ze, “en als daar iemand in komt, ben ik weg.” Inderdaad: er komt iemand te dicht bij haar en als een schichtige hinde schiet ze weg in het spreekwoordelijke struikgewas op de Vlasmarkt.

Ook Jonas, een nieuw personage, heeft geen opperbeste relatie met de Feesten. “Als echte Gentenaar haat ik de Gentse Feesten. Maar vanavond was tot dusver zeer goed en dat maakt het allemaal weer waard”, stelt hij.

Voor het eerst dit jaar verwelkomen we ook opnieuw David Van Belleghem, al sinds mensenheugenis één van de vaste gezichten op de Vlasmarkt. Wat is er gebeurd dat we hem nog niet gezien hebben? Vinderhoute happened. Samen met zijn vrouwlief is David verkast naar het mooiste dorpje van België. Zodoende moest hij de voorbije dagen niet alleen de regen overwinnen, maar ook een zekere afstand – een mentale hindernis die te hoog bleek, waardoor hij als een luie zwam in z’n zetel bleef zitten.

De nieuwe bril van David is zo grotesk dat zelfs zijn eigen vrouw er een punthoofd van krijgt.

“Wanneer ik klaar ben met feesten, bel ik naar mijn vrouw en komt ze me ophalen”, onthult David, die zich al meteen de gewoontes van het platteland heeft eigen gemaakt.

Verdomme, waarom komt Vos geen hapklare quotes leveren? O, hij staat te praten met het meisje met de merkwaardige oorbellen. Zij converseren op zo’n manier dat ik er voor hen niet meer toe doe. Wanneer Vos uitgepraat is, komt hij nog even de volgende mededeling afleveren: “Ik ben door. Geniet nog van de massa en het volk.” Daar moet ik het mee stellen, want weg is ie wel degelijk.

Anne-Marie en Annelies, van al mijn personages de meest toegewijde tijdens deze Gentse Feesten, hebben een boodschap voor me. Die boodschap komt niet van henzelf, maar bevindt zich op de gsm van Annelies. Zij heeft immers de volgende sms ontvangen over uw dienaar:

“Leuke vrienden met een misplaatst superioriteitsgevoel. Uitlachtv is er niets bij vergeleken. Ach je ziet niet eens of het krln is, noch had ze toestemming gegeven voor die foto. Verwondert me niet dat het een DM journo is/was…”

Kritische bedenkingen komen mij via via onder ogen. Ik betwist echter dat mijn superioriteitsgevoel misplaatst is.

Ik hou van dergelijke berichten. Er valt makkelijker mee om te gaan dan met lof. Op lovende woorden kun je nooit gepast reageren, tenzij door beaat te glimlachen en te hopen dat het snel voorbijgaat. Negatieve kritiek is een stuk plezanter, ook al omdat ze dikwijls veel oprechter is. Het is goed voor mijn eigenbeeld dat mensen mij wijzen op mijn superioriteitsgevoel, al begrijp ik niet wat er zo misplaatst aan is. Wat ik ook niet goed begrijp, is waarom die mens zich boos maakt over een foto waarop de genaamde ‘krln’ blijkbaar niet eens te herkennen valt. Moet ik dan zonder toestemming een foto publiceren waarop ze wél herkenbaar in beeld verschijnt? En laat ons wel wezen: voor uitlachjournalistiek ben ik een veel te brave jongen. Af en toe een onnozel mopje, meer moet je niet van mij verwachten.

Emmah, een personage dat vorig jaar al even de show mocht stelen, kwam enkele dagen geleden herkenbaar in beeld, maar mept me niet met een vuistslag tegen de grond. Wel heeft haar vader de bewuste foto gezien. “Maar Emmah, ge hebt een blauw oog!”, riep de man verbaasd uit. “Maar papa, dat zijn gewoon mijn wallen!”, repliceerde Emmah vrolijk. Dankzij een goede communicatie verdwijnen misverstanden snel tot het verleden.

James en Emmah showen hun zonnebril. Ook Tom probeert op de achtergrond iets te showen.

James, de vriend van Emmah, heeft een ietwat morbide levensdoel: hij wil het wereldrecord van oudste zelfmoordenaar breken. “Wanneer ik 101 ben, zal ik van het hoogste gebouw van de Vlasmarkt springen”, kondigt hij aan. “Al is dat tentje daar misschien ook wel goed”, wijst hij naar een kraam waar ze koffie in alle soorten en maten verkopen.

Opeens doet Emmah iets geheel onverwachts: ze giet haar laatste slokje Irish coffee uit over de Vlasmarkt. “Wat doe je nou?!”, vraag ik verbaasd.

“Dat laatste slokje drink ik nooit op”, zegt ze alsof dat de normaalste zaak van de wereld is.

“Waarom niet? Omdat alle alcohol er al uit is en er enkel koffie overblijft? Valt de koffie je te zwaar? Zeg op, waarom deed je dat?”

“Gewoon, omdat die laatste slok al te koud heeft tegen dat ik die bereikt heb.”

De sfeerbeheerders proberen nieuwe technieken uit om het gedrag van de massa in goede banen te leiden.

“O”, reageer ik een beetje ontgoocheld op zo’n eenvoudige uitleg.

“Weet gij wat Irish-coffeemisbruikers zijn?”, vraagt James – mannen gegoyeren elkaar.

“Euh, neen”, beken ik. “Zijn dat mensen die je Irish coffee vasthouden terwijl je gaat pissen en hem dan zonder scrupules helemaal leegdrinken?”

“Neen, leeg drinken ze hem niet. Maar tegen dat je terugkomt van het pissijn is je Irish coffee wel koud.”

“Maar dat is dan toch je eigen schuld?”

James haalt zijn schouders op. “Het blijft misbruik.”

Het is stilaan tijd om af te sluiten, de nacht heeft lang genoeg geduurd. “Morgen begin ik vroeger aan de Irish coffees”, belooft James. “Zodat ik niet meer smaak dat dat eigenlijk niet te zuipen is.”

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Exclusiviteit

17 juli 2012

Mijn traditionele hoofdpersonages laten het één voor één afweten. Heeft de regen hun heilige vuur gedoofd of sparen zij hun energie en hun quotes op voor later? Voor hun afwezigheid kan er in ieder geval geen vergiffenis zijn.

Een slak kruist mijn pad. Het dier heeft nog zeven nachten de tijd om op de Vlasmarkt te geraken.

Motregen. Voor iemand die tijdens de Feesten maximaal vier uur aan één stuk slaapt, komt die zeer goed van pas. Het frisse gemiezer houdt mij wakker wanneer ik naar de Vlasmarkt stap.

Onderweg kruist ik het pad van een naaktslak. Ik heb het wel voor slakken. Het zijn vriendelijke dieren waaraan je je niet bezeert als je ze per ongeluk met je blote voet doodtrapt. Wel laten ze nogal een smurrie na, maar dat kun je van vrouwen evengoed zeggen en zouden we hen daarom minder graag zien?

Vlak bij de Feestenzone zie ik hoe een jongen een snikkend meisje opraapt van de grond en haar innig omhelst. Getroost worden in de regen, voor een verdriet dat geen woorden meer verdraagt, het leven van vele vrouwen wordt zelden nóg romantischer dan dat.

Een jongeman bereidt zich voor op het glorieuze moment dat er beharing uit al zijn gezichtsporieën zal beginnen te groeien.

Soit, we mogen ons niet laten afleiden. Net op het moment dat ik een sms ontvang of ik naar de Vlasmarkt kom, arriveer ik er. Het is een bericht van goede vriend Peter, die voor het eerst uit de coulissen treedt. Mijn gewoonlijke hoofdpersonages vallen nergens te bespeuren. AL zie ik wel Bram en Fauve, een duo dat verbonden is door wederzijds respect en een werknemerscontract.

Fauve drinkt nog altijd geen alcohol. Van sigaretten moet ze ook niet weten: onze tabaksrook bezorgt haar oprispingen van astma. Ze heeft zo’n puffertje waarvan niet-ingewijden niet begrijpen hoe het werkt. Lieven, een gewiekste jongeman die mij terloops wordt aangeboden als nevenpersonage, onderzoekt het ding en blaast er een wolk sigarettenrook in, zeer tot ontzetting van Fauve. Met een plotse flits van zelfbeheersing vermijdt zij een morsig bloedbad.

Bram klampt een sfeerbeheerder aan en doet zijn beklag over de op zijn einde lopende nacht. “Er is te weinig sfeer”, merkt hij op.

Vier jonge mensen beelden uit wat feestvreugde betekent. Hun compositie kwam intuïtief en dus oprecht tot stand.

De sfeerbeheerder knikt begrijpend. “Meer sfeer in zone Alpha, graag”, zegt hij in zijn microfoontje. Als we nu op Facebook stonden in plaats van de Vlasmarkt, hadden we met zijn allen van vind-ik-leuk gedaan.

Edmond Cocquyt jr. is echter nog niet overtuigd van positief denken. Hij wijst een beetje boos naar de dj-toren. “Van de jaar is het daar een ongelooflijk saaie bedoening. Tegenwoordig mag iedereen naar boven op de toren. Weet ge wat het gevolg is? Dat niemand er nog op gaat. De exclusiviteit is weg”, moppert Edmond.

Ik leef met hem mee en probeer niet te hard aan de hongerige kindjes in Afrika te denken die zich tevreden moeten stellen met zongedroogde slakken.

Ook Peter is vandaag niet in zijn vrolijkste bui. Naar eigen zeggen kan hij er zich niet toe bewegen de zuipende massa níét te veroordelen. Ik leef met hem mee en probeer niet te hard te denken aan de arme drommels die onschuldig in de cel zitten.

“Er zijn hier toch echt wel veel mensen die zichzelf belachelijk maken”, oppert hij.

Voor deze man zit de nacht erop. De merkwaardige bobbel op zijn voorhoofd weerhoudt er hem niet van om deftig gekleed het plein te verlaten.

Nét op dat moment pletst een jongen van Sub-Saharaanse afkomst tegen de grond. Hij ligt niet alleen languit op het natte asfalt, hij doet dat op de koop toe in zijn blote kont. Het duurt enkele seconden vooraleer hij beseft dat iedereen in de buurt zich een breuk staat te lachen met zijn onbedekte negerbillen. Krampachtig tracht hij zijn bruine maan te bedekken. Het tafereel ziet er zo grappig uit dat ik er maar niet in slaag om één foto van de scène te schieten.

“Er staan veel tikfouten in uw verslagen”, meldt Peter even later – hij doet dat met behulpzame motieven. Ik twijfel nog of ik die slordigheden eruit zal halen: ze zijn per slot van rekening stille, maar mooie getuigen van mijn fysieke en mentale desintegratie tijdens een slopende tiendaagse.

We geraken aan de praat met een vrolijke dame die geen muziek meer nodig heeft om te dansen. “Ik sta hier te zweten, maar zonder drugs. Dit is hetzelfde als sporten of joggen. Ik ben gewoon blij!”, legt ze uit.

Peter van zijn kant is nog altijd niet blij. Hij heeft er spijt van dat hij zolang gebleven is. “Maar als ik thuis wil geraken, zal ik moeten beginnen te stappen”, beseft hij met een zucht.

Een hipster met roze pet tracht positieve vibes op de Vlasmarkt te brengen. Het sfeerbeheer laat na om tijdig in te grijpen.

Ook de vriend van de blije dame is niet van plan om nog veel langer te blijven. “We gaan naar huis”, meldt hij.

“Oké, vanaf nu drinken we niet meer”, knikt zijn vriendin.

“Euh, waarom zouden we naar huis gaan als we daar niets meer drinken?”, antwoordt de man stomverbaasd.

Met behulp van zijn voeten beweegt ook het lichaam van Peter zich huiswaarts. Welk pad zijn geest kiest, valt niet te achterhalen.

Eén na één komen bekende gezichten me gedag zeggen. Zelfs Nicolas van het Botramkot kuist zijn schop af na een voor hem zeer vreugdevolle nacht. “Het succes van onze Maggie-pins is ongelooflijk”, grijnst hij. “Jongens die er één willen, moeten een roos geven. Daardoor doen de Paki’s hier gouden zaken en vragen ze soms tot 3 euro voor één bloem. Vrouwen van hun kant moeten hun borsten tonen. Ik heb er zeker zestien paar mogen aanschouwen! Sommige meisjes waren mogelijk nog niet eens zestien jaar. Dat is geen probleem, zolang ge er niet aankomt. Enfin, aan sommige borsten heb ik toch eens mogen zuigen, maar dat moet ge misschien niet opschrijven.”

Sfeerbeheerster Hilde balanceert een mand op haar hoofd en heeft Edmond (r.) zodoende ferm het nakijken.

Toch heeft ook Nicolas enkele negatieve kanttekeningen over de voorbije nacht. “De regen, dat blijft een probleem. Nu hebben wij daar in ons Botramkot geen last van, maar het blijft erg dat het KMI niet geïnteresseerd is in de nacht. De mensen op de Vlasmarkt willen dus wel weten welk weer het in de loop van de nacht zal zijn, het liefst van uur tot uur.”

Nadat ik me even heb gemoeid in een opstootje – zie je twee mensen vechten, ga er dan tussen staan: een devies dat ik van Peter heb overgenomen – besluit ik genoeg te hebben gezien voor vanavond. Of vanochtend, zo u wilt. Ik slenter naar de uitgang van het plein en kan het niet laten om toch nog even naar één van de koffie schenkende predikanten te luisteren.

“Het is belangrijk dat je een levende relatie hebt met God”, zegt Tony tegen Kristof, wiens Zuid-Amerikaanse vrouw wel gelovig is, maar die zelf geen diehard katholiek is. (Dat laatste bedoel ik zoals het er staat, niet als understatement.) “God verlangt naar mij, ik verlang naar God. Hij kent onze pijn en onze teleurstelling. Je moet vragen aan God wie Hij is en dat Hij zich toont. Toen ik 26 was, zat ik vast, maar in enkele weken tijd heeft God mijn denken vernieuwd. Geloof krijgt vorm in je relatie met God.”

Pfff, is dit alles, vraagt Nicolas zich af, is dit alles wat er is? Als het aan hem lag, liepen er veel meer beenhouwersvrouwen rond die gewillig onder hun kiel lieten gluren.

“Er is wel iets”, zegt Kristof een beetje weifelend, maar voor hem lijkt geloven vooral neer te komen op af en toe naar de eucharistieviering gaan.

“Blijf niet hangen in rituelen!”, waarschuwt Tony. “Het gaat niet om rituelen of wat de priester doet, maar om God. Kijk, nu ben ik zelf ook een priester: ik breng God op straat.”

Nu pas merk ik dat Tony’s handen heftig trillen. Ofwel is hij nogal enthousiast, ofwel heeft hij zelf al te veel koffie gedronken ofwel komt een ijverig noterende, naar alcohol stinkende journalist iet of wat intimiderend over. Maar hij versaagt niet en blijft zijn boodschap verkondigen: “Je moet op je knieën gaan voor God. Niet letterlijk – al mag dat ook – maar in je hart. God ziet alles wat ik doe en ik weet dat hij blij is met het leven dat ik nu leid.”

“Voel je je dan niet voortdurend bekeken door de een of andere Big Brother?”, kan ik niet laten te vragen. “Of voelt het veeleer als een hand op je schouder die je ondersteunt?”

“Dat tweede natuurlijk”, zegt Tony met een zenuwachtig glimlachje.

Ik probeer hem nog eens uit zijn tent te lokken door te vragen wat hij ervan vindt dat ik niet geloof in God, maar hij is zo vriendelijk om te oordelen dat dat mijn keuze is. Op dat punt heeft hij zeker gelijk en ik bedank hem voor zijn vriendelijke uitleg.

En nu kies ik ervoor om mijn bed op te zoeken en de dag weg te slapen.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Statement

16 juli 2012

Een zondags theekransje. Zo rustig ging het er vannacht aan toe. Zelfs Edmond Cocquyt jr. heeft z’n kop niet getoond. Hij neemt beter een voorbeeld aan de christelijke bekeerders die wel trouw op post waren op de Vlasmarkt.

Twee zonnebloemen hebben last van een stijve nek. ‘Alle twee maanden lang staan wij hier in het rond te tureluren, maar nog geen zon gezien!’

Tegen kwart na vier acht ik de tijd rijp om aan mijn nacht te beginnen. Wanneer ik naar buiten stap, zit het katje van onze bovenburen me van op haar vensterbank verbaasd aan te kijken. “Gauw zeg, waar gaat die meneer naartoe op dit onmenselijke uur?!”, miauwt het dier in zichzelf. Naar de Vlasmarkt, zoetje, daar is alle plezier in deze stad geconcentreerd.

Maar veel plezier is er niet om te concentreren. Traditioneel is de eerste zondagavond uiterst rustig. Velen zijn nog niet bekomen van de zware nacht ervoor, anderen konden niet ontsnappen aan het juk van de loonslavernij en enkel de ervaren rotten zitten nog op het juiste spoor. Dat maakt het bestellen aan de toog net dat tikkeltje comfortabeler, dus mij hoor je niet klagen.

Op het plein ontmoet ik Maarten en Renzo. Maarten is nog altijd bezig met zijn project om de Gentse Feesten te vatten in stripvorm en heeft daartoe een notitieboekje gekocht opdat hij zich zijn eigen lotgevallen herinnert.

Renzo is bezig met een ander projectje: Hollands praten. “Ge zijt nu nog irritanter dan anders”, vertrouw ik hem vriendschappelijk toe. Renzo haalt z’n schouders op. Dergelijke opmerkingen zijn dagelijkse kost voor hem, hij weet ze best te kaderen in de tijdgeest.

Tim Struyven benadrukt dat hij zich afzet tegen elke vorm van nationalisme. ‘Enfin, tenminste tot op zekere hoogte.’

Even verderop staan Fauve en Bram angstvallig de hemel in de gaten te houden. “Het wordt tijd om te vertrekken, want ik wil voor het licht thuis zijn”, zegt Fauve.

Ik kijk haar verbaasd aan. “Waarom in godsnaam zoudt ge vóór zonsopgang thuis willen zijn?”

“Omdat ik anders niet kan slapen”, antwoordt ze.

Ik zou haar kunnen aanraden om zich lam te zuipen, dan komt de slaap vanzelf opdagen, maar Fauve heeft een gelofte van nuchterheid afgelegd en raakt zodoende geen alcohol aan. Met een half oog kijkt ze nog eens omhoog en een vloek ontsnapt haar lippen. “Shit, het is nu toch te laat. Ach ja, dan zullen we nog maar iets drinken, zeker?”

We staan met een groepje mensen tezamen en zoals meestal gebeurt wanneer enkele mensen tezamen staan, gaat de N-VA de discussie overheersen. Horrorscenario’s worden voorspeld en er wordt uitdrukking gegeven aan intens afgrijzen. Gent zal zich nog wel sterk houden tegen het Vlaams-nationalisme, zo hoopt men, maar voor de rest van Vlaanderen ziet het er absoluut niet goed uit.

“En van negen maanden antidepressiva slikken, verdik je”, voegt Michiel nog een weinig vrolijke noot toe aan het sombere gesprek.

Mensen moeten zich niet zoveel zorgen maken over politiek. Belangrijker is het om gezond te eten. Met dien verstande blijf ik eenieder aanraden om dagelijks een botram mee uufflakke binnen te spelen. Vreemd genoeg begint ook het Botramkot zich te profileren als politieke drukkingsgroep: hun Maggie De Block-button is een regelrechte hit.

Een jongeman draagt een zak patatten en hoopt zo de aandacht af te leiden van het triestige feit dat hij in zijn andere hand een Carapils houdt.

“Ik begrijp echt niet hoe dat komt”, zegt Nicolas van het Botramkot. “Er komen ontzettend veel mensen om vragen. Zelfs Maggie heeft er al één besteld. Maar voor alle duidelijkheid: wij wilden geen statement maken over haar politieke bezigheden.”

“Ge krijgt gewoon honger als ge Maggie ziet?”, suggereer ik.

“Inderdaad, als ik haar zie, krijg ik honger, want ze lijkt op een beenhouwer”, bevestigt Nicolas. “Een goede beenhouwer lijkt op een varken. Ge gaat toch nooit vlees halen bij een magere beenhouwer?”

Omdat ik een hongertje voel opkomen, neem ik dankbaar een droge worst in ontvangst. Het geluk lijkt met mij, maar door een ongelukkig toeval kom ik alweer Renzo Van Rijckegem tegen. Dág, appetijt. “Gewone porno is zo saai”, deelt Renzo mee. “Maar wat zou er gebeuren als je googelt op ‘andere porno’? Dat ga ik zo meteen eens uittesten. Ongetwijfeld wordt dat zeer spannend.”

Renzo vraagt of ik al veel interessant volk ben tegengekomen, maar geeft zelf meteen het antwoord: “Aangezien je weer bij mij staat allicht niet.”

Op de Vlasmarkt is waanzin een alledaags, maar desalniettemin kostbaar goed. Koester die waanzin en breng haar gedoseerd naar buiten.

Ik apprecieer mensen met een klare kijk op de realiteit en mompel daarom enkele respectvolle woorden. Omdat er niet meteen andere hoofdpersonages rondlopen, ben ik inderdaad veroordeeld tot Renzo. Geïnteresseerd slaat hij gade hoe enkele feestende lieden bijkans op hun voorgevel pletsen. “Evenwicht, een kostbaar goed op deze plaats”, fluit hij goedkeurend.

Na een hele nacht fotograferen voor Genthology komen Tom en Kenn laconiek het plein opgewandeld. De twee staan er veel te nuchter bij, maar van mij zeggen mensen allicht hetzelfde. Ondanks onze collectieve nuchterheid laten we ons tegen in de luren leggen.

“Heeft één van u vuur?”, vraagt een meisje achter wie je geen stoutmoedige listen zou vermoeden.

Ken, Tom en ik bevestigen dat we alledrie vuur hebben. “Mooi zo. Dan hebben jullie ook een sigaret.” Pats! De val is toegeklapt. We staan nogal paf door zoveel arglistigheid. Meer uit deemoed dan uit beleefdheid overhandigt Kenn de jongedame een sigaret. “Wel, verdomme, geniale truc”, schudt Tom verbaasd het hoofd.

Dankzij hun wenkbrauwen trekken sommige mannen een heteroseksueler gezicht dan andere mannen.

De sluwe jonkvrouw verdwijnt weer in de coulissen en maakt plaats voor Franky, een undergroundzanger die me niet meteen vriendschappelijk bejegent, waar ik uiteraard geen punt van maak. “Je kunt toch niet iederéén vriend zijn?”, vraagt Franky.

“Dat is inderdaad geen doening”, knik ik, en zo komen we dan toch weer overeen.

“Er gebeurt hier niets”, wijst Franky naar de ritmisch stuiptrekkende massa. “Toen ik nog een jonge gast was, begonnen ze tenminste nog op elkaar te motten. Dat is nu wel anders. Wat een banaal gedoe. Er gebeurt werkelijk niets.”

“Maar gelukkig zijn de mensen dronken genoeg om dat te beseffen”, opper ik vergevingsgezind.

De Vlasmarkt mag stilaan leeglopen, maar deze mensen hebben nog geen zin om de bedstee op te zoeken. Zij moeten en zúllen blijven feesten.

Ook Dieter benadert de feestvierders met een vergevend hart. Zoals ieder jaar verspreidt hij koffie én het woord van God. Ik ben hem reeds vele malen tegengekomen en ook al verschillen we fundamenteel van mening over een aantal metafysische aangelegenheden zoals het ontstaan van het heelal en de hand van God daarin, toch hou ik ervan om des ochtends een babbeltje met hem te slaan.

Dieter bevindt zich in het gezelschap van Jan, een oude studiegenoot van me die thans schrijft voor een gratis dagblad dat pendelaars wakker houdt wanneer zij naar hun werk sporen. Jan zou wel een koffie lusten. “Zwart of met suiker?”, vraagt Dieter. Op simpel verzoek tovert hij een zakje te voorschijn.

“Waarom blijven jullie eigenlijk naar hier komen?”, vraagt Jan niet onvriendelijk, maar wel verwonderd.

“Jezus zei: ‘Vertel het Evangelie aan de mensen.’ Álle mensen”, antwoordt Dieter.

“Zijn de mensen hier zondaars die bekeerd moeten worden?”

Een jongeman staat klaar om een oudere dame alle hoeken van de Vlasmarkt te tonen. Opeens wordt de generatiekloof griezelig smal.

“Alle mensen zijn zondig. Ik sluit mezelf niet uit. Maar ik doe wel moeite om volgens de tien geboden te leven en God niet te lasteren door te vloeken.”

“Maar hoe kan ik God lasteren wanneer ik niet geloof dat Hij bestaat?”, vraag ik.

“Dat geloven is op zichzelf als godslastering omdat je eigen mening belangrijker vindt dan Zijn bestaan”, repliceert Dieter, die er ons ook van probeert te overtuigen dat we moeten opletten met alcohol. “Alcohol heeft macht over jullie leven”, stelt hij.

“Dat is zeker waar,” bevestig ik, “net zoals jouw geloof een macht heeft over jouw leven.”

“Dat is waar”, moet ook Dieter toegeven, maar voor hij een nieuw antwoord kan formuleren, mengt een andere atheïst zich in het gesprek.

“De dinosaurussen! Gij gelooft in het scheppingsverhaal, maar leg mij eens uit hoe het kwam dat er reeds dino’s rondliepen voor de aarde bestond?”

Ook na een hele nacht feesten weten Annelies en Anne-Marie hun benen nog altijd op atletische wijze te strekken.

“Ze vlogen gewoon door het heelal met hun jetpacks”, werp ik op, beseffend dat ik de discussie daarmee niet vooruit help, maar ik moet pissen en dan is een kwinkslag best veroorloofd.

Jan en ik laten Dieter achter met het Woord van God veilig onder zijn hoede en gaan checken hoe het zit met de gepatenteerde zondaressen Annelies en Anne-Marie. Dat blijkt wel mee te vallen, enkele terechte woede-opstoten over bepaalde specimens van het mannelijke geslacht niet te na gesproken. “De Vlasmarkt is het ideale plein om je diepste emoties te uiten”, besluit Anne-Marie de nacht, waarna de schaarse overblijvende feestvierders elkaar gedag wensen en huiswaarts keren.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Swaffelpaal

15 juli 2012

Goed, we zijn vertrokken. De sfeer zat goed, op de juiste momenten viel er nauwelijks regen en de hoofdpersonages beginnen zich reeds in hun rol te schikken. Vreemd genoeg stelen West-Vlamingen almaar vaker de show.

Een jonge volkszanger draagt een bevreemdend hemd. Verder is alles oké met hem.

Elke ochtend ga ik te voet naar de Vlasmarkt. Dat is ongeveer twintig minuten stappen. Dan denkt een pragmatisch iemand al snel: tijd genoeg voor overpeinzingen over de tijdgeest. Maar néén! De tijdgeest moet nog verzonnen worden door liedjesschrijvers, copywriters en krantencommentatoren met een bevoorrechte kijk op de werkelijkheid. Dus stap ik gewoon door, en verder geen gezwam.

Aan de Coupure zitten twee dronken meisjes op een dorpel. Wanneer zij mij zien opdoemen uit het duister klinkt het respectvol van: “Woooooow!” Waarna een beleefd “Hallo, meneer” volgt. Ik wens hen een goedemorgen terug en stel mij verder geen vragen bij een tijdgeest waarin dronken meisjes zwaar onder de indruk zijn van nuchtere manspersonen.

De stad is heel wat drukker dan gisteren. Op de Korenmarkt zwalpen zuipzombies door het vuilnis. Ze beleven de tijd van hun leven. In de Belfortstraat, op een steenworp van mijn geliefde Vlasmarkt, duwen vier hulpverleners één rolstoel voort. Daarin zit een toxisch geprivilegieerde jongeman. “Ik ga wel thuis geraken”, probeert die nog. De EHBO’ers grijnzen naar elkaar: dat zal wel.

Daar ben ik dan: thuis op de Vlasmarkt. Meteen komt één van de hoofdpersonages van vorig jaar zijn rol opeisen. Ik geef ze hem met plezier: met een man als Vos zijn leuke quote nooit ver weg. En stoemelings belandt een meisje in een kort bijrolletje. Ze heet Lindsey en ze draagt een authentieke K-way. “Ik ben niet interessant omdat ik een K-way aan heb”, probeert ze alla aandacht af te wenden. “Ik zou gewoon graag een sigretje willen.”

Met ijzeren pinnen op hun leren jas wapenen jongedames zich tegen ongevraagde mannelijke aandacht.

“Als ik een madam was, ik zou geen K-way aanhebben, maar een jurkje met roosjes erop”, dient Vos haar van stevige repliek.

“Dat is geen goed idee. Als meisje moet je low-key blijven. Niet te veel aandacht trekken”, weet Lindsey. Daarmee heeft ze één sigaret verdiend, vindt Vos.

Het ervaren hoofdpersonage overschouwt de massa en merkt op: “Ze hebben hier allemaal veel liefdesverdriet en weinig koolhydraten.” Voilà, de tijdgeest samenvatten, zo doe je dat.

Bram Bostyn, een gehaaide manager van allerlei succesvolle comedians, komt erbij staan. “Shit, ik voel dat ik van de jaar een slachtoffer ben”, merkt Bram op. Daar heeft hij gelijk in. Vorig jaar had ik zijn welwillendheid nog nodig daar ik Gunter Lamoot wou interviewen voor mijn boek Imago. Thans zal hij geen verweer hebben tegen de manier waarop ik hem portretteer.

Veel zorgen maakt hij zich daar niet over en als volleerd hoofdpersonage vraagt hij Vos: “Hoe is het met uw festivalleke?”

Vos haalt zijn schouders op. Zijn ‘festivalleke’ is Gent Jazz en het was blijkbaar een topeditie. “Van de vier avonden die ik geprogrammeerd heb, waren er drie uitverkocht”, zegt hij laconiek, maar niet zonder fierheid.

Er komen nog meer complimenten zijn richting uitgewaaid. “Hé, Vos, je hebt het omgekeerde gedaan van verdikken!”, feliciteert een jongedame hem. Vos neemt de lof met een beate glimlach in ontvangst.

En hupsakee, Nima maakt zijn intrede. Ook hij is gepokt en gemazeld als hoofdpersonage. “Nima is mijn favoriete allochtoon”, knikt Vos goedkeurend.

“Gaan we lekken?”, repliceert Nima.

Vos poseert vrolijk bij de homoseksuele voering van zijn portefeuille.

Bram schrikt op. “Ik ben de man met de rem”, duidt hij zijn West-Vlaamse schroom. Ondanks zijn geremdheid heeft hij wel het goedlachse gezelschap van Fauve, die op haar blog Inktvos haar eigen belevenissen samenvat.

Er is Fauve iets ik-weet-niet-hoe-vreselijks overkomen. “Er kwam een man naar mij en hij vroeg of ik zijn swaffelpaal wou zijn!”, vertelt ze ontzet. Dat doe je dus niet met een vrouw, vind ik. We moeten respect hebben voor dames. Ik stel voor om het woord ‘swaffelpaal’ te schrappen uit de geschiedenis van de Nederlandse taal.

Door zoveel vreugdevolle conversaties hadden wij niet in de mot dat zon opkwam, maar kijk, ondertussen is het al klaar. Alweer is de Vlasmarkt een openluchtdiscotheek waar honderden mensen vrolijk staan te dansen. “Als ik dit zie, weet ik: Siegfried Bracke maakt geen kans in Gent”, grijnst een anonieme cultuurondernemer die het feestgedruis overschouwt.

Annelies en Anne-Marie beelden uit hoe het voelde om de bof te hebben. ‘We zagen eruit als Maggie De Block.’

Het is tijd dat mijn personages Annelies en Anne-Marie hun opwachting maken en inderdaad, dat doen ze op het gepaste moment. Zoals we van haar gewend zijn, valt Anne-Marie meteen met de deur in huis. “Kent gij het nummer van de masturbatielijn?”

“De wát?!”

“De masturbatielijn. Een hulplijn voor mensen die ofwel te veel masturberen of die niet weten hóé ze moeten masturberen.”

“Zo’n lijn bestaat niet!”

“Toch wel!”, knikken Anne-Marie en Annelies, en op haar BlackBerry toont Annelies een foto van de flyer van de Hulplijn voor Masturbatie. Zíék!

Annelies en Ann-Marie bevestigen dat. “Maar zelf waren wij onlangs ook ziek”, zegt Anne-Marie. “We hebben allebei de bof gehad. Ik leek wel op Maggie De Block!”

Neen, die dame moeten we niet zien op de Vlasmarkt, al delen de jongens van het Botramkot blijkbaar buttons uit waarop het hoofd van de federale vleesblok prijkt.

Een oud ventje trekt grote ogen als hij de bacchanale Vlasmarkt aanschouwt. ‘Maar voor de rest is het hier wel plezant.’

Via via – tja, hoe gaan die dingen op de Vlasmarkt? – raak ik in gesprek met Katrien. Zij laat Vos en mij raden welke cupmaat ze heeft. B? C? Een beetje beledigd zegt ze dat het wel degelijk een D is.

“Zijt ge zeker?”, vraag ik sceptisch.

“Ik kan u de maat tonen op mijn bh”, knikt ze ferm.

“Kunt ge dat hier en nu doen?”, probeert Vos.

“Neen, niet op klaarlichte dag op de Vlasmarkt”, drukt Katrien alle hoop de kop in. Ze heeft nogal een kijk op de dingen. “Wat staan al die gasten hier te doen? Ze staan hier gewoon de hele tijd rond te kijken of ze chicks mee naar huis kunnen nemen om te poepen. Ze kijken naar de borsten van alle vrouwen en vragen zich af: is het een A, een B, een C of een D, en vooral: mogen we eraan komen?”

De dansgrage Anne-Marie demonstreert dat ze wel degelijk een onderbroek aan heeft.

Ik bedank Katrien voor haar bijdrage en maak even tijd voor Edmond Cocquyt jr. die met zijn klieken en zijn klakken op de lijst van de Open Vld beland is. Edmond heeft vreugdevol nieuws: zijn vriendin is zwanger. Hij heeft haar op vruchtbare wijze gepaald. “Meteen raak”, beweert hij.

Net als zijn grootvader, zijn vader en zichzelf zal ook zijn zoon Edmond heten. “En als het een dochter wordt, gaan we voor Edmondina of Edmonda. Maar het wordt dus een zoon!”

“Hoopt ge?”

“Neen, dat weet ik. Dat zál zo zijn!” Voor zoveel doorzicht heeft Edmond geen echografie nodig. Zijn hippe ziekenfondsbril volstaat.

Bram Bostyn staat zowaar een beetje te dansen. “Ik ben euforisch en zonder drugs, hé!”, deelt hij mede.

Ook Fauve is euforisch. Nochtans drinkt zij niet. “De legende wil dat ik als kind in een vat Red-Bull gevallen ben”, openbaart ze.

Vos is niet alleen een succesvolle jazzprogrammator, hij weet ook vele vrouwentongen te bekoren.

Een West-Vlaamse vrouw van ergens rond de vijftig is ook euforisch, maar dan op een ingetogen manier. “Mag ik even op u steunen?”, vraagt ze me vriendelijk. “Ik ben zát!”

“Gelukkig valt dat op dit plein niet zo heel erg op”, stel ik haar gerust. “Dronkenschap is een wijdverspreid syndroom in deze zone.”

Opeens komt een gelegenheidspersonage aan mijn mouw trekken. Omdat Tijl een goedlachse letterbaas is met een talent voor alcoholisme, wil ik hem gerust opnemen in het ensemble. De man is woonachtig te Mechelen, behoort etnisch gezien tot een West-Vlaamse ondersoort en heeft nog nooit één nacht Gentse Feesten tot de ochtendstond uitgezeten. Vandaag maakt hij zowaar zijn debuut en al meteen mikt hij hoog met een zwaar filosofisch vraagstuk.

Dat vraagstuk wordt met name aan vrouwen voorgelegd. “Hallo, mag ik u even confronteren met een ernstige filosofische kwestie?”, vraagt Tijl aan alweer een nieuw slachtoffer.

In een vlaag van wild opstuwende erotiek gooit een koppel zich pardoes op de vuile vloer van de tent van de Kinky Star. Hun gestoei zal sporen nalaten tot de volgende wasbeurt.

“Stel je komt op café twee knappe venten tegen. De ene is een mannelijke slet die elke vrouw wil palen. De andere is een serieuze jongen. Geen sociopaat, maar een rustige gast die al een paar langdurige relaties heeft gehad. Eén daarvan was weliswaar met een man. Met wie zouden jullie het liefst een relatie beginnen? Met de heteroseksuele slet of de biseksuele, goedbedoelende jongen?”

“Die tweede”, antwoordt de dame in kwestie.

“Wauw! Dat is de eerste keer deze nacht dat een vrouw dat antwoord geeft. Alle anderen kiezen consequent voor de heteroseksuele slet!”, stelt Tijl verbaasd.

Bubba, de maat van Tijl, houdt zich niet bezig met ernstige filosofische kwesties. “Ik ben verliefd op mijn klak”, zegt hij.

“Gaat het om een platonische relatie?”, wil ik weten.

“Platonisch of aristotelisch, je kiest maar. Maar ik wil benadrukken dat er, ondanks mijn grote liefde, nog geen kwakje van kwam.” Bubba legt uit dat het om authentiek Audac gaat. “Ik hou van die lettercombinatie. Die heeft een erotische werking. A propos, heb ik al verteld dat ik drie kloten heb?”

Nima vraagt aan wc-madam Roland of Gent besant. ‘Natuurlijk niet’, beaamt de beleefde stroppendrager.

Ondertussen heeft Tijl een nieuwe enquête afgewerkt en alweer luidde het antwoord: de heteroeksuele slet. “Jullie zijn allemaal zo’n hoeren!”, schreeuwt hij de vrouwmensen toe.

Een zekere Michiel doorlicht Tijls onderzoeksmethoden. “Sociologisch is het waardeloos onderzoek, maar wel leuk”, zegt hij goedkeurend.

Het is alweer zo ver gekomen dat alle tapinstallaties afgesloten zijn en De muziek opgehouden is te draaien. Tijl denkt dat het tijd is om af te ronden. “Neen, nu begint het pas”, vertel ik hem.

Hij heeft er geen goed oog op. “Ik heb net m’n laatste slok bier op. Nu kan ik geen sigaretten meer roken. Ik heb vocht nodig. Bier, water, cola, desnoods sperma, maar zonder drank kan ik niet roken”, klaagt Tijl. Ik verklap hem dat er tweehonderd meter verder een krantenwinkel is die blikjes bier verkoopt.

Daar fleurt hij helemaal van op, maar er eerst moet hij nog een sociale hindernis overwinnen. Een meisje valt pardoes in Tijls armen. “Ik voel me verschrikkelijk”, huilt ze.

Twee ochtendlijke dames beantwoorden op eigen wijze de courtoisie van Nima. Die reageert existentieel geschokt.

“Laat het verschrikkelijke achterwege”, probeert hij haar te troosten.

Langzaam ontpopt Tijl zich tot Jeffrey. Wie is dat nu weer? “Jeffrey is de zeer bezopen, irritante klootzak waar niet mee aan te vangen valt”, legt Tijl/Jeffrey uit met een boosaardige grijns. “Het is een slechte, onhandelbare mens. Mijn zus heeft me gevraagd om peetvader te worden van haar kind, maar ze beseft blijkbaar nog niet goed dat Jeffrey er ook is.”

Bubba haalt alweer z’n brede schouders op. “Ach, ja, nu begint de fantastische zone waar de grens tussen vriendschap en kloterij vervaagt. Dus neem ik niet meer deel aan discussies teneinde niemand een trok op zijn muil te verkopen.”

Ik geef hem groot gelijk en voor de rest van de dag zuipen wij stilzwijgend de uren naar de vergetelheid.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Volg

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 48 other followers