Eindredactie

26 oktober 2010

Voor het eerst, geloof ik, heb ik een lezing gegeven. Dat gebeurde op vraag van Schamper, het Gentse studentenblad dat een studiedag over journalistiek organiseerde. De vriendelijke hoofdredactrice, Lise Eelbode, vroeg mij het een en ander te komen vertellen over eindredactie. Omdat er over eindredactie inderdaad het een en ander te vertellen valt, heb ik ja gezegd. Toen ik aan mijn toespraak begon, vroeg ik eerst hoeveel mensen de ambitie hadden om eindredacteur te worden. Een dozijn studenten stak zijn hand op. ‘We zullen eens zien hoeveel dat er nog zullen zijn als ik klaar ben met mijn lezing’, beloofde ik.

“Eindredactie is een noodzaak, het is een plezante job en het is een hel.

“Laat me misschien eerst uitleggen waarom het een plezante job is – vóór iedereen deze mooi galmende zaal uit stormt. Eindredacteur spelen is een creatieve bezigheid. De meeste mensen beseffen dat niet eens. Als je zegt dat je eindredacteur bent, reageren de ze: ‘Ah, dus dat is dan teksten nalezen?’ Ja, natúúrlijk is dat teksten nalezen, maar het is veel meer dan dat. Het is goede titels bedenken, rake quotes selecteren en wervende foto-onderschriften schrijven. Daarbij ben je beperkt in de tijd en in de ruimte.

“Een titel moet kort en bondig zijn, maar moet toch zeggen wat er in het artikel staat op een manier die de lezer nieuwsgierig maakt. In enkele woorden moet je een heel artikel samenvatten, en geloof mij: zeker bij een krant krijg je geen twee uur tijd om op een titel te sjieken. Veeleer twee minuten.

Die tijdsdruk maakt eindredactie aanlokkelijk. No way dat je om negen uur ‘s avonds denkt: pfff, nog anderhalf uur en dan kan ik naar huis. Neen, om negen uur ‘s avonds beginnen je cheffen al hoogst zenuwachtig rond te lopen. Op een redactie worden alle afgewerkte pagina’s uitgeprint en aan een muur gehangen. Als er tegen negen uur nog maar enkele pagina’s aan de muur hangen, gaan de poppen aan het dansen:

“Pieter, de twáááááálf?!”

Bijna, ze komt eraan!

“Vicky, waar blijft de zes?! De zes! Allez, jongens, wat is dat nu?! Pagina zes!”

Ligt bij de lay-out!

“Tim, de financiële, hoe zit het verdomme met de financiële pagina’s?!”

Weet ik veel. Vraag het aan Maarten. Ik heb die pagina’s niet. [en dan voeg je daar mompelend aan toe:] Onnozelaar…

“Soit, elke avond is het een drukte van je welste op de eindredactie. Dolle pret. En telkens als je die dagelijkse heroïsche strijd tegen de deadline weer overleefd hebt, ben je opgelucht. Oef, ‘t is weer gelukt. Zeker als je en passant enkele goede titels hebt bedacht en enkele mindere stukken volledig hebt kunnen herschrijven. Daar haal je als eindredacteur voldoening uit. Echt waar.

“Maar goed, eindredactie is niet uitgevonden om enkele taalkundige puristen een bezigheid te geven. Het is een noodzaak.

“Ten eerste moeten artikels correct zijn, zowel op inhoudelijk vlak als op taalvlak. Dat blijft de eerste taak van een krant: correcte informatie aanbieden in een correcte taal. Als mensen gruwelen van het aantal dt-fouten in een krant, zouden ze eens moeten weten hoeveel er zouden blijven staan zónder eindredactie. En ja, het is de verantwoordelijkheid van de journalist om zijn informatie te checken en geen leugens te verkopen, maar de meeste journalisten moeten tegenwoordig zoveel stukken schrijven dat ze niet meer kunnen garanderen dat hun artikels kloppen. De eindredactie moet het dan maar in hun plaats garanderen, vindt de hoofdredactie. Zij moet data, namen en andere cijfers gaan controleren.

“Ten tweede: werkdruk of niet, een stevig aantal journalisten kan niet schrijven. Het zijn zeer degelijke nieuwsjagers of ze hebben echt een talent voor interviews, maar dat wil niet zeggen dat ze één vlotte zin uit hun pen kunnen persen of dat ze ook maar enig benul hebben van hoe een degelijk artikel gestructureerd wordt. Dat betekent dat de eindredacteur mag beginnen te herschrijven. Dan moet hij een hoopje houtzaagsel omtoveren tot een robuuste plank. O wee als je dan zelf één foutje maakt, want dan staat er de volgende dag een ziedende reporter aan je bureau te briesen dat de eindredactie er geen kloten van kan en dat ze godverdomme met haar poten van zijn teksten moet blijven. ‘t Is toch waar, zeker?!

[en dan mompel je weer:] Ja, ja, ‘t is waar, sorry, leer eerst eens schrijven.

“Een derde taak voor de eindredactie: inkorten. Daar verliest een eindredacteur nog het meest tijd van al mee. Artikels worden namelijk niet op maat geschreven: meestal zijn ze te lang. En als een artikel toch op maat geschreven is, dan beslist de chef nieuws dat het naar een andere pagina moet, en moet het alsnog ingekort worden. Maar dan vliegt het wéér naar een andere pagina, en mag je het nogmaals gaan verlengen, maar niet tot zijn oorspronkelijke lengte, want dat zou te gemakkelijk zijn. Zo blijf je de hele dag bezig.

“Nu, de drie voorgaande taken – inkorten, herschrijven, controleren – moet iedere eindredacteur kunnen. Punt. Je taalgevoel moet beter zijn dan dat van een gemiddelde journalist, je moet je vragen over de inhoud stellen die veel journalisten zich niet meer kunnen stellen en je moet beter dan de doorsneejournalist weten hoe een goed artikel opgebouwd is: eerst het nieuws, dan de achtergrond en de details. Maar het ware talent van een eindredacteur zit ‘m tegenwoordig in zijn gevoel voor presentatie: hoe verkoop je een artikel aan de lezer?

“Kijk, jullie zijn studenten, dus jullie hebben tijd. Maar ik geloof er geen fluit van dat er hier ook maar iemand is die elke dag de héle krant leest. Niemand doet dat nog tegenwoordig, zelfs jullie niet. We scannen door een krant. Af en toe valt ons oog op een artikeltje dat onze aandacht trekt, we beginnen te lezen en als het ons na tien zinnen al niet meer boeit, slaan we de pagina om. Onze tijd is een kostbaar goed, we gaan die niet verspillen aan tekstjes waarvan we bijkans in slaap vallen.

“Maar er gewoon voor zorgen dat een artikel goed geschreven is, is niet voldoende. De aandacht moet wel degelijk getrokken worden. Dat gebeurt vooral door quotes, tussentitels, foto-onderschriften, titels en inleidingen. Mijn favorieten zijn foto-onderschriften, die in vele kranten en tijdschriften overigens verwaarloosd worden. Al te vaak staat er gewoon een naam onder een portretfoto. Of neem nu een artikel over – ik zeg maar iets – de varkenspest. Daarbij staat een foto van een boerderij waar enige besmette varkens zijn aangetroffen. Meestal lees je dan: ’De boerderij in Landskouter waar vijf besmette varkens aangetroffen werden.’ Dat is nu eens dodelijk maar werkelijk dódelijk saai – tenzij misschien voor de drie mensen die in Landskouter wonen.

“Ga in de tekst kijken en veel kans dat je een onderschrift kunt maken in de trant van:

Op de boerderij van Sjarel De Keteleire werden vijf besmette varkens aangetroffen. ‘Dju toch, hoe is ‘t mogelijk?’, zucht de agrariër uit Landskouter. ‘Mijn zwijntjes, mijn levenswerk, alles om zeep door de varkenspest. Wat heeft het leven mij nu nog te bieden?’

“Toegegeven, dat is geen klein beetje emotioneel, maar als dat in een tekst zit, gebruik het dan in je foto-onderschrift, want dan is de kans groter dat het bijbehorende artikel gelezen zal worden. Af en toe mag er zelfs humor in een onderschrift zitten. Ik heb daar geen problemen mee. Ooit heb ik in De Morgen eens onder een foto van een scorende voetballer geplaatst: ‘Serhat Akin schoot er bijlange niet naast.’ Dat is zo in de krant verschenen. Natuurlijk was dat volstrekt onnozel, maar de toenmalige chef sport sprak er vijf jaar later nog over.

“Ook tussentitels zijn zeer belangrijk. Vele journalisten denken dat tussentitels dienen om hun tekst op te delen in hoofdstukjes. Dat is belachelijke onzin. Zo wordt een krant niet gelezen. Net als quotes en foto’s hebben tussentiteltjes maar één functie: de aandacht trekken van de lezer. Die slaat zijn krant open, en begint niet gewoon alle artikels van begin tot einde te lezen. Neen, die laat zijn oog over de pagina gaan en stopt als hij iets interessants tegenkomt. Vaak zijn dat foto-onderschriften en quotes. Maar tussentitels werken ook.

“Als mensen een leuk tussentiteltje zien, beginnen ze de tekst eronder te lezen, op zoek naar het bewuste begrip. Als je genoeg goede tussentitels hebt, lezen mensen mogelijk de volledige tekst, vaak zelfs in een volgorde die helemaal anders is dan die van het artikel zelf.

“Een voorbeeld. Als je een artikel hebt over de financieringswet gebruik dan geen tussentitels als ’Interregionale solidariteit’, ’Berekening geldstromen’ of ‘Personenbelasting’. Niemand gaat dat stuk lezen, behalve de eindredacteur dan. Neen, let goed op of er geen leuke woorden in de tekst staan. Bij een artikel over de financieringswet kan ik me goed voorstellen dat de volgende termen zullen voorkomen: ’onevenwichtig’, ‘prutswerk’, ‘bricolage’, ‘failliet’, ‘lege schatkist’ en ‘rampscenario’. ’t Zijn die termen die je moet hebben.

“Is dat sensationeel? Ik noem dat functioneel: je maakt de lezer nieuwsgierig om een artikel te lezen. Als je zo’n onderwerp aantrekkelijk kunt aanprijzen, kun je met een gerust gemoed naar huis.

“Al wil ik dat geruste gemoed sterk nuanceren. Een eindredacteur heeft dat niet. Dit is de grootste hel van het beroep eindredacteur: hij is de eindverantwoordelijke en als er fouten in de krant staan, is het zijn schuld. De manier waarop eindredacteurs op hun fouten – of ze die nu hebben laten staan of ze zelf gemaakt hebben – worden aangesproken, is niet van dien aard dat hun zelfvertrouwen erop vooruitgaat.

“Als je als eindredacteur ‘s morgens bij het ontbijt de krant leest, sla je op den duur automatisch de pagina’s over die jij de avond tevoren onder handen genomen hebt. Stel dat je nog een fout ziet staan, dan is je humeur meteen om zeep, nog voor je weer op het werk verschenen bent. Eindredacteurs zijn immers hoogst pedante perfectionisten. Fouten die ze niet meer kunnen rechtzetten, zijn een absolute gruwel. Veel eindredacteurs denken daarom: ’Ik zal het wel horen op het werk als er iets niet goed was.’

“Als er klachten zijn, zijn er drie manieren om daarmee om te gaan:

  • erkennen dat je een idioot bent die beter schoolmeester was gebleven,
  • je zelfvertrouwen inruilen voor een extreem perfectionisme,
  • of je schouders ophalen en zeggen: ‘Shit happens.’

“Dat laatste klinkt het stoerst, maar het is volgens mij de enige manier om overeind te blijven als je eenmaal op de eindredactie beland bent. Het is daar namelijk een uitzichtloze zooi. Je verbetert teksten van mensen van wie je vaak vindt dat ze slechter schrijven dan jou. Als jij je werk goed gedaan hebt, krijgt de journalist een pluim. Als je een steek hebt laten vallen, komen de klachten op jouw nek terecht. Eindredactie is stank voor dank: je kunt alleen maar verkeerd doen.

“Zeker De Morgen geeft zijn eindredacteurs niet de kans om zichzelf te tonen, om zelf artikels te schrijven, wat bij De Standaard overigens anders is. De hoofdredactie van De Morgen – en ik hoop dat dat met de komst van Wouter Verschelden verandert – heeft er vaak geen besef van wat de talenten van de eindredacteurs zijn. Een chef nieuws zei enkele jaren geleden verbaasd: ’Tiens, ik dacht dat de eindredactie een bende Neanderthalers was. Maar jullie kúnnen iets.’ Op dat moment vond ik het zeer spijtig dat ik inderdaad geen Neanderthaler was met een vuistbijl in de hand.

“Doordat van eindredacteurs enkel wordt verwacht dat ze gehoorzaam artikels nalezen, krijgen velen het gevoel dat ze in een doodlopend straatje beland zijn. Hun carrière is nog niet goed en wel begonnen, of ze lijkt al gefnuikt. Want hoewel de eindredacteur een grote verantwoordelijkheid draagt, worden meestal jonge, onervaren mensen aangeworven, zeer vaak beginnende journalisten die eigenlijk vooral willen schrijven. Ze zijn blij dat ze een vast contract aangeboden krijgen en er wordt hen beloofd dat ze over een jaar of twee wel zelf zullen mogen schrijven. Yeah right. Drie jaar later weet niemand nog iets van die belofte en zit je nog altijd op die vermaledijde eindredactie.

“In die drie jaar heb je jezelf niet kunnen bewijzen met artikels en aangezien je naam nergens vermeld werd, weten ook andere kranten of magazines niet dat je kunt schrijven. Ga dan maar eens bewijzen dat je al jaren zinvolle journalistieke arbeid geleverd hebt. Niemand ziet welke ingrepen jij hebt doorgevoerd om van een mank stuk tekst een vlot lopend artikel te maken. Je bent achter de schermen verdwenen en het is zeer moeilijk om weer op de voorgrond te geraken. Je kunt jezelf wel wijsmaken dat je dag geslaagd is omdat je een goede kop bedacht hebt of omdat je een leuke quote vond. Of dat het weer spannend was met al dat werk en die strikte deadline.

“Maar eerlijk gezegd: na enkele jaren schud je koppen en quotes uit je mouw alsof het niets is. Het wordt routine. Zelfs die deadline betekent almaar minder en minder. Op den duur begin je je toch te vervelen. Je koopt een minifrigo, stelt hem onder je bureau en steekt hem vol bier met nagisting op de fles. Terwijl de deadline nadert en al je collega’s doen alsof ze druk in de weer zijn, geniet je van een dosis gerstenat. Als je dan toch in de vergeetput zit, kun je het evengoed gezellig maken, niet? Zolang je pagina’s maar op tijd klaar zijn, en dan kun je naar huis. Dat is uiteraard geen ideale werkattitude.

“Ik kan maar niet begrijpen waarom hoofdredacties jonge mensen op de eindredactie blijven droppen. Als ze journalistiek talent hebben, dan kun je dat talent beter benutten door ze goede artikels te laten schrijven. Maar blijkbaar vinden de gezagvoerders talent niet belangrijk, en eindredactie evenmin, want anders zouden ze er meer aandacht aan besteden. Positieve aandacht. Op zijn minst zou er een visie mogen bestaan op wat eindredactie is en hoe het georganiseerd moet worden.

“Het hele systeem zorgt overigens voor dat ex-eindredacteurs weinig respect hebben voor hun vorige job. Als je van de eindredactie naar de ‘echte’ journalistiek geraakt – dat gebeurt soms –, ben je weer zo’n journalist die eindredactie ziet als opstapje naar zijn ware doel. Of anders gezegd: eindredactie blijft toch altijd dat trapje lager.

“Ikzelf ben van mening dat een eindredacteur net een zeker gezag moet hebben. Een eindredacteur is bij voorkeur iemand die al een ruime ervaring heeft als schrijvende journalist. Pas dan heb je het gewicht om een collega met enige vriendelijke neerbuigendheid op de vingers te tikken en droogweg te zeggen dat hij zijn stuk geschreven heeft met de achterkant van een vork.

“In Nederland hebben ze dat al zeer lang door. Bij vele kranten bestaat er niet echt een eindredactie. Het zijn veeleer de chefs die de artikels nalezen en samen met de lay-out de pagina’s in elkaar flansen. Ik vind dat een uitstekend systeem. Zo’n chef heeft de ervaring en het gezag om artikels en pagina’s overhoop te gooien. Een journalist met een ego maar zonder talent moet niet tegen zo’n chef beginnen te zeiken als die zijn stuk verknipt heeft. En vaak hebben iets oudere mensen de maturiteit om eigen fouten onder ogen te zien als er toch iets mis is gelopen.

“In Vlaanderen is het anders. Daar krijg je als onervaren broekventje bijvoorbeeld een artikel van een journalistiek boegbeeld voorgeschoteld dat in zeven haasten geschreven is en dat nog vol kromme zinnen en dt-fouten staat. De deadline is al bijna gepasseerd en ondertussen staat de chef nieuws achter je te roepen dat die pagina nú naar de drukkerij gestuurd moet worden. Nú! Nú! Nú! Als er de volgende dag klachten zijn, zullen ze vooral op jouw bureau liggen. Jij hebt je werk niet grondig genoeg gedaan en het was dan nog eens te traag ook! Zelfs al was de tekst grammaticaal perfect, dan nog kun je op je kop krijgen omdat je die ene pseudogeniale woordspeling van de auteur hebt veranderd in iets alledaagser dat dichter bij het Algemeen Nederlands ligt.

“Op den duur zeg je foert, koop je eindelijk die minifrigo en begin je hardop met je bazen te lachen. Dat getuigt van enige mentale weerbaarheid, maar veel opportuniteiten op een verdere carrière bij de krant waarvoor je werkt, schept dat niet. Maar je kunt je tenminste troosten met de gedachte dat jíj betaald wordt om de gazet te lezen. Dat is ook al iets.

“Ik dank u voor uw aandacht.”

Dat was het. De bedoeling was dat ik drie kwartier zou spreken, maar ik geloof dat ik maar aan een halfuur geraakt ben. Stom, eigenlijk, want ik had ‘t nog kunnen hebben over de werkuren (elke dag van halfdrie tot halfelf), de collegialiteit onder eindredacteurs (gedeeld fatalisme is jolig fatalisme) en het feit dat een goede eindredacteur altijd een goede journalist zal zijn, en dat omgekeerd zeker niet hetzelfde geldt. Overigens had ik eerlijkheidshalve ook iets mogen zeggen over mijn eigen wantrouwen jegens eindredacteurs die mijn teksten moeten nalezen.

Soit, al het bovenstaande geldt eigenlijk enkel voor krantenredacties, en meer bepaald De Morgen. Als reactie op die lezing ontving ik een tweet van Annelies Vaneechoutte, eindredactrice bij Klasse, die een en ander wou nuanceren:

Wel eenzijdig beeld van eindredactie. Sommige bladen zien eindr als coordator, als soort hoofdred over onderdeel. Bijonstoch.

Dat is dus meer het Nederlandse systeem, zoals het volgens mij hoort. Ik ben blij dat er ook in Vlaanderen eindredacteurs zijn die geen (of minder) redenen hebben om hun werk te haten. Want laat ons eerlijk zijn: het is en blijft een plezante job. Alleen maken de omstandigheden het soms een afstompende hel.

Ik vrees wel dat ik enkele enthousiastelingen hun illusies en ambities heb ontnomen. Toen ik na afloop van mijn voordracht vroeg wie er nu nog van plan was eindredacteur te worden, gingen er maar nul handen meer omhoog.


Flattr this

Weer onder de Wapper

19 oktober 2010

‘Als mijn boek klaar is, kom ik het binnensteken’, had ik in zowat elk volkscafé gezegd toen ik er op reportage was over de Lange Wapper. Die vermaledijde Lange Wapper zal er nooit komen, maar het boek is er ondertussen wel. Dus ging ik nog eens op pad om exemplaren van Onder de Wapper uit te delen, met fotograaf Steven De Baere als getuige. En als chauffeur, want ikzelf moest pilsjes drinken.

Viviane, uitbaatster van Frituur Royerssluis, kan moeilijk geloven dat ze in een boek staat. Ze toont het bewijs aan een klant. (Foto Steven De Baere)

Het begint al goed. Steven en ik stappen Frituur Royerssluis binnen, vlak bij de gelijknamige sluis die ‘t Eilandje met de Antwerpse haven verbindt. Ik leg uit dat ik een boek kom afgeven waarin het bewuste frituur een prominente rol speelt, en die brave mensen geloven er niets van. Viviane, de vrouw achter de toonbank, herkent mij zelfs niet meer. Dat is op zich niet zo verwonderlijk, want we zijn ondertussen bijna een jaar verder en mijn lange haren zijn ondertussen gekortwiekt.

Dankbaar

Dan zit er niets anders op dan het bewijs boven te halen. Ik sla mijn debuut open en steek het onder Vivianes neus. “Dat zijt gij toch?”, vraag ik wijzend op een foto.

Viviane knippert met haar ogen. “Maar… Hoe kan dat nu? Natuurlijk ben ik dat!”, zegt ze verrast. “En kijk, Willy en Marc staan er ook in!” Uit tevredenheid trakteert ze ons op pils, wat Steven en ik dankbaar aanvaarden.

Langzaam komt de herinnering terug aan de grijze novemberavond dat ik daar mee aan de toog stond tussen de andere klanten. “Zijt ge nu content met de uiteindelijke beslissing dat er geen brug komt?”, vraag ik haar.

Viviane haalt de schouders op. “Tja, wij zijn content, ja”, zegt ze gelaten. Veel enthousiasme kan de tunnel echter niet opwekken.

Kapot

De baas van Frituur Royerssluis wijst op gebouwen die afgebroken zullen worden voor een tunnel. (Foto Steven De Baere)

Haar man mengt zich in het gesprek. “Ziet ge daar die gebouwen achter u?” Steven en ik draaien ons om. “Neem daar meer eens een foto van, want ‘t zal de laatste keer zijn dat ge ze kunt fotografen.” De gebouwen, oude silo’s voor graan, moeten blijkbaar verdwijnen omdat de tunnel van de Oosterweelverbinding daar passeert.

De frituurbaas is minder opgetogen over de uiteindelijke beslissing van de Vlaamse regering. Het is niet naar zijn zin dat de Viaduct van Merksem zal verdwijnen voor een nieuwe constructie. “Die viaduct is niet kapot, blijf die dan gebruiken”, zegt hij opgewonden. “Een vrouw die niet kapot is, blijft ge toch ook gebruiken?”

“Maar misschien toch iets minder”, grijnst één van de klanten.

De friuurbaas negeert hem. “Het moet natuurlijk weer geld kosten, want het mág niet goedkoop zijn. Dus breken ze een brug af om een nieuwe te kunnen bouwen”, foetert de man. “En de Antwerpenaar mag betalen, en blíjven betalen.”

“Weet ge wat nog het ergste is? Dat ze hier allemaal aan de toog staan te zagen, maaer dat dat niets opbrengt”, knipoogt Viviane.

Hoogst verbaasd

We zouden graag nog wat langer naar het energieke gefoeter luisteren, maar de volgende halte roept: Café Scaldis, helemaal aan de andere kant van het langgerekte Kattendijkdok. “Is dat ver te voet?”, vraagt Steven.

“Bwoh. Toch een goeie twintig minuten wandelen”, schat ik.

“Laten we dan maar met de auto gaan”, beslist Steven. Ik vind dat een wijs besluit.

Toon zit te gniffelen als José, bazin van Café Scaldis, ontdekt dat ze in een boek staat met foto's en al. (Foto Steven De Baere)

Als we even later Café Scaldis binnenstappen, herken ik aan de toog Toon, die ruim aan bod komt in mijn reportage over ‘t Eilandje. Hij herkent mij ook, maar het geheugen van José, de bazin, laat verstek gaan. Net als Viviane is zij hoogst verbaasd als ze zichzelf ontdekt in Onder de Wapper. “Dat wist ik echt niet meer”, bekent ze.

“Ik wel”, grijnst Toon. “Dat was een zeer leutige avond.”

“Zijn er hier ooit andere avonden?”, vraagt José gespeeld streng.

Steven en ik krijgen meteen een eerste traktatie aangeboden – er zullen er nog verschillende volgen. Toon stelt ons voor aan een andere stamgast, Stan uit Turnhout.

“Dus dat zijn de mannen die voor ons pensioen zullen zorgen?”, grijnst Stan.

“Het zal dan toch maar een klein pensioen zijn”, repliceert Steven.

“En ik dan?”, vraagt Toon verontwaardigd aan Stan. “Ik moet ook nog dertien jaar geld afdragen, hoor!”

Gewapende arm

In Café Scaldis komen mens en dier tot rust. (Foto Steven De Baere)

De gepensioneerde Stan is zijn hele leven lang vleeshouwer geweest. Ontbenen was zijn specialiteit. “Ik heb vroeger wat uitgestoken”, lacht de man. “Ooit had ik eens ruzie in een café. De barman dreigde ermee dat hij de politie zou bellen. Doe maar, zei ik. Even later kwamen er drie agenten binnen. Ik stond naast de deur, met mijn hand in mijn zwarte leren jas. ‘Handen omhoog!’, riep ik. Die flikken schrokken, lieten zich op de grond vallen en begonnen om hun leven te smeken. Toen ben ik keihard in de lach geschoten. Waarop die agenten míj klop gegeven hebben en mij in den bak hebben gesmeten.”

Het is niet de enige keer dat hij in aanraking kwam met de gewapende arm der wet. “Eén keer zat ik geboeid in een politiewagen. Het was nacht en ik gebaarde dat ik sliep. De agenten hadden honger en gingen een pak friet eten terwijl ze mij zomaar achterlieten. Ik ben toen met het portier en al ontsnapt!”, schatert Stan.

Hij neemt een flinke teug van zijn pint en klopt zich trots op de borst. “Ik was een held in Turnhout.”

“Maar in Antwerpen is ‘t veel minder”, zegt José met venijnige pretogen.

Stan bekent dat hij lichtjes ijdel is. “Door mijn werk als uitbener had ik echt stevige biceps”, herinnert hij zich met enige weemoed. “Nu lijd ik helaas aan de ziekte van Edel.”

“De ziekte van wát?”, vraag ik.

“De ziekte van Edel. Ik heb meer haar op mijn hol dan op mijn schedel.”

Geanimeerde gesprekken

We schieten allebei in de lach. Ik trakteer hem en Toon een pint, die ik later zal vergeten te betalen. Maar ik ben er zeker van dat José mij dat vergeeft, want anders zou ze mij nadien niet zo gul getrakteerd hebben.

Helaas blijft het feest niet duren: Steven en ik hebben nog andere haltes af te leggen, zoals Café Bieke in Deurne-Noord. Spijtig genoeg kom ik daar nergens toogtisten tegen die ik tijdens mijn eerdere passage al ontmoet heb. Dat betekent dat Steven en ik niet meer getrakteerd worden en nog veel erger: dat we geen geanimeerde gesprekken meer meemaken. Voor de show drinken we nog enkele pinten, maar dan is het over en uit. Terug naar Gent, onze taak zit erop.


Flattr this

Frituur Royerssluis: een zeldzame plek van menselijkheid in het machinale havengebied. (Foto Steven De Baere)

Industrieel erfgoed moet wijken, hoe schoon het ook is, voor een stomme tunnel die beter elders zou passeren. (Foto Steven De Baere)

'Onder de Wapper' staat tegenwoordig te pronken in Café Scaldis. (Foto Steven De Baere)

Bazin José, vaste klant Toon en de auteur ontmoeten elkaar opnieuw aan de toog van Café Scaldis. (Foto Steven De Baere)

Stan verlaat Café Scaldis met zijn hond. 'Het wezen dat mij nog altijd het liefst ziet in de hele wereld.' (Foto Steven De Baere)


Flattr this

Sjofel en marginaal

14 oktober 2010

Niet zo gek lang geleden – het was wel nog volop zomer – zat ik op een Antwerps terras met Bert Bultinck, een oud-collega van De Morgen die nu net als ik arbeidt voor De Standaard, al is zijn functie wel iets indrukwekkender dan mijn freelancestatuut.

Bert gaf me onverhoeds een compliment. Hij zei dat hij dat niet zou kunnen, een volkscafé binnenwandelen, samen met de toogtisten pinten drinken en vervolgens naar buiten stappen met een verhaal. “Ik kan er ook niet aan doen, maar in zo’n café bekijken mensen mij meteen als een buitenstaander”, zei Bert.

“Mij ook”, repliceerde ik. “Ge moet als Gentenaar maar eens een Antwerps café binnen wandelen waar iedereen iedereen kent. Dat is niet evident.”

“Jamaar, da’s nog iets anders. Kijk naar mij: ik draag een bril en een tamelijk deftig hemd. Mensen zien mij meteen als een intellectueel die even onder het volk wil komen. Bij u is dat veel minder het geval, met uw jeansvest en uw oorringen en zo”

“Ik zie er sjofel en marginaal uit, wilt ge zeggen?”, vroeg ik dreigend.

Bert schoot in de lach, wat hij meestal doet in dergelijke situaties. Ik besloot zijn opmerking als een compliment op te nemen. Andermaal werd mij duidelijk dat mijn journalistieke toekomst in het volkscafé lag.

Ik heb nu al een aantal café bezocht en besproken, onder andere café Gent-St.-Pieters, café Viking in de Muide en de vele cafés in Antwerpen-Noord voor mijn boek over het natuurlijke tracé. Onlangs heb ik voor het eerst een caféreportage gemaakt in de Brugse Poort. Het was zogezegd een zwaar café in een zware buurt: verschillende klanten waren al in contact gekomen met het gerecht en ook cafébaas Georges Moyar heeft al eens ‘vast gezeten’, al was hij naar eigen zeggen onschuldig.

Fotograaf Hendrik Braet en ik vreesden er eerlijk gezegd een beetje voor, maar op ons muil hebben we uiteindelijk niet gekregen. Integendeel, de stamgasten begonnen ons meteen mee te trakteren. Hoe komt dat? Niet omdat wij er sjofel of marginaal uitzien, maar gewoon omdat wij ons graag laten trakteren terwijl wij aandachtig luisteren naar de mensen hun verhaal. Veel hoeft daar verder niet over gezegd te worden. Dat verhaal leest u als reportage op Apache.


Flattr this

Buisproffen

13 oktober 2010

Een tijd geleden vroeg De Standaard mij om enkele artikels te schrijven voor een studentenbijlage die bij de aanvang van het academiejaar bij de krant zou zitten. Wel, ik heb dat met veel plezier gedaan. Eén van de onderwerpen waren buisproffen: wie zijn ze en waarom doen ze het?

Via Twitter ging ik op zoek naar de monsters die de studenten de schrik van hun leven bezorgen. Alras had ik een hele lijst vol namen. Sommige proffen wilden niet meedoen, de meeste reageerden gewoonweg niet, maar degenen die mij te woord wilden staan, hadden wel degelijk iets te zeggen. Dat mondde uit in een artikel dat ik met veel genoegen geschreven heb. Uit de zeven interviews kon ik zelfs met groot gemak een twééde stuk puren, ditmaal over de flexibilisering van het hoger onderwijs. (Dat vind ik helaas niet meer terug op de website van De Standaard.)

Soit, sowieso waren die twee artikels veel te kort om al de gespreksstof die ik uitgetikt had in weer te geven. Kappen dat ik heb moeten doen. Omdat ik die interviews nog altijd zeer de moeite waard vind, geef ik ze hier integraal. Geniet ervan. Relatief absolute aanraders zijn de gesprekken met Eric Van de Casteele en Carl Devos. Vaak dolkomisch, altijd scherp.


Flattr this

Dirk Aeyels is een buisprof zonder weerga. Ik heb getuigenissen ontvangen van studenten burgerlijk ingenieur die zeven keer het examen van zijn vak ‘systemen en signalen’ afgelegd hebben. Maar het is ook een aimabel man. Het ene moment kijkt hij je aan met streng priemende ogen, het andere moment zit je te praten met een olijke gozer. Hij wéét dat hij twee gezichten heeft. “Maar jammer genoeg hebben de meeste studenten het niet door als ik middenin een technische uitleg een grap smokkel”, zucht hij.

Aeyels had liever niet dat ik ons gesprek op tape opnam. Hij vertrouwde erop dat ik alles zou kunnen noteren in mijn notitieboekje en dat ik de geest van zijn woorden correct zou weergeven. Dat bleek gelukkig zo te zijn: aan het interview hoefde er voor zijn part nauwelijks iets veranderd te worden. Oef!

Was u ervan op de hoogte dat u de naam hebt een buisprof te zijn?

Dirk Aeyels: “Tot voor kort kende ik die term niet. Maar toen ik op website van het VTK (Vlaamse Technische Kring, studentenclub van de burgerlijk ingenieurs, TVDM) keek wat er geschreven stond over mijn vak, las ik daar wel al in de eerste zin ‘buisvak’. Ik weet dat ik de naam heb veeleisend te zijn, maar ik ben verbaasd dat men dat reduceert tot ‘buisprof’. Ik kan niet zeggen dat ik dat prettig vind, maar het is nu zo, zeker?”

Waarom vinden studenten u veeleisend?
“Ik tracht te peilen naar inzicht. Daarom neem ik ook het liefst mondelinge examens af. Helaas lukt dat niet meer: er zijn te veel studenten. In mijn lessen probeer ik zo natuurlijk mogelijk kennis over te brengen. De studenten moeten creatief kunnen omspringen met die kennis. Maar als een student onvoldoende kennis verworven heeft, is het zeer moeilijk om nog creatief te zijn. Van burgerlijk ingenieurs wordt een theoretische onderbouw verwacht, maar tegelijk moeten ze in staat zijn om na te denken over toepassingen.
“Als wij vroeger op ons examen pure kennisvragen kregen, was dat een cadeau. Nu niet meer: men studeert te weinig. Zelfs kennisvragen blijken een hindernis. Ik heb ook het gevoel dat studenten slordiger formuleren. Ze hebben het vaak moeilijk om een redenering op te bouwen. Vele studenten weten wel iets, maar niet precies genoeg. Het antwoord zit in hun hoofd, maar ze krijgen het niet uitgelegd op papier. Als ik daar niet soepeler mee zou omgaan, zouden de slaagcijfers dalen. In die zin geef ik dus iets meer toe.”

Ligt dat aan de studenten zelf?
“Neen, ik leg de schuld niet bij de studenten zelf. Waarschijnlijk heeft het te maken met de veranderende maatschappij. Ook wordt er in het middelbaar anders lesgegeven dan vroeger. Studenten worden minder goed voorbereid op universitaire studies.”

Wat is het slaagpercentage voor uw vak?
“Ik weet niet hoeveel studenten geslaagd zijn. Ik volg de evolutie van de slaagcijfers niet op de voet. Collega’s spraken me vroeger wel aan op het slaagpercentage voor mijn vak. Dat was niet leuk, zelfs al was het goed bedoeld. Zij moeten beseffen dat ik het ook goed meen. Ik wil mijn studenten niet buizen, ik wil dat ze iets bijleren.”

Vindt u het vervelend als een examen niet goed is?
“Er zijn mensen die vier keer op rij 6 op 20 halen voor mijn vak. Dat vind ik erg voor de studenten in kwestie. Kunnen ze het niet of studeren ze het niet? Systemen en signalen is basisleerstof voor alle ingenieurs. Studenten moeten zich enkele basisbegrippen eigen maken die in de verdere opleiding een rol spelen. Het is een theoretisch vak met vele praktische toepassingen. In die zin is het een belangrijk vak. Maar op het moment zelf zien vele studenten niet in waarom dit vak nodig is. Dat komt pas later – hoop ik toch. Dan beseft men: tiens, bij Aeyels hebben we toch iets geleerd. Dat was wel degelijk zinvol.”

Hoe zit het met het niveau van de studenten?
“De bovenlaag van de studenten presteert nog altijd zeer goed. Maar er is een grotere instroom dan toen er nog een toelatingsexamen was (het examen werd in 2004 afgeschaft, TVDM). Vooral de onderlaag lijkt groter te zijn. Veel studenten raken nog door het eerste jaar, maar dan komen ze in de tweede bachelor ‘Systemen en signalen’ tegen…
“Ik ben voor een ingangsexamen. Dat hoeft niet moeilijk te zijn, maar je kunt dan wel zien wie de motivatie en de aanleg heeft voor deze opleiding. Zo weet je ook dat studenten niet zomaar aan een opleiding beginnen.”

De overheid verwacht dat universiteiten en hogescholen meer mensen met een diploma afleveren. Is dat een goede zaak?
“Op zich is het principe van een democratische instroom goed, maar er wordt vooral gekeken naar de uitstroom. Op dit moment is de industrie nog altijd tevreden, maar in de Verenigde Staten heeft men nu al last van ‘grade inflation’. Dat wil zeggen dat men te gemakkelijk hoge cijfers geeft voor prestaties die dat niet verdienen. Het is geen goede ontwikkeling dat de inhoud van het diploma zo weggenomen wordt. Dat zal op termijn gevolgen hebben, ook voor de industrie.
“De universiteit is geen bedrijf dat producten aflevert. Maar ik vrees dat we meer en meer die richting aan het uitgaan zijn. Ik vind het ook afschuwelijk als men spreekt over studenten als klanten. Ik ga daar niet mee akkoord.”


Flattr this

Eric Van de Casteele (1963) is lector aan de Arteveldehogeschool. Hij doceert ‘Belgische geschiedenis’ en ‘Leerstelsels en instellingen’. Daarnaast is hij ook nog eens medewerker van het weekblad Knack. Dit moet zowat het prettigste interview zijn dat ik ooit al afgenomen heb. Die Van de Casteele zegt niet alleen zinnige dingen, het is ook nog eens een hilarische verteller. Zijn studenten hebben zijn vele splijtende oneliners verzameld op een Facebookpagina. “Ik heb zelf een trauma overgehouden aan mijn studententijd.”

Hoe komt het dat studenten vinden dat u een buisprof bent?
Eric Van de Casteele: “Alle algemene vakken in de Arteveldehogeschool – zoals sociologie, economie, communicatieleer, grafische technieken, recht en geschiedenis – zijn min of meer buisvakken. Voor de opleidingen communicatiemanagement en journalistiek is ervoor gekozen om die vakken op een kwalitatief hoogstaand niveau te blijven aanbieden. Wij zijn van mening dat universele kennis het blikveld verruimt. Die theoretische kennis biedt meer diepgang en scherpt de kritische geest aan. Je bevordert daarmee het abstract denken. Hogeschoolonderwijs is meer dan een directe link tussen de studie en de latere loopbaan, je moet ook vorming bieden.
“De trend om te specialiseren en louter praktijkgericht te werken is volgens mij voorbij. We horen dat het bedrijfsleven tevreden is over studenten die naast professionele ook algemene kennis hebben.
“Die theoretische vakken hebben nog een ander voordeel. Meer dan 30 procent van onze studenten studeert via een schakelprogramma verder aan de universiteit. Dan is het handig dat ze al enkele algemene vakken hebben gekregen, zodat ze beter kunnen aansluiten bij het universitaire niveau.”

Maar de studenten struikelen wel over die vakken?
“Dat is al altijd zo geweest. De ene heeft last met economie, de andere met sociologie: elk vak is voor een aantal studenten wel een buisvak. Ik heb nooit anders geweten.”

Hebben de studenten dan geen algemene kennis opgedaan in de humaniora?
“Er heeft zich een toenemende specialisering voltrokken in het middelbaar onderwijs. Enerzijds heb je de onderverdeling tso-aso-kso. Daarbij móéten studenten zich al van in het eerste jaar beginnen te specialiseren. Anderzijds heb je ook binnen het aso verschillende specialisaties. Scholieren kunnen kiezen tussen Latijn-moderne talen, economie-wiskunde, menswetenschappen, en noem maar op.
“Hoe meer je leerlingen in hokjes steekt, hoe minder algemene, universele kennis zij hebben. Iemand die menswetenschappen heeft gestudeerd kan misschien goed geschiedenis, maar heeft moeite met economie. Iemand die economie heeft gekozen, heeft het dan weer moeilijker met sociologie en psychologie. De richtingen die men in de humaniora kan volgen, komen doorgaans niet overeen met de eerstejaarsopleidingen aan de hogescholen. Daardoor krijgen veel studenten het lastig.”

Is het dan zo erg?
“Niet bij elke student. Maar er zijn meer studenten dan vroeger die last hebben met pure basiskennis. Het is niet de bedoeling dat beginnende studenten al alles weten, want dan ben ik m’n job kwijt, maar ze zouden toch iets meer voorkennis mogen hebben. In de les godsdienst kijken leerlingen tegenwoordig naar een film. Tijdens taallessen discussieert men voortdurend over het een of ander onderwerp, zonder dat de grammatica zelf goed geleerd wordt. Iedereen moet nu mondig zijn, maar men discussieert zonder theoretische basiskennis. Aan mondigheid ontbreekt het niet, maar mondigheid is nog iets anders dan zinnige dingen zeggen. Waarom niet eerst kennis aanbieden en dan een mening vormen in plaats van omgekeerd?”

Leerlingen moeten kortom weer hun mond houden en aandachtig luisteren naar wat de leraar zegt?
“Ik ben geen reactionair, hé. Ik wil niet manu militari terug in de tijd. Ik zeg niet dat het weer zoals vroeger moet zijn. Ik ben wel conservatief in die zin dat ik denk dat kwaliteitsvolle vorming voor kritische mensen zorgt. Kennis is macht. Hoe dommer iemand is, hoe sneller hij misleid wordt. Dat is niet goed voor de democratie. Van een student die aan de hogeschool studeert, mag je toch verwachten dat hij het verschil kent tussen een parlementslid en een minister? Daar heb je geen politieke knobbel voor nodig. Dat moet je weten.
“Ligt het enkel aan de organisatie van het middelbaar onderwijs dat studenten minder basiskennis hebben?
‘Neen. Er is om meerdere redenen een groeiend gebrek aan concentratievermogen. Dat is een algemeen maatschappelijk fenomeen. Zo zijn er de vele input en prikkels van de moderne tijd, zoals sms, Twitter, Facebook,… Studenten hebben het steeds moeilijker om een bladzijde leerstof te reproduceren. Twee, drie lijntjes, dat gaat nog. Vanaf vijf lijntjes wordt het te veel. Voor veel vakken vormt dat een probleem. Men heeft er almaar meer moeite mee om een groter verhaal als één geheel weer te geven.”

De jongste jaren wordt vanuit de overheid gepoogd om het hoger onderwijs te democratiseren. Is dat een goede zaak?
“Je moet opletten dat je popularisering en democratisering niet verwart. Democratisering betekent dat mensen uit een minder rijk gezin ook de kans krijgen om te studeren. Iedereen moet uiteraard de mogelijkheid krijgen zich te ontplooien. Maar popularisering betekent dat elke ouder vindt dat jongeren per se hoger onderwijs moeten volgen.
“Nu komen veel studenten – zo’n 30 procent – uit het tso of uit het kunstonderwijs. Ik heb zeer veel respect voor zulke studenten die er geraken door hard te werken. Je moet je ook de vraag stellen waarom iemand in het tso beland is. Vaak zijn die studenten daartoe gedwongen. Je moet die scholieren de kans geven om zich te herpakken als ze achttien jaar zijn. Ik pleit dus niet voor ingangsexamens of een numerus clausus. Alleen is het zo dat steeds meer studenten onvoldoende voorkennis hebben om hogere studies succesvol af te ronden.”

Worden die zwakkere studenten er dan niet meteen uit gefilterd?
“Door leerbegeleiding en voortdurend te testen probeert de hogeschool ervoor te zorgen dat zwakkere studenten de middenmoot bijbenen. Op zich is dat positief, maar daar kruipt enorm veel tijd in. Daardoor dreigen de betere studenten op hun honger te blijven zitten. Dat wordt een probleem. Die studenten vragen er ook om om op de ouderwetse manier les te krijgen: voeten onder tafel schuiven en luisteren. Zij beginnen zich te enerveren als het systeem te schools wordt, waardoor ze hun talenten niet voldoende kunnen waarmaken. Dat zijn vaak creatievere mensen die een beetje egocentrisch zijn. Op den duur komen ze niet meer naar de les en waardoor ze soms zelfs buizen.
“Ik vrees dat er op die manier een grotere kloof kan ontstaan tussen de minder begaafden en de beter begaafden. De grote middenmoot die je vroeger had, dunt vandaag uit. Nu heb je eerder een grotere groep zwakke studenten tegenover een kleine groep zeer sterke studenten, wat niet alleen met begaafdheid te maken heeft, maar ook met motivatie. Die trend zie je ook in de maatschappij opduiken. Denken we daarbij aan de toenemende kloof tussen arm en rijk.
“Dat is een jammerlijke evolutie, omdat we op den duur richting Amerikaanse toestanden dreigen te evolueren. Het gevaar bestaat dat de beter opgeleiden zich willen verwijderen van de zwakkeren, zodat de vraag naar de oprichting van private elitescholen zou toenemen. Op die manier zouden we het kind van ons huidig kwalitatief hoogstaand en gedemocratiseerd hoger onderwijs met het badwater weggooien. Ik vermoed dat men dat bij de directies van de hogescholen beseft. Daarom wordt eraan gedacht om de begaafde studenten meer te stimuleren.”

Bent u streng om een zeker niveau te handhaven?
“Ik examineer helemaal niet zo streng. Vroeger nam ik veel meer mondelinge examens af, en dat was zelfs in het voordeel van de studenten. Na een schriftelijke voorbereiding was er een mondelinge herkansing. Ik lette er wel op dat ze de volledige leerstof kenden, en niet de helft. Het is niet omdat je met 10 op 20 geslaagd bent voor een vak, dat je maar de helft moet kennen. Als we zo beginnen, zijn we hopeloos verloren. Studenten moeten hun stof studeren, niet gewoon lezen. Voor een vak als geschiedenis blijven namen en data belangrijk. Ik sta er ook op dat men een groter aantal bladzijden kan reproduceren.”

Spreekt u er studenten op aan als ze te weinig gestudeerd hebben terwijl ze wel slim genoeg zijn?
“Ja. Dat is het voordeel van het mondelinge examen. Je kunt meteen feedback geven. Examens zijn vaak ideale momenten om sommige studenten bij te sturen. Je mag nog zo slim en creatief zijn, als je niet studeert, geraak je er niet door. Jongeren van 17 tot 20 jaar zullen zo’n opmerking ook veel sneller aanvaarden van een lector dan van hun ouders. Het is zeer aangenaam als je ziet dat ze zich in de tweede zit herpakt hebben.”

Ergert u zich aan lectoren die lakser quoteren?
“Het is zeer jammer dat bepaalde hogescholen of lectoren redeneren dat studenten te dom zijn en dat ze daarom de kwaliteit van het onderwijs moeten verlagen. Ze pleiten ervoor om complexe onderwerpen niet meer te behandelen, want de studenten verstaan het toch niet meer. Ik vind dat een verwerpelijke visie. Dat is elitair en misplaatst. Overigens moet je als lector in staat zijn om je leerstof, hoe complex en abstract die ook is, op een bevattelijke manier uit te leggen. Als lector kun je maar respect krijgen, als je dat respect vraagt. Studenten moeten je vak kunnen waarderen, ook al doen ze het minder graag.
“Vergeet ook niet dat vele studenten niet graag hebben dat er cadeaus worden weggegeven. Dan voelen ze zichzelf waardeloos. Anderzijds: als studenten weten dat ze móéten studeren voor een bepaald vak, gaan ze dat ook wel doen. Veel studenten halen daardoor zeer hoge scores voor vakken die bekend staan als buisvakken.”

Is het onderwijs aan de hogeschool nu moeilijker of makkelijker dan vroeger?
“De taakbelasting is in ieder geval veel groter geworden. Daartegenover staat dat je ‘maar’ 10 op 20 moet halen om erdoor te zijn voor een vak. Daardoor onderschatten sommige studenten het examen, wat leidt tot uitstelgedrag. Met twee dagen studeren kennen we de helft en dan zal het wel lukken, denken ze. Velen mispakken zich daaraan. Als je op voorhand weet dat je 14 of 12 op 20 moet halen, ga je iets meer je best doen.”

Gaan de slaagcijfers dan achteruit?
“Algemeen gezien zijn de slaagcijfers ongeveer gelijk met vroeger. Alleen zijn de studenten die in eerste zit geslaagd zijn voor alle vakken uitzonderingen geworden. Nochtans moet je nu slechts de helft halen, terwijl dat vroeger 60 procent was.
“Het huidige flexibele systeem is in het voordeel van mature studenten. Jongeren zonder voldoende zelfkennis waren volgens mij beter af met het oude systeem. De ouders weten bovendien vaak niet meer in welk jaar hun zoon of dochter nu precies zit. Gemiddeld slechts een vierde van de studenten zit in een regulier traject.”

Hebt u zelf buisproffen meegemaakt waarvoor u een heilige schrik had?
“Dat niet. Schrik is een groot woord. Ik heb wel een trauma overgehouden aan Engels in mijn tweede jaar aan de Hibo (thans Arteveldehogeschool, TVDM). Ik was daar toen geen krak in en tot vijf jaar geleden heb ik álle zomers van dat examen gedroomd. Nooit was ik erdoor. (lacht)

Wat doet u het liefst: een examen afnemen of een examen afleggen?
“Als examinator zit je niet met die stress. Maar je hebt evenmin de voldoening die je hebt als je een goed examen hebt afgelegd. Voor zware vakken mooie cijfers halen doet enorm veel deugd. Ik heb daarvoor gejuicht vroeger. Gesprongen in de lucht van fierheid.
“Als examinator moet je vaak voorzichtig zijn met wat je zegt. Ja, er kan al eens gelachen worden, maar jonge studenten hebben het vaak moeilijk om bepaalde uitspraken of beoordelingen juist te plaatsen. Vergeet niet dat voor veel studenten de overgang van middelbaar naar hoger onderwijs vaak zeer moeilijk en stresserend is. Student zijn is niet altijd even leuk.”

Is het misschien dat gebrek aan relativeringsvermogen dat u die reputatie van buisprof bezorgt?
“Studenten hebben enorm veel fantasie over lectoren. Dat is ongelooflijk. (lacht) Maar het heeft ook zijn charme.”

Past u de examencijfers nog aan als de scores er echt niet goed uitzien?
“Ik herzie de resultaten nooit. Een examen krijgt een cijfer en daar blijf ik bij.”


Flattr this

Ivan De Cnuydt (1958) doceert aan de Arteveldehogeschool algemene economie aan de opleiding communicatie in het eerste en het tweede jaar. In de journalistiek wordt de cursus in twee delen gegeven in het tweede jaar. Hij geeft al dertig jaar les en zeult al lang het imago van buisprof met zich mee. Zijn handboek Economie vandaag, dat hij samen met Sonia De Velder schreef, is een standaardwerk. “Ik buis geen studenten, ik geef studenten het cijfer dat ze verdienen.”

Bent u er zich van bewust dat u het imago van buisprof hebt?
Ivan De Cnuydt: “Uiteraard weet ik dat. Je hebt dat imago, en daar geraak je waarschijnlijk ook nooit meer van af. Toen ik algemene economie begon te doceren, was ik allicht diegene die qua buiscijfers vooraan stond. Ondertussen is dat geëvolueerd. Momenteel is 43 procent van de eerstejaarsstudenten geslaagd in eerste zit voor mijn vak. Er zijn collega’s die lagere slaagcijfers hebben. Mijn imago klopt dus niet meer.”

Maar u legt de lat wel hoog?
“Inderdaad. Mijn handboek wordt in heel Vlaanderen gebruikt, en allicht leg ik de lat het hoogst. Het is zelfs mogelijk dat ik de lat in de loop der jaren nog hoger heb gelegd, zonder dat mijn slaagcijfers daarom gedaald zijn. Integendeel. Ik zal dus zeker niet beweren dat het niveau van de studenten gedaald is.”

Hoe verklaart u die paradox?
“Mijn vak is niet makkelijker geworden, maar de huidige cursus is wel veel beter dan die van twintig jaar geleden. Daarnaast zijn ook mijn lessen didactisch gezien van een veel hoger niveau. Ook werk ik nu met een elektronische leeromgeving, zodat studenten dag en nacht oefeningen kunnen maken. Wie daarop 2 op 20 scoort, weet dat er werk aan de winkel is.
“De slaagcijfers zijn niet gedaald, maar toch is de instroom van studenten anders dan vroeger. Wij stellen vast dat economie een vak is dat gemeden wordt in het middelbaar onderwijs, net als wiskunde. Scholieren hebben daardoor te weinig financiële kennis. Een ander aspect is dat leerlingen in het secundaire onderwijs toetsen krijgen. Dat gaat dan telkens over vijf à tien pagina’s. Dat is heel wat anders dan een hele cursus studeren.
“Bovendien heb ik de indruk dat men in het middelbaar zeer snel tevreden is met de antwoorden. Ken je je begrippen uit het hoofd, dan ben je geslaagd. Ik stel mijn vragen niet op die manier. Ik peil naar inzicht en naar de kennis van de actualiteit. In mijn cursus staan honderden begrippen, maar je moet die niet memoriseren. Je moet ze kunnen gebruiken en weten wat die begrippen inhouden. Bij multiple choice moeten studenten hun keuze motiveren, of ze krijgen geen punten. Dat is de reden waarom studenten mijn cursus zo moeilijk vinden.”

Hoe overleven studenten uw examen?
“Om te beginnen moet je het juiste curusmateriaal gebruiken. Ik kom jaarlijks met een nieuwe versie van mijn handboek. De actualiteit verandert nu eenmaal voortdurend. Daardoor pas ik trouwens ook altijd mijn examenvragen aan. Slechts 10 procent van de vragen heb ik de voorbije jaren al gesteld. Sommige studenten denken echter: goh, ik heb nog een boek van vorig jaar, die nieuwe koop ik niet. Dat is uiteraard hun keuze.
“Veel studenten maken ook samenvattingen. Of ze downloaden een samenvatting, waarvan er op het internet tientallen versies te vinden zijn. Als je je daarmee bezighoudt, garandeer ik dat je nooit meer dan 5 op 20 zult halen. Mijn boek ís al een samenvatting. Je moet het boek studeren, niet de samenvatting. Na elk hoofdstuk staat er wat je moet weten en kunnen. Als je daar rekening mee houdt, kun je geen tekort hebben.”

Studenten studeren dus verkeerd?
“Vele studenten verstaan onder studeren ‘aandachtig lezen’. Nu blijkt uit onderzoek dat dat slechts een rendement van 10 procent oplevert. Je moet dus naar de les komen. Want als je iets hoort uitleggen, haal je een rendement van 20 procent. Ik geef ook presentaties, want iets zíén, geeft zelfs 30 procent rendement. Met andere woorden: als je aandachtig oplet tijdens de les, haal je een rendement van 50 procent. Dan ken je al de helft van de cursus. De correlatie tussen lessen volgen en slagen is bijzonder groot. De les moet wel een meerwaarde hebben. Als de professor zijn cursus voorleest, blijf je beter weg.
“Studenten komen echter in het algemeen steeds minder naar de les. In de eerste week is er te weinig plaats in het auditorium. Kom vijf weken later kijken, en er zit maar 60 procent meer. Kun je dan verwachten dat ik een slaagcijfer van 60 procent kan voorleggen? Als je alleen naar de studenten kijkt die naar de les komen, haal ik een slaagcijfer van meer dan 60 procent.”

Waarom legt u de lat zo hoog?
“Eigenlijk kun je nu je diploma halen door op elk vak net 10 op 20 te scoren, terwijl vroeger 14 op 20 nodig was voor een vrijstelling. Die evolutie is geen goede zaak. Je moet je bepaalde competenties eigen maken om te slagen, maar blijkbaar moet dat slechts voor de helft. Ik weet niet of een werkgever tevreden zal zijn met de helft. Het is nu al makkelijker om te slagen. Ik zie niet in waarom ik daarbovenop nog het niveau zou moeten verlagen. Er zijn collega’s die de lat almaar lager leggen, maar hun slaagcijfers stijgen niet. Waarom niet? Omdat studenten altijd de neiging hebben om onder de lat door te kruipen.
“Vroeger kon je niet naar het volgende jaar als je te veel tekorten had. Nu heeft men het hele systeem flexibeler gemaakt omdat men studenten sneller wil laten afstuderen. Maar ze doen er net langer over. Nogal wat studenten laten de eerste examenkans voor economie passeren. We schuiven dat wel door naar de tweede zit, denken velen. Maar zeker als je niet naar de les bent geweest, kan ik je garanderen dat dat niet goed afloopt in tweede zit. In de tweede zittijd is maar 50 procent van de eerstejaarsstudenten komen opdagen voor het examen economie.”

Maar officieel hoeft die student zijn jaar niet over te doen?
“Zo’n student kan thuis vertellen dat hij naar het tweede jaar gaat en dat hij gewoon nog één vak meeneemt uit het eerste jaar. Of twee, of drie, of zelfs vijf vakken. Zeggen tegen studenten met vijf tekorten dat hij naar het volgende jaar mag, is een verkeerd signaal. Want wat gebeurt er vervolgens? Die studenten leren vooral de vakken van het tweede jaar. Ze blijven voor economie werken met een verouderd handboek. Ze leren de samenvatting van het vorige jaar. Ze komen niet naar de les, want ze hebben dat zogezegd al eens gedaan. ‘Het zal nu wel lukken, zeker?’, hopen ze.
“In de praktijk stellen we vast dat zulke studenten in aantal toenemen. Er zijn tegenwoordig meer studenten die niet dan wel in een regulier traject zitten. Het slaagcijfer van tweedejaarsstudenten die het modeltraject volgen – en dus geen vakken meesleuren uit het eerste jaar – bedraagt meer dan 70 procent. Bij die anderen is dat slechts 30 procent. Zij blijven dus met de problemen zitten. Na drie jaar sukkelen beseffen ze misschien dat ze de verkeerde opleiding volgen, maar dan ben je al bijna verplicht om te blijven plakken, want als je aan een nieuwe opleiding begint, ben je drie jaar kwijt. Dit systeem is dus veel duurder voor de gemeenschap.”

Vindt u het vervelend dat u de naam hebt een veeleisende prof te zijn?
“Neen. Studenten weten wat ze moeten doen. Als ze zich daaraan houden, dan slagen ze. Er zijn studenten die de dag na het examen vergeten wat ze gestudeerd hebben. Maar vaak hoor je van oud-studenten dat er toch wel iets blijven hangen is. Ze kennen mijn naam nog. ‘Uw cursus was misschien wel moeilijk, maar we hebben er iets van opgestoken’, krijg ik regelmatig te horen. Dat vind ik veel belangrijker dan dat ze zich zouden afvragen: ‘De Cnuydt, wie was dat ook alweer?’ (lacht)

Zijn studenten vaak ontgoocheld als ze hun uitslag vernemen?
“Na de examens is er altijd feedback voorzien. Sommigen hadden een hoger cijfer verwacht. Maar als we het examen doorlopen, moet ze toegeven dat hun resultaat terecht was.”

Vindt u het vervelend om studenten met een nipte buis naar huis te sturen?
“Bij mij zijn er zeer weinig mensen die een 9 op 20 halen. Ik ben zeer soepel. Als ik bij een schriftelijk examen op een 9 uitkom, bekijk ik dat examen opnieuw. Vaak komt het dan aan op een half puntje. Een 9 wordt dan al snel een 9,5 en dat moeten we afronden naar 10. Dus eigenlijk ben ik een zeer studentvriendelijke examinator. (lacht) Bij mij halen sommige studenten 16 of 17 op 20, zelfs in de tweede zit. Als ze het niet goed doen, halen ze sneller een serieus tekort, zoals een 6 of een 7 op 20. Of minder. Dat geeft me natuurlijk een naam. Wie enkel zijn cursus uit het hoofd heeft geblokt, haalt zelfs maximum 2 op 20. Dat is bij ongeveer een vierde van de eerstejaarsstudenten het geval.”

U hebt een fanpagina op Facebook. Wist u dat?
“Ik heb de indruk dat die pagina een stille dood gestorven is. Zo’n pagina kan wel heel gevaarlijk worden als het uit de hand loopt. Studenten vertellen soms dingen die niet kloppen. Dat was vroeger ook al het geval. Zo ontstaan er verhalen die moeten verantwoorden waarom een student niet geslaagd is. Maar ik buis geen studenten, ik geef studenten het cijfer dat ze verdienen.”

Ergert u zich soms aan collega’s die lakser quoteren dan u?
“Er zijn docenten die zeggen: deze student kan niet slagen, dus ik geef hem een 9. Want dat cijfer is makkelijk op een deliberatie. Ik doe dat niet. Ik geef geen 9 als iemand maar een 6 verdient.”


Flattr this

Politicoloog Carl Devos (1970) is alom aanwezig in de media. Je zou bijna vergeten dat de wetenschapper ook nog les geeft aan de UGent. En nog geen klein beetje: politicologie in eerste bachelor en politieke besluitvorming in tweede bachelor. “Een stevig vak”, zegt hij zelf. Daarnaast begeleidt hij de stage en bachelorpaper in derde bachelor en doceert hij Belgisch federalisme in de master. Je kunt van Devos veel zeggen, maar op zijn mondje is hij niet gevallen. “Wie niet slaagt, is ofwel niet gemotiveerd genoeg of heeft niet het karakter en de discipline om deze opleiding te volgen.”

Carl Devos (UGent) is niet van plan om van de universiteit een kakschool te maken.

Toen ik Carl Devos een mail stuurde met de vraag of ik hem mocht interviewen over zijn imago als buisprof, kreeg ik meteen een duidelijk antwoord. “Ik vind niet dat dat een te koesteren omschrijving is, maar ik heb inderdaad niet meteen de hoogste slaagcijfers”, erkende Devos. “De formulering ‘gemakkelijk buizen uitdelen’ klopt alvast niet, ik ben er niet op uit om iemand als niet geslaagd te beoordelen, ik doe dat zelfs niet graag. Slagen of niet doen studenten zelf. Als ik de vele-niet geslaagden zie, ben ik daar niet meteen enthousiast over.”

Hij gaf wel een verklaring voor zijn veeleisende manier van examineren: “Ik ben streng omdat ik wil dat wie aan de UGent politieke wetenschappen studeert (en dat zijn er niet weinig) zijn diploma waard is zodat ze elders zeggen: die komt van Gent, dat is goed gerief. Het gaat er dus om een diploma en onderwijsinstelling een goede reputatie te geven. Bovendien is de universiteit geen kakschool, maar wordt aangezien als de ‘hoogste’ onderwijsopleiding. Nadien zeggen studenten graag, en terecht, dat ze aan de universiteit studeerden. Wel, dan moeten ze tijdens hun studies bewijzen dat ze dat waard zijn. Bovendien verwachten wij nogal wat van onze studenten, ze moeten dat ook aankunnen en moeten daarom voldoende streng geëvalueerd worden.”

Weet u al lang dat u het imago van een veeleisende prof hebt?
“Ik had die naam al van toen ik assistent was. Ik heb mij daar nooit veel van aangetrokken. Op blogs las ik soms vernietigende commentaren. De verleiding om te denken ‘wat voor een kloothommel eersteklas ben ik wel?’ is groot, maar je moet dat vooral relativeren. Luisteren naar en rekening houden met gefundeerde en terechte kritiek, zonder er de slaaf van te worden. Want veel opmerkingen zijn onterecht. Ik zou het niet prettig vinden om gehaat te worden, maar ik moet ook niet populair zijn. Van behaagzucht heb ik geen last. Ik kan nog altijd in de spiegel kijken en uitleggen waarom ik doe wat ik doe. En de klagers roepen luider dan wie het wel goed vindt. Als ik de onderwijsevaluaties mag geloven is dat de grote meerderheid.
“Die reputatie kan soms rare vormen aannemen. Ooit heb ik een mondeling examen afgenomen dat zeer goed verliep. Echt een tof en interessant gesprek. Er werd  gelachen. Nadat die student weer naar buiten was gewandeld, bleef de deur op een kier staan. Ik hoorde hem op de gang zeggen: ‘Man, dat was weer niet te doen! Ik heb weer alle hoeken van de kamer gezien.’ Sommige studenten houden graag mythes en vooroordelen overeind. Dan denk ik vooral: jammer, we hebben die student onvoldoende kritisch kunnen vormen zodat hij zelfstandiger leert denken.”

Begrijpt u dat u de reputatie hebt van buisprof?
“Ik ben ook student geweest. Ik versta dus dat er mythes bestaan over proffen die graag studenten buizen. Maar daar is dus niets van aan. Ik ben niet uit op een bloedbad. Ik streef er niet naar om er eens serieus de bijl in te zetten. Evenmin heb ik een ‘numerus fixus’ in mijn hoofd. Als studenten niet slagen, beschouw ik dat niet als een persoonlijk falen van mijnentwege, maar ik vind het wel jammer. Er zijn immers heel wat factoren die ik niet onder controle heb. Motivatie en discipline bepalen sterk of studenten slagen of niet.
“Ik zal u zelfs een bedrijfsgeheim verklappen: vaak pas ik de cijfers opwaarts aan. Als alle examens verbeterd zijn, plaatsen we de resultaten in een lijst. Wanneer dat er echt heel dramatisch uitziet, verminder ik bijvoorbeeld het gewicht van enkele heel slecht scorende vragen of krijgt iedereen er een half punt bij. Of een punt, als het werkelijk erg is. Ik heb nog nooit van mijn leven het algemene cijfer naar beneden getrokken. Van mij mag iedereen slagen, ik wens het iedereen toe. Maar mijn job is niet enkel mensen opleiden maar ook nagaan of ze aan de normen voldoen. De universiteit levert immers een garantiebewijs af.”

Maar u bent wel een strenge professor?
“Er zijn verschillende redenen om hoge eisen te zetten. Ik zeg tegen mijn studenten: ‘Jullie hebben gekozen voor universitair onderwijs. Dat wordt door de maatschappij en de arbeidsmarkt aangezien als de hoogste onderwijsvorm. Je zult ervoor moeten werken en de lat ligt hoog.’ In principe zou de lat nergens hoger mogen liggen. Ik wil dat mensen die hier een diploma halen een kwaliteitslabel meekrijgen: dit is degelijk materiaal. Dat doe je maar door ervoor te zorgen dat de studenten die het diploma halen het effectief ook waard zijn. Dat is mijn grootste bekommernis.
“Wij zijn eigenlijk onderbemand om alle studenten in de hogere jaren heel veel  begeleiding te geven bij papers, masterproef, groepswerken enz. Van de studenten in de hogere jaren moeten we dus zeker zijn dat ze goed genoeg zijn, ook om zonder dat wij er de hele tijd naast zitten hun opdrachten te maken. Daarom moet je voldoende streng selecteren in het eerste jaar. Wat voor zin heeft om een massa mensen door te laten naar het tweede jaar en hen dan oefeningen te geven waarvan je weet dat ze die eigenlijk niet aankunnen?”

Er moet dus duchtig geselecteerd worden in het eerste jaar?
“Elk jaar verwelkomen wij honderden nieuwe studenten. Bij het verbeteren van de examens zien we dat er pak zijn met 2, 3 of 4 op 20. Dat zijn mensen die wellicht niet geschikt zijn voor deze opleiding. Door mijn manier van examineren haal ik die studenten er voor een groot stuk uit. Ze moeten hun stof kennen en kunnen reproduceren, maar ze moeten ook inzicht hebben en de actualiteit volgen. Ik stel ook in het eerste jaar ook vergelijkings- en toepassingsvragen, maar minder dan in hogere jaren. Politiek is immers geen dood materiaal, dat is levend weefsel. Als je dat allemaal op een hoop gooit, is dat inderdaad veel, maar wie niet slaagt, is ofwel niet gemotiveerd genoeg of heeft niet het karakter en de discipline om deze opleiding te volgen. Zelden heeft het met intelligentie te maken.

“De uitzonderingen die ongelooflijk intelligent zijn, kunnen het hele jaar feesten, De anderen moeten ruim op voorhand beginnen te werken. Dat is saai en nerdy, maar als je syllabus te lang blijft liggen, ben je verloren. De meeste mensen die op het examen buizen, waren eigenlijk al gebuisd in november.”

Spreken uw collega’s u soms aan op uw slaagpercentages?
“Op deliberaties vragen collega’s weleens: ‘Devos, zijt ge weer streng geweest?’ Er zijn nog strenge proffen, zoals er ook milde proffen zijn. Het is veiliger om in de anonimiteit van de groep te gaan staan en je cijfers naar een gemiddeld slaagpercentage op te trekken. Dan zal er nooit iemand een opmerking maken. Het imago van buisprof moet je niet koesteren, sympathiek is het niet. Je moet niet streng zijn om streng te zijn, maar om te vermijden dat je in het laatste jaar over een student moet zeggen: ‘Die had hier eigenlijk niet mogen zitten’. In het tweede jaar heb ik sommige academiejaren ook lage slaagcijfers. We testen studenten in het eerste jaar vaak op een andere manier dan in hogere jaren. Het is niet omdat je een goed eerstejaarsresultaat had dat je nadien ook de rest goed aankan. Maar uiteraard liggen de slaagcijfers in latere jaren flink hoger.”

Vinden uw studenten u soms onrechtvaardig?
“Soms zijn studenten kwaad omdat ze iets hebben opgeschreven dat op zich wel juist is, maar dat geen antwoord is op de vraag. Studenten mogen gerust creatieve en inventieve antwoorden geven, en dat belonen wij. We willen kritische en originele geesten immers stimuleren. Maar als een student antwoordt met het verkeerde stuk uit de syllabus, dan geef ik daar geen punten voor. ‘Dat is toch een bewijs dat ik gestudeerd heb?’, zeggen ze dan.’ Ja, maar ik wil vooral weten of ze de vraag juist kunnen beantwoorden. Zomaar wat kletsen is onvoldoende.
“Een ander voorbeeld: als het antwoord op een vraag ‘Laurette Onkelinx (PS)’ luidt, moeten ze niet afkomen met ‘Jeanette Onkelinx (PS)’ of ‘Onkelinx (CDH)’. ‘Maar enfin, ik heb toch ‘Onkelinx’ juist?’, hoor je dan. Dat is belachelijk. Dat is niet de helft juist, dat is helemaal fout. Dan heb je gestudeerd als een papegaai zonder na te denken of op te letten bij het nieuws.”

Hebt u zelf buisproffen meegemaakt?
“Ik heb nog les gehad van Paul Ghijsbrecht, toentertijd een zeer bekend gerechtspsychiater en professor psychologie. Dat was een fenomeen. De manier waarop hij examens afnam, zou nu niet meer mogen. Precies bij die man moest ik mijn allereerste examen afleggen. Na het schriftelijke deel nodigde hij twee studenten per keer, altijd een goede en een slechte, uit voor het mondelinge deel. Dat examen vond plaats in een auditorium – ik ervaar nog altijd trauma’s als ik er passeer. De eerste rij zat vol assistenten en op het podium stonden drie stoelen. De mythe deed de ronde dat je je niet mocht neerzetten op de middelste stoel. Die was heilig. De studente die met mij naar binnen was geroepen, moest de topografie van de hersenen tekenen. Helaas vergiste ze zich. Waarop de professor tegen mij: ‘Devos! Corrigeer!’ Ik zie dat meisje nog altijd met triestige oogjes naar mij kijken. ‘Heeft zij iets fout gedaan? Ja of neen?’, herhaalde de prof. Waarop ik die tekening met een rood krijtje moest verbeteren of ik was zelf gebuisd. Dat was hard.”

Hoe moeten studenten uw vak aanpakken om een buis te vermijden?
“Ik voel me een ouwe vent telkens als ik het vertel, maar het klopt: na een aantal weken moet je al je leerstof beginnen te bekijken. Zo weet je op voorhand waaraan je het meest tijd zult moeten besteden tijdens de blok, welke hoofdstukken moeilijker zijn dan andere. Onderlijnen, kleuren, structureren, prepareren, daarom nog niet studeren.
“De meest voorkomende reden van falen is dat studenten een slechte studiekeuze hebben gemaakt. Er zijn mensen die politiek ongelooflijk interessant vinden. Met hun maten discussiëren ze tot een stuk in de nacht over politiek. Maar dan merken ze dat de wetenschappelijke studie van politiek toch iets anders is. Dat is nu eenmaal veel saaier. Er zijn ook mensen die wel willen blokken, maar die niet geïnteresseerd zijn om de politieke actualiteit te volgen. Met een gebrek aan motivatie of aan interesse zit je hier niet op je plek.”

Dat druist in tegen het imago van de pol & soc, dat in andere richtingen vaak bestempeld wordt als ‘gemakkelijk’.
“Toen ik vroeger zei dat ik pol & soc studeerde, vroegen andere studenten: ‘Maar jongen toch, waarom doe je geen univeristeit?’ (lacht) Daarom proberen wij er nu echt voor te zorgen dat die opleiding kwalitatief hoogstaand is. Ik denk dat we daarin geslaagd zijn, maar toch komen hier nog altijd heel wat mensen terecht vanuit een negatieve keuze. De redenering is vaak: ‘Rechten is te veel recht, geschiedenis te veel geschiedenis, en we willen absoluut wiskunde en statistiek vermijden. Welke opleiding kunnen we volgen met veel verschillende dingen? Ah, Pol & Soc ziet er interessant uit.’ Daardoor is er een brede instroom van zeer ongelijke kwaliteit. Het volk dat hier niet thuishoort, filteren we eruit, want ondertussen zijn we geen makkelijke opleiding meer.

‘Niet meer’?
“Onze opleiding is nu moeilijker dan toen ik student was. De kwaliteit is beter. Toen ik hier studeerde, heb ik proffen meegemaakt die uit hun nek stonden te kletsen. Als je het zelf goed kon uitleggen, geraakte je er bij die mensen gemakkelijk door.”

Maar toch is de instroom nog altijd zeer breed?
“Er is een nieuw dogma aan de universiteit: flexibilisering. Zet de poorten maar open, iedereen mag binnen. Dat is democratisering, en dat is op zich positief. Maar als je vroeger voor zeven van de tien vakken een buis had, kreeg je de boodschap: dit is niets voor u. Vandaag draaien ze het om: goed, je hebt drie vrijstellingen! Daardoor zitten wij met studenten die maar blijven spartelen om misschien ooit een  diploma te halen.”

Het mag gerust allemaal een beetje strenger?
“Principieel sta ik wel achter die opendeurpolitiek, maar ik vraag me af we er niet in doorgeschoten zijn. De gemiddelde kwaliteit van de nieuwe studenten is niet minder dan vroeger, maar moeten we het mogelijk maken dat ze per se in een richting blijven hangen terwijl ze daar eigenlijk onvoldoende scoren? Moeten we iedereen die zin heeft maximaal ondersteunen opdat het toch zou lukken? Sommigen zouden beter iets anders studeren, waarmee ik niet wil zeggen dat die mensen dom zijn.
“Studenten krijgen zeer veel begeleiding als ze dat willen. Er zijn studenten die uit een slechte middelbare school komen en niet goed voorbereid zijn op universitair onderwijs. Die mensen kun je helpen en dat is een mooi sociaal-democratisch principe. De vraag is of je mensen daar op lange termijn een dienst mee bewijst, want op een bepaald moment valt de begeleiding onherroepelijk weg. Je moet dus ook die begeleiding doseren om de zelfredzaamheid te stimuleren. En ze ook leren hoe het er in het leven na de opleiding aan toe gaat: deadlines overschrijden moet gesanctioneerd worden. Later krijg je daar misschien je C4 voor.
“Ook zijn er tegenwoordig sluipwegen om onze bacheloropleiding te omzeilen. Studenten die bijvoorbeeld een bachelordiploma eventmanagement hebben – ik noem maar een voorbeeld en wil dat diploma niet geringschatten – kunnen hier na een schakeljaar aan hun master beginnen. Onze eigen studenten beginnen te protesteren: ‘Waarom zouden wij nog zo’n ambetante cursus met zulke lage slaagcijfers moeten doorstaan als je via de hogeschool een iets minder strenge opleiding kunt volgen om daarna evengoed je masterdiploma te behalen?’ Want het is uiteindelijk dat laatste diploma dat telt op de arbeidsmarkt.’ Straks wordt de master twee jaar, dan moet  je al zes jaar studeren – drie jaar bachelor, een schakeljaar en twee jaar master – voor een universitaire master als je vanuit de hogeschool komt, dat zal die zij-instroom wellicht verminderen. Die zij-instroom is doorgaans heel gemotiveerd en ook zeer degelijk, maar het kan niet de bedoeling zijn dat we onze eigen bachelors ondermijnen. Dat is nog altijd de beste aanloop naar de master.”


Flattr this

Kristien Hemmerechts (1955) is schrijfster. Maar ze geeft ook Engelse literatuur aan de HUB. Daarnaast doceert ze creatief schrijven en Nederlandse literatuur. Ze doet al 31 jaar, en nog altijd met evenveel empathie, zelfs al heeft ze de naam een strenge prof te zijn. “Tegen sommige studenten zou je op het mondeling examen liever zeggen: ga naar huis en kruip in je bed, je bent doodop.”

Kunt u geloven dat u het imago van buisprof hebt?
Kristien Hemmerechts: “Ik weet niet of ik het imago heb van veel te buizen. Ik heb wel het imago dat ik streng ben. Dat is niet helemaal onterecht. Ik stel nu eenmaal een aantal eisen, wat toch moet kunnen in het universitair onderwijs. Als het daar niet kan, waar dan nog wel? Eisen stellen is ook een vorm van respect voor de intelligentie van de studenten.

“Als ik het zo bekijk, vind ik mezelf een hele faire prof. Ik maak zeer duidelijke afspraken met de studenten. Het volstaat niet dat je dingen uit je hoofd kent, je moet echt ook wel begrijpen wat je zegt. Feitjes kun je opzoeken via Google en Wikipedia, maar als je geen inzicht hebt in de essentie van de cursus, heeft het geen zin om examen te komen afleggen. Je moet op een kritische manier kunnen omgaan met de leerstof. Op het mondeling examen stel ik veel vragen om daarnaar te peilen. Je moet verbanden kunnen leggen. En als studenten iets niet begrijpen, kunnen ze me altijd mailen met hun vragen.”

Wie gebuisd is, weet dat het terecht is?
“Veel studenten hebben onvoldoende inzicht in zichzelf. Ze blijven bijvoorbeeld volhouden dat hun examen goed en fantastisch was, terwijl ze heel bizarre theorieën kwamen verkondigen. Andere studenten zijn zeer goed, maar denken telkens weer dat ze een slecht examen hebben afgelegd.”

Wat vindt u van het nieuwe bachelor-master-systeem?
“Mijn indruk is dat dat in het voordeel is van de studenten. Als je een steek laat vallen, moet je niet langer het hele pakket opnieuw doen. Dat is een goede verandering. Het systeem is nu ook zo geëvolueerd dat je je het niet meer kunt veroorloven om het hele jaar niets te doen en op het einde gas te geven.”

Hebt u zelf buisproffen meegemaakt toen u student was?
“Neen, nog nooit. En in al de jaren dat ik lesgeef heb ik nog nooit een docent ontmoet die zei: en nu ga ik mijn studenten eens buizen! Ik kan met de hand op het hart zeggen dat ik alleen nog maar mensen ben tegengekomen die de studenten graag zien en die blij zijn als ze het goed doen. Anders vragen ze zich af of ze de stof misschien niet goed uitgelegd hebben. Ik zeg altijd tegen mijn studenten: ‘Besef dat wij daar op het examen niet zitten als sadisten om jullie te buizen.’ Dat zijn slechts verhalen die studenten vertellen om het interessant te maken. Er is ook een ombudsdienst: studenten zijn dus niet weerloos overgeleverd aan de willekeur van de proffen. Wij worden daarbij voortdurend geëvalueerd. Wij kunnen niet zomaar eender wat doen.”

Zijn er collega-proffen van wie u soms denkt: die is misschien niet streng genoeg?
“Dat vind ik soms, ja. Ik heb gemerkt dat een prof nooit in de problemen komt als hij vooral hoge cijfers geeft. Terwijl je stevig in je schoenen moet staan als je iemand een 6 op 20 geeft. Dat moet je kunnen verantwoorden. Ergens hoop ik wel dat studenten respect hebben voor een prof die hen tegenhoudt als het niet goed is, want er iedereen doorlaten is een makkelijkheidsoplossing.”

Past u uw cijfers soms aan als u alle resultaten tezamen ziet?
“Neen. Ik concentreer me heel hard tijdens het examen, maar vergelijk de examens achteraf niet. Aandachtig blijven luisteren is wel een moeilijk aspect van het examen. Daarom loop ik af en toe wat rond. Bij sommige studenten moet je het antwoord eruit sleuren. Da’s verschrikkelijk.
“Tijdens het examen moeten wij neutraal blijven. We mogen niet laten merken of het goed of slecht is. Ik vind dat onmenselijk. Ik kan dat niet. Het is toch sadistisch als je een student laat voort praten als hij een verkeerd antwoord geeft? Dan vraag ik of ze wel zeker zijn van wat ze zeggen. Zou het niet anders zijn? Als ze het dan nog niet doorhebben, zijn het ezels.
“Ik heb het er ook vaak moeilijk mee dat wij de studenten na het examen niet mogen zeggen welk cijfer ze gehaald hebben. Sommige mensen zijn zo angstig en zenuwachtig dat ik de neiging heb om ze duidelijk te maken dat ze met een gerust hart voor hun volgende examen kunnen beginnen te studeren.”

Hebt u het lastig om een cijfer te plakken op de prestatie van een student?
“Cijfers zijn een noodzakelijk kwaad. Tijdens het jaar zal ik geen cijfers meer geven, maar gewoon feedback. Studenten pinnen zich vaak te veel vast op een cijfertje. Feedback geeft meer adem, zodat de studenten niet al op voorhand in paniek schieten.
“Examens afnemen doe ik echt niet graag. Studenten zijn dan moe en zenuwachtig, en zelf zit je daar als de sadist vragen te stellen. Tegen sommige mensen zou je liever zeggen: ga naar huis en kruip in je bed, je bent doodop.”


Flattr this

William Van Belle (1949) geeft les sinds 1980. Hij werd in 1987 aangesteld als docent. Momenteel is hij gewoon hoogleraar en doceert hij Nederlandse taalkunde in eerste en derde bachelor, alsook in de master. Daarnaast geeft hij argumentatieleer in de derde bachelor en pragmatiek en discoursanalyse in de master. Hij praat voorzichtig, wikt en weegt z’n woorden. Maar een zacht eitje is hij niet. ‘Als een student op zijn examen enkele pertinent onmogelijke dingen schrijft, en zijn eindscore is een 9, dan blijft het een 9.’

Weet u dat u de naam hebt een veeleisende prof te zijn?
William Van Belle: “Ja, maar ik ben een beetje verrast dat ik ‘buisprof’ genoemd wordt. Dat zal dan vooral gelden voor Nederlandse taalkunde in het eerste jaar. In de latere jaren komt het zelden voor dat iemand gebuisd is. Sowieso hebben alle taalkundevakken in het eerste jaar relatief lage slaagcijfers.

“Nederlandse taalkunde is dan nog een speciaal geval: de taal kennen de studenten al, nu moeten ze met die kennis leren redeneren. Dat is voor sommige mensen een hele stap. Ze moeten een begrippenapparaat verwerven dat dikwijls haaks staat op wat ze geleerd hebben in het middelbaar onderwijs. Daar stopt het niet: ze moeten die kennis ook uitleggen en toepassen. Sommige studenten denken nog altijd dat ze moeten tonen dat ze iets gestudeerd hebben. Zo werkt het niet. Ze moeten bewijzen dat ze het begrijpen. Ben ik daarom veeleisend? Dat kan. Ik denk dat het belangrijk is om al van in het begin duidelijke eisen te stellen, zodat studenten op het examen weten wat onze verwachtingen zijn. En van studenten Nederlandse taal- en letterkunde mag je toch ook verwachten dat zij een bevattelijke tekst kunnen schrijven.”

Is het nodig om in het eerste jaar streng te zijn?
“Een universitaire opleiding is cumulatief: elk jaar bouw je verder op wat je het vorige jaar geleerd hebt. Wie een vak onvoldoende kent, zal er het jaar daarop nog minder van kennen. Ik denk daarom dat het goed is om veeleisend te zijn. Dat is natuurlijk een ondankbare taak, je wordt daar niet populair door.

“Toen ik hier begon te doceren, gaf ik een vak in de tweede kandidatuur. Tien procent van de 120 studenten deed dat jaar voor de derde keer. Dat zijn toestanden die je moet vermijden. Van een student die geslaagd is in het eerste jaar moet je zeker zijn dat hij probleemloos zijn studie kan afwerken.”

Hoe zien de slaagcijfers voor uw vakken eruit?
“In het eerste jaar is ongeveer de helft erdoor. In de andere jaren slaagt bijna iedereen. Er zijn vakken in het eerste jaar met veel hogere slaagcijfers dan de mijne, en ik vraag mij af of dat wel een goede zaak is. Al heeft dat natuurlijk ook te maken met de aard van het vak taalkunde. Nu, het staat dus niet op voorhand vast hoeveel studenten mogen overgaan naar het volgende jaar. Elk goed examen dat ik lees, is een opluchting. Een plezier zelfs.”

Hebt u zelf buisproffen meegemaakt?
“Wat mij vroeger vooral tegenstak, is dat we zoveel letterlijk moesten memoriseren. Ik heb daar nooit de zin van ingezien. Vandaar dat ik van mijn studenten vraag dat ze zelf analyses kunnen maken.”

Hebt u het ook lastig om een cijfer te geven als u twijfelt tussen een 10 en een 9?
“Een oudere collega heeft me gezegd: je moet altijd het hoogste cijfer geven dat je kunt geven. Als ik twijfel tussen een 9 en een 10, zal het dus een 10 worden. Waarom niet? Maar als een student op zijn examen enkele pertinent onmogelijke dingen schrijft, en zijn eindscore is een 9, dan blijft het een 9.”

Komen studenten achteraf vaak klagen over hun score?
“Na de examens staat mijn bureau vol studenten die hun examen willen inkijken. Velen zijn al vergeten wat ze precies opgeschreven hebben. We kunnen hen altijd tonen waarom ze een bepaald resultaat halen.”


Flattr this

Volg

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 44 other followers