Vrije wil

15 juni 2011

'Ons brein' van Chris Frith.

We hebben geen vrije wil. Onze hersenen hebben ons eigenlijk zelfs niet nodig. Daarbij houden ze ons ook nog eens voor de gek. Niet af en toe, maar de hele tijd. Toch is het goed om in de illusie van de vrije wil te blijven geloven. Dat zegt de Britse neuropsycholoog Chris Frith.

Onlangs verscheen het boek Making Up The Mind (2007) van Chris Frith (69) in Nederlandse vertaling als Ons brein. Ik heb het boek uitgelezen, vond het interessant en mocht de auteur enkele vragen stellen. De weergave van ons gesprek staat vandaag in De Morgen.

Zoals gewoonlijk raad ik u aan om de gazet te kopen en dat interview te lezen. Wie meer wil weten, vindt hieronder de lange versie. En daaronder nog eens een artikel op basis van de meest sprekende citaten uit het boek.

Als de vrije wil een illusie is, betekent dat niet dat we geen verantwoordelijkheid dragen voor onze daden. Dat stelt de Britse neuropsycholoog Chris Frith. In zijn onlangs vertaalde boek Ons brein legt hij uit hoe onze hersenen ons voortdurend voor de gek houden.

Tot op vandaag zijn de menselijke hersenen het meest complexe studieobject in het ons bekende universum. Achterhalen hoe het brein werkt, is geen sinecure. Door de combinatie van experimenten en hersenscans leren we beetje bij beetje bij over de werking van onze hersenen. Wat blijkt? Het brein is zowaar een wetenschappelijk apparaat. “De wetenschap boekt vooruitgang door modellen van de wereld te maken, door op basis van die modellen voorspellingen te doen, en door de fouten in die voorspellingen te gebruiken om betere modellen te construeren. Vandaag onthult de wetenschap dat ons brein dezelfde principes gebruikt om kennis over de wereld te vergaren”, schrijf neuropsycholoog Chris Frith in zijn boek Ons brein.

Alleen zijn we als bewuste wezens helemaal niet betrokken bij dat proces. In zijn boek beschrijft Frith talloze voorbeelden waarbij het brein informatie achterhoudt voor ons. “Mijn brein kan perfect zonder mij”, laat hij zich zelfs ontvallen. Is dat werkelijk zo?

“Dat is voor een groot stuk waar”, nuanceert Frith. “Voor 90 procent doet ons brein wat het doet zonder dat wij daar bewust over moeten nadenken. Maar voor sociale interactie hebben onze hersenen ons nog altijd nodig. Het brein kan op zijn eentje geen conversatie voeren. (lacht)

Is dat dan het enige voordeel van ons zelfbewustzijn, dat we gesprekken kunnen aangaan?
Chris Frith: “Dat lijkt me een heel belangrijk voordeel is. Dankzij ons zelfbewustzijn is het gemakkelijker om te communiceren en samen te werken binnen een groep. Daardoor bouwen we een betere kennis op van de fysieke wereld dan we op ons eentje zouden kunnen.”

“Daarnaast geloof ik dat de vrije wil in zekere mate een sociale constructie is. We ervaren het gevoel van vrije wil doordat we met andere mensen interageren. Zij keuren onze daden goed of af.”

In uw boek gaat u ervan uit dat de vrije wil een illusie is, onder andere omdat de hersenen bepaalde beslissingen nemen zonder ons te consulteren.
“Als ik naar een object reik en het vastpak, doe ik dat eigenlijk vóór ik het goed en wel besef. Voor een muzikant die viool speelt, is het extreem handig dat hij niet bewust hoeft na te denken over de positie van zijn linkerhand om noten te vormen. Zo kan hij zich beter focussen op de grotere structuur van het muziekstuk. We voeren een hoop triviale handelingen uit zonder dat we daarover nadenken. Zo kunnen we ons concentreren op belangrijker zaken.

'Blijf geloven in de vrije wil, zelfs al is het een illusie', raadt Chris Frith aan.

Zoals bewuste, weloverwogen beslissingen nemen. Of doen onze hersenen ook dat voor ons?
“We zijn er ons als mens niet van bewust hoe we keuzes maken. Uit experimenten blijkt dat mensen beter in staat zijn om een geschikte wagen te kiezen als ze er níét over nadenken. Laat het brein rustig de cijfertjes verwerken.

“Tijdens de Verlichting maakte de idee opgang dat instinct en emoties in de weg stonden van goede beslissingen en rationeel gedraag. Tegenwoordig geloven we dat niet meer. Rationeel gedrag is meestal niet rationeel maar gerationaliseerd. Je doet iets en pas achteraf leg je uit waarom het goed was om dat te doen. Op die manier probeer je je gedrag goed te praten. Onze emoties zijn echter belangrijk bij het maken van goede beslissingen.”

Kunnen we slechte beslissingen dan ook afschuiven op ons brein?
“Dat is een delicaat onderwerp, want daarmee kom je op het terrein van de rechtsgang. Kunnen mensen door de rechtbank vrijgesproken worden als ze zeggen: ‘My brain made me do it’? Persoonlijk vind ik van niet. Het gevoel dat mensen verantwoordelijk zijn voor hun daden blijft overheersen. Vergeet niet dat we kunnen oefenen om het goede te doen. Hoewel je er op het moment zelf niet over nadenkt, ben je door je verleden en opvoeding meer geneigd om het goede te doen dan het slechte.”

Sommigen beweren dat de vrije wil móét bestaan omdat we anders geen verantwoordelijkheid zouden dragen voor onze misdaden. We moeten gestraft kunnen worden en dat kan alleen maar als de vrije wil bestaat.
“Straffen kunnen het gedrag van mensen veranderen, of er nu een vrije wil bestaat of niet. Zelfs als vrije wil een illusie is, moeten we er daarom toch in blijven geloven.”

Gaan we ons dan anders, minder verantwoordelijk gedragen als we niet meer geloven in die vrije wil?
“De idee dat je niet over een vrije wil beschikt, kan je gedrag veranderen zodat je je egoïstischer gaat gedragen. In een zeer recent experiment kreeg een groep studenten uitgelegd dat vrije wil niet bestond. Een andere groep kreeg een andere uitleg te horen. Toen men nadien een examen afnam van de studenten, bleek de eerste groep beduidend vaker te spieken. Gelukkig hebben de sociale netwerken waarin we ons begeven een corrigerende invloed op dat gedrag.”

Tegelijk beschrijft u dat u zich nooit kunt ontdoen van die illusie, zelfs al wéét u dat de vrije wil niets meer dan dat is.
“Er zijn verschillende illusies die we niet kunnen doorprikken, zelfs al weten we hoe ze werken. Kijk maar naar geometrische illusies: zelfs al wéét je dat een lijn recht is, toch blijf je ze krom zien. Onze kennis functioneert op een ander niveau dan onze ervaringen. Daardoor kunnen we niet voorbij gezichtsbedrog kijken. Voor de vrije wil geldt hetzelfde: hoe vaak je wetenschappers ook hoort zeggen dat de vrije wil een illusie is en dat ons handelen gedetermineerd is, dan nog blijft de stellige indruk dat jij volledige controle hebt over wat je doet.”

Is het ook mogelijk om een gebrek aan vrije wil te ervaren?
“O ja. Zo hebben sommige patiënten met hersenschade last van een anarchistische hand, die buiten hun controle om beweegt. Zo’n hand neemt een potlood en begint ermee te krabbelen of grijpt deurknoppen vast zonder dat de patiënt daar iets aan kan doen. Sommigen gaan daarom zelfs zo ver om hun hand vast te binden. Bij mensen die lijden aan schizofrenie is één van de symptomen dat ze in de waan verkeren dat hun handelingen niet de hunne zijn, dat een externe kracht hen controleert. Het mechanisme daarachter verstaan we nog niet helemaal.”
Schizofrene mensen lijken er ook een nogal eigen wereldbeeld op na te houden.

“Mogelijk is één van de kenmerken van schizofrenie dat de patiënt geen rekening meer houdt met het wereldbeeld van anderen. Ze passen hun model van de fysieke wereld niet meer aan. Bij koppels kan het zelfs gebeuren dat de normale persoon het wereldbeeld van de psychoot overneemt. In extreme gevallen kan dat leiden tot sektes die collectief zelfmoord plegen. Ik veronderstel dat de leider dan psychotisch is en zijn volgelingen overtuigd heeft van zijn visie. Hetzelfde zien we ook bij de mensen die geloofden dat de wereld op 21 mei zou vergaan. (geamuseerd) Soms verspreiden massale zinsbegoochelingen zich iets te gemakkelijk.”

Terwijl onze hersenen constant hun beeld van de wereld bijschaven, blijven we zelf soms zeer hardnekkig aan bepaalde overtuigingen vasthangen.
“Dat is waar. (lacht) Soms verdraaien we de feiten om ons wereldbeeld toch in stand te houden. Ondanks alle bewijs van het tegendeel is het vaak moeilijk om zo’n idee los te laten. Tegelijk is er een vorm continuïteit nodig. Je kunt niet om de drie weken van wereldbeeld veranderen.”

In zijn boek – overigens geestig geschreven, zelfs al gaat het over een serieus onderwerp – bewandelt Frith een tussenweg, enerzijds tussen de ‘echte’ wetenschappers die stellen dat psychologie geen wetenschap kan zijn en anderzijds tussen de psychoanalytici die beweren dat de menselijke geest zich nooit zal laat vatten door eender welke wetenschappelijke onderzoeksmethode. Met een flinke dosis zelfspot claimt hij dat psychologie wel degelijk wetenschappelijk kan zijn:

Het probleem van de psychologie is dus opgelost. We moeten ons geen zorgen meer maken over die zachte, subjectieve verslagen van onze innerlijke wereld. In plaats daarvan kunnen we de hersenactiviteit op een harde, objectieve manier meten. Misschien dat ik nu wel kan toegeven ik psycholoog ben.

De auteur toont aan dat het onderscheid tussen het geestelijke en het fysieke vals is. Het is een door ons brein gecreëerde illusie:

Alles wat we weten, of het nu over de fysieke of over de geestelijke wereld gaat, weten we dankzij ons brein. Maar de verbinding tussen onze hersenen en de fysieke objectenwereld is niet rechtstreekser dan de verbinding tussen onze hersenen en de geestelijke ideeënwereld. Door alle onbewuste beslissingen die het brein neemt voor ons te verbergen, geeft het ons de illusie dat we rechtstreeks in contact staan met fysieke voorwerpen. Ondertussen geeft het ons ook de illusie dat onze eigen innerlijke wereld op zichzelf staat en privé is.

Omdat we geen directe verbinding hebben met de fysieke wereld rondom ons, zo argumenteert Frith, moeten onze hersenen conclusies trekken op basis van de globale, onnauwkeurige gegevens die ze van onze zintuigen krijgen. “Die conclusies kunnen verkeerd zijn. Verder weet ons brein allerlei zaken die nooit onze bewuste geest bereiken”, schrijft hij. Niet alleen weten onze hersenen dingen die wij niet weten, ook nemen zij allerlei beslissingen buiten ons medeweten om, zelfs al hebben we de indruk dat wij die beslissing hebben genomen. “Onze ervaring dat we toch op dat moment een keuze maken, is een illusie. En als we onszelf alleen maar wijsmaken een keuze te hebben, maken we onszelf ook alleen maar wijs dat we over een vrije wil beschikken”, noteert Frith.

Ons brein functioneert als een soort cognitieve filter. “We zijn ons gewoonweg niet bewust van alle conclusies en keuzes die onze hersenen voortdurend moeten maken. Als er wat verkeerd loopt, kunnen onze ervaringen van de wereld zelfs compleet fout zijn”, schrijft de auteur. Dat roept een interessante vraag op: hoe kunnen we ooit zéker zijn van wat we beleven?

Een correct beeld van de fysieke wereld is echter niet onmogelijk. Ons brein leert de buitenwereld immers kennen door modellen van die wereld te creëren. “Dat zijn niet zomaar willekeurige modellen. Ze worden aangepast om de zintuiglijke gewaarwordingen die we ervaren als we met de wereld interageren op de best mogelijke manier te voorspellen”, legt Frith uit. Dat klinkt ingewikkeld. Eenvoudig gezegd komt het hier op neer: het brein leert constant uit zijn eigen fouten:

Fouten vertellen ons brein dat zijn model van de wereld niet goed genoeg is. Aan de hand van de aard ervan weet ons brein hoe het zijn model van wereld kan verbeteren. De kring is rond en het brein kan herbeginnen, steeds opnieuw tot de fouten te onbeduidend geworden zijn om zich nog zorgen over te maken. Gewoonlijk volstaat een paar van dergelijke cycli en doet ons brein daar slechts 100 milliseconden over.

Van dat complexe mechanisme zijn we ons – gelukkig maar – niet bewust. “Als we ons bewegen, beseffen we nauwelijks dat we iets voelen en we zijn er ons zelden van bewust dat we onze bewegingen corrigeren, ook al doen we dat vrijwel voortdurend. Maar op de achtergrond werkt ons brein hard door om dat comfortabele gevoel teweeg te brengen”, verklaart Frith. Doordat het brein voortdurend zijn modellen van de wereld aanpast zonder dat wij dat beseffen, lijken we de wereld moeiteloos en rechtstreeks te blijven ervaren.

“Je zou kunnen zeggen dat onze waarnemingen fantasieën zijn die samenvallen met de werkelijkheid”, schrijft Frith. “Door gebruik te maken van gecontroleerde fantasie, ontsnapt ons brein aan de tirannie van onze omgeving.” Bij mensen die lijden aan schizofrenie komt het model echter niet overeen met de fysieke wereld, de gouden standaard voor onze modellen. De fantasie vormt een eigen werkelijkheid waaruit het zeer moeilijk te ontsnappen is:

Als hun beleving onwaarschijnlijk of onmogelijk lijkt, zullen ze eerder hun ideeën over hoe de wereld in elkaar zit veranderen, dan de echtheid van hun ervaringen ontkennen. Hoe dan ook, hallucinaties verbonden aan schizofrenie hebben een zeer interessante eigenschap: het zijn geen ervaringen over de fysieke wereld. Het is niet enkel een kwestie van kleuren zien en geluid horen. Neen. De schizofrenen horen stemmen commentaar geven op hun acties, suggesties doen en bevelen geven. Met andere woorden: ons brein kan ook een valse geestelijke wereld creëren.

Ook bij ‘normale’ mensen kunnen de verwachtingen zo sterk zijn dat ze zien wat ze verwachten, in plaats van wat er werkelijk is, merkt Frith op. Toch blijven de meeste mensen het gevoel hebben dat ze over een vrije wil beschikken, zelfs al zijn heel wat handelingen voorspelbaar, zelfs bij gamers, zoals ik gisteren las. Frith wil de mensen er zeker niet van overtuigen hun illusie van vrije wil te doorprikken. “Zelfs een illusie heeft verantwoordelijkheden”, stipt hij immers aan.

Lees dat boek, maar doe het uit vrije wil, niet omdat ik het u bevolen heb.

Ons brein. Hoe de hersenen het verstand te boven gaan. Chris Frith. Uitgeverij Epo. 263 pagina’s, 22,50 euro.

Geen racist

14 juni 2011

Voor Humo ging ik vorige week op stap in enkele buurten waar zich de voorbije vier jaar een hoop migranten uit Oost-Europa gevestigd hebben. Het grappige is dat de Turkse Gentenaars daarover klagen zoals vele autochtone Belgen doen over de Turken. Omgekeerd foeteren de Bulgaren op Turkse koppelbazen. Allemaal hebben ze een flesje Jupiler in de handen.

Hieronder de lange versie van de reportage die vandaag in Humo is verschenen.

Turken zijn het beu dat Oost-Europeanen hun Gent overspoelen. Bulgaarse migranten morren over Turkse koppelbazen. Het botst en het wringt, maar over drie punten is iedereen het eens: vreemdelingen moeten Nederlands leren, de politie moet strenger optreden en het vele afval op straat begint tegen te steken. Dat de allochtonen het zelf gezegd hebben!

De muziek staat luid, schrikwekkend luid. En neen, het is geen Turkse pop, maar het goeie ouwe ‘Child in Time’ van Deep Purple. Meer argumenten heb ik niet nodig om Café Cavalia, in de Gentse wijk Brugse Poort, binnen te springen.

Het klantenbestand is multicultureel samengesteld. Enkele autochtone Belgen zitten wezenloos voor zich uit te staren – het lijkt wel alsof hun levensvreugde chirurgisch verwijderd is. Vier Turken vinden levensvreugde in het bekendste merk van hun nieuwe vaderland: Jupiler. Gezellige boel.

Na de hardrock uit de jaren zeventig is het de beurt aan Phil Collins – gelukkig een hit uit de tijd dat hij nog niet potdoof was. Vervolgens valt het gezwollen timbre van Luc Steeno uit de boxen. Ook dit is multicultuur.

Nog een schlager later wordt het zelfs barvrouw Sonja te veel en gaat het volume een paar decibels naar omlaag. Comfortabel voor het gehoor is het nog niet, maar ik kan tenminste al een openingsvraag stellen. Hoe het nu eigenlijk zit met al die Oost-Europeanen in de Brugse Poort bijvoorbeeld. Sonja trekt meteen een bedenkelijk gezicht. ‘Nederlands kunnen ze niet, behalve: ‘Mevrouw, een euro alstublieft.’ Dat lukt dan weer wel. Zelfs de Turkse klanten klagen erover.’

De Turkse klanten, ’t zijn die mannen die ik wil spreken. ‘Kapstok!’, roept Sonja meteen, ‘Kapstok, kom eens hier! D’r is hier een journalist. Voor een paar vragen te stellen.’ Ik hoop dat Kapstok zijn roepnaam is, want met die exotische Turkse namen weet je nooit. Als Musa (38) bij ons komt staan, vraagt Sonja meteen of hij zich ook zo ergert aan de Oost-Europeanen. “Ik?! Ja, eigenlijk wel. Al heb ik er persoonlijk geen last van’, antwoordt hij zonder veel gepieker.

Waar moet hij zich dan zo nodig aan ergeren? ‘Vlakbij was er een kraakpand waar tot voor kort twintig of dertig zigeuners woonden. De politie deed niets. Wij belden herhaaldelijk wegens overlast, maar er gebeurde niets. Dat probleem is pas opgelost toen de eigenaar het huis verkocht heeft’, vertelt Musa hoofdschuddend.

Volgens hem loopt het de spuigaten uit in de Brugse Poort. De Gentse wijk haalt regelmatig de pers met verhalen over de onhoudbare toevloed van migranten uit Centraal- en Oost-Europa. Eind vorig jaar lanceerde burgermeester Daniël Termont (sp.a) zelfs een oproep aan de Gentenaars om de Roma niet meer te helpen. Zelf woont Musa al zijn hele leven in de volkswijk. In dertig jaar tijd heeft hij de buurt hard zien veranderen. ‘Vroeger leefde hier een Turkse en een Marokkaanse gemeenschap. Het was niet perfect, maar toch veel rustiger dan nu. Ik moest van mijn ouders voor het donker thuis zijn. De kinderen van tegenwoordig krijgen geen opvoeding meer. Om één uur ’s nachts lopen ze nog rond.’

Als kinderen het enige probleem waren, zou Musa zich allicht niet zo opwinden. ‘Veel vreemdelingen krijgen geld van de staat en drinken dat op. De drugsdealers lopen er allemaal chic gekleed bij, maar leven officieel wel van het OCMW.’ Sonja knikt bevestigend: ‘Na één week in België krijgen die mensen al een uitkering.’

Wat Musa extra stoort, is dat het nog altijd de Turken zijn die van alles de schuld krijgen. ‘Vroeger was dat ook al zo. Als een Arabier iets had mispeuterd, was de reactie toch: kijk, het zijn weer de Turken die ’t gedaan hebben!’, blaast hij. ‘Pas op, ik heb zelf ook last van sommige Turken. Ik erger er mij aan dat sommigen hier al twintig jaar rondlopen met een Belgische identiteitskaart, maar nog altijd geen Nederlands spreken.’

Over de toekomst van de Brugse Poort is hij zeer pessimistisch. ‘We zitten in de shit. Deze problemen kunnen ze niet meer herstellen, tenzij de overheid strenger gaat optreden tegen criminelen: wie een strafblad heeft, moet het land verlaten’, legt de Turkse Gentenaar uit. Maar harde repressie zal geen wondermiddel zijn als er tegelijk steeds meer jobs verloren gaan. ‘Als de industrie blijft wegtrekken uit België, zullen mensen elkaar over vijf jaar vermoorden voor een brood. Nu al worden er op klaarlichte dag oude mensen beroofd.’

Gaat het dan werkelijk crescendo met de criminaliteit in Gent? Hoofdcommissaris Steven De Smet, de schrandere spreekbuis van de Gentse politie, onktent. ‘Dat moet ik tegenspreken. Ja, onlangs waren er een paar harde conflicten, maar ik werk nu al 33 jaar bij de politie en ik kan zeggen dat de criminaliteit afneemt.’

De conflicten waar De Smet het over heeft, zijn de twee recentste schietpartijen in de Sleepstraat, één in november vorig jaar en een tweede enkele weken geleden. Toen raakte een 21-jarige jongeman levensgevaarlijk gewond. De Gentse flik situeert die incidenten in het criminele milieu. ‘Je mag ook niet vergeten dat Oost-Europese migranten dikwijls uit landen komen waar al generaties lang een oorlogssituatie heerst. Bij een conflict halen zulke mensen snel een mes boven. Of een ander wapen. Daar heersen andere regels.’

Dat de politie niets doet, zoals Musa beweert, klopt niet. ‘Wij ondernemen wekelijks acties tegen mensenhandel en drugshandel. Dat is niet meteen zichtbaar voor de burger, maar die acties hebben wel degelijk effect. Vorig jaar zijn we specifiek in de Brugse Poort begonnen met een preventieve, proactieve en repressieve aanpak. Ook de Turkse gemeenschap apprecieert die inspanningen. De meeste mensen vinden het goed dat er af en toe een grote controle gebeurt.’

De Smet benadrukt dat de politie de klachten van de bewoners serieus neemt. ‘Onze prioriteit moet zijn wat er bij de mensen leeft. Als mensen aanvoelen dat er een veiligheidsprobleem is, dan is er één. Punt.’

Als ik opmerk dat de Turkse Gentenaars steeds meer beginnen te klinken als bange blanke mannen, hoor ik De Smet grijnzen. ‘L’histoire se répète. De Turken vragen ons inderdaad regelmatig: ‘Wat gaan jullie doen aan al die vreemdelingen?’ Maar het grotere probleem van de toestroom uit Oost-Europa kunnen wij niet oplossen. Dat vergt een Europese aanpak. Weet je waar de burger zich uiteindelijk het hardst aan ergert? Aan het vuil op straat. Dat werkt het meest op mensen hun kloten, als ik me zo mag uitdrukken. Ook daar proberen we iets aan te doen.’

Terug naar Café Cavalia. Musa trakteert me een pint en besluit zijn litanie met een scherpe uitsmijter voor de Vlaamse goegemeente: ‘Blijf gerust in uw villa’s en trek u niets aan van ons.’ Aangezien ikzelf geen villa heb, voel ik me niet aangesproken.

Musa heeft wel een punt. Hoeveel autochtone Vlamingen wonen er eigenlijk nog in de Brugse Poort? In de Bevrijdingslaan, de hoofdstraat van de buurt, zie je maar weinig oorspronkelijke Belgen rondlopen. Maar ze zijn er wel. Eén van hen is Edmond Cocquyt Jr. (35), die in februari nog de internationale pers haalde met het uitbundig gevierde Wereldrecord Regeringsvorming. Enkele jaren geleden is hij van hartje Gent verhuisd naar de Brugse Poort.

‘Bijna iedereen is hier weggetrokken in de jaren zestig en zeventig, op het moment dat er grote economische welvaart was’, vertelt hij. ‘Veel mensen zijn naar de rand rond Gent verhuisd, weg van de volkswijken. Ze hebben een eigen huis gebouwd met een mooie tuin. In de verlaten volkswijken zijn de eerste Turken komen wonen, mede omdat de huur- en koopprijzen zo laag waren. Van de oorspronkelijke buurtbewoners blijven alleen enkele oudere mensen over. Dat is een spijtige evolutie, maar het zij zo.’

Sinds een hoop Oost-Europese landen zich aangesloten hebben bij de Europese Unie is er een nieuwe evolutie op gang gekomen. De statistieken van de Integratiedienst van de stad Gent liegen er niet om. Al in 2007, het jaar van de toetreding van Bulgarije, schoot het aantal Bulgaarse inwijkelingen de hoogte in. Tot en met 2006 schommelde het aantal Bulgaren steevast rond de 800, ondertussen zijn het er al bijna 5.000. Eind 2010 telde Gent haast 8.000 burgers uit nieuwe EU-landen.

‘Voor een middelgrote stad als Gent is zo’n toename gewoonweg te veel. De stad en vooral de Brugse Poort kunnen die toevloed niet meer aan. Daardoor is het helaas zeer gemakkelijk om rechts te worden als je in deze buurt woont. Er is hier bijna niemand die nog zegt dat de multiculturele maatschappij een succesverhaal is. Ik blijf hier wel wonen. Op de een of andere manier ben ik van deze buurt beginnen te houden’, zegt Cocquyt.

Enkele jaren geleden ondernam hij een poging om via de cafés contact te leggen met de verschillende bevolkingsgroepen. Cocquyt geeft immers al vijftien jaar caféplannen uit van de Vlaamse centrumsteden en stapte dus ook in zijn eigen buurt alle cafés binnen. ‘Ik wou de mensen leren kennen. Maar vaak word je gewoon buiten gekeken. ‘Wat komt gij hier doen?’, zie je ze denken. Op dat moment vraag ik mezelf ook af wat ik daar kom doen. Als je daar als enige Gentenaar zit, kun je wel even lol maken met de klanten, maar echt contact heb je nooit. De verschillende bevolkingsgroepen die nu in de Brugse Poort wonen, praten en leven niet met elkaar, maar naast elkaar.’

Ik stel hem voor samen nog eens een poging te wagen. Wie weet hebben we met twee meer succes? Even later zitten we aan de toog van Café Bulgarana in de Bevrijdingslaan. ‘Understand English only very petit’, antwoordt het barmeisje als ik vraag of het een Bulgaars café is. Ze is zelf nog maar vijf maanden in België. Het café is nauwelijks anderhalve maand open. Ze wijst naar een klant die beter Nederlands kan.

Zolang ik hem maar niet met zijn echte naam citeer, wil Chepito (28) ons graag te woord staan. Hij is Turks-Bulgaars en werkt als zelfstandig stucadoor in de bouw. Dat we hem overdag op café treffen, is slechts te wijten aan een stom arbeidsongeval. ‘Van de trap gevallen. Ik betaal wel degelijk belastingen én RSZ: 650 euro per kwartaal’, beklemtoont hij voor alle duidelijkheid. In de avondschool volgt hij Nederlandse les. Niet omdat hij onze taal zo mooi vindt, wel uit praktische overweging. Zonder kennis van het Nederlands vallen Bulgaren immers al te gemakkelijk ten prooi aan Turkse koppelbazen – in Gent zouden er zo’n vijftig actief zijn. De koppelbazen fungeren als illegaal interimkantoor en strijken zo aardige winsten op.

Chepito doet zijn beklag over de koppelbazen. ‘Belgische opdrachtgevers nemen contact op met Turkse tussenpersonen. Die ronselen vervolgens Bulgaarse werkmannen. De koppelbaas ontvangt 20 euro per gepresteerd uur, waarvan wij uiteindelijk maar 8 of 10 euro zien. Daarom is het belangrijk dat we Nederlands leren, zodat we zelf werk kunnen zoeken. Ik werk het liefst rechtstreeks met Belgische mensen, die zijn tenminste correct. Als je geen Nederlands spreekt, word je uitgebuit.’

Ook Elza Docheva (35) is geen al te grote fan van de Turken. Als bazin van het Bulgaarse café De Olijftak heeft ze gelukkig geen last van koppelbazen. ‘Turkse klanten zijn wel vaak agressief en denken dat elke Bulgaarse vrouw in de prostitutie zit’, zegt ze boos. Ze woont al elf jaar in Gent. ‘Pas vandaag heb ik de Belgische nationaliteit gekregen. Tegenwoordig ontvangen de meeste nieuwkomers hun papieren al na enkele weken en krijgen ze meteen een leefloon. Ik heb nooit van het OCMW getrokken. Ik ben niet naar België gekomen om te profiteren. Ieder jaar betaal ik tussen de 12.000 en 18.000 euro belastingen. Mijn papieren zijn allemaal in orde. Voor mijn part mag er zelfs meer controle komen op horecazaken.’

Volgens de kordate cafébazin is België te laks. ‘Hier mag alles. Je kunt gemakkelijk een café openen met valse papieren. In Bulgarije gaat dat niet’, verwijt ze ons.

In haar café zitten thans vooral Bulgaren. ‘Maar iedereen is hier welkom, zolang ze niet beginnen met drugs of prostitutie. Ik heb eens in één week tijd zeventien Marokkanen buiten gestoken wegens drugs. Ik wil mijn zaak niet kapot laten maken.’

Net zoals zovele mensen vindt Elza dat er te veel Roma zijn neergestreken in de Brugse Poort. ‘Er is overlast. Kleine diefstal: een fiets die opeens weg is, een tafel die wordt gestolen. Deze wijk kan de toevloed niet meer aan. De poort blijft maar openstaan voor iedereen die naar hier wil komen.’ Ze raadt ons enkele cafés aan in de naburige Rabotwijk waar Cocquyt en ik Roma kunnen ontmoeten. Bulgaarse Roma, stipt ze aan. ‘Roma komen niet alleen uit Bulgarije, maar vooral uit Slowakije. Die mensen stelen en steken anderen neer. Gevaarlijk!’

Haar waarschuwing voor moorddadige Roma spoel ik door met een pintje, maar waar Elza stellig wel gelijk in heeft, is dat zo goed als alle Slowaakse inwijkelingen in Gent Roma zijn – de stad schat hun aantal op een goede 1.700 mensen. Die groep is veel moeilijker te bereiken – wij zullen er alvast geen tegenkomen.

We arriveren in de Wondelgemstraat, de levendige hoofdader van de voor de rest wat uitgewoonde Rabotbuurt. De olijke Turkse Gentenaar Ahmet Sönmez (38) meldt ons meteen dat het hier vol zit met zigeuners. ‘Mijn huurder is een echte Bulgaar. Die moet niet weten van Roma’, flapt Ahmet eruit. ‘Tien jaar geleden kwamen Bulgaren hier werken, werken, werken en toen waren ze weer weg. De laatste jaren komen er vooral zigeuners. Die blijven. Europa heeft de grenzen opengesteld en ze zijn beginnen toe te stromen. België is te tolerant. Onze broek is afgezakt en nu staan we met ons gat bloot.’

Ook Ahmet is ervan overtuigd dat de Roma naar België gekomen zijn om te profiteren. ‘Wij Turken hebben altijd gewerkt. Die nieuwe allochtonen generen zich niet om te komen leven van belastinggeld. Dat is niet rechtvaardig. Ik dúrf zelfs niet naar het OCMW te stappen!’

In zijn platste Gents laat Ahmet verstaan dat het hem stilaan zijn kloten uithangt in het Rabot. ‘Onlangs was er ruzie op straat, met een deuk in het portier van mijn auto tot gevolg. De politie heeft een pv opgesteld. Wat kreeg ik een paar dagen later te horen? Dat de zaak geseponeerd werd en dat ik kon fluiten naar een schadevergoeding. Echt waar, ik ben van plan mijn huis hier te verkopen. Als ik iets vind in Wondelgem of Evergem ben ik hier weg. Vrienden van mij ook.’ De bange blanke mannen achterna, plaag ik hem.

Ahmet is wel zo fair om de hand in eigen boezem te steken. ‘Misschien hebben we het probleem zelf ook een beetje uitgelokt. Veel Turken verhuren huizen aan Bulgaren, waardoor er een zekere concentratie ontstaat. Er is zelfs sprake van huisjesmelkerij’, erkent hij.

Even later ontmoeten we de gevreesde Roma in Bar Bulgariya. Cocquyt en ik krijgen zowaar een warm onthaal. Martin Asenov (30), een Rom uit de Bulgaarse stad Sjoemen, is wat blij dat hij zijn verhaal kwijt kan aan een Vlaamse journalist. Hij heeft asiel aangevraagd in België. ‘Al elf jaar woon ik in Gent, maar ik ben nog altijd geen Belg. Enkele jaren geleden ben ik door de wijkagent van mijn domicilie-adres geschrapt zonder dat ik het wist. Ik was immers verhuisd. Toen ik een aanvraag indiende om Belg te worden zei de stad: ‘Sorry, jij hebt hier de afgelopen drie jaar niet gewoond.’ Onbegrijpelijk. Ik betaal óók belastingen. Ik wil ook een huis kopen. Mijn kinderen zijn hier geboren, ze praten goed Nederlands. Ze hebben de Belgische nationaliteit en zijn deel van de Vlaamse traditie. Ze kennen meer Belgen dan Bulgaren of Roma.’

Ondanks het veelkoppige monster van de bureaucratie denkt Martin er niet aan terug naar Bulgarije te keren. ‘Hier is het nog altijd veel beter. Waarom zou ik anders in België blijven? In Bulgarije verdienen wij maar 100 euro per maand, hier is dat 2.000 euro. Ik ga nooit meer terug naar Bulgarije!’, zegt hij fel. ‘Daar ben ik volgens de regering geen echte Bulgaar. De regering in Bulgarije heeft geen respect voor Roma. Ze krijgt geld van Europa om de situatie van de Roma te verbeteren, maar op geen enkele manier komt dat geld onze gemeenschap ten goede. Dan is men in Gent veel vriendelijker voor ons, zelfs al heeft de helft van de Bulgaarse Roma geen job.’

Enkele Roma die het Nederlands nog niet zo behendig hanteren als Martin beginnen meteen opgewonden te raken als ze verstaan dat het over werk gaat. De koppelbazen komen weer ter sprake. ‘Het zijn slechte mensen. Vaak betalen ze ons loon niet uit. Turken mogen de wet omzeilen, maar wij niet. Soms moeten we drie uur rijden naar een werkplaats, om daar zeer lang te werken. Voor maar 6 euro per uur’, vertelt Martin. ‘Die zaken gebeuren nog altijd. De enige remedie is Nederlands leren om zo zelfstandige te worden, zonder koppelbazen.’ Ik neem akte van het zéér heftige geknik van de andere Roma.

Volgens Martin maken de koppelbazen handig gebruik van de vage legale status van de nieuwe migranten. ‘Nu werk ik met een arbeidscontract in de distributie. Bulgaars eten en drinken. Ooit heb ik één jaar van het OCMW geleefd. Omdat ik wou werken, trok ik naar de VDAB. Ik wil geen belastinggeld om te kunnen eten, ik wil wérken voor mijn boterham. Maar als je papieren niet in orde zijn, krijg je geen job. Zelfs kuisen mag je niet doen. Het enige wat dan overblijft, is in het zwart werken voor Turkse koppelbazen. Dat heb ik zelf ook nog gedaan, ja. Wat kon ik anders uitrichten? Mijn kinderen moesten ook eten.’

Martin hoopt dat er snel een nieuwe regering is. ‘De Belgische regering is in slaap gevallen. Ze zou Turkse zelfstandigen die Bulgaren in dienst nemen eindelijk eens moeten beginnen te controleren. Ook hier en nu denken veel Turken nog zoals ze deden ten tijde van het Ottomaanse Rijk: wij zijn de baas’, zegt Martin met een spottende grimas.

Ondertussen ziet hij ook de relatie met de autochtone Belgen achteruit gaan. ‘Vijf jaar geleden gedroegen veel Vlamingen zich oké tegenover ons. Nu is er veel meer racisme. Mensen moeten met elkaar praten. De burgemeester moet hier binnenkomen! Ik wéét dat dit een Belgische stad is. Ik ben hier inderdaad een bezoeker. Mijn papieren zijn Bulgaars, maar mijn hart is Belgisch. Ik hoop me volgend jaar ook officieel Belg te kunnen noemen’, vertelt Martin met passie.

Hij probeert ons ervan te overtuigen dat er uit Bulgarije niet veel Roma meer zullen komen. ‘Waarom niet? Van het miljoen Roma in Bulgarije is 80 procent al vertrokken naar West-Europa. Alleen de oude mensen blijven achter’, zegt Martin schamper. Het doet me denken aan wat er veertig jaar geleden gebeurd is in de Brugse Poort.

Volgens de Turks-Bulgaarse Denislava Tcholokova (43), die achter de toog staat in Emi Café, zijn de Roma in de eerste plaats om economische redenen uit Bulgarije vertrokken. ‘Al speelt het racisme ook mee. In Oost-Europa is er de afgelopen twintig jaar eigenlijk nauwelijks iets veranderd. Het is er nog altijd geen echte democratie’, oordeelt ze.

Al twintig jaar wonen zij en haar familie in België. Van Gent houdt ze niet. ‘Ik zit liever in Oostende, waar we een restaurant hebben. Daar kennen de verschillende gemeenschappen elkaar veel beter. Ik ben geshockeerd door de manier waarop het er hier aan toegaat. Gentse Turken profiteren van Bulgaren. In Oostende gebeurt dat niet. Het Rabot is ook vuil. Papier wordt zomaar op straat gegooid, zowel door Oost-Europeanen als door Turken. Ze hebben geen respect voor hun buurt. Een uur nadat de veegdiensten gepasseerd zijn, ligt de straat weer vol afval. Ga maar eens kijken buiten.’

Ceto Corkmaz (30) geeft haar gelijk – tenminste toch over het afval. De jonge Turk nodigt ons uit aan zijn tafeltje in Café Cel Neco. ‘Leest de burgemeester Humo?’, vraagt hij nieuwsgierig. Ik knik. Uiteráárd leest hij Humo. ‘Schrijf dan maar op dat er meer gekuist moet worden!’, beveelt Ceto schalks. Voor de rest heeft hij niets dan lof voor de Gentse burgervader. ‘Hij wil van deze straat een caféstraat maken. Dat is goed! Wie hier een café wil beginnen, krijgt meteen toelating.’

Het Rabot is echt een goede buurt, zo probeert Ceto me te overtuigen. Al 27 jaar woont hij hier. ‘Iedereen komt eigenlijk goed overeen in de Wondelgemstraat. Schietincidenten zullen hier niet snel gebeuren. Vroeger was het anders, dan kwam je ’s nachts beter niet buiten’, weet hij. Ik vraag hem wat er dan wel veranderd is. ‘Iedereen kent elkaar beter door de vele winkels en bakkerijen. Ik denk dat er hier ook minder drugsgebruikers zijn dan in de Brugse Poort. Dat is een slechte buurt. Veel drugs. Het is goed dat de politie daar elk weekend controle doet.’

‘Zolang iedereen zich aanpast, is er geen probleem. Als je hier wilt wonen, moet je Nederlands leren. Ik vind dat belangrijk. Sommige mensen verstaan geen kloten Nederlands’, maakt Ceto zich een beetje boos. De twee dames die ook aan ons tafeltje zitten, vragen hem iets in het Turks en er ontstaat een levendig gesprek waar ik kop noch staart aan kan knopen. ‘Sorry dat we Turks praten, hé. Deze mensen kunnen nog geen Nederlands’, verontschuldigt hij zich.

Nog één halte en dan houd ik m’n multiculturele kroegentocht voor bekeken. Thee afwisselen met Jupiler blijkt het lichaam weinig comfort te bieden. Ik stap het Camli Kösk Café binnen, gewoon omdat hier naast de Turkse vlag ook de Belgische hangt. Net zoals in zovele Turkse cafés komt de verlichting van buislampen. Het zachte tapijt probeert het harde TL-licht te counteren. Op de tv probeert een Turkse versie van Goedele Liekens – geblondeerd, big hair alsof er nooit een eind gekomen is aan de jaren tachtig – een talkshow in goede banen te leiden. Ik versta geen jota van het gesprek, maar het ziet er tegelijk doodserieus en extreem bespottelijk uit.

Cemal Yilmaz (29), zoon van de eigenaar, versta ik wel. ‘Ik ben geen racist, maar die Oost-Europeanen zoeken boel, ze steken mensen dood en wiens schuld is het dan weer? De onze’, zegt de jonge Turk bij wijze van introductie. Hij maakt zich ernstig zorgen over de samenlevingsproblemen. ‘Ik wil dat er een oplossing komt, maar hoe die er moet uitzien? Geen idee. Misschien zou een nieuwe regering al een goed begin zijn?’

Ik vraag hem wat dan wel het probleem is. ‘Dat ze iedereen hebben binnengelaten, natuurlijk’, zegt hij, mij achterdochtig bekijkend. Alsof ik dat nu niet weet. ‘Mensen moeten zich beter integreren. Ja, ook de Turken. We zijn hier nu al veertig jaar in België en nog altijd zijn er veel Turken die geen Nederlands spreken.’

Hopend dat ik de Turkse trots niet te veel krenk, pols ik voorzichtig naar de koppelbazen waarover de afgelopen weken al het een en ander is opgedoken in de Vlaamse pers. Cemal en zijn kameraad Kadir Akkas (42) denken dat dat allemaal wat overdreven is. Iets van vroeger. ‘Vergeet niet dat veel Oost-Europeanen net dankzij de Turken een job en een huis vinden. Ze gebruiken de Turken om te leven’, stelt Kadir zelfs. Cemal knikt: ‘Bij een Belg zouden ze niet gemakkelijk iets kunnen huren.’

De twee stippen ook aan dat de Turkse gemeenschap investeert in België. ‘Polen komen naar België om zich kapot te werken, maar al hun geld vloeit terug naar hun thuisland. Zelf blijven ze ook niet. Wij wel. Wij kopen huizen en beginnen zaken. Dat is goed voor de economie’, vertelt Cemal. ‘Ik merk wel dat steeds meer Bulgaren ook van plan zijn in België te blijven.’ Hij vindt dat positief.

‘De echte Belgen zijn jammer genoeg weggetrokken uit de buurt’, betreurt Cemal, al begrijpt hij maar al te goed waarom. Hijzelf woont evenmin in het Rabot, maar pal in het stadscentrum, vlak bij de Gras- en Korenlei. ‘Ik zou niet in deze straat willen wonen. Liever rustig tussen de Belgen’, grijnst hij. ‘Wij hebben de mentaliteit van de Belgen overgenomen. We zijn geïntegreerd. Maar toch hebben ook wij geen land. In België zijn we nog altijd geen echte Belgen. Mensen zien onze bruine huid, en denken nog altijd in de eerste plaats: een allochtoon! In Turkije worden we dan weer beschouwd als Europeanen. Soms voelen we ons zigeuners in eigen land. En ik weet nu zelfs niet wat ik bedoel met ‘mijn eigen land’!’, lacht Cemal. ‘In Gent voel ik mij wel nog altijd het best thuis. Dit is waar we leven.’

Na afloop van de odyssee is Cocquyt onder de indruk. ‘Kijk, het is dan toch gelukt om al die verschillende mensen te ontmoeten en contact te leggen. Daar ben ik blij om. Het is dus mogelijk’, zegt hij met hernieuwd enthousiasme. Zijn geloof in het multiculturele sprookje is daarmee niet hersteld, maar stilletjes hoop ik dat hij werk zal maken van een caféplan over allochtone cafés. Al was het maar opdat de Vlaamse villabewoner een pintje kan gaan drinken met Musa.

Turken

3 juni 2011

Hemelvaart, Schmemelvaart. Ik heb gewerkt, gisteren. De hele middag rondgelopen in de Wondelgemstraat in Gent. Turken gevraagd waarom ze toch zo fanatiek voor de nationale ploeg van hun land van oorsprong blijven supporteren. Wijze gasten, die Turken.

Als Turkije vanavond de Rode Duivels inblikt, weet iedereen al wat er zal gebeuren: alle Turkse wijken in België zullen ontploffen. Karavanen van toeterende auto’s zullen voor een hels kabaal zorgen. Zouden ze ook zo luidruchtig vieren als België wint? Neen. Waarom niet? In de onderliggende reportage staan enkele antwoorden.

Vandaag staat deze repo in De Morgen – koop die gazet, want er staan prachtige foto’s bij van Jonas Lampens. Dit is de lange, ongekapte versie. Zoals altijd mijn favoriete versie.

De reportage in de krant is kleiner van lengte, maar schoner van opmaak. Koop die krant!

Sommige Turkse Belgen zijn Belgischer dan andere, maar allemaal zijn ze even Turks. Dát is de reden waarom Belgische Turken vanavond, bij de cruciale wedstrijd België-Turkije, massaal voor hun land van oorsprong zullen supporteren. ‘Sport en nationalisme hangen sterk samen. En Turken zijn heel nationalistisch.’ Op zoek naar de Turkse voetbalziel.

“Dat de beste moge winnen!”, zegt Ahmet Sönmez (38) met een gulle lach. Hij haalt grijnzend zijn schouders op als ik vraag wie er dan de beste is. “Ik heb de dubbele nationaliteit, ik win altijd bij zo’n duel.”

Ahmet zit met enkele vrienden te keuvelen op het trottoir van de drukke Wondelgemstraat, de bruisende slagader van de Gentse Rabotwijk. Net als zovele andere Turkse Gentenaars genieten ze van het mooie weer. Dit is hun wijk. Nergens anders in België vind je zoveel Turkse winkels, cafés, restaurants, bakkers en slagers bij elkaar.

Het is ook deze straat die vol claxonnerende wagens zal stromen als het Turkse elftal wint van de Rode Duivels. Waarom toch? “Omdat het Turken zijn natuurlijk! Je kunt het kind uit het land halen, maar het land niet uit het kind”, zegt Ramazan Göktepe (42). Hij is eigenaar van grand café Godot, een chique brasserie in het historische centrum van Gent. Op zijn menukaart zul je geen Turkse specialiteiten vinden, maar toch blijft hij zijn roots koesteren. “Natuurlijk zal ik supporteren voor Turkije”, knikt hij. “Al vrees ik wel dat het een gelijkspel zal worden. België is goed bezig de laatste tijd.”

Cemal Yilmaz (29) vreest geen gelijkspel, hij hóópt erop. “België mag zelfs winnen. Want als Turkije wint, zal het hier weer wat zijn.” Cemal baat het Kamli Kösk Café uit in de Wondelgemstraat en heeft duidelijk geen zin in opstootjes na een Turkse zege. “Mensen moeten vredevol naar het voetbal kijken. Sommige jongeren zijn helaas boelzoekers. Als Belgen in Turkije zouden doen wat sommige Turken hier doen, ze zouden slaag krijgen”, zucht hij. “De meeste Turken zijn fanatiek, maar mij maakt het niet veel uit wie er wint. Voetbal en politiek interesseren mij niet.”

Daarmee is hij een onwaarschijnlijk grote uitzondering. Volgens sporteconoom Trudo de Jonghe, die aan de Lessiushogeschool het vak ‘sport in de wereld’ geeft, hangen voetbal en politiek net heel hard samen. “Sport is ontstaan in de negentiende eeuw, toen ook het nationalisme opkwam”, doceert De Jonghe. “Sport is één van de natievormende elementen, naast geschiedenis, religie of het leger. Het is niet voor niets dat voor een internationale sportwedstrijd nog altijd de volksliederen worden gespeeld. Daar komt nog bij dat Turkije een heel nationalistisch land is. Dat kun je van België niet zeggen.”

Sociologe Klaartje Van Kerckem, die aan de UGent onderzoek doet naar de multidimensionaliteit van identiteit, kan zich vinden in die analyse. “Symbolische etniciteit is het laatste wat verdwijnt bij migranten. Voor Turken is voetbal daar een voorbeeld van, net zoals hun keuken”, zegt ze. “Ik ken niemand die zich schaamt om Turk te zijn. Ze zijn zeer nationalistisch, hoe Belgisch ze zich ook voelen. Die twee identiteiten kunnen perfect samengaan. Al is Turk zijn eerder iets cultureels. Ze voelen zich het best bij Turkse mensen. Belg zijn is meer iets wettelijks. Daarmee willen ze aangeven dat ze hier geboren zijn.”

Volgens haar is de Turkse identiteit bij alle Turken, overal in België, even sterk. Het verschil zit hem in hun identificatie met België. “Hoe negatiever de reacties op hun Turkse identiteit, hoe minder Belg ze zich voelen”, verklaart Van Kerckem.

Het is zowaar het verhaal van Mevlüt Tapmaz (31), uitbater van Hisar Snack in de Wondelgemstraat. Ook hij hoopt dat Turkije de Rode Duivels vanavond verslaat. “Negentig procent van de Turken is voor de Turkse ploeg”, stelt hij. “Hoe dat komt? Het nationalisme, hé. En hier zijn we een minderheid. België aanvaardt ons niet. Ik heb veel Belgische klanten. Ze zijn altijd zeer vriendelijk. Maar als je dieper ingaat op thema’s als migratie, komt er een onderliggende afkeer naar boven. Zelfs van mensen van wie je ’t niet had verwacht”, zegt hij met spijt in zijn stem. “In vele discotheken en cafés worden we gediscrimineerd: we mogen er niet binnen omdat we ‘zwartkopjes’ zijn. Maar ik ben hier óók geboren. Op den duur draai je je om, keer je je af. Waarom zou je nog moeite blijven doen om aanvaard te worden als Belg?”

Cemal Yilmaz volgt dat denkspoor niet. “Sommige Turken moeten zich toch beter integreren. We zitten hier nu al veertig of vijftig jaar in België en waar staan we?”, merkt hij op. In het gezin waar hij opgroeide, moest hij zich niet te nationalistisch gaan gedragen, onvervond hij snel. “Toen ik een jaar of acht was, liep ik op een dag op straat met een Turkse vlag rond mijn schouders – niet eens vanwege een voetbalmatch of zo. Ik heb toen serieus onder mijn voeten gekregen van mijn oudere broer”, herinnert hij zich.

In de meeste Turkse gezinnen lijkt het tegenovergestelde echter te waar te zijn: daar wordt nationalisme op prijs gesteld. “Vergeet niet dat vele ouders die in Turkije opgegroeid zijn nauwelijks scholing gekregen hebben. Als ze op de schoolbanken iets geleerd hebben, was het de grootsheid van het Ottomaanse Rijk en dat ze Ataturk niet mogen beledigen. Er is sprake van indoctrinatie”, zegt De Jonghe scherp.

Zo cru wil Van Kerckem het niet verwoorden, maar ook zij erkent dat nationalisme meegegeven wordt met de ouders. “Door huwelijksmigratie wordt het voortdurend versterkt”, vult ze aan. Maar er is nog een ander aspect: Turken zullen hun ouders nooit de rug toekeren. “Het is zéér uitzonderlijk dat iemand volledig breekt met de groep. Hun respect voor hun ouders en familie is daar veel te groot voor”, zegt Van Kerckem.

Die trouw aan de groep zorgt er volgens De Jonghe voor dat de Turkse gemeenschap een beetje aan de zijkant staat. “In Gent wonen enkele familieclans samen in een beperkt aantal wijken die haast monocultureel zijn. De Turken spreken Turks, ze kijken naar de Turkse tv en ze lezen Turkse kranten”, somt De Jonghe op.

Helemaal gelijk kan ik hem niet geven. De Turken die wij te spreken krijgen in de Wondelgemstraat drukken zich haast allemaal uit in accentloos Gents. “Wij zitten tussen twee vuren”, beseft Mevlüt. “Turkije is mijn vaderland, België mijn moederland. Als we in Turkije komen, horen we: ‘Kijk, de Europeanen zijn daar.’ Terwijl we hier niet als echte Belgen worden beschouwd. Daarom zul je geen enkele Turk met een Belgische vlag op straat zien komen als de Rode Duivels winnen. Het zit nochtans in onze cultuur om te vieren.”

Mevlüt is wel de uitzondering op zijn eigen regel: trots haalt hij een Turkse én een Belgische vlag te voorschijn. “Als de Duivels winnen, hang ik de Belgische vlag uit, zeker weten. Je moet sportief blijven”, zegt hij nuchter.

Maar hij blijkt niet de enige die de Duivels nog koestert. Enkele jongelingen in een blinkende Duitse luxewagen stoppen netjes in het midden van een kruispunt om ons te woord te staan. Ja, natuurlijk rijden ze met de Turkse vlag rond als België wint. “Maar als de Rode Duivels winnen, zal het met de Belgische zijn. Geen probleem! Ik supporter ook voor AA Gent, hé”, lacht de chauffeur.

Gürbüz Zeki (48), die voor de parochiekerk op een bankje zit met twee kameraden, zal geen enkele vlag laten wapperen. “Ik supporter nu wel voor Turkije, maar eigenlijk heb ik het liefst een gelijkspel. Dan zal er geen ruzie zijn. Als België tegen eender welk ander land speelt, hoop ik dat België wint. Ik woon hier al veertig jaar, ik ben ook Belg.” Toeterend door de straten rijden zal hij al zeker niet doen. “Oh, neen. En mijn kinderen ook niet! Niemand heeft het recht om andere mensen zo te storen.”

Gürbüz beseft natuurlijk dat zijn straat hoedanook vol claxonnerende wagens zal staan als Turkije wint. “Ach, dat lawaai, dat zijn we ondertussen al gewoon”, zegt Georgette Thienpont (68), die haar hondje komt uitlaten. “Het is wel goed dat burgemeester Daniël Termont beslist heeft dat dat maar tot een bepaald uur kan. Ze mogen vieren, maar moet dat echt op zo’n manier? Ik hoop dat de Belgen winnen, het zal dan kalm zijn.”

Ahmet, die enkele meters verder zit, volgt het gesprek geamuseerd. “Jullie moeten ook maar eens gaan claxonneren als jullie winnen. Zolang er maar geen vandalisme is!”, zegt hij van op zijn krukje.

Het is echter niet enkel voor de stilte dat Georgette de Rode Duivels steunt. “De Belgen zouden best wel wat harder mogen supporteren voor hun team. Dan zouden de spelers beter hun best doen. Bij de Turkse voetbalfans zie je toch meer samenhorigheid”, stelt ze kritisch vast.

“Als België beter zou voetballen, zouden er misschien meer Turkse supporters zijn voor de Rode Duivels”, vermoedt Van Kerckem. “Het niveau van ons voetbal is niet te vergelijken met dat van het Turkse vaderland.”

“Normaal gezien supporteren veel Turken die ik ken wel voor de Duivels, maar die speelden tot voor kort écht slecht”, zegt ook Ramazan hoofdschudend. “Het is zelfs zo erg dat ze zeggen: als Turkije niet voorbij België geraakt, verdienen ze niet om naar het WK te gaan.”

Cemal ligt er allemaal niet van wakker. “Ik hoop in de eerste plaats op een goede regering”, zegt hij bezorgd. Welke Belg niet?

Volg

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 44 other followers