Exoten

30 mei 2011

Zaterdag ging ik met gids Wouter Van Landuyt op safari in een Gentse jungle. Wij ontdekten invasieve exotische planten – waarvan sommige wel degelijk geváárlijk zijn – wier bestrijding de belastingbetaler jaarlijks miljoenen euro’s kost.

Voor De Morgen schreef ik een verslag van onze ontdekkingstocht. Door plaatsgebrek wegens ander nieuws – onder andere over heibel op een patattenveld – is er nogal gekapt in die reportage. Hieronder de volledige versie.

Ook planten migreren. Exotische soorten liften mee met de wereldhandel of gebruiken uw tuin als uitvalsbasis. De meeste richten geen schade aan, maar enkele hebben de neiging om te woekeren. ‘Vaak wacht men tot het te laat is om in te grijpen’, zegt botanicus Wouter Van Landuyt. Het bestrijden van woekerende exoten kost jaarlijks miljoenen euro’s.

De reuzenberenklauw: een giftige plant die ook nog eens de neiging heeft om fors te gaan woekeren. (Foto JakoJellema)

Zonder machete is er geen doorkomen aan, maar we doen ons best. Tussen de dichte begroeiing op een voormalig fabrieksterrein nabij de Gentse Watersportbaan zijn we op zoek naar de grote waternavel. Best een geestige naam, maar de waterplant uit Zuid-Amerika is behoorlijk schadelijk. Niet dat zij mens en dier heelhuids verzwelgt, wel legt ze een dik, groen tapijt over beken en vijvers. Door gebrek aan zonlicht sterven de andere waterplanten af en ook de vissen houden het voor bekeken.

Onze gids is botanicus Wouter Van Landuyt (42), specialist exotische planten van het INBO, het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek van het Vlaams Gewest. Voor het INBO inventariseert Van Landuyt waar en in welke mate exoten voorkomen in Vlaanderen.

Van Landuyt gaat op verkenning terwijl de jongens van de krant vloeken op brandnetels en doorntakken. Even later duikt de bioloog weer op van tussen de moerassige wildernis. “Er zijn er wel, maar niet veel. Niet de moeite om tot daar te gaan”, zegt hij. Dat is twee keer positief nieuws: wij moeten niet nog meer ontberingen doorstaan en het is alweer één plek minder waar de grote waternavel overlast veroorzaakt. De kosten om de plant te verdelgen lopen immers op. Jaarlijks besteedt de Vlaamse overheid 1,2 miljoen euro om de grote waternavel te bestrijden.

Als we weer op straat staan, wijst Van Landuyt op een andere invasieve migrant: de Japanse duizendknoop. Die plant is aan een ware veroveringstocht bezig langs de Drongensesteenweg. Wel 400 meter berm is ingenomen door de exoot, die enkel schlemielige brandnetels en kleefkruid in zijn schaduw duldt. Op sommige plaatsen reiken de struiken drie meter hoog. “Deze plant verspreidt zich ondergronds via de wortels en is daardoor zeer moeilijk uit te roeien. Je moet voortdurend maaien om haar uit te putten. Onlangs zijn er echter kruisingen aangetroffen met een gelijkaardige soort en die kruising is fertiel”, legt Van Landuyt uit. Dat betekent dat de Japanse Duizendknoop zich ook zal gaan verspreiden via zaden. Zo zal de woekeraar zijn territorium des te driester kunnen uitbreiden.

De grote waternavel is een verschrikkelijke plant. Ze heeft de neiging om water oppervlaktes te overwoekeren. In haar gebied van oorsprong doet ze dat niet omdat het water daar voedselarm is en er meer schaduw is. (Foto KULAK)

In een bos aan de overkant van de drukke weg wijst Van Landuyt op een stengel van pakweg 2,5 meter hoog. Bovenaan prijken witte bloemen. “Dit is de reuzenberenklauw. Een mooie plant”, glimlacht de bioloog. “Alleen is ze ook giftig. Als het sap op je huid terechtkomt, wordt die extra gevoelig voor zonlicht, waardoor er brandwonden in de derde graad kunnen ontstaan en er zich blaren vormen”, vertelt Van Landuyt. Daarnaast nemen de grote bladeren veel zonlicht weg van inheemse planten en is ook de reuzenberenklauw een taaie klant om te verdelgen.

Alle drie de ‘allochtonen’ zijn als sierplant aan hun invasie begonnen. Tuinbouwcentra verkochten de grote waternavel, de Japanse duizendknoop en de reuzenberenklauw wegens hun esthetische kwaliteiten. Pas later ontdekte men dat de planten geen vrede namen met het hoekje van de tuin of de vijver dat ze toegewezen kregen.

Momenteel zitten wetenschappers zoals Van Landuyt samen met de tuinbouwsector om het AlterIAS-label uit te werken voor tuinbouwcentra om bepaalde invasieve exoten niet meer te verkopen. “Omdat de kwekers zélf last ondervinden van de Japanse duizendknoop schrappen ze die met plezier uit het gamma. Maar de rododendron bijvoorbeeld ligt zeer gevoelig. Het is onbespreekbaar dat ze die niet meer zullen verkopen”, zegt Van Landuyt.

Daarnaast verzamelen biologen op een website gegevens over plantaardige en dierlijke exoten. “Er wordt een risicoprofiel opgesteld, zodat men sneller kan ingrijpen. Schadelijke soorten komen op een zwarte lijst terecht”, zegt Van Landuyt. “Want al te vaak wacht men te lang, meestal totdat de exoot in kwestie niet meer te bestrijden is.”

Het goede nieuws is dat slechts 10 procent van de exotische planten territoriale ambities heeft. “De overgrote meerderheid verspreidt zich nauwelijks”, zegt Van Landuyt. De bioloog neemt ons mee naar de Gentse haven, meer bepaald naar de graanopslagplaatsen van EuroSilo. Daar treffen we langs de weg onder andere de Oosterse ridderspoor, een eenjarige plant met mooie paarse bloemen. “In België vind je op een akker geen onkruid meer. Maar bijvoorbeeld in Oost-Europa en Turkije staat er wel nog onkruid op de velden. Dergelijke planten reizen mee met het graan tot bij ons. Soms trekken ze via de trein verder landinwaarts, maar echt invasief zijn ze meestal niet.”

Uit tellingen blijkt wel dat in stedelijke gebieden vaak één vijfde van de planten van exotische komaf is. “Tot nu toe zijn in Vlaanderen nog geen inheemse soorten uitgestorven door de concurrentie van exoten, al kunnen ze plaatselijk wel in de verdrukking raken. Bij de dieren is het erger gesteld. De stierkikker, een reusachtig amfibie uit de VS, verdrukt onze inheemse kikkersoorten”, zegt Van Landuyt. Hij wijst op enkele Canadese ganzen die ons van op een afstand argwanend aanstaren. “En ook zij zijn exoten. Helaas treedt men er nauwelijks tegen op.”

Neemt de migratie van fauna en flora de laatste jaren opvallend toe? “Zoiets is van alle tijden. De konijnen die in Vlaanderen rondhuppelen, zijn evengoed meegebracht door de Romeinen”, stipt Van Landuyt aan. “De omvang en het schaalniveau zijn wel sterk toegenomen door de mondialisering van de handel en het reizen. Vroeger namen planten het vliegtuig niet, nu wel.”

Enkele interessante websites over exoten:

* ias.biodiversity.be
* www.alterias.be
* www.invexo.nl

Wereldorde

22 mei 2011

Ik ben thans ‘De Nieuwe Wereldorde’ aan het lezen, een bijlage die vorig weekend bij De Tijd zat. Of correcter: de krant zat bij die bijlage.

Niet minder dan 68 pagina’s telt ‘De Nieuwe Wereldorde’. Dat is een indrukwekkend aantal bladzijden. Des te indrukwekkender is dat die pagina’s stuk voor stuk vol belangwekkende artikels staan.

Ik ben er systematisch aan ‘t doorlezen en zit thans nog niet eens aan de helft. Elk stuk is een stevig staaltje journalistiek. In Thurn & Taxis, het gerenoveerde douanecomplex waar de redactie zit, mogen ze trots zijn.

Gisteren kocht ik nogmaals De Tijd, want ik heb mijn debuut gemaakt in de zakenkrant met een artikel over Circus Rose-Marie Malter. Daar ben ík trots op, net zoals het mij genoegen verschaft reportages te leveren voor De Morgen en Humo.

Straks word ik dan toch een serieuze journalist. Ik begin alvast te sparen voor zo’n koperen plakkaat om naast mijn voordeur te hangen:

“Tim F. Van der Mensbrugghe. Serieuze journalist”

Al vraag ik mij af of het wel strookt met de deontologie dat journalisten reclame maken voor zichzelf.

Kolos

15 mei 2011

Ge moogt dit bericht nu al lezen. Maar ik raad u aan om éérst naar de MG Tower te spurten, te genieten van het fenomenale uitzicht over Gent, en dan pas terug te komen om dit stukje te consumeren. Mijn verslag blijft hier tot het einde der tijden staan, maar enkel vandaag – zondag 15 mei 2011 – kunt ge de MG Tower bezoeken.

Een maquette van de MG Tower. Het is goed dat de projectontwikkelaar expliciet géén vierkante doos wou neerzetten.

Vandaag is het Open Wervendag. De spectaculairste werf moet wel die van de MG Tower zijn. De kolos zal 119 meter hoog zijn en wordt daarmee de hoogste toren van Gent én het hoogste kantoorgebouw van Vlaanderen. Dat spel lijkt wel met het blote oog te groeien, zo snel bouwen ze eraan voort.

Initiatiefnemer is projectontwikkelaar Ignace De Paepe. Het ontwerp is van het architectenbureau Jaspers-Eyers & Partners. De bouwfirma Cit BLATON steekt de toren in elkaar.

Voor De Morgen maakte ik er een reportage over die gisteren in de krant verschenen is. Dit is de lange versie van het artikel:

Verticale spurt van 70 meter

Het uitzicht van op Vlaanderens hoogste kantoorgebouw is fenomenaal. Helaas krijgt u in uw leven maar één kans om dat panorama te bewonderen: morgen op de Open Wervendag. De Morgen nam in primeur de lift naar boven en was onder de indruk van de almaar groeiende MG Tower.

De MG Tower is in enkele maanden tijd 70 meter gegroeid. Nu is hij al 93 meter hoog. Nog 26 meter te gaan.

“Gent heeft nood aan een nieuwe toren”, stelde Daniël Termont (sp.a) vijf jaar geleden bij zijn aantreden als burgemeester. “Ook onze generatie moet iets bouwen dat de tijden trotseert.” De burgemeester droomde van een baken voor het Gent van de 21ste eeuw.

Is de MG Tower die toren? Projectontwikkelaar Ignace De Paepe aanhoort mijn vraag met pretoogjes, houdt zijn antwoord even in beraad en knikt dan enthousiast: “Ja, dat is zo!”

Het gebouw lijkt vanuit het niets omhoog te schieten langs de E40 in Gent. De toren maakt deel uit van The Loop, een nieuw stuk stad dat rond de beurshallen van Flanders Expo oprijst. De Ikea staat er al enkele jaren, het eerste woonblok wordt momenteel afgewerkt en in de nabije toekomst moeten er nog kantoortorens verschijnen. De MG Tower zal de site domineren.

“Deze toren is een baken: hier is Gent”, zegt De Paepe enthousiast. “Dit is een ideale kans om Gent weer op de kaart te zetten met een staaltje moderne architectuur. Ik ben nu al fier en ik zal nog fierder zijn als de toren helemaal klaar is.”

De MG Tower is niet zomaar een rechthoekige doos: diagonale lijnen en een asymmetrische spits zullen de eenzijdigheid doorbreken. “Het meest logische en efficiënte grondplan van een toren is een vierkant met in het midden de kern”, weet projectarchitect Stefaan Van Acker van het architectenbureau Jaspers-Eyers & Partners. “Toch hebben we er een dynamische lijn in gestoken. In de voet van de toren zit een tegenbeweging. Die elementen optimaliseren de bakenfunctie.”

De Paepe knikt instemmend. “De meeste torens stellen weinig voor. Een vierkant blok neerzetten was goedkoper geweest, maar dat lag niet in onze lijn.”

Ook over de onmiddellijke omgeving van de toren is duchtig nagedacht. Er komt een voetgangersbrug die naar de haltes van bus en tram leidt. Via een tunnel onder de afrit van de E40 rijden autobestuurders rechtstreeks de ondergrondse parking binnen. Die parkeergarage – met een capaciteit van 420 wagens – ligt er al, maar je herkent ze niet als dusdanig: het is de betonnen heuvel waarop de MG Tower lijkt te staan. Een dikke laag aarde zal de artificiële heuvel bedekken, zodat men gras en bomen kan planten. “Door dat groene landschap blijft de toren zelf zo zuiver mogelijk”, legt Van Acker uit.

Volgens De Paepe was het niet de bedoeling om Vlaanderens hoogste kantoortoren neer te poten. “Daar hadden we eigenlijk niet aan gedacht”, bekent hij. De MG Tower zal met zijn 119 meter dan wel het hoogste kantoorgebouw van Vlaanderen zijn, de toren van de Onze-Lieve-Vrouwkathedraal in Antwerpen blijft vier meter hoger. “Als ik het opnieuw zou doen, zou ik hem misschien toch nog een paar meter hoger maken”, lacht De Paepe.

Even leek het erop dat de MG Tower een goede twintig meter láger zou moeten zijn: een eeuwenoude regel bepaalt dat gebouwen in Gent niet hoger mogen zijn dan het Belfort (95 meter). “Maar wij bouwen in Sint-Denijs-Westrem, dat pas sinds de jaren zeventig tot Gent behoort. Zo konden we die regel omzeilen”, zegt De Paepe.

Volgens hem zal er wel steeds meer hoogbouw komen. “De bouwgrond is schaars en moet optimaal gebruikt worden. Dat betekent dat je meer in de hoogte gaat werken. Vlaanderen moet de lucht in!”, voorspelt De Paepe.

De snelheid waarmee hoogbouw tegenwoordig naar de hemel reikt, is in ieder geval verbazend: per week krijgt de MG Tower er minstens één verdieping bij. “Het record was drie dagen voor één verdieping”, glimlacht projectmanager Gerdy Van der Donck van bouwonderneming CIT Blaton. De centrale kern wordt opgetrokken met een automatische klimbekisting, daarrond komen prefabstructuren, legt Van der Donck uit. “De hele toren ligt al klaar in een hangar”, grijnst De Paepe. “Nu zetten we de onderdelen als legoblokjes in elkaar.”

Momenteel is de toren 93 meter hoog en telt hij 23 niveaus. Hoewel De Paepe reeds in maart 2010 de eerste spadesteek zette, begon het echte opbouwen pas vanaf nieuwjaar. Toen was de voet van 21 meter hoog klaar en vanaf dan ging het bliksemsnel omhoog. Een verticale spurt van 70 meter in enkele maanden tijd.

We mogen mee naar boven, maar moeten wel even wachten: de lift weigert dienst. “Eén van de moeilijkheden bij de bouw van een toren is verticaal transport”, stelt Van Acker droogjes vast terwijl een technicus aan het werk gaat. De bouwvakkerslift – een metalen kooi die langs de buitenkant van de toren omhoog glijdt – brengt ons uiteindelijk naar de negentiende verdieping.

Het panorama is adembenemend. Er hangt wel veel stof in de lucht, merkt Van der Donck op: “Op heldere dagen kun je de windmolens van Zeebrugge zien.” Voor één keer lijken de beroemde torens van Gent nietige piekjes. De stad zelf is een grijze masse in een zee van groene bossen.

Het grote publiek zal morgen ‘slechts’ tot de veertiende en vijftiende verdieping worden toegelaten. “Daarboven zitten er nog geen ramen. We willen geen enkele risico nemen”, verklaart Van der Donck.

Als ik hem vraag waarvoor ‘MG Tower’ staat, hult Ignace De Paepe zich in geforceerd stilzwijgen. Na enkele seconden geeft hij toe. “Ach ja, ’t staat toch al op Wikipedia: Margaux en Guillaume zijn mijn kinderen.”

Vanaf mei 2012 zal de toren door het leven gaan als de KBC Arteveldetoren. Dan wordt de toren in zijn geheel overgredragen aan KBC. Het gebouw zal niet toegankelijk zijn voor het grote publiek. De bank zal er zijn hoofdzetel voor Oost- en West-Vlaanderen onderbrengen.

“Maar ik blijf de naam MG Tower gebruiken”, zegt De Paepe met schalkse koppigigheid. “Dit is mijn kindje.” Hij komt iedere week twee keer kijken hoe ‘zijn jongste’ het stelt. “Ja, ik heb nu eigenlijk drie kinderen”, bulderlacht hij.

Als ge op de hoogte wilt blijven van all things MG: de toren heeft zijn eigen Facebookpagina en op een forum verschijnen er regelmatig nieuwe foto’s. De toren kwam ook aan bod in Het journaal op Eén.

Van drie tot zes

3 mei 2011

Z’n beste boek. In ieder geval sinds Vergeef mij de liefde (2000). Met Van drie tot zes (2011) heeft Herman Brusselmans niet zijn zoveelste roman over de banaliteit van het leven geschreven, maar een grimmig boek over zijn eigen wanhoop.

Het jongste boek van Herman Brusselmans is bijzonder grimmig. En daarom net ook zo goed.

Eind februari stond er een opmerkelijk bericht in de krant: auteur Herman Brusselmans en zijn echtgenote Tania de Metsenaere hebben een latrelatie. “‘Wij houden nog van elkaar, er is géén derde in het spel en we hebben geen slaande ruzie gehad”, zei Brusselmans in Het Nieuwsblad. “Tania en ik brengen nog heel wat tijd samen door en ze blijft allerlei dingen voor me regelen.” Wel huurt De Metsenaere nu een eigen appartement waar ze enkele dagen per week tot rust kan komen, weg van het sombere geraas van haar echtgenoot.

De breuk die geen breuk is, komt er twee jaar nadat Brusselmans in Mijn haar is lang (2009) nog een paginalange, ontroerende ode schreef aan zijn Tania. Die deed vermoeden dat de zwartgallige auteur zowaar gelukkig was en dat zijn relatie niet meer stuk kon:

De huwelijksnacht was hemels, en de dagen die daarna kwamen en die nu nog steeds aan elkaar worden geregen, wat kan ik erover zeggen, schat, dat ik niet al duizend keer onder woorden heb willen brengen, woorden die zeer moeilijk te vinden zijn, en die ik misschien wel simpelweg kan vervangen door de woorden: “Tania de Metsenaere, ik hou van jou.”

Van dat onverwoestbare geluk is in Van drie tot zes geen sprake meer. Nochtans lijkt de roman gedurende de eerste 56 pagina’s nauwelijks autobiografische elementen te bevatten. Brusselmans heeft andermaal een nihilistisch, wreed personage uit zijn mouw geschud: radiopresentator Willem Zundap. Een verrijzenis van de vervelende Danny Muggepuut (uit Muggpuut, De perfecte koppijn en Toos) blijft de lezer gelukkig bespaard. Zundaps levensloop is een aaneenschakeling van groteske onwaarschijnlijkheden. Ook deze roman schijnt vooral gebouwd te zijn op oneliners en absurde dialogen. Tot je opeens bij de volgende passage belandt:

‘Stel je voor’, zei hij tegen Lili, ‘dat je een zeer goede relatie hebt, die van beide partijen komt, en je denkt: dit kan nooit meer stuk, dit is gelukkig voor eeuwig, wat ben ik blij dat een liefde als deze kan bestaan. Dan komt je partner op een dag thuis en zegt: “Ik ben verliefd op iemand anders.” Wat zou je doen?’

Zundap stipt aan dat het niet over hemzelf gaat, maar over “een goede vriend”:

Het was een schrijver die in de jaren tachtig veel succes had, later ging het minder, maar hij kon toch het hoofd boven water houden met z’n literatuur. Hij was al vele jaren samen met de vrouw die hij verafgoodde. Op een dag kwam ze thuis en ze zei, ten eerste, dat het leven met de schrijver haar beklemde, ten tweede dat ze te weinig vrijheid had, en ten derde dat ze dolverliefd was geworden op een ander, overigens iemand die ze al had gekend vóór ze de schrijver had ontmoet, en met dat type had ze toen een korte relatie gehad, en nu, na jaren, was ze hem opnieuw tegen het lijf gelopen, en, zoals ze zei: ze was als een blok voor hem gevallen.

Is die schrijver Herman Brusselmans? We mogen aannemen van wel. “Die hele situatie is behoorlijk vers in deze roman terechtgekomen”, geeft de auteur toe in een interview met Het Nieuwsblad (4/3/2011). Maar, zo voegt hij er meteen aan toe: “Dit is géén letterlijke biografie, maar de scherpte waarmee ik mijn hoofdpersonage Willem Zundap over zijn droommeisje als een trouweloze slet en hoer laat praten, heeft natuurlijk met mijn frustratie van het moment te maken.”

Het droommeisje uit de roman heet Blue – de naam Tania de Metsenaere komt nergens voor in het boek. Terwijl de echtgenote van de echte schrijver slechts op zoek is gegaan naar meer vrijheid, doet Blue er een schep bovenop door het schrijverspersonage te bedriegen met een stompzinnige motorrijder. Zundap haalt er inderdaad beenhard naar uit:

Je hebt vrouwen die een niet-oppervlakkige, in de diepte duikende, van de diverse vormen van humor aan elkaar hangende man een aantal jaren kunnen gedogen, tot ze de limiet bereikt hebben en vertier zoeken bij een andere man, bij voorkeur een die z’n geest nooit op de proef stelt, die liever in zwijm valt dan ooit een boek te lezen, die handen heeft als kolenschoppen, zodat het strelen een oorlogsdaad wordt, die een lul heeft als een lookworst grand cru, en die graag mag opscheppen over z’n lijf, z’n Amerikaanse memorabilia en z’n onbeperkte mogelijkheden om een vrouw niet te laten nadenken.

In zijn hoofd voert Zundap conversaties met het droommeisje:

Waarom ben je beklemd? Ik weet het niet. Sinds wanneer ben je niet meer verliefd op mij? Ik weet het niet. Is het echt nodig om een eigen flat te hebben? Ik weet het niet. Wat is er eigenlijk met jou aan de hand, kutwijf? Ik weet het niet.

Ook tijdens het radioprogramma waarnaar de titel van de roman verwijst, dist Zundap een hoop verhalen op over zijn droommeisje. Langzaam groeit Blue uit tot een verschrikkelijke wraakgodin die koudweg harten uitrukt:

Ik geloof in God, maar niet in Z’n daden. Daar slaat Hij de bal telkenmale mis. God is een mindere god. De enige god die geen mindere is kan niet anders dan een godin zijn. We noemen haar Blue. Het blauwe godinnetje, de bedrieglijke schoonheid, de valse verslindster, de enige vrouw die ertoe doet, minus haar gebrek aan scrupules, haar haat en haar wil om alles kapot te maken.

Zoals wel vaker speelt Brusselmans ook nu weer veelvuldig met de grens tussen feit en fantasie. Hij lijkt de lezer duidelijk te willen maken dat Blue niet zomaar gelijkgesteld kan worden met Tania. Zelfs voor Zundap is Blue imaginair en hij vraagt zich af of zijn publiek dat wel beseft:

Zouden de luisteraars weten dat Blue niet bestaat? dacht Zundap. Of zouden ze weten dat Blue een fictieve realiteit is, en niets anders dan een icoon, dat eerst van goud was, toen van zilver, toen van brons, en nu van lucht.

Die bedenking kan evengoed slaan op de lezers van Van drie tot zes. Tegelijk vermeldt de radiopresentator expliciet dat hij de mijmeringen van de schrijver overneemt. Zo klinkt, via Zundap, de verbitterde en gefrustreerde stem van de auteur regelmatig door in de tekst:

Alles wat goed had kunnen zijn werd verdrongen door verraad. Dit zal het laatste woord zijn dat ik ooit uitspreek. Verraad. Dat ze op m’n grafsteen zetten: hier ligt een verraden man. De man die ‘s nachts eenzaam is. De man die de zachte ademhaling van het hondje mist.

Op de allerlaatste pagina’s ontmoeten Zundap en Blue elkaar dan toch. Nog een laatste keer spuwt de radiopresentator zijn gal en verwoordt hij hoe ongelukkig het droommeisje hem maakt, maar uiteindelijk lossen zij samen, als twee schimmen, op in de mist. Eind goed, al goed? Neen. Het besluit van de auteur valt als een ijsblok op een nuchtere maag:

en dit was het enige mogelijke einde van het verhaal van Willem Zundap, en de schrijver van dat verhaal, in de jaren tachtig heel beroemd maar nu een nietige sukkel, staart in wanhoop voor zich uit.

In een interview met het weekblad Dag Allemaal (24/2/2011) gaf de Gentse schrijver te kennen dat hij in een diepe dip zat. Hij wenste echter niet om die moeilijke periode uit de roman te houden – en evenmin om zijn echtgenote te sparen: “Tania ís nu eenmaal een bekend personage in mijn literair werk. Doorgaans in een uiterst positieve context, maar nu eens niet. Het goede in mijn leven uitvoerig beschrijven en het slechte angstvallig verborgen houden, dat kan ik niet maken tegenover mijn lezers.”

In datzelfde gesprek laat Brusselmans vallen dat hij als een bezetene aan de roman begonnen is toen zijn vrouw voor het eerst naar haar nieuwe appartementje trok. Die bezetenheid komt tot uiting in de structuur van het boek: er is geen sprake van hoofdstukken, zelfs niet van paragrafen. Van drie tot zes is één lange column waar werkelijkheid, fantasie en metarealisme elkaar ontmoeten.

“Weet je, dit boek zou ik nu een stuk milder schrijven omdat ik erover heb kunnen nadenken. Meer zelfs: ik zou dit boek nu niet eens meer schrijven”, zei Brusselmans in Het Nieuwsblad (4/3/2011).

De lezer mag opgelucht ademhalen dat de schrijver éérst gevlucht is in de literatuur en dan pas beginnen na te denken is.

Volg

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 48 other followers