Aberratie
18 oktober 2009

'Media & Journalistiek in Vlaanderen kritisch doorgelicht'.
Al enige dagen ben ik aan het lezen in Media & journalistiek in Vlaanderen kritisch doorgelicht (Uitgeverij Van Halewyck, 2009), een bundeling essays samengesteld door Johan Sanctorum en Frank Thevissen. Het is een interessant boek, verplichte literatuur eigenlijk voor al wie mediaconsument is, werkt in de media of anderszins bezig is met nieuwsgaring, duiding en opiniëring.
Sommige mensen zullen zich bij de boekenmarchand laten afschrikken door de naam en faam van bepaalde auteurs, zogenaamde rechtse ballen die vanuit hun verzuurde onderbuik voortdurend afgeven op het multiculturele, politiek correcte circus dat de pers elke dag probeert op te voeren. Dat is de notoire linkse rat Carl Devos, professor politicologie aan de Universiteit Gent, niet ontgaan bij het schrijven van het voorwoord van Media & journalistiek in Vlaanderen kritisch doorgelicht:
Bij het aanschouwen van de auteurslijst en de inhoudsopgave van voorliggend boek overviel me een wat onbehaaglijk gevoel, een lichte ongerustheid. Op het eerste gezicht doen de verzamelde auteurs, op enkele uitzonderingen na, denken aan een karavaan van naar rechts afhellende mopperpotten die een boek lang emmeren over de veel te linkse pers waarin ze zelf of hun gedachten onvoldoende aan bod komen. Of waarin hun carrière nooit gelopen is zoals verhoopt.
Daaraan koppelt Devos een intelligente draai waar menig Vlaams journalist én mediaconsument eens goed over mag nadenken:
De auteurs afschrijven is al te gemakkelijk en ontdoet hun teksten bovendien niet van relevantie. De ‘bezoedeling van de bron’ ontneemt de hoofdstukken van dit boek niet van alle waarheid of maakt ze niet onjuist. Wie kritiek hoog in het vaandel voert, moet het debat inhoudelijk voeren. En laat dat nu net zo moeilijk zijn als het over media en journalisten gaat.
Het meest relevante hoofdstuk – voor mij althans – is de bijdrage van blogger Luc Van Braekel. Van Braekel laat zijn licht schijnen over zijn eigen milieu, de blogosfeer. In zijn essay ‘Schiet niet op de burgerjournalist’ heeft hij het over de ‘officiële’ pers als centrumlinkse eenheidsworst, over de VRT als een rode burcht, over beroepsjournalisten als beschermde beroepsgroep met corporatistische reflexen, en hij doet dat met zinnige argumenten, feitelijke informatie en wetenschappelijk vergaard cijfermateriaal.
Van Braekel onderscheidt vervolgens drie taboe-onderwerpen in de pers:
- De Europese integratie
- Onze sociale zekerheid
- Ontwikkelingshulp
“Redacties gaan er blijkbaar van uit dat rond deze onderwerpen een positieve maatschappelijke consensus bestaat, waarbij het onwenselijk is om die met kritische bedenkingen te verstoren”, schrijft de blogger, en mijn kleine teen eraf als hij geen punt heeft. Gelukkig, zo laat Van Braekel doorschemeren, zijn er nog bloggers.
Inderdaad, gelukkig. Ik kan er zelf van meespreken. Van Braekels essay is voor mij persoonlijk zo relevant om deze redenen:
- Tijdens mijn driejarige carrière als eindredacteur bij De Morgen heb ik de politiek correcte kerk regelmatig zien preken. Eén voorval doet me zelfs spreken van politiek correct fascisme. Het ging erover dat het tv-spotje van Kasteelbier vrouwonvriendelijk was omdat het een vrouw toonde die haar man gehoorzaam een Kasteelbiertje kwam brengen. De Morgen trok naar Ingelmunster, zodat brouwer Luc Van Honsebrouck, een toen 76-jarige West-Vlaamse ondernemer, zich kon expliqueren. Als grote titel stond er boven het artikel: ‘De vrouw bedient haar man. Zo is het leven’. Dat móést er staan, want, zo zei de chef nieuws, hikkend van een vreemd soort contentement: “Die man is krankzinnig, lees nu eens wat die allemaal zegt! Die gelooft dat dus, hé! Die is gek, gewoon gek!” Bijzonder gênant als u het mij vraagt. Dat de vrouw van Van Honsebrouck in het stuk letterlijk zegt “Wij zijn van de oude tijd”, getuigt van veel meer verstand, doorzicht en zelfkennis dan het pseudoverontwaardigde gehik van die bepaald vooringenomen opererende chef nieuws.
- Na mijn ontslag bij De Morgen ben ik zelf vol enthousiasme beginnen te bloggen. Enkele maanden in de blogosfeer hebben me al meer journalistieke voldoening geschonken dan drie jaar bij het voornoemde onafhankelijke dagblad. Onbetaald mijn eigen stukken op het net zwieren heeft me al meer opgeleverd dan betaald andermans stukken op een krantenpagina zetten. Zonder mensbrugghe.wordpress.com had ik me allicht mogen opmaken voor een carrière als strontraper achter de tram.
- Sinds enkele dagen staat De Werktitel online, waarvan ik één van de trotse oprichters ben. De Werktitel is een blog die gemaakt wordt door ervaren beroepsjournalisten. Een nieuwssite zijn we niet, want nieuwssites verplichten zichzelf ertoe om zowat elke minuut met een nieuw nieuwtje op de proppen te komen om zodoende het Gevoel van Actualiteit te evoceren. Daar doen wij niet aan mee, omdat we eigen nieuws willen brengen en niet gewoon de vloedgolf aan feitjes van de persagentschappen willen overnemen (zie in dat verband ook het interview met Nick Davies). In die zin zijn we een experiment dat het midden houdt tussen een weblog en een krantenredactie. Ik vind dat wijs.
De Werktitel verenigt als het ware de twee kanten van het verhaal van Luc Van Braekel: burgerjournalistiek (want op eigen houtje, zonder gevestigd uitgeversbedrijf) en beroepsjournalistiek (want individueel erkend door de betreffende commissie). Zoals Van Braekel met enkele voorbeelden aantoont, is die titel van beroepsjournalist geen kwaliteitsmerk, geen waarborg op deontologische en correcte journalistiek.
Toch wijst Van Braekel sommige van zijn collega-bloggers met de vinger:
Op het internet, waar perfecte anonimiteit mogelijk is, kunnen anonieme bloggers andermans rechten schaden, bijvoorbeeld via laster, zonder dat zij ter verantwoording kunnen worden geroepen en zonder dat de lasterlijke inhoud verwijderd kan worden, bijvoorbeeld omdat de webserver zich in een land bevindt dat niet ingaat op gerechtelijke vorderingen.
Anderzijds doen online burgerjournalisten volgens de auteur veel beter aan bronvermerling dan traditionele media:
Bloggers verwijzen naar hun bronnen via hyperlinks, de geijkte manier om webpagina’s met andere webpagina’s te verbinden. Een betere en volledigere ‘bronvermelding’ is nauwelijks denkbaar. Kranten en tijdschriften daarentegen nemen het vaak niet zo nauw op met die bronvermelding. De wet op het auteursrecht staat een ‘citaatrecht’ toe, waarbij de bron zo volledig mogelijk dient te worden vermeld. Wanneer ik op mijn weblog een opmerkelijke uitspraak citeer die een politicus in één of ander interview deed, dan vermeld ik niet alleen de naam van de politicus en de naam van de publicatie, maar ook de datum en de naam van de interviewer. De krant De Tijd daarentegen vermeldt in haar dagelijkse citatenrubriek enkel de naam van de geïnterviewde en de naam van de publicatie, zonder vermelding van datum noch van de journalist die het interview afnam.
Een pagina verder schrijft Van Braekel zelfs over het soort journalistiek waar De Werktitel naar terug wil grijpen: “Decennialang baadde deze beroepscategorie in een mythische sfeer van onderzoeksjournalistiek en diepgravende duiding. [...] De beroepsjournalisten waren de hogepriesters van de waarheid, zo leek het wel.” Hoofdredacteur van De Werktitel Georges Timmerman heeft het daar expliciet over in zijn edito, Enthousiasme:
De belangrijkste taak van journalisten is nog altijd (te proberen) de waarheid te vertellen – en dus niet om zoveel mogelijk kranten te verkopen of zoveel mogelijk kijkers te halen. Dat die waarheid meestal verduiveld goed verborgen zit, achter een dikke sluier van mist, maakt de uitdaging alleen maar spannender.
Zowel Timmerman als Van Braekel, en elk vanuit hun eigen achtergrond, beschouwt het internet als een zegen voor de journalistiek. Timmerman omdat hij het gevoel heeft dat hij dankzij het internet verlost is van een al te zwaar commercieel juk, Van Braekel omdat hij ziet dat het internet het monopolie op informatie van een al te linkse beroepscategorie doorbroken heeft:
Vandaag kan iedereen publiceren, reageren, doorsturen en experimenteren. De journalistieke activiteit is niet langer een privilege. Het mediaoligopolie wordt uitgehold door een overvloed aan websites en weblogs, die zonder kosten en zonder beperkingen kunnen worden opgezet.
De situatie waarbij de bevolking was aangewezen “op een handvol kranten, één of twee tv-omroepen en enkele radiokanalen” was volgens Van Braekel een aberratie “veroorzaakt door materiële beperkingen, hoge investeringskosten, een hoge instapdrempel voor nieuwe initiatieven, maar vooral door de coporatistische mentaliteit van de journalistieke kaste”.
Dat De Werktitel op zijn blog expliciet aangeeft dat de medewerkers professionele journalisten zijn, moet echter niet in een corporatistisch daglicht gezien worden. Wij willen simpelweg aangeven dat de bijdragen op werktitel.be het resultaat zijn van journalistieke arbeid en dat De Werktitel géén forum is waarop mensen die toevallig beroepsjournalist zijn geheel vrijblijvend een soortement dagboek mogen bijhouden. Daarvoor kun je immers al terecht op de sites van traditionele media als De Standaard of de VRT.
Plots
17 oktober 2009
Ik kan me niet herinneren dat ik op dit forum al iets gezegd heb over Plots Stripmagazine, en ik ben op deze mooie zaterdagochtend te lui om in mijn archieven te gaan graaien. Welnu, Plots Stripmagazine is een driemaandelijkse publicatie die beginnende striptalenten onder de aandacht probeert te brengen. Samen met Peter Moerenhout, ongetwijfeld een van de beste stripscenaristen van dit land, vorm ik er de redactie van.
Gisteren verliet Plots #11 de gebouwen van drukkerij New Goff. Om een beetje reclame te maken: het is alweer een mooie verzameling strips geworden waarin menig fraai getekend verhaal te bewonderen valt. De kostprijs bedraagt 7 euro, wat bijlange niet veel is voor 84 pagina’s strip. Dit is de cover, van de hand van een van de toptalenten van Plots, Ruben Accou:

De voorpagina van de elfde editie van Plots Stripmagazine.
Verder in Plots Stripmagazine ook: het colofon! Elke keer proberen we een mooi geformuleerde draai aan deze gewoonlijk bijzonder administratieve rubriek te geven, meestal met een inleidend verhaaltje dat verder geen belang heeft. Deze keer ging dat verhaal als volgt:
Pascal Moerenhout, rentenier van beroep, tikt met de steel van zijn pijp tegen het venster van zijn woonkamer. “Ziet ge, dit glas houdt het duister tegen. Een deel van het licht van de lampen van mijn luster straalt er knal doorheen en raakt zijn weg kwijt in de opkomende schemering, maar een ander deel, ge ziet het blinken, kaatst gewoon terug. Zo blijft het duister altijd buiten”, zegt Pascal.
“Tenzij ge de lampen van uw luster dooft”, reageert zijn copain Theofiel Van der Mensbrugghe, de oude apotheker van twee dorpen verder. “Dan sijpelt de duisternis gewoon binnen terwijl wij hier zitten porto te drinken in de schone zetels die ge van uw betreurde moeder hebt geërfd.”
“Maar waarom zouden we dat willen, m’n beste Theo? Waarom zou ik de duisternis hier toelaten?”
“Omdat ge dan beter beseft dat er zonder duisternis geen licht zou zijn”, probeert Theofiel zijn oude vriend duidelijk te maken.
“Maar ik wéét dat er slechts licht is dankzij de duisternis, want ik steek het aan als het mij hier te donker wordt.”
“Ge moet het mij niet uitleggen, Pascal. Als ik ‘s nachts thuiskom en ik vind de schakelaar niet, loop ik overal tegen. Dan sta ik de volgende dag op met blauwe plekken van mijn kloten tot mijn enkels.”
Pascal tikt nogmaals tegen de ruit, voorzichtig, want zowel zijn pijpensteel als het glas voelen even broos als de oude botten in zijn handen. “Mijn vensterraam houdt ook de miserie tegen van de arme sukkelaars die tijdens de nacht op straat liggen te creperen.”
“De nacht is het enige deken dat zij toegeworpen krijgen. Zij, in haar hoedanigheid van schaduwzijde van deze planeet, verhult hun lijden aan onze waarneming.”
“Zo hun gekerm buiten blijft, beste Theo, zo zien zij wel hoe wij hier, in de schone zetels van mijn betreurde moeder, zitten porto te drinken.”
“Straalt ons geluk dan niet, samen met het warme licht van de lampen van uw luster, af op hun ellende?”
En dan, opeens, valt dat licht uit. In het duister zien Pascal, de oude rentenier, en Theofiel, de bejaarde apotheker, de verbazing in elkanders ogen niet. Even weten zij niet wat te zeggen.”Neen,” doorbreekt Pascal de stilte, “want ge moogt gij dan wel stellen dat het licht uitgevallen is en dat in mijn woonkamer dadelijk het donker is geslopen, de miserie van de arme sukkelaars die buiten op straat liggen te creperen is niet mee naar binnen gekomen.”
Theofiel heft ongezien zijn glaasje portwijn. “Die vaststelling, die wij hier zo plots gewaarworden terwijl het herfstweer onze gewrichten tergt, is een waarheid. Maar verkondig haar, en het zijn slechts zonderlingen die haar horen willen.”
“Ach, in de seniorenclub hier om de hoek zullen ze er wel oren naar hebben”, zucht Pascal.
Als het niet zo herfstig was, het zou verdorie bijkans een kerstverhaal zijn.