Een vermoorde droom
27 mei 2009
Ex-journalist Frederik Smets heeft met ‘Een vermoorde droom’ een doorleefd essay geschreven over zijn tijd bij De Morgen, toen die krant nog een eigen economieredactie had en hijzelf daar deel van uitmaakte. Smets schrijft recht uit het hart, vlijmscherp, maar níét met het schuim op de lippen. Hij noemt meestal geen namen, hij verspilt geen woorden aan welke ideologische lijn De Morgen achterna moet hollen. Hij geeft wel een antwoord op de vraag waarom er de afgelopen jaren zoveel mensen diep ontgoocheld de redactie hebben verlaten: “De vis is rot aan de kop.” Een getuigenis van een man die op zondag 24 mei, tijdens het lezersprotest op de Arduinkaai, afscheid nam van de krant die zijn jongensdroom vermoord heeft:
Het was gezellig en intriest, dat lezersfeest aan de Arduinkaai. De plaats waar een Krant ligt te zieltogen. En waar ik een jongensdroom op korte tijd uit elkaar heb zien spatten.
Halverwege de jaren tachtig was ik nog een uk en vroeg mijn grootmoeder me wat ik wilde worden. Ik koos voor journalist, want politieman of luchtmachtpiloot vond ik toen al iets voor gefrustreerde jeanetten met een ongezonde voorliefde voor uniformen. Het gevolg van opgroeien in een links nest en te veel Kuifje. Een lekker dwarse jongensdroom.
Ik ben een van die lucky bastards die zijn droom in vervulling heeft zien gaan. Maar het heeft maar even geduurd. Even uitleggen hoe dat kwam.
De Persgroep was aan het einde van de jaren negentig begonnen met een prestigieuze eliteschool voor jonge aspirant-journalisten, de MediAcademie. Na een selectie op cv, een stuk of wat schrijfproeven en een gesprek met een paar hoofdkazen van de redacties en het management te Kobbegem werden telkens tien jonge honden uitgekozen die klaargestoomd zouden worden voor een bloeiende carrière als nieuwsmaker.
Ik slaagde wonderwel voor de lichting 2001, kreeg een contract voor vier maanden en mocht in allerhande buitenlanden naar prestigieuze journalistenscholen. Ik liep stage bij Het Laatste Nieuws en bij, jawel, De Morgen. Bij De Financiële Morgen, het economiekatern. De andere stagiairs gaven geen moer om economiejournalistiek, en ik had in een vorig leven nog gedupeerde aandeelhouders van Lernout & Hauspie geholpen bij consultant Deminor. Ik was dus de enige stagiair die wist wat een aandeel was en vooral: hoe zo’n aandeel door gepruts van enkele Managers van het Jaar door de bodem en way beyond infinity kan zakken. Daardoor had ik op dat moment een hele niche voor mezelf als stagiair bij de gazet.
DFM was toen nog een dik, dagelijks katern dat na de teloorgang van Terzake tot bloei gekomen was ten tijde van de dotcombubbel, stijgende beurskoersen en de algehele economische hoerasfeer die toen heerste. De ploeg die er toen zat, was een indrukwekkende, geoliede machine die bestond uit ervaren rotten als Geert Sciot, Josse Abrahams en Jan Scheidtweiler, met Ruben Mooijman als chef.
Een betere leerschool kon eigenlijk niet. Maar ik merkte ook al snel dat het tussen die oude rotten en de hoofdkazen totáál niet boterde. De chefs vonden DFM te saai, te elitair. Te eigengereid ook. DFM had autoriteit binnen de gazet en bepaalde grotendeels zijn eigen agenda. Maar bracht wel oerdegelijke berichtgeving waaraan in bedrijfs- en politieke kringen nog altijd met enige weemoed teruggedacht wordt – ik word er nog altijd op aangesproken.
Maar dat was dus niet goed genoeg voor de leiding. Ik herinner me nog de ergernis van de oude rotten toen een hoofdkaas na een lange zomer terugkwam van vakantie en een draak van een stuk pleegde waarin het een of ander toerismebedrijf of zo de hemel in geprezen werd dat meer dan waarschijnlijk bestierd werd door een goede bekende van de kaas in kwestie. “Want het moest allemaal wat lichter.”
Ik herinner me ook nog hoe een adjunct-hoofdkaas een oude rot met meer dan vijftien jaar ervaring bij álle kwaliteitskranten van dit land toebeet “dat hij maar eens stukken moest leren schrijven”. Waarop de tamelijk atletisch gebouwde oude rot rechtveerde en het geen haar gescheeld had of hij had de ietwat pafferig gebouwde adjunct-hoofdkaas een peer op zijn muil gegeven.
Ik had al véél gezien bij mijn vorige jobs, maar dergelijke dingen bij Het Instituut De Morgen… (In die periode heb ik trouwens ook één geval van in de praktijk gebrachte fysieke agressie meegemaakt, maar beide partijen hebben zich gelukkig verzoend achteraf en kunnen het nu in het algemeen wel weer vinden met elkaar, denk ik).
En zo ging dat daar dag in, dag uit.
De kern van het probleem bij DFM, en dat is uiteindelijk ook de kern van het probleem bij de héle krant, is dat de hoofdkazen totáál niet weten waar ze naartoe willen. De jarenlange stuurloosheid bij de economieredactie die volgde na mijn aantreden aldaar is wat dat betreft tekenend. Even uitleggen hoe dat zat.
Plots begon een grote leegloop bij De Financiële Morgen. Geert was de eerste die de deur achter zich dichttrok. Hij vertrok in februari 2003 en werd directeur communicatie bij SN Brussels Airlines. Niet lang daarna stapte Ruben over naar – o blasfemie! – De Standaard. Niet veel later hielden de anderen het voor bekeken en bleef ik achter op een DFM die bestond uit mezelf, de uiterst aimabele Ronald Meeus en de ietwat wereldvreemde (pun intended) beursanalist Robert Melders, die ervoor bekend stond dat hij pas wist wat er op 9/11 gebeurd was toen hij op zijn Bloombergterminal zag dat de beurs crashte (terwijl de rest van de redactie al een hele namiddag aan CNN gekluisterd was).
Voordeel voor mij was dat ik na amper negen maanden freelancen een vast contract kreeg. Geen evidentie, want de methode eerst-de-hemel-ingeprezen-worden-en-beloftes-krijgen-over-een-vast-contract-maar-er-dan-toch-geen-krijgen-met-het-excuus-dat-je-stukken-niet-goed-zijn werd erg frequent toegepast op de redactie (mediaredacteuren, een eindredacteur die nu buitengezwierd is, de lijst is eindeloos).
Maar goed. Ik kreeg dus wél een contract. Ik moest dus niet langer zes dagen op zeven mijn rekker afdraaien om op het einde van de maand duizend euro of minder op mijn rekening te krijgen voor al de freelancestukjes die ik geproduceerd had. De redactiemanager, die toen tijdelijk chef economie speelde, was samen met mij blij. Ik mocht even bij de hoofdkaas, die me vroeg hoe ik mijn toekomst zag bij de krant. Ik zei hem dat ik het liefst op economie wilde blijven. Contract getekend. Alles koek en ei.
Maar hoe het nu in godsnaam verder moest met DFM, dat was nog geen uitgemaakte zaak. Samen met de overblijvers moesten we, als ik het me goed herinner, maar liefst vier pagina’s per dag volknallen. Met een handje hulp van de andere redacties, freelancers en wat stagiairs hebben we dat maandenlang voor elkaar gekregen. Maar het was geen pretje.
De hoofdkaas vond het moment rijp voor wat veranderingen, want de oude rotten waren weg en de jonge overblijvertjes durfden hun bek toch niet open te trekken. Hij riskeerde immers geen gemopper of muilpeer meer.
De lay-out van DFM werd gewijzigd en er moest ‘media’ in komen, een oude maar hardnekkige dada van de hoofdkaas waar, en daar ben ik zeker van, geen lezer op zit te wachten. Ik dus elke dag een stuk van 150 lijnen afscheiden over ‘media’ (voor de leek: da’s met foto ongeveer een derde van een krantenpagina). Bij tijden ging die rubriek echt nergens meer over, want de hoofdkaas was uiteraard eventjes vergeten dat elke dag een derde pagina medianieuws brengen onmogelijk is omdat er nu eenmaal niet genoeg nieuwsaanbod is in die sector. Op den duur ging het over de vorm van het flesje van Schweppes tonic en de nieuwe reclamecampagne van Axe. “Wat is de fles van de week?”, grapten we toen.
Onbenullige pr-bureautjes hadden het toen wel heel makkelijk om hun stront aan de krant te slijten, want vaak was de door hen geleverde bagger het énige wat in die mediarubriek kon (en believe me you, we hebben zéér hard gezocht naar interessante verhalen die niet alleen voor marketingbobo’s verteerbaar waren).
De hoofdkaas zei ons toen ook dat het niet meer zo belangrijk was dat we het harde nieuws allemaal mee hadden. Aangename leesverhalen moesten er komen. Het moest allemaal zo technisch niet meer en blablabla. Oef. Eindelijk verlost van die stress om met drie à vier jonge en onervaren honden (rond die periode voegde ook de toen nog zeer piepe Vanessa Debruyne zich bij ons) te moeten opboksen tegen de gerodeerde economielegioenen van De Standaard en De (toen nog) Financieel-Economische Tijd.
Maar dat was zever. Als De Standaard opende met iets dat wij niet hadden, kregen we de ene scheldtirade na de andere over ons heen. De mensen die de toenmalige hoofdkaas kennen, weten wat dat betekent. Ik bespaar u het machismo, de extreem denigrerende opmerkingen, bij tijden ook het platte seksisme, de kleineringen, afijn. Het is duidelijk dat de man ergens “enige substantie” tekort kwam en dat dan maar uitwerkte op zijn personeel.
En zo ging het maanden. Het was overduidelijk dat De Morgen een probleem had om ouder, ervaren volk aan te trekken om zijn economieredactie weer op poten te zetten. In het piepkleine Vlaamse medialandschap zijn economieredacteuren al schaars goed, en bovendien kennen de meesten het klappen van de zweep bij De Morgen. Om die reden zitten ze nu dan ook bij andere media, zoals De Tijd, De Standaard, Knack of Trends.
Op den duur kropen we wel wat uit het dal. We kregen een aimabele chef economie, die weliswaar weggeplukt werd van de politieke redactie, en twee nieuwe collega’s, die respectievelijk van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven en het Nederlandse economiemagazine FEM kwamen. Zeer competente mensen. De werkdruk verminderde, waardoor ik gaandeweg zelfs al eens thuis kon komen vóór mijn lief in slaap lag en ik – o godsgeschenk – al eens op een gezond uur kon eten ‘s avonds (hoewel dat niet voldoende was om die tien kilo kwijt te geraken die er sedert mijn aantreden bijgekomen was). De heer Melders kreeg een bod om andere oorden op te zoeken, wat hij ook graag aannam, scheen me.
De hoofdkaas lanceerde inmiddels een ambitieuze nieuwe weekendbijlage, Eco, waar toch nogal wat werk in kroop. Op zich een plezier om aan die bijlage te werken, maar wannéér kon je dat in godsnaam doen als je ook nog elke dag een paar economiepagina’s moest vullen en ook regelmatig de voortrein, het eerste deel van de gazet vol algemeen nieuws, moest bedienen van stukken over Ford Genk, Sobelair of andere rampen? Maar wij deden dat dus. Dus ik weer bijna elke avond heel stilletjes bij een slapend lief kruipen.
Mooie dingen gedaan met Eco. Maar nooit hoorden we van de hoofdkaas goedkeurende opmerkingen. Evaluatiegesprekken, dat was onze beloning. Geheel in de typische hoofdkaasstijl uiteraard. Onze jongste redactrice is meermaals tot huilens toe “geëvalueerd”. Zo bestond ze het om in de reeds eerder genoemde “mediarubriek” eens iets korts te schrijven over de marketing bij De Standaard, bij gebrek aan iets interessanters. Ze werd vakkundig gevild, want dat was wel zo makkelijk. Huilende mensen slaan niet terug.
Ook ik ontsnapte er niet aan. Ik volgde op dat moment de hele energiesector, de NMBS, De Post, de havens, de auto-industrie, de marketingwereld en nog een paar honderdduizend miljoen andere zaken. Veel. Maar ook ik mocht eens een keer bij de hoofdkaas om uitgekafferd te worden voor een of andere “misser” die iedere normaal mens op een redactie weleens meemaakt. Ik heb die avond mijn woonkamer ondergekotst.
De hoofdkaas werd uiteindelijk op een zijspoor gerangeerd toen hij het bestond de opperhoofdkaas in Kobbegem uit te kafferen omdat die opperhoofdkaas een andere hoofdkaas had aangesteld die eigenlijk hoofdkaas van ónze hoofdkaas moest spelen. Onze hoofdkaas vond dat een aanslag op zijn substantie en speelde “evalueer-redacteurtje” met de Grote Baas. He fucked with the wrong guy. Hij dus verbannen naar de glossy, het De Morgen Magazine. Waar hij prompt ténenkrullende voorwoordjes begon te schrijven om zich nog wat te doen gelden en waar hij zich verder gelukkig enkel bezig te houden had met het vullen van zijn blad met licht verteerbare substantie.
Op de redactie hoopte iedereen dat dat het einde zou betekenen van de terreur, de incompetentie, de domheid, het schelden en het kwetsen. Bij DFM hoopten we stilletjes dat er eens een hoofdkaas zou komen die kaas gegeten had van economie, en die bovendien wist waar hij naartoe wilde met die economie. Want een lijn was er nooit uitgezet. De economie mocht niet te zwaar op de hand zijn, en hard nieuws hoefde niet meer zo. Maar als we iets misten, kregen we op onze donder. En er moest meer medianieuws in, zoals altijd (het narcisme moest ook op de economiepagina’s). Maar nee, we zijn geen marketingblad, dus ook die media mag niet te ver doorschieten naar specialisme.
Que faire?
De duidelijke lijn voor het economiekatern van De Morgen bleef dus uit. Terzake was indertijd “economie op z’n links”, daar zat een visie achter. De Financiële Morgen was in 2000 uit de grond gestampt omdat Kobbegem ook wilde dat de beurs aandacht kreeg [zie John Vandaele, TVDM]. Ook een visie, zij het misschien een die de wat linksere mensen op de redactie niet erg beviel. Maar de kwaliteit in de berichtgeving was er, en de ploeg die erachter zat gerodeerd en ervaren.
Na de crash van Lernout & Hauspie en de dotcoms werd het duidelijk dat je dagelijks geen vier pagina’s meer kon vullen met economisch nieuws dat erg op de beurs geënt was. DFM moest dus veranderen. Maar de hoofdkazen hadden er geen idee van hoe het dan wel verder moest. Inzetten op lekkere leesverhalen? Trekt mensen die DFM normaal gezien niet lezen. Maar enkel popcorn op de economiepagina’s? Gaat niet. Want dan haakt de lezer af die ook het sociaal-economische nieuws mee wil hebben als hij ‘s ochtends zijn krant openslaat.
Die twijfel tussen populariteit en ernst nekt DFM al jaren. De hoofdkazen gaan daarmee voorbij aan een simpele wet: élke kwaliteitskrant heeft een goede economieredactie nodig. Maar die is er dus niet bij De Morgen. En al helemaal niet meer sinds De Persgroep de handen op De Tijd kon leggen.
Einde 2004 was ik al het gezeik, de scheldpartijen, de incompetentie en de domheid meer dan beu en begon ik stilaan uit te kijken naar een andere baan. Ik was 27, woog bijna honderd kilo, had een cholesterolniveau waarvan mijn huisdokter in paniek schoot, mijn sociaal leven was onbestaande, mijn moeder maakte zich zorgen over mij en mijn lief trapte het af.
In tussentijd ging het ook met De Financieel-Economische Tijd niet meer zo goed. De zakenkrant zag zijn lezersaantallen zwaar afkalven (ook een gevolg van het barsten van de beursbubbel), en het VEV wilde van het armlastige kind af. De Persgroep sloot een joint-venture met Rossel, en uiteindelijk werd de overname in september 2005 bezegeld met groen licht van de Raad voor de Mededinging.
Maar al vele maanden daarvoor bereidde De Morgen zich voor op de Grote Synergie met De Tijd. De nieuwe hoofdkaas (die eigenlijk al eens eerder hoofdkaas geweest was en zowat de smoel van de gazet is) trok zich eigenlijk geen kloten meer aan van DFM en van Eco. Of hij deed toch heel veel moeite om niet die indruk te geven. Ik heb in die vier jaar dat ik er rondliep amper meer dan twee woorden met hem gewisseld.
We werden niet meer zo agressief afgeblaft, maar de nieuwe oude kaas was ondanks zijn ogenschijnlijk totaal gebrek aan betrokkenheid bij DFM toch duidelijk niet erg tevreden over wat de heren en dames economieredacteuren, de chef economie incluis, op zijn krant presteerden. Ons werd verweten een spelletje “zal ik hem eens op tafel leggen, dan kun je ermee spelen” te spelen met de kaas. Ik heb die e-mail bijgehouden, want dat vond ik wel een goeie. Nooit met ons praten en dan zeggen dat wij van slechte wil zijn. Pull the other one!
En toen kwamen de aangetekende brieven. Ik kreeg er ook een, halverwege 2004, geloof ik. Aanleiding was dat ik zogezegd drie keer in één week belangwekkend economisch nieuws gemist had. Ik kreeg een aangetekende waarschuwingsbrief van de hoofdkaas waarin me verweten werd dat ik incompetent, niet alert genoeg et cetera et cetera was. Ook onze jongste economieredactrice viel die eer te beurt. Ik kon het op den duur niet meer aanzien: ze was een huilend wrak geworden.
Tijdens de zomer van 2005 hakte ik de knoop door en pakte ik mijn biezen. Ik ging aan de slag bij de socialisten in het Europees Parlement. Onze jongste redactrice vertrok ook. We werden niet vervangen. Onze grootste redacteur werd in de freelance geduwd, en ik geloof dat hij het na een passage op cultuur ook helemaal voor bekeken hield en voor zichzelf begonnen is. Onze minst jonge economieredactrice werd naar binnenland verhuisd.
En toen was de deal met De Tijd rond en werd het economiekatern van De Morgen gereduceerd tot een paginaatje of wat waar de twee overblijvende redacteurs herkauwde stukken van de nieuwe zusterkrant mochten plaatsen. Probleem opgelost: we hoeven ons de kop niet meer te breken over dat deel van de krant.
Toen het nieuws over mijn vertrek bekend raakte, verklaarden sommigen op de redactie mij zot. Ik was een overloper naar de politiek, ik had kleur bekend, ik zou nu zeker nooit meer aan de slag kunnen als journalist, en ik zou al na een paar maanden spijt hebben van mijn vertrek bij Die Grote Gewaardeerde Courant. Ik vrees dat zij nu zullen moeten toegeven dat ik op tijd weg ben gegaan bij De Morgen. En dat zij nu een probleem hebben.
Want na mijn vertrek is het daar duidelijk pas echt in de patatten gevallen. Gezonde mensen van rond de dertig kotsen overspannen de boel onder op weg naar het werk. Dat is niet normaal. Bij elk ander bedrijf zou de directie eens grondig onderzoeken hoe dat allemaal komt, al was het maar om de economische schade door ziektedagen te beperken. Alle mensen die hun bek durfden opentrekken zijn aan de deur gezet, samen met een paar mensen die deel uitmaakten van de ziel en de essentie van De Morgen. Degenen die moeten blijven, zullen de twee nieuwste hoofdkazen moeten blijven verdragen, die naar het schijnt “ook niet zo echt waw fantasties” zijn.
En de lezers beginnen dat door te hebben. In mijn omgeving verlengt zowat niemand zijn abonnement. Ze vinden De Morgen ook niet meer goed, het is te veel popcorn en te weinig dwarsigheid. Hoeveel lezers hetzelfde zullen doen, valt nog af te wachten. Maar het ziet er niet goed uit, jongens.
Rest de vraag of dit allemaal zo erg is.
Voor mij persoonlijk helemaal niet. Ik heb geen spijt van mijn tijd bij de gazet, en ik heb er zeer veel goede vrienden gemaakt en veel geleerd over Het Leven. Maar ik heb er ook nog geen minuut spijt van gehad dat ik gegaan ben bij De Morgen. Ik ben (hout vasthouden) weer in goede lichamelijke en geestelijke gezondheid. Ik ben geen gestresseerd wrak meer en ik vind plezier in wat ik nu doe. En ik heb weer tijd voor hobby’s en een sociaal leven. Ik vind het alleen spijtig dat De Morgen mijn jongensdroom vermoord heeft: ik heb de journalistiek achter me moeten laten voor mijn carrière er goed en wel op gang gekomen was. Zelfs mijn lijf kon niet meer mee.
Voor de media is wat bij De Morgen gebeurt wel erg. In het Europees Parlement is het me beginnente dagen hoe groot de wereld buiten de gazet wel is. Wie bij De Morgen werkt, beperkt zichzelf paradoxaal genoeg enorm sterk. Die krant heeft een oplage die amper in de 50.000 loopt, en dat is een lachertje vergeleken met de miljoenenoplages die sommige andere Europese kranten halen.
Het gevolg van die kleine schaal is dat er ook geen budgetten zijn om voldoende competente journalisten binnen te halen én aan boord te houden. Bovendien hebben die journalisten nooit tijd om eens diep te graven, want ze moeten met een piepkleine equipe dagelijks al die pagina’s vullen. Het gevolg is dus dat de journalisten van De Morgen bijna altijd van op hun bureautje werken en amper de tijd kunnen nemen om eens rustig te gaan netwerken en een ordentelijk adresboek uit te bouwen. En om eens aan een tekst te schaven tot hij perfect is.
Tel daar dan nog eens het rampzalige people management en de grenzeloze incompetentie van sommige hoofdkazen bij, en het kleinste kind ziet dat er een moment zal komen waarop De Morgen een keer de dieperik in zal gaan. De vis is rot aan de kop. En ik vrees dat de dood van de rest van het lichaam ook niet lang meer op zich zal laten wachten. In dat geval is er wéér een titel minder. Wéér een belangrijk medium weg.
Je kunt dat weinig vinden, 120 protesterende lezers op het gras van de Arduinkaai, maar ik vind dat verdomd veel. De Humo wijdt nu een mooi stukje aan de ontslagen… what’s next? Vergelijk het met Nike: die kregen het ook zwaar aan de stok met de consument van hun schoenen toen bleek dat ze het niet zo nauw namen met de arbeidswetgeving in hun sweatshops in Vietnam.
En de lezer van De Morgen zal het ook niet erg lang blijven pikken dat zijn gazet op een sociaal en emotioneel kerkhof gemaakt wordt. Want voor het eerst heeft de rotte interne situatie ook een extern effect op het product en op de lezer. Filip Claus weg, Bernard Dewulf, de eindredactie gekortwiekt… Uw gazet zal binnenkort niet meer zo vertrouwd aanvoelen.
De Morgen was een droom, een ideaal, maar die droom is in sneltempo aan het vervliegen. Als de hoofdkazen nu nog eens twijfelen over de juiste marsrichting, gaat het recht naar de afgrond. En verliest ons land wat ooit een kritisch en idealistisch kwaliteitsdagblad was.
Onzin
26 mei 2009
Zo-even nog een keer mijn ex-krant gelezen. Op pagina 30 staat een interview, neergepend door mediajournalist Brecht Decaestecker, met de heer Christian Van Thillo, de grote baas van De Persgroep en haar printafdeling De Persgroep Publishing. Mijnheer Van Thillo heeft het onder meer over de staking bij De Morgen van maandag 18 mei. Daar zegt hij het volgende over:
“Zo’n staking is nooit eerder in ons bedrijf gebeurd en was zeer pijnlijk”, reageert Van Thillo. “We hebben geleerd dat de procedure van de wet-Renault niet aangepast is aan onze sector. De procedure is zeer slopend. Daar worden mensen uiteindelijk moe en emotioneel van.”
Naar mijn weten hebben de lezers van De Morgen niet mee onderhandeld. Zij konden dus niet moe zijn door de maandenlang aanslepende onderhandelingen. Toch reageerden ook de lezers emotioneel, impulsief zelfs. Velen – als ik de berichten op Twitter en de statussen op Facebook mag geloven – zegden prompt hun abonnement op, sommigen organiseerden inderhaast een heus lezersprotest dat op een bloedhete dag met massa’s communiefeesten toch 150 man naar de Brusselse Arduinkaai lokte. (Hoeveel zouden er tussen haakjes voor het respectabele dagblad De Standaard komen opdagen?) Mag ik in dat verband spreken van emotionele betrokkenheid?
Ook het feit dat deze blog, nauwelijks twee weken oud, in totaal al 12.685 bezoekers mocht verwelkomen (de tussenstand op dinsdag 26 mei 2009 om stipt 15 uur), toont aan dat de collectieve ontslagen bij De Morgen iets hebben losgeweekt in de buitenwereld. Iets dat verder reikt dan goedkoop medeleven met dertien sukkelaars die hun cv nog eens zullen moeten afstoffen. Dit hele conflict gaat over de identiteit van de krant en daar gaat nu eenmaal een stevige portie emotie mee gepaard. Maar dat mag dus niet.
Of toch niet voor iedereen. Want de heer Van Thillo heeft zelf ondervonden dat waar het hart vol van is, de mond van overloopt, zoals blijkt uit een tweet van Brecht Decaestecker op dinsdag 19 mei, de dag dat er geen krant verscheen:
Christian Van Thillo heeft de redactie laten weten dat het vandaag zijn droevigste dag uit twintig jaar De Persgroep was
De heer Van Thillo heeft zijn mail naar de redactie van De Morgen zelfs afgesloten met de uitsmijter: “En ik ben niet eens kwaad, het stemt me gewoon heel droevig.” (Omdat mijn mailaccount al twee uur na mijn ontslagtelefoon afgesloten was, heb ik die boodschap zelf nooit ontvangen. Met dank aan het commentaar van de heer John Doe onder dit bericht voor de oorspronkelijk mail.)
Die mail was niet de enige blijk van doorvoelde emoties bij mijnheer Van Thillo. In het interview met Brecht Decaestecker zegt de succesvolle mediamagnaat, voor ‘heel’ krantenlezend Vlaanderen:
“Velen vergeten dat twee derde van de geschiedenis van De Morgen zich binnen ons bedrijf heeft afgespeeld, waardoor we een grotere emotionele band met die krant hebben dan vaak wordt gezegd.”
Mag het even dat ook de (ex-)personeelsleden een grotere band hebben met hun krant dan door de directie werd verwacht? Dit gaat, zoals in eerdere berichten op deze blog al aangegeven, niet over een louter zakelijke herstructurering, dit gaat over een mooi meegenomen afrekening, ingegeven door het gekwetste gemoed (Aaargh! Emotie!) van de heer algemeen hoofdredacteur Klaus ‘Ik ben geen rancuneuze mens’ Van Isacker, van wie het na dik twee jaar nog altijd niet duidelijk is welke toekomst hij in petto heeft voor De Morgen, behalve dat hij er een ‘strakke en slimme’ krant van wil maken. Die wel ontstellend korte plaat is na twee jaar zo ongeveer kapot gedraaid.
Maar gelukkig is er de heer Van Thillo om de boel te redden, de gemoederen te bedaren en alle paniek over de nieuwe marsrichting van De Morgen de kop in te drukken, want zijn laatste zin in het interview in de krant van vandaag luidt:
“Wie beweert dat we aan de ideologische lijn van De Morgen willen raken, kraamt onzin uit.”
Dus John Vandaele, een oud-De Morgen-journalist die de redactie allang verlaten had voor ik er mijn zesjarige carrière nog moest beginnen, kraamt onzin uit in zijn relaas over hoe het de economieredactie vergaan is onder de heer Van Thillo? Laat ons hopen. Niet dat ik als tamelijk succesvol amateur-belegger (ik heb alleen nog maar geld gewónnen met aandelen van Fortis en KBC, meerdere malen zelfs) vies ben van aandeelhoudergericht beursnieuws, maar: hebben we daar niet al De Tijd voor?
Ik kan alleen maar vaststellen dat John Vandaele gelijk gekregen heeft: de economieredactie van De Morgen heeft doorheen de jaren haar menselijke en sociale benadering van de economie moeten opgeven om meer te gaan schrijven zoals De Tijd dat doet. En toen werd ze – met het economisch zeer logische maar journalistiek ongehoorde argument ‘leve de synergie’ – opeens afgeschaft. De vrijgekomen ruimte wordt voortaan opgevuld door, inderdaad, De Tijd.
Wat de heer Van Thillo dus eigenlijk wilde zeggen, is:
“Wie beweert dat we nu nóg meer aan de ideologische lijn van De Morgen willen raken, kraamt onzin uit.”
Vrouwen
26 mei 2009
Een kleine telling leert ons dat er op de redactievloer van De Morgen nog exact zeventien vrouwen rondlopen na het opstappen van politiek journaliste Liesbeth Van Impe. Op een totaal van tachtig redactieleden is dat minder dan een vierde. Goed bezig voor een krant die pocht met haar open geest en ruimdenkendheid.
Onhandige Duitser
25 mei 2009
Door een bericht dat vandaag op de site van De Morgen stond, moest ik onvrijwillig terugdenken aan wat er het afgelopen jaar, tot en met deze hete lentedag, al allemaal gebeurd is op mijn ex-krant:
Onhandige Duitser schiet eigen penis af
Een Duitser heeft zichzelf in zijn kruis geschoten. De 27-jarige Lukas Neuhardt wilde stoer doen voor zijn vrienden met zijn pistool. Hij was echter vergeten de veiligheidspal in te schakelen. Toen hij het schietijzer nonchalent in zijn broekzak moffelde, ging het af.
Uit schaamte vertelde hij de artsen “dat een overvaller hem in zijn kruis had geschoten”. Een verklaring die de politie snel doorzag. “Alleen in de broekzak zat een brandgat, dus of het was het schot van de eeuw, of hij heeft het zelf gedaan”, aldus een politiewoordvoerder.
Na een operatie wacht Neuhardt mogelijk een gevangenisstraf van drie jaar wegens overtreding van de wapenwet. De Duitse overheid scherpte onlangs deze wet aan na het bloedbad op een school in Winnenden.
Leegloop
25 mei 2009
Het is nu 20.32 uur, op maandag 25 mei 2009, en mijn hart voelt alsof het al twee minuten lang stil staat. De Facebookstatus van Liesbeth Van Impe, politiek journaliste bij De Morgen en een absolute kanjer in haar branche, is de reden. Dit staat er te lezen:
Liesbeth Van Impe heeft net ontslag genomen bij de krant. En nee, ze weet nog niet wat ze nu gaat doen.
Mag ik er u aan herinneren dat het nog minder dan twee weken te gaan is voor de nogal cruciale regionale verkiezingen van 7 juni? Dat De Morgen nu niet alleen een van zijn grootste talenten, maar ook een bijzonder sterke vertegenwoordigster van het personeel en een wreed sympathieke madame verliest? En dat de hoofdredactie dat enkel en alleen aan haar volstrekt egoïstische zelf te danken heeft?
Als je als algemeen hoofdredacteur van een krant een toptalent als Liesbeth Van Impe kwijtspeelt zónder dat zij weggevangen wordt door de concurrentie, zónder dat zij meteen in een andere job kan stappen, mag je je eindelijk eens beginnen af te vragen: where the fuck did we go so absolutely wrong? En wat de respectabele heren hoofdredacteurs zich nu meer dan ooit mogen afvragen: komt de leegloop, die al een goed jaar bezig is, nu werkelijk in een stroomversnelling? En zullen zij die zelf wel overleven?
In ieder geval veel respect voor Liesbeth. Zij heeft een zeer moedige en vooral zeer consequente beslissing genomen. Dat maakt haar als persoon nog waardevoller, als journaliste nog geloofwaardiger.
Sterkte.
Moed.
Volharding.
Succes!
Lichtjes aangeslagen groeten van je collega-ex-collega,
tim
Boeckenspieghel
21 mei 2009
De laatste ‘modaliteiten’ van mijn ontslag zijn geregeld. Daarvoor moest ik gisteren (woensdag 20 mei) op gesprek bij hr-manager van De Persgroep Publishing Hans De Graef. Werkelijk mijn allerlaatste keer op de redactie van De Morgen. Omdat het de dag vóór een feestdag was, zat er geen kat. Alle bureaus verlaten, de buzz van opborrelend nieuws volledig afwezig, geen één rinkelende telefoon: een bevreemdend decor.
Ik was per trein van mijn geliefde thuisstad Gent naar Brussel gekomen. Op de trein zat ik te lezen in De Kapellekensbaan van Louis Paul Boon, het eerste boek uit een (alweer) prestigieuze literatuurcollectie van De Morgen: Parels uit de Nederlandstalige literatuur. Lezertjes kunnen zich die collectie voor een appel en een ei eigen maken zolang ze de eveneens prestigieuze zaterdagkrant maar blijven kopen. Ik denk dat de erven Louis Paul Boon het mij wel zullen vergeven als ik het hoofdstuk citeer dat ik daar op de trein met grote interesse heb opgeslorpt.
DE BOECKENSPIEGHEL
Over de kapellekensbaan moet mij in de loop der tijden al wat ambras en miserie gegaan zijn… een mens ziet er sneeuw of zonneschijn over, en peinst daarmee alleen maar aan de schoonheid er van, aan tippetotje de schilderes, aan johan janssens in zijn hoedanigheid van dichter… maar vandaag ist noch zonneschijn noch sneeuw, maar iets dat nat en killig en duister en ochgodverdomme is: daar hangt mij ginder een zwarte vlaag. En tippetotje de schilderes haast zich naar huis met haar tamasjoer van opgevouwen ezel en verfdoos en doek, en met haar kraag omhoog getrokken loopt zij haast johan janssens omver, die haar haast omver loopt: de vlaag komt naar hier over, zegt tippetotje.
En johan janssens knikt: ze komt vaneigens naar hier, ze hangt al over mijn hart en mijn ziel en mijn penis… nu dat we hier alleen lopen in dat hondeweer, tippetotje, mag ik eens mijn hart uitstorten, want met die dagbladen moet ge altijd op uw woorden letten… de vlaag hangt rond mijn penis die gelijk een klein schreiend kind in een hoekje gekropen is: want heel de dag heb ik nu hoekjes geschreven voor het dagblad… niet over den-vos-reinaerde, of niet over de kapellekensbaan, maar iets naar de goesting van de hoofdredacteur, iets dat ik ondertekend heb met de schuilnaam boeckenspieghel… omdat ik het niet ‘alweer een uil’ zou moeten genoemd hebben. En ik heb er de grote ideeën van onze grote tijdschriften in weergegeven… zonder commentaar… en ondertussen was ik aan het bedenken dat al die tijdschriften ook mij gevraagd hebben om er mijn grote ideeën in neer te schrijven… och godverdomme tippetotje, laat mij eens hartsgrondig vloeken nu we hier alleen zijn: dat ze tussen hun benen kijken, daar hangt nog een Grote idee. Ik heb geen grote ideeën, ik schrijf maar gelijk gij maar schildert, en ik weet alleen dat de mensen, buiten hier en daar een uitzondering, dom en egoïstisch zijn… dat ze in hun tijdschriften op de eerste bladzijde wit zeggen en op de volgende zwart…en dat men van mij een fatsoenlijke historie verlangt ‘een aanklacht van het proletariaat tegen de trusten’ met onbeholpen woorden en enkele taalfouten – dat verhoogt het cachet, de werkjongen die dichter en dagbladschrijver is geworden – maar ik mag niets zeggen dat de waarheid is of mijn bijdragen worden… niet geweigerd, neen… maar NIET gepubliceerd. En ik weet ook dat ze in hun tijdschriften grote woorden gebruiken om de leegheid van hun opgeblazen hoofd mee te verbergen… gelijk de componenten van een microcosmische perceptie of conceptie van de physieke en psychische levensrealiteit die aangrijpt en inslaat… maar dat iemand onder hen er aan denkt om eens iets degelijks te maken, om eens wat klaarheid in de chaos te brengen: doch alleen maar om hun eigen naampje eens gedrukt te zien: pascalius prostituaan… of neen, ik vergeet zijn titel: dr. pascalius prostituaan. En omdat ik ook op de redactie tegen alle muren met mijn kop aanloop, omdat het omtrent mijn werk verontwaardigde brieven regent naar de hoofdredacteur, omdat een zeker kliekje uit de ultramarxistische wereld konkelfoest… daarom bezwijk ik, tippetotje, en schrijf ik uilenhoekjes: de boeckenspieghel.
En tippetotje kijkt naar de lucht die één lucht is, en zegt: ze zal misschien nog overgaan, de vlaag.
Ik denk dat het tegenwoordig ook bij De Morgen verontwaardigde brieven regent, zij het natuurlijk om andere redenen. Alleen: de algemeen hoofdredacteur heeft begin deze week de toegang tot de lezersbrieven laten blokkeren, zodat het personeel, een bende kleuters die zich onmiddellijk en zonder nadenken iets zots en doms op de hals zouden halen als ze nog maar een verontwaardigde lezersbrief onder ogen krijgen, enkel die brieven kan bekijken die zijn hoogstpersoonlijke goedkeuring wegdragen.
Mail aan de collega’s
18 mei 2009
Vrienden,
Mijn e-mailaccount bij De Morgen is officieel, technisch en definitief dood, maar ik zou mezelf niet zijn als dat me had tegengehouden om jullie allemaal te bedanken voor de bijzonder onderhoudende jaren die ik beleefd heb op de Arduinkaai 29 te Brussel. Vooral het afgelopen half jaar was zo geestig en opwindend dat ik zelfs meermaals vergeten ben wat voor een ondankbare kutjob eindredacteur spelen geworden is op De Morgen. (Ben ik blij dat ik er vanaf ben? Bahjagij!)
De befaamde koelkast vol edel trappistenbier die zich plotsklaps onder mijn bureau leek te bevinden heeft natuurlijk ook geholpen om onze nogal belegen hoofdkazen te verteren. Mijn respect gaat uit naar alle collega’s – zowat iedereen dus – die mij een half jaar lang mijn dagelijkse portie gerstenat van hoge gisting hebben gegund. Dat een uit de hand gelopen practical joke uiteindelijk een van de weinige contacten tussen de Algemeen Hoofdredacteur en een lid van de eindredactie heeft opgeleverd, doet mij de hele Frigohistorie vergelijken met één slok Westmalle Tripel: heerlijk zolang het duurt, maar met een niet te ontkennen nasmaak van lichte bitterheid op het einde.
Contact met de Algemeen Hoofdredacteur is voor geen enkele eindredacteur heilzaam gebleken. De drie eindredactionele sukkelaars die in tegenstelling tot hun naaste collega’s wél tot in het bureau geraakt zijn van de Managing Editor, zoals de brave man zichzelf nietsvermoedend maar veelbetekenend betitelt op LinkedIn.com, hebben het alledrie met een C4 moeten bekopen: Maarten, Vicky en ikzelf. Vlogen wij als Icarussen te hoog, waarop de Zonnegod het nodig vond onze vlerken te schroeien?
De vele sms’jes met woorden van appreciatie die ik afgelopen weekend ontvangen heb, stellen gelukkig het beeld bij dat het redigerend management ons bij monde van Solidair Hoofdredacteur Nr. 3 al zolang probeert voor te houden: dat wij, eindredacteurs, zielige fuck-ups zijn die de artikels van de journalisten alleen maar kunnen verknoeien. Oké, ik kan me gerust enkele teksten herinneren die ik verkloot heb, zeker toen ik nog freelancete voor die uithoek van de redactie waar men het enkel had over balleke-trap en veloke-rij, maar meestal heb ik mijn job uitgeoefend met liefde, interesse, gedrevenheid en een zekere neiging om onnozele doch wervende foto-onderschriften te fabriceren.
Dat mijn ontslag ervoor zorgt dat ik de kelk van het eindredactionele underachievement eindelijk weer aan mij kan laten voorbijgaan, stemt me vreugdevol. Sowieso heeft een toenmalige adjunct-hoofdredacteur van wisselvallig gemoed maar consistente beunhazerij mij drie jaar geleden beloofd dat ik na twee jaar eindredactie wel weer volop zou kunnen schrijven. Dat die belofte nog altijd meer zegt over degene die haar uitsprak dan over mijn toekomst bij de krant De Morgen, is tekenend voor de vergeetput die men op onbewaakte momenten de eindredactie durft te noemen.
Gelukkig ben ik eruit ontsnapt voor ze van die vergeetput een full blown beerput maken.
Met vriendelijke groeten, nog eens bedankt voor de vele mooie, zo niet hilarische momenten en tot op een drink in de Vooruit waarop iedereen welkom is (datum en zo volgt nog),
tim
PS: Zelfs de hoofdkazen zijn welkom in de Vooruit. Recuperatie zoals op het feestje van Jeroen de Preter zal deze keer natuurlijk níét getolereerd worden.
























